Job
Inleiding 1-6 De vreugde van de goddeloze is kort 7-11 Hij wordt spoedig afgesneden 12-16 De goddeloze vergiftigt zichzelf 17-21 Voorspoed in het verleden baat niet 22-25 Vergelding 26-28 De toorn blijft 29 Conclusie van Zofar
Inleiding

Zofar is aan de beurt voor een tweede toespraak. Hij is de heftigste spreker. Van de vrienden is hij degene die er het minst twijfel over laat bestaan wie hij bedoelt. Door zijn vurigheid is hij ook het eerst uitgesproken. Dit is zijn tweede en tevens laatste toespraak. De beide andere vrienden zullen Job nog een derde keer toespreken en daarna ook zwijgen.

Wat Zofar zegt, is bijna allemaal waar. Zijn grote dwaling is dat hij alles wat hij zegt, toepast op een rechtvaardige. Als we de ondertoon van zijn woorden enigszins proeven, lijkt het erop dat Zofar iemand is die spreekt vanuit het comfortabele feit dat hij zelf gezond en welvarend is en daarin, voor zichzelf, het bewijs ziet van zijn eigen goedheid en rechtvaardigheid.

Zofar maakt in zijn betoog schitterend en meesterlijk gebruik van de Hebreeuwse taal in dichtvorm, een literair hoogstandje. Des te tragischer is het dat een verkeerde boodschap op zo’n schitterende wijze verpakt en gebracht kan worden.

Hij begint (verzen 1-31Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei:
2Daarom laten mijn gedachten mij antwoorden,
en vanwege [deze woorden] haast ik mij.
3Ik heb een bestraffing gehoord die mij schande aandoet;
maar de Geest zal op grond van mijn inzicht voor mij antwoorden.
)
met zich te verantwoorden waarom hij opnieuw met woorden ten strijde gaat. Vervolgens (verzen 4-294Weet je dit? Dat altijd al,
vanaf [het moment] dat [God] de mens op de aarde geplaatst heeft,
5het gejuich van de goddelozen van korte duur geweest is,
en de blijdschap van de huichelaar [maar] voor een ogenblik,
6ook al klimt zijn hoogmoed op tot de hemel,
en raakt zijn hoofd tot aan de wolken.7Hij zal, evenals zijn uitwerpselen, voor altijd vergaan;
wie hem gezien hebben, zullen zeggen: Waar is hij?
8Hij zal wegvluchten als een droom, zodat men hem niet [meer] kan vinden,
en hij zal verjaagd worden als een visioen in de nacht.
9Het oog dat hem waarnam, [doet dat] niet meer;
en zijn [woon]plaats ziet hem niet meer.
10Zijn kinderen proberen bij de armen in de gunst te komen;
en zijn handen moeten zijn vermogen teruggeven.
11Zijn beenderen zijn [nog] vol van zijn jeugdige kracht,
maar ze zullen met hem in het stof neerliggen.12Als het kwaad in zijn mond zoet is,
[als] hij dat verbergt onder zijn tong,
13[als] hij dat spaart en het niet laat varen,
maar het tegen zijn gehemelte [blijft] houden,
14[dan] zal zijn voedsel in zijn ingewanden veranderen;
gif van adders zal het in zijn binnenste zijn.
15Hij heeft vermogen verslonden, maar zal het uitspuwen;
God zal het uit zijn buik verdrijven.
16Hij zal vergif van adders zuigen;
de tong van de slang zal hem doden.17Hij zal de stromen,
rivieren, beken van honing en boter niet zien.
18Hij zal de opbrengst teruggeven en niet verslinden;
hij zal niet genieten van de rijkdom van zijn handel.
19Omdat hij de armen onderdrukt [en] verlaten heeft,
een huis geroofd heeft dat hij niet gebouwd had,
20omdat hij geen rust in zijn binnenste gekend heeft,
zal hij van wat hij begeerde, niets [kunnen] redden.
21Er blijft niets over wat hij kan eten;
daarom verwacht hij niets [meer] van zijn welvaart.22In de volheid van zijn overvloed krijgt hij het benauwd;
de hand van iedere ellendige komt over hem.
23Laat er [wat] zijn om zijn buik te vullen,
[God] zal Zijn brandende toorn op hem zenden,
en [die] over hem laten regenen op zijn voedsel.
24Is hij gevlucht voor de ijzeren wapens,
[dan] zal de bronzen boog hem doorboren.
25Men trekt [de pijl], en hij komt uit zijn rug,
hij komt glinsterend uit zijn gal;
verschrikkingen komen over hem.26Alle duisternis [wacht] heimelijk op zijn verborgen [goederen].
Een vuur dat niet is aangeblazen, verteert hem;
wie is overgebleven in zijn tent, vergaat het slecht.
27De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren,
en de aarde staat tegen hem op.
28De inkomsten van zijn huis verdwijnen;
ze vloeien weg op de dag van Zijn toorn.29Dit is het [wat] de goddeloze mens van Godswege ten deel [valt],
en het erfelijk bezit van zijn woorden van Godswege.
)
beschrijft hij met veel aandacht voor detail hoe volgens zijn theologie een goddeloze er uitziet.


