Hosea
Inleiding 1 Oproep om aan te klagen 2 Gevolgen van onbekeerlijkheid 3 Geen ontferming over de kinderen 4 De hoererij van de moeder 5 Dorens en een muur 6 Het besluit om terug te keren 7 God niet als de Gever erkend 8 God neemt de zegen weg 9 Gods volk te schande gemaakt 10 God neemt het volk hun feesten af 11 Verwoesting van wijnstok en vijgenboom 12 Vergelding voor de dagen van de Baäls 13 God gaat Zijn volk lokken 14 Een deur van hoop 15 Mijn Man 16 Geen andere namen meer 17 Vrede op aarde 18 Israël weer door God tot bruid genomen 19 Trouw 20-21 De HEERE verhoort 22 U bent Mijn volk
Inleiding

Dit hoofdstuk heeft hetzelfde thema als het vorige. Ook in dit hoofdstuk wordt Israël voorgesteld als een hoererende vrouw. Het verschil met Hosea 1 is dat het hier niet over het huwelijk van Hosea gaat, maar dat de ontrouw van Israël hier nader wordt beschreven.

God roept Hosea op om Zijn volk als een ontuchtige vrouw aan te klagen. Zij heeft zich schuldig gemaakt aan de grofste ontrouw tegenover God door bij de volken haar voordeel te zoeken. Zij is vergeten dat alle zegen alleen van God komt. Daarom brengt God haar in de eenzaamheid van de woestijn. Daar spreekt Hij tot haar hart. Zijn genade bewerkt een terugkeer van het volk dat Hij weer ‘Mijn volk’ zal noemen. Zo wil God ook in ons leven werken als wij Hem vergeten.


Oproep om aan te klagen

1Klaag uw moeder aan, klaag [haar] aan,
want zij is Mijn vrouw niet
en Ik ben haar Man niet.
Laat zij haar hoererij van haar gezicht wegdoen,
en haar overspel van tussen haar borsten.

De oproep om “uw moeder”, dat is Israël, aan te klagen – of: een rechtsgeding met haar aan te gaan –, wordt gericht tot de Godvrezenden binnen datzelfde Israël. Het is een getrouw overblijfsel dat Gods kant kiest tegenover de zonde. Het ‘aanklagen’ waartoe wordt opgeroepen, is een gepast en nederig getuigen tegen het kwaad, in het besef deel uit te maken van hetzelfde volk dat wordt aangeklaagd. Dat deze oproep twee keer na elkaar klinkt, geeft aan hoe noodzakelijk de aanklacht is. De tijd is er meer dan rijp voor. Langer uitstel zou de schijn wekken dat God onverschillig is tegenover de zonden van Zijn volk.

Als God getuigt tegen het kwaad, moeten de trouwe gelovigen dat ook doen. Hosea is zo’n trouwe gelovige, evenals zij die in het vorige hoofdstuk zijn “broeders” en “zusters” worden genoemd (Hs 1:1212Zeg tegen uw broeders: Ammi,
en tegen uw zusters: Ruchama.
)
. Net als Hosea zijn ook zij verontwaardigd over de zonde van ontrouw waaraan het volk zich schuldig maakt. Zij voelen het kwaad en spreken erover en handelen ermee naar Gods wil en zoals Zijn Geest hun duidelijk maakt.

De oproep komt tot de individuele, trouwe gelovige om ervan te getuigen dat het volk als geheel zich op de weg van de zonde bevindt. Maar het geeft extra moed om dit getuigenis onbevreesd te geven als we weten dat we, ook in ons getuigenis tegen het kwaad, er niet alleen voor staan, maar dat anderen die gevoelens met ons delen. Door duidelijk afstand te nemen van het kwaad en er niet aan mee te doen, er zich zelfs van af te zonderen, krijgt dit getuigenis zijn ware kracht.

Niemand kan een waarachtige getuige tegen heersend kwaad zijn als hij ermee verbonden blijft. Deze oproep kan vandaag worden toegepast op een plaatselijke gemeente die wereldse invloeden toelaat en afwijkt van de Schrift. Daartegen moeten we onze stem laten horen en actie ondernemen. Afwijken van Gods gedachten moet aan de kaak worden gesteld.

Als er, na herhaalde verzoeken, nog geen gehoor gevonden wordt, moet er scheiding plaatsvinden. Dit kan pas gebeuren als alle pogingen om tot inkeer te komen hebben gefaald, als gebleken is dat men de ongerechtigheid niet oordeelt, maar laat bestaan of er bewust mee in verbinding blijft. De oproep is dan: “Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid” (2Tm 2:19b19Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.; vgl. Op 18:4-54En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat u met haar zonden geen gemeenschap hebt en opdat u van haar plagen niet ontvangt;5want haar zonden zijn opgestapeld tot aan de hemel en God heeft Zich haar ongerechtigheden herinnerd.).

God kan Israël niet meer als Zijn vrouw erkennen. Door haar huwelijksontrouw heeft zij de huwelijksband doorgesneden. Door haar hoererij heeft zij het verbond met Hem verbroken. Ze blijkt geen enkel gevoel van schaamte te bezitten. Ze wordt niet meer schaamrood, weet niet meer wat blozen is. In plaats daarvan staat het verlangen naar ontucht op haar gezicht te lezen. Jeremia spreekt erover dat zij “het voorhoofd van een hoer” (Jr 3:33Daarom werden de regendruppels ingehouden
en is er geen late regen geweest.
U hebt het voorhoofd van een hoer,
u weigert [daarvoor] beschaamd te zijn.
)
heeft. Maar het staat niet alleen op haar gezicht te lezen, ook de praktijk bewijst haar volledige ontrouw tegenover God. Zoals hoeren schaamteloos de borsten ontbloten, zo biedt ook Israël zichzelf aan, zonder enig schaamtegevoel, om haar minnaars te verleiden.

