Hosea
Inleiding 1 Verkeerde feestvreugde 2 De oorzaak van vreugde weggenomen 3 Weg uit het land van de HEERE 4 Offers die de HEERE niet aangenaam zijn 5 Een vraag om het geweten aan te spreken 6 Elke uitvlucht afgesneden 7 De boodschapper van God miskend 8 Wachter bij God 9 Wat er vroeger was, is er nu ook nog 10 Het voorwerp van hun liefde 11 Onvruchtbaarheid 12 Kindersterfte 13 Efraïm als Tyrus 14 Het gebed van de profeet 15 Wat God niet kan liefhebben 16 Geen vrucht voor God 17 Verworpen
Inleiding

De profeet dreigt met de wegvoering van de bevolking en hun verstrooiing. Dan zal het gedaan zijn met hun eredienst. Het land zal verwoest worden achtergelaten. Voor de ontvolking van het land gebruikt de profeet tot de verbeelding sprekende gebeurtenissen: geen geboorte, moederschoot of bevruchting meer en kinderloos maken door uitlevering aan de moordenaar van wat er nog aan kinderen is. Wat dan nog over is, wordt door God uit het land verdreven. Hij verwerpt hen. De reden wordt in het laatste vers gegeven: “Omdat zij naar Hem niet luisteren.”


Verkeerde feestvreugde

1Wees niet blij, Israël, tot jubelens toe, zoals de volken,
want u hebt in hoererij uw God verlaten.
U hebt hoerenloon lief
op alle dorsvloeren voor koren.

God heeft beslist geen afkeer van vreugde. Somberheid heeft niets met God en Zijn dienst te maken. God verheugt Zich ook. Hij is de God Die Zijn volk met “alle blijdschap” wil vervullen (Rm 15:1313Moge nu de God van de hoop u vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig bent in de hoop, door [de] kracht van [de] Heilige Geest.). Maar de vreugde van Israël is een verkeerde vreugde. Het is met hen gesteld als met de oudste zoon uit de gelijkenis in Lukas 15. Die jongen wilde ook vrolijk zijn, maar alleen met zijn vrienden, zonder zijn vader (Lk 15:2929Hij antwoordde echter en zei tot zijn vader: Zie, zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw gebod overtreden, en mij hebt u nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn.). De blijdschap die we hier bij Israël opmerken, is een blijdschap “zoals de volken”. God staat er buiten.

De voorspoed die het volk heeft gekend onder Jerobeam II en die zichtbaar is geworden in een overvloedige oogst, gebruiken ze voor hun eigen genoegens. Ze geven die aan Assyrië om daarmee zijn gunst te kopen. Op die manier gaan ze een overspelige verhouding aan. Ze beseffen niet dat alleen God uitkomst kan geven en dat mensenhulp niets baat (Ps 60:13b13Geef ons hulp uit de benauwdheid,
want heil van een mens [te verwachten] is nutteloos.
)
.

Vers 11Wees niet blij, Israël, tot jubelens toe, zoals de volken,
want u hebt in hoererij uw God verlaten.
U hebt hoerenloon lief
op alle dorsvloeren voor koren.
doet vermoeden dat Hosea zijn boodschap uitspreekt terwijl het volk aan het feestvieren is (vgl. vers 55Wat zult u [dan] doen op een hoogtijdag
en op een feestdag voor de HEERE?
)
. Mogelijk betreft het een oogstfeest, het Loofhuttenfeest, of althans dat wat Jerobeam I daarvoor als vervanging heeft bedacht. Voor het aankondigen van de naderende Godsgerichten hebben de profeten meerdere keren van de grote feesten gebruikgemaakt, omdat er dan veel volk bij elkaar is. Hosea moet daar als een grote spelbreker zijn gezien.

Hij vermaant hen op te houden met het vreugdebedrijven. Zij jubelen als de volken, en daarin ligt hun overspel. Door hun verbond met God zijn ze met Hem in een huwelijksbetrekking gekomen. Daarbij moet van elke andere verbinding worden afgezien. Bij zulke feesten wordt, naast de geestelijke hoererij die het volk bedrijft, vaak ook letterlijk hoererij gepleegd. Hosea wil hen uit hun roes van lichtzinnige vreugde wakker schudden, want er is allerminst reden voor feestvieren (Jk 4:99Weest ellendig, treurt en weent; laat uw lachen in treuren en uw blijdschap in verslagenheid veranderd worden.).


De oorzaak van vreugde weggenomen

2Dorsvloer en perskuip zullen hen niet voeden,
de nieuwe wijn zal hun tegenvallen.

