Job
1-3 Nieuwe verwijten 4-7 Het zekere lot van de bozen 8-10 In de val gelopen 11-15 Angst, ziekte en dood 16-20 Wortel en tak vergaan 21 Conclusie van Bildad
Nieuwe verwijten

1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:
2Hoe lang [duurt] het, voor jullie een einde aan [jullie] woorden maken?
Krijg inzicht, en daarna zullen wij spreken.
3Waarom worden wij als vee beschouwd,
en zijn wij onrein in jullie ogen?

Als Job klaar is met zijn reactie op Elifaz’ tweede toespraak, neemt Bildad voor de tweede keer het woord (vers 11Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:
)
. Hij heeft weer zoveel uit de mond van Job gehoord wat in strijd is met zijn theologie, dat hij zijn mond niet kan houden en Job moet antwoorden. Hij begint ermee Job te verwijten dat deze maar doorgaat met zich tegen de argumenten van zijn vrienden te verzetten (vers 22Hoe lang [duurt] het, voor jullie een einde aan [jullie] woorden maken?
Krijg inzicht, en daarna zullen wij spreken.
)
. Zij zijn gekomen om hem inzicht te geven in de oorzaak van zijn lijden. Als hij dat nu maar eens erkent, kunnen ze verder spreken.

Bildad zegt hiermee dat het eigenlijk geen zin heeft om verder met Job te spreken als deze bij zijn eigenzinnige kijk op zijn situatie blijft. Desondanks wacht hij niet op Jobs reactie en gaat onverstoorbaar door met zijn scherpe betoog. Bildad is er blind voor dat het in werkelijkheid precies andersom is. Hij en zijn vrienden willen zelf niet toegeven hoe eigenzinnig ze bezig zijn. Hun steeds zwaardere verwijten zijn het gevolg van het feit dat ze geen vat krijgen op Job. Dat hij Job in het meervoud (“jullie”) aanspreekt, betekent dat hij in Job de vertegenwoordiger van een bepaalde klasse van mensen ziet die de positie van de vrienden ter discussie stellen.

Uit het verwijt aan Job dat hij de vrienden als stompzinnig, verstandeloos vee beschouwt (vers 33Waarom worden wij als vee beschouwd,
en zijn wij onrein in jullie ogen?
)
, blijkt gekwetste trots. Job neemt in hun ogen een houding aan dat hij hen niet eens wil aanraken, alsof ze onrein zijn. Bildad en zijn vrienden voelen zich zeer beledigd door de reactie van Job. Hij schenkt helemaal geen aandacht aan hun visie. Zij zijn met al hun wijsheid en intellect gekomen om Job te helpen zicht te krijgen op zijn situatie en nu waagt Job het om hen als dom “vee” neer te zetten. Mensen die van zichzelf een hoge pet op hebben, voelen zich zeer gekwetst als anderen dat niet erkennen. Ze zullen niet tot zichzelf inkeren en zich vernederen, maar juist de ander vernederen.


Het zekere lot van de bozen

4Jij, die je ziel verscheurt in je toorn –
zou de aarde omwille van jou verlaten worden,
en zou een rots van zijn plaats gehaald worden?
5Ja, het licht van de goddelozen wordt uitgedoofd,
en de vlam van zijn vuur zal niet [meer] schijnen.
6Het licht wordt in zijn tent verduisterd,
en zijn lamp boven hem wordt uitgedoofd.
7Zijn krachtige schreden worden belemmerd,
en zijn [eigen] raad werpt hem neer.

Met de opmerking dat Job ‘zijn ziel verscheurt in zijn toorn’ werpt Bildad Job voor de voeten dat hij buiten zinnen is, dat hij als een onzinnige praat, als iemand die niet weet wat hij zegt (vers 44Jij, die je ziel verscheurt in je toorn –
zou de aarde omwille van jou verlaten worden,
en zou een rots van zijn plaats gehaald worden?
)
. Job heeft beweerd dat God hem verscheurt (Jb 16:99Zijn toorn verscheurt en haat mij;
Hij knarsetandt tegen mij;
mijn Tegenstander scherpt Zijn ogen tegen mij.
)
. Nee, zegt Bildad, dat doe je jezelf aan, dat doet God niet. Voor de stelligheden van Job moet iedereen en alles wijken. Iedereen kan verdwijnen en wat een symbool van standvastigheid is, kan verplaatst worden, maar het denken van Job zit muurvast. Wij zouden zeggen: al gaat iedereen op zijn kop staan, Job verandert niet van opvatting en houdt daar star aan vast.