God is in Zijn beschrijving van de ontrouw van Zijn volk bepaald niet vleiend. Zonder terughoudendheid vergelijkt Hij de houding en het gedrag van Zijn volk met die van een brutale hoer. Hij doet dat, opdat de Israëlieten oog zullen krijgen voor het weerzinwekkende van hun gedrag en tot inkeer zullen komen. Je zult toch maar worden vergeleken met een hoer!

Wij kunnen schande spreken van Israëls gedrag, maar dan hebben we niet begrepen dat hetzelfde tegen ons wordt gezegd (2Ko 11:33Maar ik vrees dat wellicht, zoals de slang Eva verleidde door haar sluwheid, uw gedachten bedorven [en afgeweken] zijn van de eenvoudigheid <en de reinheid> jegens Christus.; Jk 4:44Overspeligen, weet u niet dat de vriendschap jegens de wereld vijandschap is jegens God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, maakt zich tot een vijand van God.). Als dat doordringt, wat is dan onze reactie? Het is mogelijk om boos of met onverschilligheid te reageren, maar er kan ook erkenning zijn. In de hoop op die laatste reactie volgt de aansporing, zowel tot Israël als tot ons, om de ontucht in houding en gedrag weg te doen.

Het laatste gedeelte van het vers wijst erop dat dit overspel op een verborgen plek, in het geheim, plaatsvindt. Als verborgen zonden worden beleden en weggedaan, kan Christus die plaats innemen. De bruid in Hooglied zegt van Hem: Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre dat tussen mijn borsten overnacht” (Hl 1:1313Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre
dat tussen mijn borsten overnacht.
)
. Ieder die de Heer Jezus ‘mijn Liefste’ noemt, zal niet toelaten dat iets of iemand Hem van die plaats verdringt.


Gevolgen van onbekeerlijkheid

2Anders zal Ik haar naakt uitkleden,
haar neerzetten als op haar geboortedag,
haar maken als de woestijn,
haar doen worden als een dor land
en haar doen sterven van de dorst.

Het woord “anders” geeft aan dat bekering nog mogelijk is. Maar als geen gehoor wordt gegeven aan de oproep die aan het eind van vers 11Klaag uw moeder aan, klaag [haar] aan,
want zij is Mijn vrouw niet
en Ik ben haar Man niet.
Laat zij haar hoererij van haar gezicht wegdoen,
en haar overspel van tussen haar borsten.
wordt gedaan, zullen de gevolgen zijn, zoals die in vers 22Anders zal Ik haar naakt uitkleden,
haar neerzetten als op haar geboortedag,
haar maken als de woestijn,
haar doen worden als een dor land
en haar doen sterven van de dorst.
worden beschreven. In Hosea 1 is een dergelijke mogelijkheid niet aanwezig. Daar wordt het oordeel aangekondigd, zonder te vermelden dat bekering dit oordeel afwendt. Maar in een oordeelsprediking hoeft er ook niet altijd op gewezen te worden dat men aan dat oordeel kan ontkomen door bekering. Jona, bijvoorbeeld, predikt alleen oordeel (Jn 3:44En Jona begon de stad in te gaan, één dagreis. Hij predikte en zei: Nog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd!). Als dit oordeel wordt erkend, komt er berouw en bekering (Jn 3:55De mensen van Ninevé geloofden in God. Zij riepen een vasten uit en trokken rouwgewaden aan, van de grootste tot de kleinste onder hen.). Het gevolg is dat God het oordeel niet uitvoert (Jn 3:1010Toen zag God wat zij deden, dat zij zich bekeerden van hun slechte weg. En God kreeg berouw over het kwade dat Hij gezegd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.).

Het oordeel dat God over Zijn volk zal brengen als het zich niet bekeert, houdt in dat Hij haar naakt zal uitkleden als op de dag van haar geboorte. Dit betekent dat Hij alle door Hem geschonken voorrechten van Zijn volk zal wegnemen. Tevens zal Hij haar in een toestand van volkomen hulpeloosheid brengen, een toestand die de profeet Ezechiël weergeeft, als hij Israël op de dag van zijn geboorte beschrijft (Ez 16:4-54Wat uw geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld.5Geen oog zag naar u om, om een van die dingen uit medelijden bij u te doen. U werd weggeworpen op het open veld uit afschuw voor uw leven op de dag dat u geboren werd.). Dit wordt Israël als waarschuwing voorgehouden, opdat het tot inkeer zal komen. Verder waarschuwt God Zijn volk dat Hij het tevens zal maken tot een woestijn, tot een oord waar geen water is en men omkomt van dorst. God zal in Zijn oordeel het volk de regen onthouden. Geen zegen zal meer hun deel zijn.

Het is telkens weer aangrijpend om te zien hoe God tot Zijn volk spreekt. Het is alsof Hij nog steeds aarzelt om Zijn oordeel uit te voeren. Door de dienst van Hosea biedt Hij het een laatste kans om eraan te ontkomen. Naarmate Hosea ziet dat het volk lak aan zijn boodschap heeft – een boodschap namens God – worden zijn uitspraken heftiger en indringender.


Geen ontferming over de kinderen

3Ook over haar kinderen zal Ik Mij niet ontfermen,
omdat zij kinderen van de hoererijen zijn.