Gods oordeel begint met de Israëlieten te treffen in hun oogst. Als er niets meer is om te eten, is er ook niets meer om mee te feesten. Waarschijnlijk zal door gebrek aan regen er geen opbrengst zijn. Hosea’s boodschap is: ‘Nu vieren jullie wel feest, maar binnenkort zal er geen koren meer geoogst worden en er geen wijn meer zijn om vrolijk te worden.’ Wie zijn vreugde in de Heer Zelf vindt en niet alleen in wat Hij geeft, zal kunnen juichen in de Heer, zelfs al is er gebrek (Hk 3:17-1817Al zal de vijgenboom niet in bloei staan
en er geen vrucht aan de wijnstok zijn,
al zal de opbrengst van de olijfboom tegenvallen
en zullen de velden geen voedsel voortbrengen,
al zal het kleinvee uit de kooi verdwenen zijn
en er geen rund in de stallen over zijn –
18ik zal dan toch in de HEERE van vreugde opspringen,
mij verheugen in de God van mijn heil.
)
.


Weg uit het land van de HEERE

3Zij zullen niet blijven in het land van de HEERE:
Efraïm keert terug naar Egypte,
in Assyrië zullen zij eten wat onrein is.

Op het oordeel van de misoogst volgt het oordeel van hun verwijdering uit het land. Het land houdt op het volk te voeden en te herbergen. Het land wordt hier “het land van de HEERE” genoemd. Het land is Gods exclusieve eigendom (Lv 25:2323Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.). Het zou “een land van recht” (Js 26:1010[Al] wordt de goddeloze genade bewezen,
hij leert niet wat gerechtigheid is:
in een land van recht bedrijft hij onrecht
en de hoogheid van de HEERE ziet hij niet.
)
moeten zijn, een land waar ieder zijn deel krijgt van de overvloed die het oplevert (Dt 8:7-97Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;8een land met tarwe en gerst, wijnstokken, vijgenbomen en granaatappels; een land met olierijke olijfbomen en honing;9een land waarin u zonder schaarste brood zult eten, waarin het u aan niets ontbreken zal; een land waarvan de stenen ijzer zijn, en [waarin] u uit zijn bergen koper kunt hakken.).

Ze doen echter alsof het hun eigen land is. Ze zullen er als goddelozen uit worden verdreven zoals vroeger Adam en Eva uit het paradijs. Wie zich niet onderwerpt aan de wet van God en zich niet openstelt voor Zijn barmhartigheid en liefde, moet niet verwachten in Zijn land te kunnen blijven. God bezit het eigendomsrecht niet alleen met betrekking tot het land van Israël. Zijn eigendomsrecht betreft de hele aarde (Ps 24:11Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
)
. Daarom zal iedere boze er uiteindelijk ook uit worden verwijderd.

Egypte en Assyrië zijn de landen waarnaar ze zullen worden weggevoerd. Assyrië is het land dat het oordeel daadwerkelijk zal uitvoeren (Hs 11:55Hij zal niet terugkeren naar het land Egypte,
maar Assyrië, dat zal zijn koning zijn,
want zij weigeren zich te bekeren.
)
. Het noemen van Egypte moet waarschijnlijk meer symbolisch worden gezien. Egypte staat symbool voor de slavernij waaruit Israël vroeger is bevrijd. In deze slavernij komen ze door hun ontrouw opnieuw terecht (vgl. Hs 8:1313Zij brengen Mijn offergaven
en zij eten [zelf] van het vlees.
De HEERE schept er geen behagen in.
Nu zal Hij aan hun ongerechtigheid denken,
en hun zonden [aan hen] vergelden:
zij zullen terugkeren naar Egypte.
)
, maar nu zal de koning van Assyrië macht over hen uitoefenen. In elk geval zijn Egypte en Assyrië de landen waarop ze hun vertrouwen hebben gesteld in plaats van op God.

Alles wat ze onder het slavenjuk van de koning van Assyrië zullen eten, zal onrein zijn, omdat het niet van de bodem van het land van de HEERE komt. Het voedsel zal ook niet geselecteerd en klaargemaakt zijn zoals Mozes dat heeft voorgeschreven en ook niet geheiligd doordat de eerstelingen ervan aan God zijn aangeboden (Lv 23:10-1210Spreek tot de Israëlieten, en zeg tegen hen: Wanneer u in het land komt dat Ik u geven zal, en u de oogst ervan binnenhaalt, dan moet u de eerste schoof van uw oogst naar de priester brengen.11Hij moet de schoof voor het aangezicht van de HEERE bewegen, opdat Hij een welgevallen in u vindt. Op de dag na de sabbat moet de priester de [schoof] bewegen.12U moet op de dag dat u de schoof beweegt, een lam zonder enig gebrek van een jaar oud als brandoffer voor de HEERE bereiden,).


Offers die de HEERE niet aangenaam zijn

4Zij zullen voor de HEERE geen wijn plengen
en hun offers zullen Hem niet aangenaam zijn.
Ze zijn voor hen als brood voor rouwenden:
ieder die dat eet, wordt onrein.
Want hun brood dient voor henzelf,
het mag niet in het huis van de HEERE komen.