Deze wijze van argumenteren van Bildad bewijst niets anders dan de zwakheid van zijn eigen argumenten. Wat Bildad zegt, heeft niets met de inhoud te maken. Iemand die zijn gesprekspartner niet kan overtuigen, maar zijn verlies niet wil erkennen, zal de ander van totale onbeweeglijkheid beschuldigen. Hij raakt erdoor geïrriteerd en beschuldigt de ander ervan dat hij ‘niet flexibel’ is in zijn opvattingen, dat hij ‘vastgeroest’ zit in zijn mening, dat hij ‘niet wil openstaan’ voor andere inzichten enzovoort.

Nou Job, zo vervolgt Bildad zijn toespraak en herhaalt zijn betoog als een leraar tegenover een leerling die traag is van begrip, je kunt er zeker van zijn dat “het licht van de goddelozen wordt uitgedoofd” (vers 55Ja, het licht van de goddelozen wordt uitgedoofd,
en de vlam van zijn vuur zal niet [meer] schijnen.
; Jb 21:1717Hoe vaak gebeurt het dat de lamp van de goddelozen wordt uitgedoofd,
en hun ondergang hun overkomt;
dat [God hun] in Zijn toorn smarten uitdeelt,
)
. Hij bedoelt daarmee dat Job wel kan menen dat hij het licht heeft, dat hij zijn situatie goed kan beoordelen, maar dat zijn licht wordt uitgedoofd, want hij is een goddeloze. Ook de vlam van zijn vuur zal niet meer schijnen, wat wil zeggen dat zijn huis onbewoond zal zijn. Voor Bildad is het door Gods oordelen over Job en Jobs uitingen daarover zonneklaar dat Job een huichelaar en zondaar is.

Het licht dat hij over zijn leven had, waardoor hij alles in zijn juiste betekenis kon zien, is verduisterd (vers 66Het licht wordt in zijn tent verduisterd,
en zijn lamp boven hem wordt uitgedoofd.
)
. Job kan niet meer zien hoe de dingen werkelijk zijn, want zijn denken is verduisterd, zo oordeelt Bildad. Met “zijn lamp” kan de geest van een mens worden bedoeld (Sp 20:2727De geest van een mens is een lamp van de HEERE,
die alle schuilhoeken van zijn binnenste doorzoekt.
)
. Als een mens sterft, sterft zijn geest niet, maar kan hij zijn licht niet meer laten schijnen over de dingen van dit leven. Op de dag dat zijn geest uit hem weggaat, “op die dag vergaan zijn plannen” (Ps 146:44Zijn geest gaat uit [hem] weg, hij keert terug tot zijn aardbodem;
op die dag vergaan zijn plannen.
)
.

Zolang Job nog leeft, kan hij ook niet meer de krachtige stappen van vroeger zetten (vers 77Zijn krachtige schreden worden belemmerd,
en zijn [eigen] raad werpt hem neer.
)
. Hij wordt daarin belemmerd door zijn moeiten en ziekten die over hem zijn gekomen door zijn zonden. Wat hij anderen heeft aangeraden, is zijn valstrik geworden. Hij komt om in zijn eigen raad. Zijn raad was om te zondigen met als doel daardoor voorspoed te krijgen. Maar die raad is zijn ondergang geworden.


In de val gelopen

8Want met zijn voeten wordt hij in een net geworpen,
en hij wandelt over een vlechtwerk [van een vangkuil].
9Een strik grijpt [hem] bij de hiel,
een valstrik overweldigt hem.
10Een touw is voor hem in de aarde verborgen,
een val is voor hem [verborgen] op het pad.

Bildad wijdt uit over de vergelding die het deel is van de goddeloze. In de verzen 8-108Want met zijn voeten wordt hij in een net geworpen,
en hij wandelt over een vlechtwerk [van een vangkuil].
9Een strik grijpt [hem] bij de hiel,
een valstrik overweldigt hem.
10Een touw is voor hem in de aarde verborgen,
een val is voor hem [verborgen] op het pad.
gebruikt hij de illustratie van een valstrik om wilde dieren mee te vangen. Hij past dit toe op het verstrikt raken van een kwaadaardige persoon, met wie hij niemand anders dan Job bedoelt. De gedachte is dat wie erop uit is om slechte dingen te doen, de gevolgen daarvan te dragen krijgt. Het is de wetmatigheid dat waar een goddeloze ook heengaat, hij uiteindelijk verstrikt zal raken in de dood. “Wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten” (Gl 6:7b7Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.).