De vreugde van de goddeloze is kort

1Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei:
2Daarom laten mijn gedachten mij antwoorden,
en vanwege [deze woorden] haast ik mij.
3Ik heb een bestraffing gehoord die mij schande aandoet;
maar de Geest zal op grond van mijn inzicht voor mij antwoorden.
4Weet je dit? Dat altijd al,
vanaf [het moment] dat [God] de mens op de aarde geplaatst heeft,
5het gejuich van de goddelozen van korte duur geweest is,
en de blijdschap van de huichelaar [maar] voor een ogenblik,
6ook al klimt zijn hoogmoed op tot de hemel,
en raakt zijn hoofd tot aan de wolken.

Zofar is aan de beurt om Job te antwoorden (vers 11Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei:
)
. De snelheid en heftigheid van zijn reactie tonen aan, zoals vaker het geval is, dat hij oppervlakkige gedachten uit en geen waarheden van gewicht. Hij heeft zijn gedachten gevormd tijdens het spreken van Job zonder goed naar hem te luisteren. Die gedachten zal hij als antwoord gaan uitspreken (vers 22Daarom laten mijn gedachten mij antwoorden,
en vanwege [deze woorden] haast ik mij.
)
. Het zijn inderdaad zijn gedachten, niet die van God, hoeveel waarheid er ook zit in wat hij zegt. Hij zal er ook geen gras over laten groeien, want de woorden van Job moeten direct weersproken worden.

Job heeft namelijk een bestraffing uitgesproken – hij heeft het zelf gehoord – die hem schande aandoet (vers 33Ik heb een bestraffing gehoord die mij schande aandoet;
maar de Geest zal op grond van mijn inzicht voor mij antwoorden.
)
. Daarmee zal hij de ernstige waarschuwing van Job in de laatste verzen van het vorige hoofdstuk bedoelen. Die waarschuwing klinkt na. Wat Job daar tegen hen heeft gezegd, kan hij natuurlijk niet onbeantwoord laten. Daar beschuldigt Job hen maar liefst van een misdadig optreden tegen hem. Het is een schande!

Maar Zofar is er vol vertrouwen over dat zijn geest wel weet wat hij moet antwoorden. Daar heeft hij inzicht of verstand genoeg voor. Hij is zo overtuigd van zijn gelijk, dat correctie ondenkbaar, ja, beledigend voor hem is. Hij ziet zichzelf als iemand die de zaken, en vooral de zaak van Job, goed door heeft. Niemand maakt hem wat wijs. Nee, anderen, vooral Job, moeten naar hem luisteren, want hij heeft kennis van zaken.

Hij zal Job even bijpraten over iets wat al sinds de schepping bestaat (vers 44Weet je dit? Dat altijd al,
vanaf [het moment] dat [God] de mens op de aarde geplaatst heeft,
)
. Dat weet iedereen die een beetje verstand heeft. Het gaat over de vraag hoe het met de goddelozen en de huichelaar afloopt (vers 55het gejuich van de goddelozen van korte duur geweest is,
en de blijdschap van de huichelaar [maar] voor een ogenblik,
)
. Weet Job dat wel? Job heeft beweerd dat hij iets weet (Jb 19:2525Ik weet echter: mijn Verlosser leeft,
en Hij zal ten laatste over het stof opstaan.
)
, maar Zofar zegt dat Jobs kennis nieuwlichterij is, want die is niet gebaseerd op een juiste kennis van de geschiedenis. Dus is het dwaze kennis. Daarmee veegt Zofar Jobs betoog van tafel.