Het volk denkt er niet aan om iets van de vrucht van het land aan de HEERE te geven. Ze zullen voor Hem “geen wijn plengen”, wat betekent dat ze Hem geen drankoffers zullen brengen. Alles is voor henzelf. En als ze al iets als offer brengen, is ook dat alleen om er zelf van te kunnen eten (Hs 8:1313Zij brengen Mijn offergaven
en zij eten [zelf] van het vlees.
De HEERE schept er geen behagen in.
Nu zal Hij aan hun ongerechtigheid denken,
en hun zonden [aan hen] vergelden:
zij zullen terugkeren naar Egypte.
)
. Eenmaal uit het land verwijderd is het voorbij met heel de uitwendige, ceremoniële dienst van Israël. Er is één plaats van eredienst (Dt 12:5-65Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.6Daarheen moet u uw brandoffers brengen, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers van uw hand, uw gelofte[offers], uw vrijwillige gaven en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee.). Dat laat geen ruimte voor het brengen van offers in het vreemde land waarnaar ze zullen worden weggevoerd.

Maar zelfs al zouden ze hun offers naar Jeruzalem willen brengen, dan nog wil God die niet aanvaarden. Hun offers zijn niet aangenaam voor Hem. Hij wil ze niet in Zijn huis hebben, omdat hun harten niet verootmoedigd zijn. Als er iemand is overleden, wordt er treurbrood gegeten (vgl. Jr 16:77Ook zal men geen [brood] voor hen breken vanwege de rouw, om iemand te troosten over een gestorvene, en men zal hun niet te drinken geven uit de troostbeker vanwege iemands vader of vanwege iemands moeder.). Dat is onrein door de dood (vgl. Dt 26:1414Ik heb er niets van gegeten toen ik in rouw was, er niets van weggenomen toen ik onrein was en er niets van meegegeven aan een dode. Ik ben de stem van de HEERE, mijn God, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan overeenkomstig alles wat U mij geboden hebt.). Zo zal alles wat ze als offer willen brengen of wat ze eten dit karakter dragen omdat het gebeurt in een onrein land en door een onrein volk.


Een vraag om het geweten aan te spreken

5Wat zult u [dan] doen op een hoogtijdag
en op een feestdag voor de HEERE?

Eenmaal weggevoerd naar Assyrië zullen ze geen offers meer kunnen brengen. Maar ze zullen ook de feesten niet meer kunnen vieren. Tijdens hun verblijf buiten het land zullen ze met heimwee aan Jeruzalem denken en aan de vreugde die bij de feesten van de HEERE hun deel is geweest, maar waaraan door hun ontrouw een einde is gekomen. De vraag van de profeet “wat zult u [dan] doen?”, moet hen tot bezinning brengen. Ze moeten inzien in welke situatie ze zich bevinden en dat het oordeel nadert.


Elke uitvlucht afgesneden

6Want zie, vanwege de verwoesting gaan zij op weg;
Egypte zal hen bijeenbrengen,
Memphis zal hen begraven.
Begeerte zal er zijn naar hun geld,
netels zullen hen in erfbezit nemen
en distels zullen in hun tenten zijn.

Om de Assyriërs te ontvluchten zullen sommigen naar het zuiden gaan. Maar dat land van hun ballingschap zal ook hun graf worden. Met Egypte wordt mogelijk weer Assyrië bedoeld. Memphis is beroemd door zijn enorme piramiden en talloze graven. Het is ook mogelijk dat ze voor de Assyriërs hun toevlucht in Egypte zullen zoeken en zullen hopen binnenkort terug te kunnen gaan. Maar dat zal niet gebeuren.

Terwijl zij zelf zullen omkomen, zullen al hun kostbaarheden en al hun weelde bedekt worden door onkruid en dorens, die een aanduiding zijn van wat verwerpelijk is en verbrand wordt. Het zal hun niets opleveren. Voor zover zij het zullen overleven, zal er in hun tenten, hun woningen, geen vrede wonen. Stekeligheden, de irritaties in de onderlinge omgang zullen hun leven verzuren. Distels zijn het gevolg van de zonde (Gn 3:1818dorens en distels zal hij voor u laten opkomen
en u zult het gewas van het veld eten.
)
.


De boodschapper van God miskend

7De dagen van de vergelding zijn gekomen.
De dagen van de afrekening zijn gekomen.
Israël zal het weten.
De profeet is dwaas,
de man met de geest is krankzinnig.
Vanwege de grootheid van uw ongerechtigheid
is ook de vijandschap groot.

Hosea ziet dat “de dagen van de vergelding” en “de dagen van de afrekening” zijn gekomen. Hij wil ermee zeggen dat ze voor de deur staan. Het lijdt ook geen twijfel dat Israël de vergelding en de afrekening aan den lijve zal ervaren. Het lijkt erop dat het volk de profeet “dwaas” verklaart en “de man met geest”, dat is de man die door de Geest van God wordt geleid, “krankzinnig” noemt. Zo reageert het volk op de man die hen duidelijk op hun zonden wijst. Met deze woorden zal Israël dan de ware profeet beschimpen. Mogelijk zien ze dat de profeet in geestvervoering is. Hij is volledig bij zijn boodschap betrokken (Js 21:33Daarom zijn
mijn lendenen vol pijnscheuten.
Weeën hebben mij aangegrepen
als de weeën van een barende vrouw.
Ik krimp ineen bij het horen,
ik ben verschrikt bij het zien.
)
.

