Job
Inleiding 1-17 Opnieuw Jobs klacht tegen God 18-22 Jobs verlangen naar de dood
Inleiding

Ondanks zijn betoog over de zinloosheid van een betoog tegen God wordt Job gedrongen door zijn vreselijke lijden om toch maar weer verder te gaan met zijn klacht. De taal die Job in dit gedeelte tegen God uit, is niet het gevolg van zijn lichamelijke lijden, maar van de worsteling van zijn geloof in de goedheid van God. Hij kan niet anders dan in al het lijden dat hem overkomt, de hand van God zien. Tegelijk kan hij niet begrijpen dat God hem dit lijden aandoet. Dat brengt hem tot uitspraken of beter uitroepen over God die niet waar zijn. God roept hem daarover niet ter verantwoording. Dat doen zijn vrienden. Maar ook die spreken niet over God zoals Hij is. Het innerlijke conflict dat Job met zijn situatie heeft, wordt daardoor steeds groter. De bitterheid ervan proeven we in de volgende verzen.


Opnieuw Jobs klacht tegen God

1Mijn ziel walgt van mijn leven;
ik laat mijn klacht de vrije loop;
ik spreek in de bitterheid van mijn ziel.
2Ik zal tegen God zeggen: Verklaar mij niet schuldig;
laat mij weten waarover U mij ter verantwoording roept.
3Doet het U goed dat U onderdrukt,
dat U de inspanning van Uw handen verwerpt,
terwijl U over het voornemen van de goddelozen licht laat schijnen?
4Hebt U ogen van een schepsel?
Ziet U zoals een sterveling ziet?
5Zijn Uw dagen als de dagen van een sterveling?
Zijn Uw jaren als de dagen van een man,
6dat U mijn ongerechtigheid [zo] onderzoekt,
en naar mijn zonde speurt?
7Het is U bekend dat ik niet schuldig ben;
maar er is niemand die redt uit Uw hand.
8Uw handen hebben mij gevormd en gemaakt.
Zij zijn beide om [mij] heen, en U verslindt mij.
9Denk er toch aan dat U mij als leem gemaakt hebt,
en mij tot stof zult laten terugkeren.
10Hebt U mij niet als melk uitgegoten,
en hebt U mij niet als kaas laten stremmen?
11Met huid en vlees hebt U mij bekleed;
met beenderen en pezen hebt U mij samengeweven.
12U hebt mij leven en goedertierenheid geschonken,
en Uw zorg heeft mijn geest bewaard.
13Maar deze dingen hebt U verborgen in Uw hart;
ik weet dat dit bij U is.
14Als ik zondig, merkt U mij op,
en vanwege mijn ongerechtigheid houdt U mij niet voor onschuldig.
15Als ik schuldig ben, wee mij!
En als ik rechtvaardig ben, zal ik mijn hoofd niet opheffen,
ik ben verzadigd van schande; zie mijn ellende aan!
16[Als mijn hoofd] zich opheft, jaagt U op mij als een felle leeuw;
U keert terug en betoont U wonderlijk tegenover mij.
17U brengt nieuwe getuigen tegen mij naar voren,
U maakt Uw toorn tegen mij groter;
telkens nieuwe legers [stellen zich] tegen mij [op].

Job vervolgt zijn antwoord aan Bildad. Hij walgt van zijn leven (vers 11Mijn ziel walgt van mijn leven;
ik laat mijn klacht de vrije loop;
ik spreek in de bitterheid van mijn ziel.
)
. De last is ondraaglijk groot. Hij moet zich uiten en laat zich gaan. Hij geeft zijn klacht de vrije loop en spreekt vanuit de bitterheid van zijn ziel. Het uiten van klachten is een manier om aandacht te trekken voor de situatie waarin iemand zich bevindt. Er zijn wel mensen die altijd maar lopen te klagen uit ontevredenheid over hun omstandigheden. Zij vinden dat ze het in vergelijking met anderen slecht hebben getroffen. Dit soort “klagers over hun lot” (Jd 1:1616Dezen zijn morrenden, klagers over hun lot die naar hun begeerten wandelen, en hun mond spreekt gezwollen taal en zij bewonderen personen ter wille van voordeel.) klaagt omdat ze zich misdeeld voelen en omdat er niet aan hun begeerten wordt voldaan. Zo’n soort klager is Job niet. Hij heeft echt wat te klagen.