Zofar zal niet zeggen dat de goddelozen en de huichelaar geen plezier hebben, maar het is wel duidelijk dat dit altijd maar van korte duur is geweest. Wat Zofar zegt, klinkt wel indrukwekkend, maar het is niet altijd waar. Zo leefde Kaïn na de moord op zijn broer nog een lange tijd.

Voor Zofar is Job het bewijs dat het inzicht klopt dat hij heeft opgedaan in zijn bestudering van de geschiedenis. Job heeft voorspoed genoten en blijdschap gekend. Maar hij is in werkelijkheid een goddeloze en huichelaar. Daarom is die periode van voorspoed en blijdschap maar van korte duur, voor een ogenblik, geweest. Job kan zich nog zoveel verbeelden en met zijn hoofd in de wolken lopen, hij eindigt in rampspoed (vers 66ook al klimt zijn hoogmoed op tot de hemel,
en raakt zijn hoofd tot aan de wolken.
)
. Op de achtergrond speelt ook de gedachte dat de gezondheid en voorspoed die Zofar geniet, het bewijs zijn van zijn gelijk.


Hij wordt spoedig afgesneden

7Hij zal, evenals zijn uitwerpselen, voor altijd vergaan;
wie hem gezien hebben, zullen zeggen: Waar is hij?
8Hij zal wegvluchten als een droom, zodat men hem niet [meer] kan vinden,
en hij zal verjaagd worden als een visioen in de nacht.
9Het oog dat hem waarnam, [doet dat] niet meer;
en zijn [woon]plaats ziet hem niet meer.
10Zijn kinderen proberen bij de armen in de gunst te komen;
en zijn handen moeten zijn vermogen teruggeven.
11Zijn beenderen zijn [nog] vol van zijn jeugdige kracht,
maar ze zullen met hem in het stof neerliggen.

Als we even proberen te vergeten tot wie Zofar zich richt, spreekt hij in bloemrijke taal, vol met aansprekende voorbeelden. Hij is een expert in het beschrijven van het kwaad en de resultaten daarvan. Maar de toepassing op Job is te duidelijk om echt te kunnen vergeten tot wie hij spreekt. Job zal vergaan, en wel op de schandelijkste wijze: net als zijn uitwerpselen (vers 77Hij zal, evenals zijn uitwerpselen, voor altijd vergaan;
wie hem gezien hebben, zullen zeggen: Waar is hij?
)
. Uitwerpselen worden weggeveegd en nooit meer teruggezien. Er wordt ook niet naar terugverlangd. Zo zal het met Job gaan. Een dood lichaam dat met verachting wordt behandeld, wordt als mest op het veld geworpen (2Kn 9:3737En het dode lichaam van Izebel zal zijn als mest op het veld, in het stuk [land] van Jizreël, zodat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel.; Ps 83:10-1110Doe met hen als met Midian, als met Sisera,
als met Jabin aan de beek Kison:
11zij zijn weggevaagd te Endor,
zij zijn geworden tot mest op de aardbodem.
; Jr 8:22en ze uitspreiden voor de zon, voor de maan en voor heel het leger aan de hemel, die zij hebben liefgehad, die zij hebben gediend, die zij achterna zijn gegaan, die zij hebben geraadpleegd en waarvoor zij zich hebben neergebogen. Die zullen niet verzameld en niet begraven worden: als mest op de aardbodem zullen zij zijn.; 9:2222Spreek: Zo spreekt de HEERE:
De dode lichamen van de mensen liggen
als mest op het open veld,
als een graanschoof achter de maaier,
die niemand verzamelt.
; 16:44Zij zullen sterven aan dodelijke ziekten, er zal over hen geen rouw bedreven worden en zij zullen niet begraven worden, [maar] tot mest op de aardbodem zijn. Zij zullen door het zwaard en door de honger omkomen, en hun dode lichamen zullen tot voedsel zijn voor de vogels in de lucht en voor de dieren op de aarde.; 25:3333De door de HEERE dodelijk gewonden zullen op die dag van het [ene] einde der aarde tot aan het [andere] einde der aarde liggen. Er zal over hen geen rouw bedreven worden, zij zullen niet verzameld en niet begraven worden: tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.
)
.