We kunnen ons dit als volgt voorstellen. Nadat Hosea te midden van het feestgewoel op het feestplein de dagen van de bezoeking heeft aangekondigd, schreeuwt iemand: ‘De profeet is een dwaas! Weg met die man, hij verstoort ons feest.’ Op deze wijze is ook de Heer Jezus uitgescholden. Van Hem zeggen ze: “Hij is buiten Zichzelf” (Mk 3:2121En toen Zijn verwanten dit hoorden, gingen zij heen om Hem te grijpen, want zij zeiden: Hij is buiten Zichzelf.) en “Hij heeft een demon” (Jh 10:2020En velen van hen zeiden: Hij heeft een demon en spreekt wartaal; waarom luistert u naar Hem?). Ook Paulus wordt zo bespot: “U spreekt wartaal, Paulus, uw grote geleerdheid brengt u tot waanzin” (Hd 26:2424Toen hij zich met deze dingen verdedigde, zei Festus met luider stem: U spreekt wartaal, Paulus, uw grote geleerdheid brengt u tot waanzin.). In feite kan iedereen die een echte volgeling van de Heer Jezus is, instemmen met wat Paulus van zichzelf en zijn medewerkers zegt: “Wij zijn dwaas om Christus’ wil” (1Ko 4:1010Wij zijn dwaas om Christus’ wil, maar u bent wijs in Christus; wij zwak, maar u sterk; u geëerd, maar wij veracht.).

Door Hosea voor dwaas uit te schelden wordt gezegd dat de profeet iemand is aan wie je geen enkele aandacht moet geven. Als iemand harde woorden spreekt die het geweten raken, kun je hem het beste krankzinnig noemen, iemand die raast. Dan heb je direct een excuus om niet naar hem te luisteren.

Nadat de profeet in de rede is gevallen en men hem heeft uitgescholden, gaat hij onverstoorbaar verder. Hij sluit zelfs aan bij de woorden van de spotter. Jazeker, hij is krankzinnig, maar de oorzaak daarvan ligt bij de enorme omvang van de ongerechtigheden van het volk. Bij het zien van zoveel ongerechtigheid kun je toch niet onbewogen blijven? Dat vliegt je toch aan? Temeer als je ook nog eens ziet welk een zwaar oordeel God daarover zal laten komen. Het spreekt van echte liefde voor het volk om hen daarop te wijzen en zelfs na afwijzing gewoon door te gaan.

Naarmate de profeet het volk in zijn liefde voor hen steeds heftiger waarschuwt, wordt de reactie van het volk steeds pijnlijker voor hem en wordt hij nadrukkelijker afgewezen. Achter de profeet zien we God Zelf. Hoe moet de reactie van het volk ook Hém intens verdriet doen. De zonde waarop de boodschapper van God wijst en waarvan men geen afstand wil doen, is de oorzaak van hun handelwijze. De grote vijandschap waarmee het volk de profeet behandelt, is in feite vijandschap tegen God. Het getuigt van grote moed om, ondanks de reactie, toch getrouw door te gaan en te verkondigen dat er zwaar weer op komst is voor een volk dat alleen brood en spelen wil.


Wachter bij God

8De wachter van Efraïm is met mijn God,
een profeet [vindt] de strik van de vogelvanger op al zijn wegen,
vijandschap [zelfs] in het huis van zijn God.

De profeet is een wachter bij God ten gunste van het volk (Ez 3:1717Mensenkind, Ik heb u aangesteld tot wachter over het huis van Israël. Wanneer u uit Mijn mond een woord hoort, moet u hen namens Mij waarschuwen.). Hij wordt door God op de hoogte gehouden van Zijn plannen en daarmee mag hij het volk dienen (Hk 2:11Ik ging op mijn wachtpost staan,
nam mijn plaats in op de vesting[wal],
en keek uit om te zien wat Hij in mij spreken zou
en wat ik antwoorden zou op mijn aanklacht.
)
. Wachter bij God zijn is een groot voorrecht. Dat voorrecht valt maar betrekkelijk weinigen ten deel, hoewel de Heer Jezus tot allen zegt: “Waakt!” (Mk 13:3737Wat Ik nu tot u zeg, zeg Ik tot allen: Waakt!).