Door over “uw moeder” (vers 11Klaag uw moeder aan, klaag [haar] aan,
want zij is Mijn vrouw niet
en Ik ben haar Man niet.
Laat zij haar hoererij van haar gezicht wegdoen,
en haar overspel van tussen haar borsten.
)
te spreken heeft de HEERE het volk als geheel aangesproken. Nu spreekt Hij over “haar kinderen” met wie de individuele Israëlieten worden bedoeld. Hij zal hun geen medelijden tonen, omdat zij zijn geboren als gevolg van de omgang van ‘de moeder’ met valse goden. De afgoderij viert hoogtij in Israël. Aan God wordt niet gedacht. De verkregen zegeningen worden toegeschreven aan de Baäl (vers 77Zíj erkent echter niet
dat Ik het ben Die haar gegeven heeft
het koren, de nieuwe wijn en de olie,
dat Ik het zilver en het goud voor haar vermeerderd heb,
[dat] zij voor de Baäl gebruikt hebben.
)
. Niet alleen de natie als geheel is schuldig, ook iedere Israëliet afzonderlijk. In iedere Israëliet wordt de vrucht van het overspel van ‘de moeder’ zichtbaar. Het gezegde “zo moeder, zo dochter” (Ez 16:4444Zie, ieder die spreekwoorden gebruikt, zal over u [dit] spreekwoord gebruiken: Zo moeder, zo dochter.) is hier van toepassing.

Men zou kunnen tegenwerpen dat kinderen er toch niets aan kunnen doen als hun moeder overspel bedrijft. Maar daar gaat het hier niet om. Immers, niet allen volgen de moeder in haar overspelige gedrag. Zij die “broeders” en “zusters” worden genoemd (Hs 1:1212Zeg tegen uw broeders: Ammi,
en tegen uw zusters: Ruchama.
)
, die worden opgeroepen hun moeder aan te klagen (Hs 2:11Klaag uw moeder aan, klaag [haar] aan,
want zij is Mijn vrouw niet
en Ik ben haar Man niet.
Laat zij haar hoererij van haar gezicht wegdoen,
en haar overspel van tussen haar borsten.
)
, doen er niet aan mee.

Als God Zich niet ontfermt over kinderen die uit ontucht geboren zijn, komt dat omdat zij handelen naar hun geboorte. Deze kinderen kennen geen berouw, geen roepen tot God, geen smeken om Zijn ontferming. Zij doen precies dezelfde dingen als hun moeder. Dat God Zich niet over hen ontfermt, ligt alleen aan henzelf, aan hun eigen overspelige gedrag in navolging van hun moeder.


De hoererij van de moeder

4Want hun moeder heeft hoererij bedreven;
zij die van hen zwanger is geweest, heeft zich schandelijk gedragen.
Zij zegt immers:
Ik ga achter mijn minnaars aan;
die geven [mij] mijn brood en mijn water,
mijn wol en mijn vlas,
mijn olie en mijn drank.

“Moeder” ziet weer op het hele volk Israël. Met “hen”, in de tweede regel, worden de kinderen van vers 33Ook over haar kinderen zal Ik Mij niet ontfermen,
omdat zij kinderen van de hoererijen zijn.
bedoeld. Zoals Gomer haar minnaars achterna is gelopen en geschenken van hen heeft ontvangen, zo doet Israël dat met de afgoden van de omringende volken. Israël schrijft al de zegeningen waarmee de HEERE hen heeft overladen toe aan de gunst van de valse goden.

Ongetwijfeld zijn deze dingen in hun bezit gekomen als gevolg van handelsovereenkomsten. Maar Israël verbindt er de gedachte aan dat de omringende volken die handelswaar bezitten als gevolg van de goedgunstigheid van een afgod. Daarom verlangt Israël ernaar om, naast het bezitten van de stoffelijke voordelen, ook geestelijk met die goden in verbinding te komen. Die goden brengen hun immers al hun welvaart.

Het ontrouwe volk doet alsof die goederen haar toebehoren door de vrijgevigheid van de wereld, waarvan zij ze ook inderdaad wil ontvangen. Met haar “minnaars” worden vooral Egypte en Assyrië bedoeld, met wie zij ontuchtige verbintenissen is aangegaan (Ez 16:26,28-2926U bedreef hoererij met de Egyptenaren, uw zwaargeschapen buren. U maakte uw hoererijen talrijk, zodat u Mij tot toorn verwekte.28Daarna bedreef u hoererij met de Assyriërs, omdat u onverzadigbaar was. U bleef hoererij met hen bedrijven, en nog raakte u niet verzadigd.29Vervolgens maakte u uw hoererij talrijk tot in het land van de kooplieden, Chaldea. En ook daardoor raakte u niet verzadigd.).

Ze is die verbintenissen aangegaan om aardse voordelen te verkrijgen. Maar ze is blind voor het feit dat ze ook die aardse voordelen van God heeft gekregen (vers 77Zíj erkent echter niet
dat Ik het ben Die haar gegeven heeft
het koren, de nieuwe wijn en de olie,
dat Ik het zilver en het goud voor haar vermeerderd heb,
[dat] zij voor de Baäl gebruikt hebben.
)
. Ze blijven hun bevrediging uitsluitend in de aardse genoegens zoeken. Daardoor staan ze buiten de ervaring die David heeft beschreven: U hebt mij meer blijdschap in het hart gegeven dan ten tijde dat zij hun koren en hun nieuwe wijn in overvloed hadden” (Ps 4:88U hebt mij meer blijdschap in het hart gegeven
dan ten tijde dat zij hun koren en hun nieuwe wijn in overvloed hadden.
)
. Davids vreugde ligt niet in aardse voorspoed en weelde. Wat ieder mens die eerlijk is ook vandaag ten diepste erkent, is Davids deel. Als het hart rust vindt in God, is het volmaakt gelukkig en kan alle aardse heerlijkheid hem gestolen worden.