Zijn klacht richt zich tegen God (vers 22Ik zal tegen God zeggen: Verklaar mij niet schuldig;
laat mij weten waarover U mij ter verantwoording roept.
)
. God moet hem “niet schuldig” verklaren of hem laten weten waarom Hij hem dit aandoet. Job is nog niet toe aan berusting in zijn lot en al helemaal niet aan overgave aan God voor zijn lot. Eerder is het zo, dat hij God ter verantwoording roept. Als God dan niet laat weten waarom Hij hem bestrijdt, zal hij God zijn vragen stellen.

Het is natuurlijk ongepast om God ter verantwoording te roepen. Het ongeloof doet dat in grote aanmatiging, omdat het niet van een soevereine God wil weten. Paulus zegt tegen zulke mensen: “Ja, maar, mens, wie bent u dat u tegen God het woord opneemt?” (Rm 9:2020Ja maar, mens, wie bent u, dat u tegen God het woord opneemt? Zal het maaksel tegen zijn maker zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?). Maar zo’n mens is Job niet. Hij worstelt met God en slingert vanuit de grootste wanhoop zijn vragen naar de hemel. God maakt hem niet het verwijt dat hij een grote mond tegen Hem opzet. Hij kent Job en laat hem uitrazen, totdat Job oog in oog met Hem komt te staan (Jb 42:5-65[Alleen] door het luisteren met het oor had ik U gehoord,
maar nu heeft mijn oog U gezien.
6Daarom veracht ik [mijzelf] en ik heb berouw,
in stof en as.
)
.

Job laat God niet en nergens los. Juist zijn grote moeite met Gods handelen drijft hem naar God toe. In zijn worsteling om God te begrijpen vuurt hij een aantal vragen op God af. Hij wil van Hem weten of Hij er enig nut van heeft als Hij hem verdrukt (vers 33Doet het U goed dat U onderdrukt,
dat U de inspanning van Uw handen verwerpt,
terwijl U over het voornemen van de goddelozen licht laat schijnen?
)
. Wat is de winst voor Hem als Hij Zijn macht gebruikt om te verdrukken? Het geloof antwoordt daarop: Want niet van harte verdrukt Hij en bedroeft Hij mensenkinderen” (Kl 3:3333Want niet van harte verdrukt Hij /kaph/
en bedroeft Hij mensenkinderen.
)
. Maar zover is Job nog niet.

Hij weet dat Gods handen hem hebben gemaakt, dat God Zich daarvoor ook heeft ‘ingespannen’. Maar wat doet God met hem, het werk van Zijn handen? Hij verwerpt hem. Dat is toch niet met elkaar te rijmen? God houdt toch van Zijn eigen werk? Maar daar is in Zijn behandeling van Job niets van te merken. Hij behandelt Job, die Hem zo trouw heeft gediend, als een maaksel zonder waarde. En wat nog vreemder is, is dat Hij het de goddelozen zo voor de wind laat gaan. Die leven vrolijk in het licht, terwijl hij in duisternis is.

Zou dit God allemaal ontgaan? Daarom vraagt Job aan God of Hij soms ogen van een schepsel heeft en kijkt als een sterveling, zodat Hij Jobs’ lijden over het hoofd heeft gezien. Een schepsel kan niet verder kijken dan zijn eigen horizon. Een sterveling kan zeker niet in het hart van anderen kijken (vers 44Hebt U ogen van een schepsel?
Ziet U zoals een sterveling ziet?
)
. Maar God toch wel? zo is de vertwijfelde onderliggende gedachte van Job. Maar dan kan hij Gods wegen niet meer vatten, voor hem zijn ze allemaal troebel en onbegrijpelijk.

God is ook niet aan de tijd gebonden. Dat brengt Job tot het afvuren van zijn derde vraag, waarom Hij toch zo op een sterveling lijkt die de dagen telt en op een man die zijn jaren ziet verstrijken (vers 55Zijn Uw dagen als de dagen van een sterveling?
Zijn Uw jaren als de dagen van een man,
)
? Job weet dat God veel weidser en veel dieper ziet dan een mens en dat Hij niet aan tijd en ruimte gebonden is. Voor God is er geen verleden of toekomst. Voor Hem zijn verleden en toekomst altijd heden.