Wachters mogen, behalve waarschuwen voor het naderende onheil, ook uitzien naar de morgen (Js 21:11-1211De last over Duma.
Men roept mij uit Seïr toe:
Wachter, hoe staat het met de nacht?
Wachter, hoe staat het met de nacht?
12De wachter zei:
De morgenstond is gekomen,
maar het wordt ook nacht.
Wilt u vragen, vraag!
Keer terug, kom!
)
. Zij mogen horen wat God zegt (Hk 2:11Ik ging op mijn wachtpost staan,
nam mijn plaats in op de vesting[wal],
en keek uit om te zien wat Hij in mij spreken zou
en wat ik antwoorden zou op mijn aanklacht.
)
. Zoals al is opgemerkt, worden de waarschuwingen van de profeet hem niet in dank afgenomen. Een verklaring van de zin “de strik van een vogelvanger op al zijn wegen” kan zijn, dat de mensen de profeet als een strik zien. Dat kan betekenen dat zij zich door zijn woorden gevangengenomen voelen, dat ze, als ze naar hem luisteren, hun vrijheid om naar eigen genoegens te leven, kwijt zijn. Ze hebben de zonde te lief om dat leven weer prijs te geven.

Een andere verklaring kan zijn dat de profeet erop bedacht moet zijn, dat op zijn wegen strikken verborgen liggen. De mensen tot wie hij zijn boodschap richt, zullen hun best doen zijn stem te laten zwijgen (vgl. Am 7:10-1710Toen stuurde Amazia, de priester van Bethel, [een bode] naar Jerobeam, de koning van Israël, om te zeggen: Amos heeft een samenzwering tegen u gesmeed in het midden van het huis van Israël. Het land zal aan al zijn woorden geen weerstand kunnen bieden.11Want dit heeft Amos gezegd: Jerobeam zal sterven door het zwaard, Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd, weg uit zijn land.12Daarop zei Amazia tegen Amos: Ziener, ga heen, vlucht naar het land van Juda! Eet daar [uw] brood en ga daar profeteren.13In Bethel mag u niet langer profeteren, want dat is het heiligdom van de koning, dat is het huis van het koninkrijk.14Toen antwoordde Amos en zei tegen Amazia: Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon, maar ik ben veehouder en moerbeikweker.15De HEERE haalde mij echter achter de kudde vandaan en de HEERE zei tegen mij: Ga heen, profeteer tegen Mijn volk Israël!16Nu dan, hoor het woord van de HEERE. U zegt: U mag niet profeteren tegen Israël, en: U mag [uw woorden] niet laten stromen tegen het huis van Izak!17Daarom, zo zegt de HEERE:
Uw vrouw zal in de stad hoererij bedrijven,
uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen,
en uw land zal met een meetsnoer verdeeld worden;
en ú zult sterven op onreine bodem,
en Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd,
weg uit zijn land.
)
. Daarvoor zetten ze valstrikken uit en maken ze valkuilen. Ze liggen op de loer om de profeet de mond te kunnen snoeren, of om hem op zijn woord te vangen, zoals ook steeds bij de Heer Jezus is geprobeerd.

De profeet ondervindt deze vijandschap niet van mensen buiten Gods volk. Het bittere is dat de profeet zulke felle tegenstand juist ondervindt in het huis van zijn God. Waar hij God wil dienen, dáár ondervindt hij de meeste vijandschap (vgl. Ps 55:13-1513Immers, het is geen vijand [die] mij hoont,
anders zou ik het verdragen hebben;
het is niet mijn hater [die] zich tegen mij verheft,
anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.
14Maar u bent het, o sterveling, als mijn gelijke,
mijn leidsman en mijn bekende.
15Wij die zeer aangenaam [en] vertrouwelijk met elkaar omgingen,
wij wandelden in gezelschap van velen naar Gods huis!
)
.


Wat er vroeger was, is er nu ook nog

9Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea.
Hij zal aan hun ongerechtigheid denken,
Hij zal hun zonden [aan hen] vergelden.

De profeet wijst niet zozeer op de plaats Gibea als wel op “de dagen van Gibea” (vgl. Hs 10:99Sinds de dagen van Gibea
hebt u gezondigd, Israël!
Daar zijn zij blijven staan.
De strijd in Gibea zal hen niet treffen,
[de strijd] tegen onrechtvaardige mannen.
; Richteren 19-21)
. Hiermee wijst hij op wat er in de dagen van de richters in Gibea is gebeurd, maar ook op hoe men daarmee is omgegaan, hoe het volk erop heeft gereageerd. Het geeft de atmosfeer aan waarbinnen die afschuwelijke zonde zich afspeelt en waarbij openbaar wordt wat er in de harten leeft van allen die erbij betrokken zijn.

Door te verwijzen naar de dagen van Gibea zegt Hosea dat het in zijn dagen met het volk niet anders is. Mogelijk komt de zonde niet op dezelfde wijze openbaar als destijds in Gibea, waar het wel duidelijk waarneembaar is. Maar zeker is de atmosfeer van destijds in zijn dagen aanwezig. Daardoor hebben zij zich “zeer diep verdorven”.

Het is vreselijk, maar het ergste kwaad kan gebeuren, ook nu in de gemeente. Maar nog vreselijker is het als die zonde niet wordt geoordeeld of slechts wordt geoordeeld in een geest van hooghartigheid en trots en vanuit eigen belang. God zal ervoor zorgen dat de zonde wordt geoordeeld en dat Zijn volk, te midden waarvan de zonde heeft plaatsgevonden, daarover leert denken en daarmee leert handelen zoals Hij dat doet.