Iemand die belemmerd wordt in zijn wandel door zijn zonden (vers 77Zijn krachtige schreden worden belemmerd,
en zijn [eigen] raad werpt hem neer.
)
, zal ook niet ver komen. Hij wordt stilgezet omdat hij in een net geworpen wordt (vers 88Want met zijn voeten wordt hij in een net geworpen,
en hij wandelt over een vlechtwerk [van een vangkuil].
)
. Hij beseft niet dat hij over een valkuil loopt waarover een vlechtwerk is gelegd. Als hij daarover loopt, zakt hij door het vlechtwerk heen en komt in de valkuil terecht. Hier wordt benadrukt dat hij die weg zelf kiest, dus ook zelf kiest voor zijn ondergang.

In vers 99Een strik grijpt [hem] bij de hiel,
een valstrik overweldigt hem.
wordt de klemtoon gelegd op het plotselinge van zijn ondergang. Ineens wordt hij in zijn wandel gestopt doordat een strik hem bij de hiel grijpt. Hij kan geen stap meer verzetten. De situatie overvalt en overweldigt hem, zonder dat hij zich eruit kan bevrijden. Hij heeft dit niet voorzien, er geen rekening mee gehouden.

In vers 1010Een touw is voor hem in de aarde verborgen,
een val is voor hem [verborgen] op het pad.
gaat het meer om het onvermijdelijke. Iemand die de weg van zonde gaat, krijgt onvermijdelijk te maken met een touw en een val die voor hem verborgen zijn. Ze liggen daar speciaal voor hem die een weg van zonde gaat. Hij zal erdoor omstrikt en gevangengenomen worden. Dit lot treft ieder die de weg van de zonde gaat. Job moet weten dat hij in de ellende als in een valkuil zit omdat hij de weg van de zonde is gegaan.


Angst, ziekte en dood

11Verschrikkingen jagen hem rondom angst aan
en jagen zijn voeten voort.
12Zijn kracht zal tot honger worden,
en de ondergang staat klaar aan zijn zijde.
13De eerstgeborene van de dood zal de stukken van zijn huid verteren,
zijn ledematen zal hij verteren.
14Zijn vertrouwen zal uit zijn tent gerukt worden;
dat doet hem voortschrijden naar de koning van de verschrikkingen.
15In zijn tent woont wat niet van hem is;
over zijn woning zal zwavel gestrooid worden.

Bildad vervolgt zijn beschrijving van het lot dat, naar hij meent, de slechterik – waarvan de beschrijving duidelijk op Job wijst – treft. De slechterik wordt omgeven door verschrikkingen, waardoor hij voortdurend in angst verkeert (vers 1111Verschrikkingen jagen hem rondom angst aan
en jagen zijn voeten voort.
)
. Hij is schichtig en laat zich erdoor op de vlucht jagen. Dat verteert zijn kracht, zonder dat hij eten heeft waardoor hij kan aansterken (vers 1212Zijn kracht zal tot honger worden,
en de ondergang staat klaar aan zijn zijde.
)
. De honger kwelt hem. Vlak naast hem, “aan zijn zijde”, staat “de ondergang” klaar om hem in te rekenen. De ondergang wordt beschreven als een persoon, alsof het een metgezel betreft, iemand die Job begeleidt, maar dan als een soort aasgier, die erop wacht dat hij bezwijkt om zich dan aan hem te goed te doen.

“De eerstgeborene van de dood” wil zeggen het krachtigste van de dood (vers 1313De eerstgeborene van de dood zal de stukken van zijn huid verteren,
zijn ledematen zal hij verteren.
; vgl. Ps 78:5151Hij trof al het eerstgeborene in Egypte,
de eerste [vruchten] van de mannelijke kracht in de tenten van Cham.
; Gn 49:33Ruben, jij bent mijn eerstgeborene,
mijn kracht en de eerste [vrucht] van mijn mannelijkheid,
de voortreffelijkste in hoogheid
en de voortreffelijkste in sterkte.
)
. Bildad zegt hiermee dat Job is geslagen met de vreselijkste en meest verwoestende ziekten die de dood ooit heeft gebruikt om een mens tot zijn prooi te maken. Door deze ziekten wordt de huid van Job aan stukken gescheurd en worden zijn ledematen verteerd. In zijn schildering van het lot van de goddeloze zien we in Bildad een woordkunstenaar. Maar zijn woordkeus toont ook een moeilijk te overtreffen wreedheid om dit alles als een satirisch wapen tegen de intens en onschuldig lijdende Job te zeggen.