Wat Israël heeft gedaan, doet de christenheid nu: ze zoekt haar voordeel in de wereld. Zonder te vragen naar God van Wie alles is, genieten christenen op dezelfde manier van allerlei zaken als de mensen van de wereld dat doen. Ze zeggen ook vaak dat ze er zelf hard voor hebben gewerkt en laten zo hun recht gelden op een bepaalde levensstandaard. Alleen voor de vorm wordt bij de maaltijd soms nog een ‘formuliergebed’ uitgesproken. Veel christenen willen zoveel mogelijk profijt trekken van allerlei voordelen om het leven op aarde zo aangenaam mogelijk te maken.

De christenheid van vandaag is volledig vervreemd van wat een man als Paulus bezielt. Als hij het over bepaalde voordelen heeft, waaruit hij een slaatje zou kunnen slaan, tot bevrediging van zijn ego, zegt hij dat hij om Christus’ wil alles heeft prijsgegeven (Fp 3:7-87<Maar> wat winst voor mij was, heb ik om Christus’ wil schade geacht.8Jazeker, ik acht ook alles schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer, om Wie ik de schade van alles heb geleden en het als vuilnis acht, opdat ik Christus mag winnen). Daarom kan hij christenen die zichzelf te buiten gaan aan de welvaart van de wereld tot vijanden van het kruis van Christus verklaren (Fp 3:18-1918Want velen wandelen, van wie ik u dikwijls heb gezegd en nu ook wenend zeg, dat zij de vijanden van het kruis van Christus zijn;19hun einde is [het] verderf, hun God is de buik en hun heerlijkheid is in hun schande; zij bedenken de aardse dingen.). Hoezo zouden er vandaag geen afgoden zijn? Van hoeveel christenen is de god niet “de buik”? Ze vullen zich me allerlei wereldse ‘lekkernijen’. Deze afgod mag zich dan ook in een ongekend grote populariteit verheugen. Hoe dat komt? Omdat Christus niet meer alles is voor het hart.

We kunnen ook lering trekken uit de houding van Rebekka als haar wordt gevraagd om mee te gaan naar Izak. Als de knecht van Abraham van alles heeft verteld over Izak en ook kostbare dingen heeft laten zien, en haar dan voorstelt om met hem mee te gaan, zegt ze zonder tegenstribbelen: “Ik zal meegaan” (Gn 24:5858Zij riepen Rebekka en vroegen haar: Wil je met deze man meegaan? Zij antwoordde: Ik zal meegaan.). Zij heeft alle ontberingen van de woestijnreis ervoor over om bij Izak te zijn. Niets van haar ouderlijk huis is in staat haar daar te houden. Hoewel ze Izak niet heeft gezien, heeft ze zoveel van zijn heerlijkheid gezien dat ze graag met de knecht meegaat. Zij geeft zich onvoorwaardelijk aan hem, hij is haar eerste liefde. Als onze liefde voor de Heer Jezus net zo groot is, zijn wij niet zo vol zijn van al die aardse lekkernijen.

“Brood” en “water” zijn noodzakelijke levensbehoeften; “wol” en “vlas” worden gebruikt om kleding van te maken; “olie” en “wijn” symboliseren vreugde en feestelijkheden. Om deze dingen draait het leven van de Israëliet ten dage van Hosea en om deze dingen draait het leven van talloze christenen vandaag.

Het telkens terugkerende “mijn” dat voor elk van deze artikelen staat, doet denken aan de gelijkenis van de rijke dwaas die de Heer Jezus uitspreekt (Lk 12:13-2113Iemand nu uit de menigte zei tot Hem: Meester, zeg mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.14Hij echter zei tot hem: Mens, wie heeft Mij tot rechter of deler over u gesteld?15Hij nu zei tot hem: Let op en waakt voor alle hebzucht; want ook al heeft iemand overvloed, zijn leven behoort niet tot zijn bezittingen.16Hij nu sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk mens bracht veel op;17en hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.18En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en ik zal daar al mijn gewas en mijn goederen verzamelen;19en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.20God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?21Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.). De man boert goed. De zaken gaan zo voortreffelijk, dat hij alles niet meer kwijt kan in zijn voorraadschuren. Hij denkt na over de te nemen maatregelen en komt tot de conclusie dat hij de oude loodsen zal afbreken en grotere zal bouwen. Hij spreekt over “mijn vruchten”, “mijn schuren”, “mijn gewas en mijn goederen”. We zien hoe egoïstisch deze man bezig is en hoe zijn hele denken gericht is op zijn bezit. Het woord ‘mijn’ komt nogal wat keren uit zijn mond! We zien dit egoïsme ook bij Nabal die David niets wil geven van zijn bezit (1Sm 25:1111Zou ik dan mijn brood, mijn water en mijn vlees nemen, dat ik voor mijn schaapscheerders geslacht heb, en zou ik het aan mannen geven van wie ik niet weet waar zij vandaan komen?).

Maar de man uit de gelijkenis is nog niet klaar met zijn overleggingen. Hij heeft zijn schaapjes op het droge en denkt nu eens lekker te kunnen genieten. We kunnen zeggen dat de man goed heeft nagedacht en zijn zaakjes prima heeft geregeld. Maar aan één ding heeft hij niet gedacht en dat is aan het woord dat de Heer Jezus spreekt voordat Hij de gelijkenis vertelt: “Zijn leven behoort niet tot zijn bezittingen” (Lk 12:15b15Hij nu zei tot hem: Let op en waakt voor alle hebzucht; want ook al heeft iemand overvloed, zijn leven behoort niet tot zijn bezittingen.).

Daarom eindigt de gelijkenis niet met een geslaagd en van het leven genietend zakenman, maar met de realiteit dat God het laatste woord heeft. God noemt iemand die alleen leeft voor geld en goed, eten, drinken en plezier, een ‘dwaas’. Plotseling kan er een einde aan het aardse leven komen en dan heb je niets meer aan al die spulletjes waarvoor je zo hebt gezwoegd en waaraan je zo gehecht bent.