Zonde sterft nooit een natuurlijke dood, maar moet volkomen worden geoordeeld. Wanneer een zonde wordt toegelaten, hetzij in het leven van een persoon, hetzij in een plaatselijke gemeente, zal deze zonde zijn werk blijven doen tot ze wordt geoordeeld. Dit oordeel moet gebeuren door de persoon zelf, of door de gemeente; anders zal God het doen.


Het voorwerp van hun liefde

10Ik vond Israël als druiven in de woestijn;
als vroege vijgen aan de vijgenboom, zijn eerste opbrengst,
zag Ik uw vaderen.
Zíj gingen [echter] naar Baäl-Peor,
wijdden zich aan die schande.
Zij werden even weerzinwekkend als hun minnaars.

In het volgende gedeelte verwijst de profeet drie keer naar het begin van het bestaan van Israël als volk (Hs 9:1010Ik vond Israël als druiven in de woestijn;
als vroege vijgen aan de vijgenboom, zijn eerste opbrengst,
zag Ik uw vaderen.
Zíj gingen [echter] naar Baäl-Peor,
wijdden zich aan die schande.
Zij werden even weerzinwekkend als hun minnaars.
; 10:11Israël is een weelderige wijnstok,
hij brengt zijn vrucht voort.
Hoe groter zijn vrucht is,
hoe meer er voor de altaren is.
Hoe beter zijn land,
hoe mooier de gewijde stenen.
; 11:11Toen Israël een kind was, had Ik hem lief,
en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.
)
. Telkens laat hij zien hoe ontrouw Israël is geworden aan zijn Goddelijke roeping. God vond Israël (Dt 32:10a10Hij vond hem in een woestijngebied,
in een woeste, huilende wildernis.
Hij omringde hem, Hij onderwees hem,
Hij beschermde hem als Zijn oogappel.
)
. Hij zag destijds het hele volk als druiven en vijgen. Hij had daarbij de vreugdevolle verwachting van de volle oogst. Als Eigenaar zag Hij Zijn volk als iemand die aan zijn wijnstok de eerste druiven ontdekt of die in het voorjaar aan zijn vijgenboom de eerste vroege vijgen ziet. Zo heeft God in het begin naar Zijn volk gekeken en er Zijn verwachtingen van gehad. God herinnert Israël eraan hoe in die tijd hun gevoelens tegenover Hem waren (Jr 2:2-32Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
3Israël was heilig voor de HEERE,
de eersteling van Zijn opbrengst.
Allen die deze opaten, werden schuldig,
onheil kwam over hen,
spreekt de HEERE.
)
.

Helaas, wat vreugdevol werd verwacht, is op een bittere ontgoocheling uitgelopen. Baäl-Peor is tot een valstrik geworden en heeft de ontrouw van het volk blootgelegd (Nm 25:3-183Toen Israël zich zo aan Baäl-Peor koppelde, ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël.4De HEERE zei tegen Mozes: Neem alle hoofden van het volk en laat hen voor de HEERE in de volle zon ophangen, zodat de brandende toorn van de HEERE van Israël afgekeerd wordt.5Toen zei Mozes tegen de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben.6En zie, een man uit de Israëlieten kwam en bracht een Midianitische [vrouw] bij zijn broeders, voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de Israëlieten, terwijl zij huilden [bij] de ingang van de tent van ontmoeting.7Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, [dat] zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.9[Het aantal van] hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend.10Toen sprak de HEERE tot Mozes:11Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb.12Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede:13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.14De naam nu van de gedode Israëlitische man, die samen met de Midianitische [vrouw] gedood was, was Zimri, de zoon van Salu, een leider van een familie van de Simeonieten.15En de naam van de gedode Midianitische vrouw was Kozbi, dochter van Zur; hij was stamhoofd van een familie in Midian.16Verder sprak de HEERE tot Mozes:17Behandel de Midianieten als vijanden en versla hen.18Want zij hebben u als vijanden behandeld, met hun listen, die zij listig tegen u beraamden, in het geval van Peor en in het geval van hun zuster Kozbi, de dochter van een leider van de Midianieten, die gedood is op de dag van de plaag, in het geval van Peor.). Peor is een berg in Moab waarmee de afgod Baäl wordt verbonden. Hosea wijst niet alleen terug naar die eerste ontrouw, maar zegt ook dat zij zich sindsdien zo hebben gedragen. Door zich aan “die schande” of ‘schand-god’ te wijden is het volk voor God net zo gruwelijk geworden als de schand-god zelf.

Men gaat steeds meer lijken op het voorwerp dat bewonderd wordt. Men zal zich daarmee steeds meer identificeren en dat zal alleen maar toenemen naarmate men zich meer verdiept in en overgeeft aan dit voorwerp van zijn liefde. Als iets op deze wijze meer onze aandacht en liefde krijgt dan God, worden we voor Hem “weerzinwekkend”. God kan niet toestaan dat wij de eer die Hem toekomt aan anderen geven.