Maar waarom doet Hij dan alsof Hij, net als een mens, wel beperkt is in inzicht en in tijd en ruimte? Dat blijkt voor Job uit de manier waarop God met hem bezig is. Hij ervaart het alsof God zijn ongerechtigheid diepgaand onderzoekt, alsof Hij er niet van op de hoogte is dat hij Hem trouw heeft gediend (vers 66dat U mijn ongerechtigheid [zo] onderzoekt,
en naar mijn zonde speurt?
)
. Waarom speurt Hij dan toch zo naar zijn zonde? Waarom wacht God niet geduldig tot de zonde duidelijk voor iedereen openbaar is? Waarom heeft Hij haast, net als een mens, dat Hij Job moet folteren om een bekentenis af te dwingen?

Natuurlijk weet U, zo zegt Job tegen God, “dat ik niet schuldig ben” (vers 77Het is U bekend dat ik niet schuldig ben;
maar er is niemand die redt uit Uw hand.
)
. Maar het zegt U niets. U gaat door met mij te verbreken. En ik kan me er niet tegen verzetten. Ook is er niemand die het voor mij opneemt tegen U, om mij uit Uw hand te redden. Wie zou dat moeten zijn? Niemand is tegen U opgewassen.

Job kan ook niet begrijpen, dat de Schepper en de Verwoester dezelfde Persoon zijn. Gods handen hebben hem eerst kunstig “gevormd en gemaakt” en beschermd, maar nu zijn die beide handen om hem heen om hem te verslinden (vers 88Uw handen hebben mij gevormd en gemaakt.
Zij zijn beide om [mij] heen, en U verslindt mij.
)
. Job is geen evolutionist; hij gelooft vast in God als zijn Formeerder en Schepper. Hij kan alleen niet begrijpen wat God doet met wat Hij heeft gevormd en gemaakt. God heeft hem eerst met grote wijsheid, bekwaamheid, moeite en zorg doen ontstaan. En dan plotseling en zonder oorzaak gooit Hij met diezelfde handen Zijn werkstuk, Job, kapot. Wie maakt er nu een mooie vaas om hem even later in stukken te gooien?

Hij herinnert God eraan dat Hij hem als breekbaar, kwetsbaar leem heeft gemaakt (vers 99Denk er toch aan dat U mij als leem gemaakt hebt,
en mij tot stof zult laten terugkeren.
)
. Hij weet dat God de mens, Adam, “[uit] het stof van de aardebodem” heeft gevormd (Gn 2:77toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.). Ook weet hij dat de mens weer “tot stof terugkeren” zal (Gn 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
)
. Dat veronderstelt dat Job weet van de zondeval en de gevolgen daarvan voor de mens. Hij erkent ook Gods oordeel over de zonde, dat daardoor de dood in de wereld is gekomen.

Na het beeld van de pottenbakker gebruikt Job nu het beeld van de kaasmaker (vers 1010Hebt U mij niet als melk uitgegoten,
en hebt U mij niet als kaas laten stremmen?
)
. Uit de vloeibare melk komt na de stremming een vaste substantie, kaas. Dit is een prachtig beeld van de schepping van de mens en zijn groei. Ook dit is Gods werk.

Hij brengt de huid en het vlees aan waardoor er een gestalte ontstaat (vers 1111Met huid en vlees hebt U mij bekleed;
met beenderen en pezen hebt U mij samengeweven.
)
. Ook plaatst Hij de beenderen en pezen waardoor het lichaam zich kan bewegen en voortbewegen. Zo weeft Hij de mens tot een geheel samen. David zegt dat hij in de schoot van zijn moeder “geweven” is en dat hij in de laagste plaatsen van de aarde is “geborduurd” (Ps 139:13,1513Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder geweven.
15Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
[en] geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
)
. De mens is een kunststuk, het product van een Kunstenaar.

Job spreekt nu over het leven dat hij heeft gekregen als een geschenk (vers 1212U hebt mij leven en goedertierenheid geschonken,
en Uw zorg heeft mijn geest bewaard.
)
. Het is hem door God geschonken, zowel in de conceptie als door de geboorte. Hij erkent ook dat God door hem leven te geven hem tevens goedertierenheid heeft geschonken. Het leven is een geschenk van de goedertieren God. Zijn geest, waarmee hij in verbinding met God kan staan, is ook het voorwerp van Gods zorg, zo zegt Job hier. God heeft in Zijn zorg de geest van Job bewaard. Dat Job God niet heeft losgelaten, is het gevolg van Gods zorg voor zijn geest.