De goddeloze vergaat op dezelfde wijze als een droom en een visioen (vers 88Hij zal wegvluchten als een droom, zodat men hem niet [meer] kan vinden,
en hij zal verjaagd worden als een visioen in de nacht.
)
. Een droom en een visioen zijn tijdelijke en vluchtige verschijningen. Ze zijn er even en verdwijnen dan weer. Ze kunnen niet worden vastgehouden en ook niet worden teruggeroepen. Als ze voorbij zijn, zijn ze onherroepelijk weg, weggevaagd als een nevel die oplost omdat hij door de wind wordt verjaagd.

Niemand zal hem nog onder ogen krijgen (vers 99Het oog dat hem waarnam, [doet dat] niet meer;
en zijn [woon]plaats ziet hem niet meer.
)
, want hij is net als een droom en een visioen die verdwenen zijn. De plaats waar hij heeft gewoond, ziet hem ook niet meer. Hij komt er nooit meer terug. Zijn plaats is leeg, alsof hij er nooit is geweest. Zijn kinderen vervallen tot de bedelstaf (vers 1010Zijn kinderen proberen bij de armen in de gunst te komen;
en zijn handen moeten zijn vermogen teruggeven.
)
. Hij laat niets na voor hen, want hij moet eigenhandig het vermogen teruggeven dat hij op oneerlijke wijze anderen heeft ontnomen.

Zelf kan hij nog zo vol van jeugdige kracht zijn, maar daar zal de voortijdige dood een einde aan maken (vers 1111Zijn beenderen zijn [nog] vol van zijn jeugdige kracht,
maar ze zullen met hem in het stof neerliggen.
)
. In de kracht van zijn leven zal hij krachteloos in het stof worden neergelegd en tot het stof vergaan waaruit hij is gemaakt (Gn 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
)
. En een vroegtijdige dood is volgens Zofar het bewijs dat God de goddeloze altijd straft.


De goddeloze vergiftigt zichzelf

12Als het kwaad in zijn mond zoet is,
[als] hij dat verbergt onder zijn tong,
13[als] hij dat spaart en het niet laat varen,
maar het tegen zijn gehemelte [blijft] houden,
14[dan] zal zijn voedsel in zijn ingewanden veranderen;
gif van adders zal het in zijn binnenste zijn.
15Hij heeft vermogen verslonden, maar zal het uitspuwen;
God zal het uit zijn buik verdrijven.
16Hij zal vergif van adders zuigen;
de tong van de slang zal hem doden.

Zofar stelt de goddeloze voor als iemand die de zonde als iets lekkers in zijn mond heeft (vers 1212Als het kwaad in zijn mond zoet is,
[als] hij dat verbergt onder zijn tong,
)
. Hij verbergt het onder zijn tong, want anders smelt ‘het zoete’ te snel en is het uit met de pret. Hij wil er zolang mogelijk van genieten. Hij koestert het kwaad en spaart het in zijn mond (vers 1313[als] hij dat spaart en het niet laat varen,
maar het tegen zijn gehemelte [blijft] houden,
)
. Het laten varen, het loslaten en ermee ophouden, is voor hem geen optie. Hij zal het zo lang mogelijk in zijn mond houden. Als hij het tegen zijn gehemelte houdt, geniet hij zolang mogelijk van de smaak ervan. De smaak ervan is toch zo goed …