Onvruchtbaarheid

11Wat Efraïm betreft, als een vogel zal zijn luister wegvliegen,
van de geboorte, van de [moeder]schoot en van de bevruchting af.

Na de honger in vers 22Dorsvloer en perskuip zullen hen niet voeden,
de nieuwe wijn zal hun tegenvallen.
en de wegvoering in gevangenschap in vers 33Zij zullen niet blijven in het land van de HEERE:
Efraïm keert terug naar Egypte,
in Assyrië zullen zij eten wat onrein is.
volgt nu onvruchtbaarheid als een oordeel van God. Dit is een straf waarmee nog niet eerder is gedreigd. Efraïm betekent ‘dubbele vruchtbaarheid’ (Gn 41:5252De tweede gaf hij de naam Efraïm. Want, zei hij, God heeft mij vruchtbaar doen worden in het land van mijn verdrukking.), maar ”zijn luister”, de kracht van het hebben van veel kinderen (Ps 127:3-53Zie, kinderen zijn het eigendom van de HEERE,
de vrucht van de schoot is [Zijn] beloning.
4Zoals pijlen in de hand van een held,
zo zijn de zonen, [ontvangen in] de jeugd.
5Welzalig de man die zijn pijlkoker
daarmee gevuld heeft;
zij worden niet beschaamd,
als zij met de vijanden spreken in de poort.
; 128:66U zult de kinderen van uw kinderen zien.
Vrede over Israël!
)
, zal er niet zijn. Het volk zal niet toenemen, maar afnemen. Er zullen geen kinderen meer worden geboren; ook de eerdere stadia, bevruchting en zwangerschap, zullen tot het verleden behoren. In tegenstelling tot de algemene maatschappelijke opvattingen in onze tijd was het toen een groot gemis, bijna een schande, om geen kinderen te hebben.


Kindersterfte

12Ook al brengen zij hun kinderen groot,
Ik zal hen van kinderen beroven, geen mens zal er [meer] zijn!
Ja ook, wee hun, wanneer Ik van hen wijk!

Van de kinderen die al geboren zijn, zullen ze niet lang genieten. God zal er Zelf voor zorgen dat zij zullen sterven, misschien door een ziekte. Het geslacht van mensen tot wie Hosea zich richt, zal volledig worden uitgeroeid. Het zal geen opvolging kennen. De wijze waarop God dit oordeel gaat uitvoeren, is eenvoudig, maar smartelijk: Hij zal Zich aan hen onttrekken. Als God van iemand wijkt, is dat werkelijk een “wee”. Buiten God is geen leven mogelijk. Alles wat iemand zonder God tot stand brengt, zal vergaan.


Efraïm als Tyrus

13Efraïm, zoals Ik het gezien had, was als Tyrus,
geplant in een lieflijke woonplaats,
maar Efraïm zal zijn kinderen moeten uitleveren
aan de moordenaar.

Tyrus staat voor kracht en rijkdom, maar ook voor trots en zelfverzekerdheid. Zo heeft Israël zich ontwikkeld. Helaas hebben ze al hun voorspoed voor zichzelf gebruikt en zijn ze vergeten van Wie ze al hun zegeningen gekregen hebben. Zoals Tyrus zich beroemt op zijn eigen inspanningen, zo is Israël ook geworden (Dt 32:1515Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit
– u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest –
toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft,
hij versmaadde de Rots van zijn heil.
)
. Wie in die geest zijn kinderen opvoedt, zoekt hun onheil. Dat onheil kan gestalte krijgen in een persoon, “de moordenaar”, die het leven van het kind neemt.

‘De moordenaar’ kan ook zijn de omstandigheden die wij zelf creëren waardoor onze kinderen totaal niet zullen verlangen om met God te leven. Dit kan gebeuren als ze ook in ons leven de karaktertrekken van Tyrus zien. Een kind verloren te zien gaan is erg, maar nog erger is het als we tot het besef moeten komen dat het door onze eigen schuld is gebeurd, omdat wij de dingen van de wereld hebben gezocht en niet naar Gods stem hebben geluisterd.


Het gebed van de profeet

14Geef hun, HEERE,
[ja,] wat moet U [hun] geven?
Geef hun een baarmoeder die zonder vrucht blijft
en borsten die verdrogen.

Hosea vraagt aan God Zijn volk te oordelen. Hiermee kiest hij duidelijk de kant van God tegen de ontrouw van het volk. Zo bidt Elia om droogte (Jk 5:1717Elia was een man van gelijke natuur als wij, en hij bad een gebed dat het niet zou regenen, en het regende drie jaar en zes maanden niet op aarde.). Dat lijkt hard, maar alleen hierdoor kan het volk misschien nog bereikt worden en hopelijk tot inkeer komen. Hosea laat de straf aan de HEERE over. Het voorstel dat hij doet, is het ergste wat hij kan bedenken. Hij weet geen erger oordeel dan de dood door misgeboorte en gebrek aan moedervoeding.