Deze prachtige beschrijving van zijn leven als maaksel van God is een aanloop naar een nieuwe klacht over Gods handelen met hem. God heeft zo duidelijk voor hem gezorgd. Maar Zijn bedoeling pakt heel anders uit dan Job heeft verwacht. Nu blijkt, zegt Job als het ware tegen God, dat U andere, verborgen plannen met mijn geboorte had (vers 1313Maar deze dingen hebt U verborgen in Uw hart;
ik weet dat dit bij U is.
)
. Job zegt het zelfs zo sterk, dat hij wel weet dat God dit vanaf het begin met hem van plan is geweest.

Job voelt Gods priemende oog constant op zich gericht, echter nu niet alleen om voor hem te zorgen (vers 1212U hebt mij leven en goedertierenheid geschonken,
en Uw zorg heeft mijn geest bewaard.
)
, maar om hem te bespieden en te betrappen op zonde (vers 1414Als ik zondig, merkt U mij op,
en vanwege mijn ongerechtigheid houdt U mij niet voor onschuldig.
)
. Er ontgaat Hem niet de geringste zonde. Zeker, als hij schuldig is, dan heeft hij voor Gods toorn te vrezen (vers 1515Als ik schuldig ben, wee mij!
En als ik rechtvaardig ben, zal ik mijn hoofd niet opheffen,
ik ben verzadigd van schande; zie mijn ellende aan!
)
. Dan past hem de uitroep: “Wee mij!” Maar ook als hij rechtvaardig is – en dat vindt hij van zichzelf –, dan nog zal hij zijn hoofd niet fier kunnen opheffen. God heeft het immers op hem gemunt. Daardoor is hij van schande verzadigd en kan hij van ellende alleen maar zijn hoofd buigen.

Hij roept het tot God uit: “Zie mijn ellende aan!” ‘Kunt U mijn ellende aanzien en daarbij onbewogen blijven? Zo lijkt het wel, want van mijn ellende trekt U Zich niets aan. Maar als ik zelf probeer mij uit mijn ellende te verheffen, dan “jaagt U op mij als een felle leeuw” (vers 1616[Als mijn hoofd] zich opheft, jaagt U op mij als een felle leeuw;
U keert terug en betoont U wonderlijk tegenover mij.
)
. Als het erop lijkt dat U mij even met rust laat, dan vergis ik mij, want U keert weer naar mij terug om mij verder toe te takelen. U handelt wel heel wonderlijk met mij; ik begrijp daar niets van. Eerst hebt U mij met zorg geschapen, en dan doet U alle mogelijke moeite om mij te vernederen en te vernietigen.’

Job beklaagt zich erover dat God in plaats van hem in het gelijk te stellen nieuwe getuigen tegen hem naar voren brengt (vers 1717U brengt nieuwe getuigen tegen mij naar voren,
U maakt Uw toorn tegen mij groter;
telkens nieuwe legers [stellen zich] tegen mij [op].
)
. Het kan zijn dat Job hiermee zijn vrienden bedoelt. Zij stellen zich op als advocaten van God. Zij verdedigen Zijn belangen, die indruk geven ze althans. Ze doen dat op een manier waardoor Job Gods toorn tegen zich alsmaar groter voelt worden. Elk nieuw pleidooi van de vrienden dat zij ten gunste van God menen te moeten houden en waarbij zij Job aanklagen, is als het ware een nieuw leger dat zich tegen Job opstelt. Het is een leger dat hem om beurten voortdurend met woorden bestookt. Het is dan ook niet vreemd dat Job in een nieuwe serie klachten uitbarst.


Jobs verlangen naar de dood

18Waarom hebt U mij uit de baarmoeder naar buiten laten komen?
Had ik maar de geest gegeven, en had geen oog mij maar gezien!
19Ik zou zijn alsof ik er niet geweest was;
vanuit de buik zou ik naar het graf gebracht zijn.
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op,
laat Hij Zich van mij afkeren, zodat ik mij een beetje kan verkwikken,
21voordat ik wegga – en niet meer terugkom –
naar een land van duisternis en schaduw van de dood,
22een stikdonker land, als de duisternis zelf,
de schaduw van de dood, zonder enige orde;
het [licht] schijnt er als duisternis.