Maar aan dit genot komt een einde. Als hij het lekkers heeft doorgeslikt en het in zijn buik en ingewanden is gekomen, veranderen de lekkernijen in “vergif van adders” (vers 1414[dan] zal zijn voedsel in zijn ingewanden veranderen;
gif van adders zal het in zijn binnenste zijn.
)
. Zonde is geen snoepgoed, maar slangenvergif. Wat hij aan vermogen gulzig heeft binnengehaald door het van anderen te roven, zal hij weer uitspugen (vers 1515Hij heeft vermogen verslonden, maar zal het uitspuwen;
God zal het uit zijn buik verdrijven.
)
. Daar zal God Persoonlijk voor zorgen. Wat de goddeloze aan zondig genot naar binnen heeft gezogen, is niets anders dan slangenvergif (vers 1616Hij zal vergif van adders zuigen;
de tong van de slang zal hem doden.
)
. Kortom, de dood van de goddeloze wordt veroorzaakt door zijn eigen zonde.


Voorspoed in het verleden baat niet

17Hij zal de stromen,
rivieren, beken van honing en boter niet zien.
18Hij zal de opbrengst teruggeven en niet verslinden;
hij zal niet genieten van de rijkdom van zijn handel.
19Omdat hij de armen onderdrukt [en] verlaten heeft,
een huis geroofd heeft dat hij niet gebouwd had,
20omdat hij geen rust in zijn binnenste gekend heeft,
zal hij van wat hij begeerde, niets [kunnen] redden.
21Er blijft niets over wat hij kan eten;
daarom verwacht hij niets [meer] van zijn welvaart.

Zofar schildert waaraan de goddeloze zich graag te goed zou willen doen, maar wat hij nooit te zien zal krijgen (vers 1717Hij zal de stromen,
rivieren, beken van honing en boter niet zien.
)
. Hij houdt dit allemaal aan Job voor om hem tot het inzicht te brengen dat Job een goddeloos man is. De goddeloze beeldt zich in dat hij “stromen, rivieren, beken van honing en boter” zal genieten. “Honing en boter” stellen het hoogste genot van aardse voorspoed en aards geluk voor (Ex 3:88Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.; Dt 6:33Luister dan, Israël, en neem [ze] nauwlettend in acht! Dan zal het u goed gaan en zult u zeer talrijk worden – zoals de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft – in het land dat overvloeit van melk en honing.). De goddeloze ziet het in stromen op zich afkomen. Hij ziet in zijn verbeelding ook voor zich dat er grote voorraden van worden opgeslagen in beken. Het is één groot lustoord van ongestoord genieten. Maar hij zal er niets van zien.

Het zal helemaal anders zijn dan hij zich heeft ingebeeld. Wat hij zich heeft toegeëigend, moet hij teruggeven aan de rechtmatige eigenaars (vers 1818Hij zal de opbrengst teruggeven en niet verslinden;
hij zal niet genieten van de rijkdom van zijn handel.
)
. Hij wilde het in zijn inhaligheid verslinden, maar die illusie wordt hem ontnomen. Ook het genot van wat hij zich ten onrechte heeft toegeëigend, gaat aan hem voorbij.

De oorzaak daarvan is zijn onbarmhartige optreden tegen de armen (vers 1919Omdat hij de armen onderdrukt [en] verlaten heeft,
een huis geroofd heeft dat hij niet gebouwd had,
)
. Hij heeft hen eerst onderdrukt (letterlijk: verbrijzeld) en alles afgenomen en hen toen overgelaten aan hun ellendige lot waarin ze door zijn toedoen terechtgekomen waren. Dat laatste gebeurt door alles van hen weg te nemen. Tot zijn roofgoed behoort ook een huis dat hij niet heeft gebouwd. De bewoners heeft hij eruit gejaagd en het in bezit genomen.

Hij heeft echter “geen rust in zijn binnenste gekend” (vers 2020omdat hij geen rust in zijn binnenste gekend heeft,
zal hij van wat hij begeerde, niets [kunnen] redden.
)
. Hij is nooit tevreden. Zijn hebzucht hunkert naar steeds meer, hij is onverzadigbaar. Rusteloos is hij steeds op zoek naar meer. Maar alles wat hij begeerde, zal verloren gaan. Hij zal er niets van kunnen redden om de tijd van nood mee te overleven. Er blijft niets eetbaars over om zijn honger mee te stillen (vers 2121Er blijft niets over wat hij kan eten;
daarom verwacht hij niets [meer] van zijn welvaart.
)
. Hij heeft alles en iedereen verslonden. Het verwachte voordeel dat hij van zijn welvaart meende te hebben, is slechts van korte duur.