Het lijkt erop dat hij bidt met horten en stoten. Hij wil iets vragen, maar weet eigenlijk niet wat. Hij laat het aan God over, God moet het maar weten. In die overgave brengt hij dan toch onder woorden wat nodig is om Gods volk te treffen. Je voelt hoe hij worstelt om zijn volk te redden, om het alsnog weer bij God te brengen.


Wat God niet kan liefhebben

15Al hun kwaad bleek in Gilgal,
ja, daar heb Ik hen gehaat.
Vanwege hun slechte daden
zal Ik hen uit Mijn huis verdrijven.
Ik zal hen voortaan niet meer liefhebben:
al hun vorsten zijn opstandig.

God kan geen zonde in Zijn huis tolereren. Zijn huis is hier het volk Israël. God kan niets meer ten gunste van hen zeggen, daarom kan Hij hen ook niet meer liefhebben. Nooit kan God opstand tegen Zijn gezag met liefde benaderen. Het is goed dat te bedenken, zeker in onze tijd, waarin zo luchtig over de liefde van God wordt gepraat. Je hoort opmerkingen in de zin van: ‘Hij accepteert ons wel met onze zonden, omdat Hij toch wel weet hoe we het bedoelen.’ Maar zo spreekt God nooit.


Geen vrucht voor God

16Efraïm is getroffen:
hun wortel is verdord,
vrucht zullen zij niet voortbrengen.
Zelfs als zij nog [nieuw leven] verwekten,
zou Ik de lievelingen van hun [moeder]schoot doden.

Efraïm wordt vergeleken met een zieke plant. Hij zal aan de vervloekte vijgenboom gelijk worden (Mk 11:12-14,20-2512En de volgende dag, toen zij uit Bethanië gingen, had Hij honger.13En toen Hij in de verte een vijgenboom zag die bladeren had, ging Hij [kijken] of Hij daar misschien iets aan zou vinden; en daarbij gekomen vond Hij niets dan bladeren, want het was niet de tijd van de vijgen.14En Hij antwoordde en zei tot hem: Laat niemand meer vrucht van u eten in eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.20En toen zij ‘s morgens vroeg voorbijgingen, zagen zij dat de vijgenboom verdord was van [de] wortels af.21En Petrus herinnerde het zich en zei tot Hem: Rabbi, zie, de vijgenboom die U vervloekt hebt, is verdord.22En Jezus antwoordde en zei tot hen: Hebt geloof in God.23Voorwaar, Ik zeg u, dat wie tot deze berg zegt: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft dat wat hij spreekt gebeurt, het zal hem gebeuren.24Daarom zeg Ik u: alles wat u maar bidt en vraagt, gelooft dat u het ontvangt, en het zal u gebeuren.25En wanneer u staat te bidden, vergeeft als u iets tegen iemand hebt, opdat ook uw Vader Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft. [26 Dit vers is als niet-authentiek weggelaten.]). Het wonder waarbij de Heer Jezus de vijgenboom vervloekt zodat deze van de wortels af verdort, is Zijn enige wonder van oordeel. De betekenis van dit wonder is, dat er van het volk dat leeft in eigen gerechtigheid nooit enige vrucht voor God zal zijn. Efraïm, dat is Israël, heeft dat in zijn geschiedenis duidelijk bewezen. Al zijn nakomelingen hebben dezelfde opstandigheid getoond. Ze hebben hun kinderen die opstandigheid voorgehouden, hen erin opgevoed. God kan niet anders dan hen oordelen.


Verworpen

17Mijn God zal hen verwerpen,
omdat zij naar Hem niet luisteren.
Zij zullen zwervers onder de volken zijn.

Hosea spreekt hier over “mijn God”. Daarmee geeft hij aan dat hij het volledig met God eens is in Zijn handelen met het volk. Tevens geeft hij daarmee aan dat Hij niet meer de God van Israël is als het volk zal zijn weggevoerd. De reden van hun wegvoering en verstrooiing onder de volken is duidelijk. Ze hebben niet naar God geluisterd. Ook de eerste koning van Israël, Saul, wordt verworpen omdat hij niet naar God heeft geluisterd (1Kr 10:1313Zo stierf Saul vanwege zijn trouwbreuk, die hij tegenover de HEERE had gepleegd, vanwege het woord van de HEERE, dat hij niet in acht had genomen, en ook omdat hij een dodenbezweerder had geraadpleegd,; 1Sm 15:2323Want opstandigheid is een zonde van waarzeggerij,
en tegenstreven is afgoderij en beeldendienst.
Omdat u het woord van de HEERE verworpen hebt,
heeft Hij u verworpen, zodat u geen koning [meer] zult zijn.
)
. Dit geeft duidelijk aan hoeveel belang God eraan hecht hoe wij met Zijn Woord omgaan en wat wij ermee doen.


Lees verder