Wat Job in de verzen 18-1918Waarom hebt U mij uit de baarmoeder naar buiten laten komen?
Had ik maar de geest gegeven, en had geen oog mij maar gezien!
19Ik zou zijn alsof ik er niet geweest was;
vanuit de buik zou ik naar het graf gebracht zijn.
zegt, versterkt wat hij in Job 3 heeft gezegd. Hier schrijft hij zijn geboorte nadrukkelijk – en ook terecht natuurlijk – aan God toe (vers 1818Waarom hebt U mij uit de baarmoeder naar buiten laten komen?
Had ik maar de geest gegeven, en had geen oog mij maar gezien!
; vgl. Ps 22:10a10U bent het toch Die mij uit de buik hebt getrokken,
Die mij vertrouwen gaf, toen ik aan mijn moeders borst lag.
)
. Hij is God voor deze handeling echter niet dankbaar, maar beklaagt zich daarover bij Hem. Hij had zijn geboorte nooit moeten laten plaatsvinden. Was hij maar in de baarmoeder gestorven, dan zou geen oog hem ooit in de erbarmelijke omstandigheden hebben gezien waarin hij zich nu bevindt. Dan zou het zijn alsof hij er nooit was geweest (vers 1919Ik zou zijn alsof ik er niet geweest was;
vanuit de buik zou ik naar het graf gebracht zijn.
)
. Hij zou naamloos vanuit de buik naar het graf zijn gebracht en begraven zijn. Dan zou hij nooit hebben geweten van de kwellingen die hij nu ondergaat (vgl. Pr 4:2-32Daarom prees ik de doden, die al gestorven waren, boven de levenden, [omdat] die nog steeds in leven zijn.3Beter af dan die beiden is wie er nog nooit is geweest, die niet gezien heeft het kwaaddoen dat er onder de zon plaatsvindt.).

Maar hij leeft nog steeds en hij ervaart dat leven als een lange lijdensweg waarop hij door God bewust is geplaatst. Hij heeft nog maar enkele dagen te gaan en dan zit zijn leven erop (vers 2020Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op,
laat Hij Zich van mij afkeren, zodat ik mij een beetje kan verkwikken,
; Ps 39:55HEERE, maak mij mijn einde bekend
en wat de maat van mijn dagen is,
zodat ik weet hoe vergankelijk ik ben.
)
. Hij wenst dat God ophoudt met hem te kwellen, dat Hij daarmee niet doorgaat tot het laatste moment van zijn leven. Hij zou zo graag de weinige resterende dagen toch nog wat rust en vreugde beleven, voordat hij dit leven voorgoed verlaat (vgl. Ps 39:1313Luister naar mijn gebed, HEERE,
neem mijn hulpgeroep ter ore,
zwijg niet bij mijn tranen,
want ik ben een vreemdeling bij U,
een bijwoner, zoals al mijn vaderen.
)
.

Als hij dit leven verlaat, zal hij in het graf zijn en nooit meer op aarde terugkomen (vers 2121voordat ik wegga – en niet meer terugkom –
naar een land van duisternis en schaduw van de dood,
)
. Het graf bevindt zich in “een land van duisternis en schaduw van de dood”. Het is “een stikdonker land”, waar de duisternis heer en meester is en “de schaduw van de dood” alles overdekt (vers 2222een stikdonker land, als de duisternis zelf,
de schaduw van de dood, zonder enige orde;
het [licht] schijnt er als duisternis.
)
.

In die duisternis ontbreekt elke orde, net zoals vóór de scheppingsdagen (Gn 1:22De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.). Er is geen orde van dag en nacht of zomer en winter of hitte en koude. Er is ook geen orde naar leeftijd of geslacht of rang of stand. De beenderen van de doden worden bij elkaar geveegd, zonder dat iemand weet van wie ze zijn, behalve de alwetende God.

De duisternis schijnt daar alsof het licht betreft. Als het licht duisternis is, hoe groot is dan de duisternis! Het licht maakt alles openbaar, maar als het licht duisternis is, dan is de duisternis zelf uitermate duister. De duisternis is ondoordringbaar. Er is niets zichtbaar in, er zijn zelfs geen vage omtrekken waarneembaar waardoor er enige herkenning zou kunnen zijn.


Lees verder