Job
1-3 De grootheid van God 4-6 De nietigheid van de mens
De grootheid van God

1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:
2Heerschappij en diep ontzag zijn bij Hem,
Hij maakt vrede in Zijn hoogten.
3Zijn Zijn troepen te tellen?
En over wie gaat Zijn licht niet op?

Bildad antwoordt Job (vers 11Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:
)
. Het is zijn laatste antwoord. Zijn munitie is op. Het is nauwelijks een antwoord te noemen. Het lijkt wel een laatste stuiptrekking van de drie vrienden. Met wat hij zegt, sterven de woorden van de vrienden weg. Hierna is ook hij uitgepraat en in feite verslagen. Van Zofar, die hierna aan de beurt zou moeten zijn, horen we helemaal niets meer. Ze hebben al hun argumenten naar voren gebracht, maar Job in geen enkel opzicht van de juistheid ervan kunnen overtuigen. Bildad blijkt niet in staat te zijn om Jobs opmerkingen te beantwoorden; hij komt ook niet met een nieuw gezichtspunt.

Bildads antwoord is kort en bevat de twee punten waarop hij en zijn vrienden steeds hebben gehamerd (Jb 4:1717Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God?
Zou een man rein zijn voor zijn Maker?
; 15:1414Wat is de sterveling dat hij zuiver zou zijn,
en dat hij, geboren uit een vrouw, rechtvaardig zou zijn?
)
. Bij gebrek aan argumenten komt Bildad hier in feite tot een herhaling van zetten. Hij stelt de majesteit van God voor en daar tegenover de nietigheid van de mens. Hij wijst erop dat God Zijn begrensde schepping, die voor ons bevattingsvermogen onbegrensd is, ver te boven gaat (vers 22Heerschappij en diep ontzag zijn bij Hem,
Hij maakt vrede in Zijn hoogten.
)
. God alleen is onbegrensd. In Zijn onbegrensdheid bezit Hij ook almacht en alle gezag. Hij regeert over alles en iedereen (Js 40:12,22,2612Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
22Hij is het Die zetelt boven de omtrek van de aarde,
waarvan de bewoners als sprinkhanen zijn.
Hij is het Die de hemel uitspant als een dunne doek
en uitspreidt als een tent om in te wonen.
26Sla uw ogen op naar omhoog,
en zie Wie deze dingen geschapen heeft;
Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,
ze alle bij name roept
door [Zijn] grote vermogen en [Zijn] sterke kracht;
er ontbreekt er niet één.
)
. Alle “heerschappij” is in Zijn handen. Tegenover Hem past de mens alleen “diep ontzag” (vgl. Jr 10:77Wie zou U niet vrezen, Koning van de heidenvolken?
Want [dat] komt U toe.
Immers, onder al de wijzen van de heidenvolken
en in heel hun koninkrijk is niemand U gelijk.
)
.

God is de Maker van “vrede in Zijn hoogten”, wat ziet op de orde die Hij in het heelal tussen Zijn ontelbare en onbevattelijke scheppingswerken heeft aangebracht. Het heelal ademt Zijn almacht. In het heelal staat niets op zichzelf. Alles maakt deel uit van een geheel dat door Hem harmonieert, door Zijn natuurwetten. Door het woord van Zijn kracht houdt Hij alles in stand en wordt door Hem naar het doel gebracht dat Hij heeft bepaald (Hb 1:33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,). Hij is vrede in Zijn natuur. Die vrede is zichtbaar in Zijn werken.

In alles wat Hij doet, staan ontelbare menigten engelen Hem ter beschikking (vers 33Zijn Zijn troepen te tellen?
En over wie gaat Zijn licht niet op?
; Hb 12:2222maar u bent genaderd tot [de] berg Sion; en tot [de] stad van [de] levende God, [het] hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen,; Op 5:1111En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rond de troon en de levende wezens en de oudsten, en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,)
. Op Zijn gezag gaan zij en doen wat Hij wil. Hij bewoont “een ontoegankelijk licht” (1Tm 6:1616Hij Die alleen onsterfelijkheid heeft, Die een ontoegankelijk licht bewoont, Die geen mens gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen.). “God is licht” (1Jh 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.). Daarom is niets voor Hem verborgen, niemand kan zich aan Zijn ontdekkende licht onttrekken. In Zijn licht wordt ieder gezien en openbaar. “Hij openbaart diepe en verborgen dingen, Hij weet wat in het duister is, want het licht woont bij Hem” (Dn 2:2222Hij openbaart diepe en verborgen dingen,
Hij weet wat in het duister is,
want het licht woont bij Hem.
)
.