Dorens en een muur

5Daarom, zie, Ik ga uw weg met dorens omheinen,
Ik zal haar met een muur omgeven,
zodat zij haar paden niet zal kunnen vinden.

Dit vers geeft aan hoe God handelt met Zijn volk om het terug te brengen van de eigen weg die het gaat. Hij gebruikt hierbij twee keer beeldspraak: “Met dorens omheinen” en “met een muur omgeven”. Een weg die met dorens versperd is, is een weg waarop een ondoordringbare versperring is aangebracht. Je kunt die weg alleen opgaan als je het ervoor over hebt dat je pijnlijke verwondingen oploopt. De weg van de zonde wordt onaantrekkelijk gemaakt, de pijnlijke kant ervan wordt getoond.

Iemand kan van een zondige weg worden afgehouden als hem in felle kleuren wordt geschilderd dat die weg bijvoorbeeld de ruïnering van zijn gezondheid zal betekenen. Een militair oefenterrein of een mijnenveld kan door prikkeldraad worden afgezet omdat het levensgevaarlijk is dit terrein of veld te betreden. Wie zich van de waarschuwingen niets aantrekt en zich er toch op wil wagen, moet de gevolgen dragen. Hij kan heel wat kleerscheuren oplopen en ook lichamelijke verwondingen, hij loopt zelfs de kans gedood te worden. Alleen een dwaas trekt zich niets van dorens of prikkeldraad aan.

Maar God heeft nog een middel. Hij zal de toegang tot het door de zonde platgetreden pad met een muur afsluiten. Dat doet Hij om de illegale gebruikers – Zijn ontrouwe volk – van het pad van de zonde weer op het rechte pad te brengen. God richt een muur op, een muur die voor afzondering zorgt, waardoor Zijn volk van haar minnaars wordt gescheiden (vgl. Jb 19:88Hij heeft mijn weg versperd, zodat ik er niet door kan gaan,
en op mijn paden heeft Hij duisternis geplaatst.
)
.

Dit gebeurt als Hij Israël verstrooit. Dan bestaan ze niet meer als natie en hebben als natie geen contact meer met vreemde volken en hun goden. Zo kan zij geen overspel meer plegen met de afgoden. In Hosea 3 wordt dit nader uitgewerkt, maar hier wordt dit oordeel beschreven als een tuchtmaatregel die moet leiden tot bekering (vers 66Zij zal haar minnaars najagen, maar hen niet inhalen;
hen zoeken, maar hen niet vinden.
Dan zal zij zeggen:
Ik ga, ik keer terug naar mijn vorige Man,
want toen had ik het beter dan nu.
)
.


Het besluit om terug te keren

6Zij zal haar minnaars najagen, maar hen niet inhalen;
hen zoeken, maar hen niet vinden.
Dan zal zij zeggen:
Ik ga, ik keer terug naar mijn vorige Man,
want toen had ik het beter dan nu.

In dit vers volgt de uitwerking van wat God in vers 55Daarom, zie, Ik ga uw weg met dorens omheinen,
Ik zal haar met een muur omgeven,
zodat zij haar paden niet zal kunnen vinden.
heeft gedaan. Als Israël tevergeefs een beroep doet op de volken van wie ze zoveel voordeel hebben genoten, zullen ze zich gaan herinneren dat ze het bij God zo slecht nog niet hebben gehad. Ze zullen naar Hem terugkeren. Helaas ontbreekt de belijdenis van zonde. Er is van berouw geen sprake. Van walging over hun zonde is niets te bekennen en de afgoden worden niet opgegeven.

Met de verloren zoon in Lukas 15 gaat dat anders. Die jongen denkt ook dat het in de wereld beter is dan thuis. Maar als hij in de ellende zit, herinnert hij zich hoeveel beter hij het thuis heeft gehad. Als hij opstaat en teruggaat naar huis, doet hij dat wél met een belijdenis (Lk 15:13-2013En na niet vele dagen pakte de jongste zoon alles bijeen en ging op reis naar een ver land en bracht daar zijn bezit door in een losbandig leven.14Toen hij nu alles had verteerd, kwam er een zware hongersnood in dat land en hij begon gebrek te lijden.15En hij ging heen en vervoegde zich bij een van de burgers van dat land, en die zond hem op zijn velden om varkens te weiden.16En hij begeerde zich te verzadigen met de peulenschillen die de varkens aten, en niemand gaf ze hem.17Toen kwam hij tot zichzelf en zei: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben overvloed aan broden, en ik verga hier van honger.18Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u,19ik ben niet meer waard uw zoon te heten; maak mij als een van uw dagloners.20En hij stond op en ging naar zijn vader. Toen hij nu nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen, en hij liep snel op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem innig.).

Zou Israël ook maar met zo’n belijdenis naar God teruggekeerd zijn. Het volgende vers maakt duidelijk dat zij er geen besef van hebben dat God hun alles, wat zij aan de afgoden toeschrijven, heeft gegeven.

Dit beeld van Israël is ook van toepassing op het naamchristendom. Men zoekt de wereld en zijn voordelen, zijn rijkdom en voorspoed, het aangename bestaan, zonder te vragen naar God. Maar het kan gebeuren dat er in de wereld geen voordeel meer te halen is, bijvoorbeeld door een natuurramp die alle overvloed van een land wegneemt, of door een ziekte die aan alle plannen een einde maakt. Dan ontstaat de neiging om die aloude ‘godsdienst’ toch maar weer van stal te halen. In oorlogstijd stromen de kerken vol en als er persoonlijke nood is, begint men vaak weer te bidden. Maar als men uitsluitend door de nood weer naar God gaat vragen, zonder dat er van berouw en bekering sprake is, is dit slechts een holle frase. God zal er zeker niet naar luisteren (Jb 35:9-10,12-139Vanwege de vele verdrukkingen laten zij [de onderdrukten] om hulp roepen;
zij schreeuwen het uit vanwege de arm van de groten.
10Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker,
Die psalmen geeft in de nacht?
12Daar roepen zij, maar Hij antwoordt niet,
vanwege de hoogmoed van de kwaaddoeners.
13Zeker zal God de leugen niet verhoren,
en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
)
.