Vergelding

22In de volheid van zijn overvloed krijgt hij het benauwd;
de hand van iedere ellendige komt over hem.
23Laat er [wat] zijn om zijn buik te vullen,
[God] zal Zijn brandende toorn op hem zenden,
en [die] over hem laten regenen op zijn voedsel.
24Is hij gevlucht voor de ijzeren wapens,
[dan] zal de bronzen boog hem doorboren.
25Men trekt [de pijl], en hij komt uit zijn rug,
hij komt glinsterend uit zijn gal;
verschrikkingen komen over hem.

Als de goddeloze meent dat hij een volheid van overvloed heeft, komt er benauwdheid over hem (vers 2222In de volheid van zijn overvloed krijgt hij het benauwd;
de hand van iedere ellendige komt over hem.
)
. De verschrikkelijke mogelijkheid dat hij alles zal kwijtraken, bezorgt hem nachtmerries. Wat hem treft, is erger dan een nachtmerrie. Iedere ellendige die ooit door hem in ellende is terechtgekomen, zal zijn hand tegen hem opheffen en straffend op hem laten neerkomen.

Niet alleen de hand van iedere door hem benadeelde zal tegen hem zijn, maar ook God zal Zich tegen hem keren (vers 2323Laat er [wat] zijn om zijn buik te vullen,
[God] zal Zijn brandende toorn op hem zenden,
en [die] over hem laten regenen op zijn voedsel.
)
. Dat zal zijn oordeel betekenen. Als hij wat heeft om zijn buik te vullen, zal God Zijn brandende toorn op hem zenden. God zal zijn buik vullen met Zijn brandende toorn, totdat hij er buikpijn van krijgt en hij geen enkel nut van zijn eten heeft (vgl. Ps 106:14-1514en werden met gulzigheid bevangen in de woestijn;
zij stelden God op de proef in de wildernis.
15Toen gaf Hij hun wat zij begeerden,
maar henzelf deed Hij uitteren.
)
. Hij zal er geen kracht door krijgen. En terwijl hij nog bezig is van zijn eten te genieten, zal hij worden getroffen door een regen van toorn die God in Zijn misnoegen op hem zendt.

Aan dit oordeel is niet te ontkomen. De goddeloze die meent aan het ene kwaad te kunnen ontvluchten, zal door een ander kwaad worden getroffen (vers 2424Is hij gevlucht voor de ijzeren wapens,
[dan] zal de bronzen boog hem doorboren.
; vgl. Am 5:1919[Het is] zoals iemand die vlucht
voor een leeuw,
en een beer tegenkomt,
of die, [als hij] thuiskomt
en met zijn hand tegen de muur leunt,
door een slang wordt gebeten.
)
. Zijn vluchtpogingen voor het oordeel zijn zinloos. Als het hem lukt voor ijzeren wapens (het zwaard) te vluchten, zal hij door een pijl met een bronzen punt getroffen worden. Hoe hard hij ook wegrent, de pijl haalt hem in en dringt in zijn rug (vers 2525Men trekt [de pijl], en hij komt uit zijn rug,
hij komt glinsterend uit zijn gal;
verschrikkingen komen over hem.
)
. De pijl is diep in zijn lichaam binnengedrongen. Als hij eruit wordt getrokken, blijkt er gal aan te zitten. Hij is dus dodelijk getroffen. Er is geen genezen aan. Hem wacht een verschrikkelijke dood.


De toorn blijft

26Alle duisternis [wacht] heimelijk op zijn verborgen [goederen].
Een vuur dat niet is aangeblazen, verteert hem;
wie is overgebleven in zijn tent, vergaat het slecht.
27De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren,
en de aarde staat tegen hem op.
28De inkomsten van zijn huis verdwijnen;
ze vloeien weg op de dag van Zijn toorn.