De nietigheid van de mens

4Hoe zou een sterveling dan rechtvaardig zijn voor God,
En hoe zou hij, geboren uit een vrouw, zuiver zijn?
5Zie, tot aan de maan toe – ze is niet helder,
en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen.
6Hoeveel te minder een sterveling, [die] een made is,
en een mensenkind, [dat] een worm is!

Nadat Bildad in de vorige verzen over de grootheid en verhevenheid van God heeft gesproken, spreekt hij vervolgens over de geringheid van de mens (vgl. Ps 8:4-54Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U [hun] plaats gegeven hebt,
5wat is [dan] de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de mensenzoon, dat U naar hem omziet?
)
. Alle openbaring van Gods grootheid en zuiverheid zou in de mens het besef van nietigheid, onreinheid en zondigheid moeten bewerken (vers 44Hoe zou een sterveling dan rechtvaardig zijn voor God,
En hoe zou hij, geboren uit een vrouw, zuiver zijn?
)
. Bildad zegt dit weer met het oog op Job.

God is volmaakt in heiligheid. Hoe zou dan een mens (lees: Job), geboren uit een sterfelijk mens, zuiver zijn in Gods oog (vgl. Jb 14:44Wie zal een reine geven uit een onreine?
Niet één.
)
? Niets van de schepping, ook de maan en de sterren niet die zo helder stralen in de nacht, is zuiver in Gods ogen (vers 55Zie, tot aan de maan toe – ze is niet helder,
en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen.
; vgl. Jb 4:1818Zie, [zelfs] Zijn dienaren vertrouwt Hij niet,
en Zijn engelen legt Hij dwaling ten laste.
; 15:1515Zie, [zelfs] op Zijn heiligen vertrouwt Hij niet,
en [zelfs] de hemel is niet zuiver in Zijn ogen.
)
. Job beweert dat hij rein is, maar dat klopt helemaal niet, volgens Bildad. Alles en iedereen legt het af tegen God in Zijn heiligheid en gerechtigheid.

Tegenover de heilige en verheven majesteit van God zijn zelfs de heldere maan en de sterren niet zuiver, laat staan de nietige mens die niet meer is dan een made, een worm (vers 66Hoeveel te minder een sterveling, [die] een made is,
en een mensenkind, [dat] een worm is!
)
. Zijn lichaam is uiterst breekbaar. Als een mot kan hij worden doodgedrukt (Jb 4:1919Hoeveel te meer [dan mensen], die in lemen huizen wonen,
waarvan het fundament in het stof is?
Zij worden nog eerder verbrijzeld dan een mot.
)
. En hoe zwak zijn ook zijn intelligente vermogens. Niemand lijdt zonder het verdiend te hebben, want ieder mens is een made, een worm, vergeleken bij God. Elifaz laat de mogelijkheid nog open om na bekering hersteld te worden (Jb 22:2323Als je je bekeert tot de Almachtige, zul je gebouwd worden.
Doe het onrecht ver weg van je tent.
)
, maar de vraag van Bildad of een mens rechtvaardig kan staan voor God, veronderstelt een ontkennend antwoord.

Ieder mens verdient het om voor zijn zonden gestraft te worden. Maar er is een mogelijkheid om gerechtvaardigd te worden. Dat is door het geloof in de Heer Jezus. Wie zijn zonden belijdt en gelooft in Hem, is gerechtvaardigd. De Heer Jezus werd Mens om dat mogelijk te maken. In Hem als Mens zien we Gods welgevallen in de mens.


Lees verder