God niet als de Gever erkend

7Zíj erkent echter niet
dat Ik het ben Die haar gegeven heeft
het koren, de nieuwe wijn en de olie,
dat Ik het zilver en het goud voor haar vermeerderd heb,
[dat] zij voor de Baäl gebruikt hebben.

God is de bron van alle zegen. “Het koren, de nieuwe wijn en de olie” worden vaker samen genoemd (Dt 7:1313Hij zal u liefhebben, u zegenen en u talrijk maken; Hij zal de vrucht van uw schoot zegenen en de vrucht van uw land, uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee, in het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven.; 11:1414dat Ik regen voor uw land zal geven op zijn tijd, vroege regen en late regen, zodat u uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie kunt inzamelen.; 12:1717U mag binnen uw poorten niet de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie eten, evenmin de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee of enige van uw gelofte[offers], die u beloofd hebt, ook niet uw vrijwillige gaven of de hefoffers van uw hand.; 14:2323Voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen, moet u de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee eten, om de HEERE, uw God, te leren vrezen, alle dagen.; 28:5151Het zal de vrucht van uw dieren en de vrucht van uw land opeten, totdat u weggevaagd bent. Het zal u geen koren, nieuwe wijn of olie overlaten, noch de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee, totdat Hij u heeft omgebracht.). Ze zijn de drie hoofdzegeningen van het land. Als men de gaven die God in de natuur of op geestelijk gebied geeft, los van Hem als de Gever gaat beschouwen, is de ontrouw geboren. Israël is het besef kwijt dat het alles wat het bezit aan God te danken heeft.

We zien dat dit de zonde in de wereld heeft gebracht. In het paradijs zegt God tegen de mens dat hij van alle bomen van de hof vrij mag eten. Maar wat staat bij Eva voorop? Uit haar antwoord aan de slang blijkt dat bij haar de vrucht op de voorgrond staat en niet het vrij mogen eten. Haar aandacht is gericht op de gave en niet op de Gever. En dan gaat het mis. In zekere zin zegent God alle mensen (Mt 5:45b45opdat u zonen wordt van uw Vader Die in [de] hemelen is; want Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.; Hd 14:1717hoewel Hij Zich niet onbetuigd heeft gelaten in goeddoen, door u uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en uw harten te vervullen met voedsel en vreugde.). Maar net zomin als Israël en net zomin als Eva beseft de moderne mens dat God de bron is van het voedsel en de vreugde die hij elke dag mag genieten.

Israël dankt niet alleen God er niet voor, ze gebruiken in hun vermetelheid de geschenken van God om ze aan de Baäl te geven. Dat gebeurt bijvoorbeeld door van het goud een beeld voor de Baäl te maken, maar ook door aan dat zelfgemaakte beeld allerlei wijgeschenken te offeren. Mogelijk staat de naam ‘Baäl’ hier voor alle afgoden, waarvan Baäl de populairste is.

We mogen onszelf wel afvragen: Waarvoor gebruik ik wat ik van God heb gekregen? Dien ik mijzelf ermee? Of dien ik er wel anderen mee, maar dan alleen om het voordeel dat het mij weer oplevert? Of dien ik er soms de goden van deze tijd mee, door volledig op te gaan in mijn carrière, door overmatige aandacht en geld te besteden aan hoe ik er uitzie of door mij in te spannen zo krachtig mogelijk te kunnen argumenteren? Zo zijn er wel meer voorbeelden te noemen waarbij iemand wat hij van God heeft gekregen, misbruikt tot eer van zichzelf.


God neemt de zegen weg

8Daarom keer Ik terug
en neem Ik Mijn koren weg op zijn tijd,
en Mijn nieuwe wijn op de daarvoor vastgestelde tijd.
Ik ruk Mijn wol en Mijn vlas weg,
waarmee zij haar naaktheid moet bedekken.

Vanwege het gebrek aan besef dat God de bron van hun zegen is (vers 77Zíj erkent echter niet
dat Ik het ben Die haar gegeven heeft
het koren, de nieuwe wijn en de olie,
dat Ik het zilver en het goud voor haar vermeerderd heb,
[dat] zij voor de Baäl gebruikt hebben.
)
, gaat God de zegen weer wegnemen. Vanwege hun zondige daden zal God hun voedsel en kleding wegnemen, zodat er gebrek ontstaat aan de meest elementaire levensbehoeften (1Tm 6:88Hebben wij echter voedsel en kleding, dan zullen wij daarmee tevreden zijn.). God zou bijvoorbeeld de regen aan het land kunnen onthouden. Vaker is het volk voor zijn ontrouw en afgoderij met droogte gestraft (1Kn 17:1-71En Elia, de Tisbiet, uit de inwoners van Gilead, zei tegen Achab: [Zo waar] de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen komen, behalve op mijn woord!2Daarna kwam het woord van de HEERE tot hem:3Ga weg vanhier, keer u naar het oosten en verberg u bij de beek Krith, die aan de overzijde van de Jordaan [stroomt].4En het zal gebeuren dat u uit de beek zult drinken. Verder heb Ik de raven geboden om u daar te onderhouden.5Hij ging dan [op weg] en deed overeenkomstig het woord van de HEERE. Hij ging wonen bij de beek Krith, die aan de overzijde van de Jordaan [stroomt].6En de raven brachten hem 's morgens brood en vlees en 's avonds brood en vlees, en hij dronk uit de beek.7En het gebeurde na verloop van vele dagen dat de beek uitdroogde, want er was geen regen in het land [gevallen].). Ook kan Hij de zegen wegnemen door vijanden die de oogst roven (Ri 6:1-61Maar de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen gaf de HEERE hen over in de hand van Midian, zeven jaar.2Toen Midian de overhand kreeg over Israël, maakten de Israëlieten vanwege Midian voor zichzelf de holen gereed die in de bergen zijn, en de grotten en de bergvestingen.3Want het gebeurde, telkens als Israël gezaaid had, dat Midian optrok. Ook Amalek en de mensen van het oosten trokken tegen hen op.4Dan sloegen zij hun kamp tegen hen op en deden de opbrengst van het land teniet, tot waar men bij Gaza komt. En zij lieten in Israël niets over om van te leven: geen schaap, geen rund en geen ezel.5Want zij trokken op met hun vee en hun tenten: zo talrijk als sprinkhanen kwamen zij, zodat men hen en hun kamelen niet kon tellen. En zij kwamen in het land om dat teniet te doen.6Zo verarmde Israël zeer vanwege Midian. Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE.).