Het enige uitzicht dat de goddeloze heeft, zowel voor zichzelf als voor zijn veilig opgeborgen goederen, is “alle duisternis” (vers 2626Alle duisternis [wacht] heimelijk op zijn verborgen [goederen].
Een vuur dat niet is aangeblazen, verteert hem;
wie is overgebleven in zijn tent, vergaat het slecht.
)
. De duisternis in al zijn facetten wacht hem op. Daar komt hij terecht. Daar zal hij door een vuur worden verteerd dat niet door mensen is aangeblazen, maar door God. Wie hij heeft achtergelaten “in zijn tent”, dat is in zijn woning, “vergaat het slecht”. Dit is een verwijzing naar de kinderen van Job die ook zijn omgekomen. Zofar bespaart Job geen enkele gruwel. Hij stelt Job de gang en de afloop van de goddeloze voor, zonder hem enige straal van hoop te laten zien.

In vers 2727De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren,
en de aarde staat tegen hem op.
weerlegt Zofar Jobs bewering dat zijn Getuige in de hemel is (Jb 16:18-2018Aarde, bedek mijn bloed niet,
en laat er geen [rust]plaats zijn voor mijn geroep.
19Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige,
en mijn Pleitbezorger is in de hoogten.
20Mijn vrienden bespotten mij,
[maar] mijn oog weent tranen tot God.
)
, door te stellen dat de ongerechtigheid van de goddeloze door de hemel (God) voor anderen zal worden geopenbaard. Iedereen zal ervan te horen krijgen. Het gevolg zal niet zijn dat er een ‘stille tocht’ voor de gestorven goddeloze wordt georganiseerd. Er zal integendeel grote verontwaardiging op de aarde ontstaan. Iedereen zal tegen de goddeloze opstaan vanwege wat er is bekend geworden.

Soms worden mensen postuum, dat is na hun dood, geëerd. Maar het kan ook gebeuren dat mensen na hun dood worden verfoeid en vervloekt. Het laatste gebeurt wel eens als van mensen, die tijdens hun leven gevierde mensen waren, na hun dood bekend wordt wat voor verschrikkelijke dingen ze hebben gedaan. Zo zal het met Job gaan, volgens Zofar. Ook de aarde, die al die verschrikkelijke dingen heeft gezien, zal er dan van getuigen (Dt 31:2828Roep alle oudsten van uw stammen en uw beambten bij mij samen. Ik zal deze woorden ten aanhoren van hen spreken en de hemel en de aarde tot getuige tegen hen nemen.).

De goddeloze zal al zijn voorspoed verliezen (vers 2828De inkomsten van zijn huis verdwijnen;
ze vloeien weg op de dag van Zijn toorn.
)
. Dat is Job overkomen. Zofar schrijft dat toe aan de toorn van God. Het is de verklaring van de vrienden voor het verlies dat Job heeft geleden. Het is hem allemaal uit handen geslagen door God en wel omdat hij gezondigd heeft. Daaraan twijfelt Zofar niet, zoals hij in zijn slotwoorden zegt.


Conclusie van Zofar

29Dit is het [wat] de goddeloze mens van Godswege ten deel [valt],
en het erfelijk bezit van zijn woorden van Godswege.

Zofar eindigt zijn tweede toespraak op dezelfde wijze als Bildad (Jb 18:2121Zeker, zo [vergaat het] de woning van wie onrecht doet,
en dit is de plaats [van hem die] God niet kent.
)
. De conclusie van zijn hele betoog is glashelder. Zonder enige twijfel is wat hij heeft gezegd over het lot van de goddeloze precies wat God met hem zal doen. De goddeloze heeft woorden tegen God gesproken. Dat is wat Job heeft gedaan. Daarmee heeft hij zijn erfelijk bezit verworven dat bestaat uit Gods toorn. Job heeft zijn erfenis gekregen. De erfenis van opstand tegen God is het verlies van alles wat hij bezat en dat het leven één grote ruïne wordt, met als enig uitzicht de dood.

Zonder enig medelijden heeft Zofar de geplaagde Job met zijn woorden vervolgd. Er is geen enkel begrip voor Jobs oprechtheid. Wat Zofar zegt, zegt hij allemaal onder het mom van een opkomen voor Gods rechten. Er is van Zofar en zijn vrienden en mensen zoals zij geen hulp te verwachten.


Lees verder