En hij is nog niet uitgesproken. De zonden die hij bij Job veronderstelt, zijn er de oorzaak van dat zijn vertrouwen op een gelukkig huiselijk leven is weggerukt (vers 1414Zijn vertrouwen zal uit zijn tent gerukt worden;
dat doet hem voortschrijden naar de koning van de verschrikkingen.
)
. Het was een vals vertrouwen, want er waren verborgen zonden. Daarom is hij nu op weg naar de dood, door Bildad, weer met grote retoriek, “de koning van de verschrikkingen” genoemd. Dat mag voor Bildad zo zijn, voor Job houdt de dood geen verschrikking in, zoals we eerder hebben gezien. Ook voor ons is de vrees voor de dood weggenomen, omdat de Heer Jezus “hem die de macht over de dood had, dat is de duivel” heeft tenietgedaan (Hb 2:1414Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,).

Waar Job woonde, woont nu wat anders (vers 1515In zijn tent woont wat niet van hem is;
over zijn woning zal zwavel gestrooid worden.
)
. We kunnen hierbij denken aan honger, armoede en andere zaken die niet bij hem hoorden toen hij er in voorspoed en welvaart woonde. Zijn woning zal een voor mensen onbewoonbaar verklaarde woning blijven. Er zal namelijk “zwavel” over zijn woning worden gestrooid. Het is een eeuwige veroordeling, zoals die ook over Sodom en Gomorra is gekomen (Dt 29:2323zeggen dat heel zijn land zwavel en zout, een brandplek, is; dat het niet wordt bezaaid, er niets op groeit en er geen enkel gewas opkomt, zoals bij de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm, die de HEERE omgekeerd heeft in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid –; Gn 19:2424Toen liet de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen. [Het kwam] van de HEERE uit de hemel.).


Wortel en tak vergaan

16Vanonder verdorren zijn wortels,
en vanboven worden zijn twijgen afgesneden.
17De gedachtenis aan hem zal van de aarde vergaan,
en hij zal geen naam hebben op de straten.
18Men zal hem wegstoten van het licht in de duisternis,
en men zal hem van de wereld verjagen.
19Hij zal geen zoon of kleinzoon hebben onder zijn volk,
en niemand zal in zijn woning overblijven.
20Over de dag van zijn [ondergang] zullen zij die na hem komen, ontzet zijn,
en de ouderen zullen met schrik bevangen worden.

In de verzen 16-2016Vanonder verdorren zijn wortels,
en vanboven worden zijn twijgen afgesneden.
17De gedachtenis aan hem zal van de aarde vergaan,
en hij zal geen naam hebben op de straten.
18Men zal hem wegstoten van het licht in de duisternis,
en men zal hem van de wereld verjagen.
19Hij zal geen zoon of kleinzoon hebben onder zijn volk,
en niemand zal in zijn woning overblijven.
20Over de dag van zijn [ondergang] zullen zij die na hem komen, ontzet zijn,
en de ouderen zullen met schrik bevangen worden.
beschrijft Bildad de omverwerping van de familie van de boosdoener. Hij vergelijkt hem met een boom met wortels en twijgen (vers 1616Vanonder verdorren zijn wortels,
en vanboven worden zijn twijgen afgesneden.
; vgl. Ps 37:35-3635Ik heb een gewelddadige goddeloze gezien,/resj/
die zich wijd vertakte als een bladerrijke inheemse boom.
36Maar hij ging voorbij, en zie, hij was er niet [meer];
ik zocht hem, maar hij was niet te vinden.
)
. Job is een boom die geen mogelijkheid tot groei heeft – zijn wortels verdorren – en waarvan wordt afgesneden wat eruit is voortgekomen. De wortels en twijgen wijzen op de welvaart, het geluk en de kinderen van de goddeloze. Dat zal allemaal vergaan, van top tot teen.