God handelt zo, omdat het volk Hem ontrouw is. Vandaar dat dit vers, evenals vers 55Daarom, zie, Ik ga uw weg met dorens omheinen,
Ik zal haar met een muur omgeven,
zodat zij haar paden niet zal kunnen vinden.
, met “daarom” begint, want God kan niet toelaten dat Zijn volk zich toe-eigent wat van Hem is. God spreekt hier over “Mijn koren”, “Mijn nieuwe wijn”, “Mijn wol” en “Mijn vlas”, om aan te geven dat het van Hem komt en ook van Hem blijft. Wat Hij geeft, is Hij niet kwijt. Hij blijft de Eigenaar ervan en heeft het recht het terug te nemen.

In geestelijk opzicht is dit ook zo. De gemeente is door haar ontrouw veel zegen kwijtgeraakt. Vijanden hebben het voor het zeggen gekregen in de gemeente. Mensen die aan bijbelkritiek doen, krijgen de ruimte om op de kansel hun verderfelijke leringen te spuien. Christenen staan meer open voor invloeden uit de wereld dan voor het Woord van God. Als vergader- en organisatietechnieken in de wereld blijken te werken, worden die ook gebruikt om besprekingen in en het functioneren van de gemeente van God beter te doen verlopen.

Op die manier krijgt de vijand controle op het reilen en zeilen binnen de gemeente. Het Woord van God is niet meer het ijkpunt, maar het woord van mensen. De gemeente wordt een vereniging die bestuurd wordt in overeenstemming met wat aanvaardbaar is in wereldse verenigingen. God neemt dan weg wat Hij aan zegen heeft gegeven. De gelovigen verliezen het besef van hun verbinding met een verheerlijkte Christus, “in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn” (Ko 2:33in Wie al de schatten van de wijsheid en kennis verborgen zijn.).

Dit kan ook worden toegepast op het natuurlijke leven en stoffelijke zaken. Er moet soms geld worden uitgegeven aan zaken die het gevolg zijn van ontrouw handelen of het overtreden van voorgeschreven regels. Dit is het geval met een bekeuring voor te hard rijden. Het geld dat daarvoor betaald moet worden, ben je kwijt. Als je een aanrijding veroorzaakt, kost dat vaak nog meer geld. Zo is het ook mogelijk om onverantwoord met je gezondheid om te gaan, waardoor je lichaam bepaalde functies kwijtraakt. Door slecht gedrag kan geld en goed en gezondheid je worden ontnomen, je bent het kwijt.

Maar nu de reactie. Doe ik het af met: ‘Ach, dat kan iedereen overkomen, dus mij ook’? Dat is waar, maar kijkt de christen niet verder? God spreekt erdoor. Sta ik ervoor open om te leren wat God mij erdoor leren wil? Dat laatste mag je zeker van een christen verwachten.


Gods volk te schande gemaakt

9Nu dan, Ik zal haar schaamte ontbloten
voor de ogen van haar minnaars,
en niemand zal haar uit Mijn hand redden.

Het woord dat hier is vertaald met “schaamte” betekent ‘verdorde toestand’. Dat is het eindresultaat, als God al haar overvloed van haar heeft weggenomen. Israëls “minnaars” zullen haar daarom minachten en niets meer met haar te doen willen hebben. Het duidt Israëls diepe vernedering aan.