Niemand zal nog aan de boosdoener denken (vers 1717De gedachtenis aan hem zal van de aarde vergaan,
en hij zal geen naam hebben op de straten.
)
. Iedereen is blij van hem af te zijn en wil hem zo snel mogelijk vergeten. Voor mensen die veel goeds voor de samenleving hebben gedaan, wordt nog wel eens een gedenkteken opgericht. Dat zal voor Job niet zo zijn. Zijn naam zal nooit meer worden genoemd. Hoezeer Bildad zich hierin vergist heeft, is ons wel duidelijk. De naam van Job leeft voort en is een van de bekendste namen uit de oudheid.

Vanaf vers 1818Men zal hem wegstoten van het licht in de duisternis,
en men zal hem van de wereld verjagen.
gaat het niet meer om de familie en de attributen van de goddeloze, maar om de goddeloze zelf. Bildad voorspelt dat men de goddeloze, en hij bedoelt duidelijk Job, zal wegstoten van het licht in de duisternis (vers 1818Men zal hem wegstoten van het licht in de duisternis,
en men zal hem van de wereld verjagen.
)
. Niemand wil iets met hem te maken hebben. Hij wordt zelfs van de wereld verjaagd. Niemand gunt hem daarop nog een plek. Dat wil zeggen dat men hem in de duisternis van de dood jaagt.

Daarop sluit de zinspeling van Bildad aan die hij opnieuw doet op de dood van Jobs kinderen (vers 1919Hij zal geen zoon of kleinzoon hebben onder zijn volk,
en niemand zal in zijn woning overblijven.
; Jb 8:44Als je kinderen tegen Hem gezondigd hebben,
heeft Hij hen laten gaan in de macht van hun [eigen] overtreding.
)
. Job zal kinderloos zijn en daardoor geen erfgenaam of opvolger hebben. Zijn woning zal leeg zijn, want iedereen is gestorven. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen hoe groot de tragedie voor een man in die dagen was om geen erfgenaam te hebben. Daardoor ontgaat ons waarschijnlijk ook dat die opmerking Job door merg en been moet zijn gegaan en hem diep door zijn ziel moet hebben gesneden.

De dag van Jobs ondergang zal grote beroering veroorzaken bij allen die na hem komen, dat zijn de komende generaties, en ook bij de ouderen, zijn tijdgenoten (vers 2020Over de dag van zijn [ondergang] zullen zij die na hem komen, ontzet zijn,
en de ouderen zullen met schrik bevangen worden.
)
. Zij zullen zich ontzet en verschrikt afvragen hoe een zo voorspoedig en welvarend man tot een dergelijke extreme armoede kon vervallen.


Conclusie van Bildad

21Zeker, zo [vergaat het] de woning van wie onrecht doet,
en dit is de plaats [van hem die] God niet kent.

Bildad eindigt in stijl, zijn stijl wel te verstaan. Zijn hele tweede toespraak is genadeloos hard. In zijn eerste toespraak (Jb 8) liet hij nog doorschemeren dat Job misschien niet tot de goddelozen behoorde. Maar deze tweede toespraak laat daarover geen enkele twijfel bestaan. Hij is er “zeker” van dat alle onheil waarover hij heeft gesproken de goddeloze (lees: Job) zal treffen.

Dan volgt een nadere omschrijving van een goddeloze. De goddeloze, dat wil zeggen Job, is de man die “onrecht” heeft gedaan. Hij is iemand die “God niet kent”. Dat zijn woning is weggevaagd, is daarvan het bewijs. Wat hem is overkomen, overkomt alleen iemand die God niet kent, die niet met Hem in verbinding staat.

Hieruit blijkt weer de kortzichtigheid van Bildad en zijn beide vrienden. Zij doen alsof iedere goddeloze zal overkomen wat door Bildad in dit hoofdstuk naar voren is gebracht. Maar dat is niet waar. Iedereen ziet dat er goddeloze mensen zijn die voorspoed hebben en dat er rechtvaardige mensen zijn die lijden.

Deze kortzichtigheid is het gevolg van een eenzijdige kijk op God. God is inderdaad rechtvaardig. Maar niet elke zonde wordt al op aarde vergolden en niet elke goede daad wordt al op aarde beloond. Als we daar geen oog voor hebben, hebben en geven we een verkeerd beeld van God. De vrienden zijn een waarschuwend voorbeeld voor ons om niet op een simplistische wijze een idee over God te vormen en dat vervolgens op allerlei situaties toe te passen. God is veel groter dan wij met ons verstand kunnen bevatten.


Lees verder