Zo gaat het met iedereen die God verlaat om de wereld te dienen. God zal zo iemand voor de ogen van de wereld te schande maken. De wereld lijkt een minnaar, maar zodra er niets meer te halen valt, word je als oud vuil aan de kant geschoven. Zoiets overkomt een Egyptische jongeman. Omdat hij ziek is geworden, wordt hij door zijn heer achtergelaten als een prooi voor ieder die hem ziet. Gelukkig valt deze jongeman in de handen van David (1Sm 30:11-2011Zij vonden een Egyptische man in het veld en brachten hem bij David. Zij gaven hem brood en hij at, en zij gaven hem water te drinken;12zij gaven hem ook een stuk van een klomp vijgen en twee rozijnenkoeken. Hij at en zijn geest kwam in hem terug; want hij had drie dagen en nachten geen voedsel tot zich genomen of water gedronken.13Daarna zei David tegen hem: Van wie bent u? En waar komt u vandaan? Toen zei de Egyptische jongen: Ik ben de slaaf van een Amalekitische man, maar mijn heer heeft mij achtergelaten, omdat ik drie dagen [geleden] ziek geworden ben.14Wij hadden een inval gedaan in het Zuiderland van de Cherethieten, dat aan Juda toebehoort, en in het Zuiderland van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand.15Toen zei David tegen hem: Kun je mij naar deze bende brengen? Hij zei: Zweer mij bij God dat u mij niet zult doden en dat u mij niet zult overleveren in de hand van mijn heer! Dan zal ik u naar deze bende brengen.16En hij bracht hem erheen, en zie, zij lagen verspreid over het hele gebied, etend, drinkend en feestvierend vanwege heel de grote buit die zij meegenomen hadden uit het land van de Filistijnen en uit het land van Juda.17David sloeg op hen in van de schemering tot aan de avond van de volgende dag; er ontkwam niemand van hen, behalve vierhonderd jongemannen, die op kamelen reden en ontvluchtten.18Zo bevrijdde David alles wat de Amalekieten meegenomen hadden; ook bevrijdde David zijn twee vrouwen.19Niemand van hen ontbrak, van de kleinste tot de grootste, tot de zonen en dochters toe, en [niets] van de buit, ja [niets] van alles wat zij voor zich meegenomen hadden. David bracht het allemaal terug.20David nam ook al de schapen en de runderen mee; zij dreven die voor het eigen vee uit en zeiden: Dit is de buit van David.).

Als God Zijn oordeel uitspreekt, is het niet mogelijk daaraan te ontkomen. Niemand kan Hem dan nog tegenhouden. Misschien zijn er mensen die medelijden hebben met je situatie, maar als er geen echte terugkeer is naar God, is het niet mogelijk om werkelijk uit die ‘verdorde toestand’ te komen.


God neemt het volk hun feesten af

10Ik zal al haar vreugde doen ophouden,
haar feesten, haar nieuwemaansdagen en haar sabbatten,
ja, al haar feestdagen.

God zal alles wegnemen waaraan Zijn volk plezier beleeft omdat het een plezier zonder Hem is. De feesten zijn verworden tot godsdienstige vormen, zonder dat daar enige plaats voor God is. Het centrum voor de godsdienstige plechtigheden is Jeruzalem. Het tienstammenrijk zal zijn feestelijkheden wel hebben gehouden in Bethel en Dan bij de gouden kalveren (1Kn 12:25-3325Jerobeam bouwde Sichem uit, in het bergland van Efraïm, en ging daar wonen. Naderhand vertrok hij vandaar en bouwde Penuel.26En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer aan het huis van David komen.27Als dit volk optrekt om offers te brengen in het huis van de HEERE in Jeruzalem, zal het hart van dit volk terugkeren naar hun heer, naar Rehabeam, de koning van Juda. Dan zullen zij mij doden en terugkeren naar Rehabeam, de koning van Juda.28Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen [het volk]: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.30Dit werd [aanleiding] tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.31Hij maakte ook een [gods]huis op de [offer]hoogten en hij stelde priesters aan uit alle geledingen van het volk, die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden.32Verder stelde Jerobeam een feest in [voor] in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest dat in Juda [gevierd werd], en hij besteeg [dan] het altaar. Zo deed hij [ook] in Bethel door offers te brengen aan de kalveren die hij gemaakt had. Hij stelde ook in Bethel priesters aan voor de [offer]hoogten die hij gemaakt had.33Ook bracht hij brandoffers op het altaar dat hij in Bethel gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, in de maand die hij in zijn [eigen] hart bedacht had. Zo stelde hij voor de Israëlieten een feest in en offerde op het altaar door reukoffers te brengen.), of op andere gewijde plaatsen.

Van de feesten die in Leviticus 23 worden beschreven, worden hier genoemd het maandelijkse Feest van bazuingeschal, dat zijn “nieuwemaansdagen”, de wekelijkse “sabbatten” en “al haar feestdagen”, dat zijn de jaarlijkse feesten. De jaarlijkse feesten zijn onder andere het Pascha, het Pinksterfeest en het Loofhuttenfeest.

Maar wat in Leviticus 23 wordt genoemd “feestdagen van de HEERE” (Lv 23:22Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: De feestdagen van de HEERE, die u moet uitroepen, zijn heilige samenkomsten. Dit zijn Mijn feestdagen:), wordt hier genoemd “haar feesten, haar nieuwemaansdagen en haar sabbatten”, “al haar feestdagen”. In het evangelie naar Johannes vinden we hetzelfde. Daar wordt het “Pascha voor de HEERE” (Lv 23:55In de eerste maand, op de veertiende [dag] van de maand, tegen het vallen van de avond, is het Pascha voor de HEERE.) “het Pascha van de Joden” genoemd (Jh 2:1313En het Pascha van de Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem.; 6:44En het Pascha, het feest van de Joden, was nabij.; vgl. Jh 5:11Daarna was er een feest van de Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.; 7:22Nu was het feest van de Joden, het Loofhuttenfeest, nabij.). Ze houden die feesten niet ter ere van God, maar om het feest zelf. Alleen de vorm wordt in stand gehouden.

Zo is het ook gesteld met de christenheid. De uiterlijke vormen van godsdienstigheid bestaan nog. Het zijn echter lege hulzen waar niet God wordt geëerd, maar waar de mens centraal staat en zich te goed doet. In het Nieuwe Testament wordt van twee dingen gezegd dat ze “van de Heer” zijn. Dat is “het avondmaal van de Heer” (1Ko 11:2020Wanneer u nu op één plaats samenkomt, is dat niet ‘s Heren avondmaal eten;) en “de dag van de Heer” (Op 1:1010Ik kwam in [de] Geest op de dag van de Heer, en ik hoorde achter mij een luide stem als van een bazuin,). De uitdrukking “van de Heer” betekent ‘toebehorend aan de Heer’ en komt zo alleen op deze twee plaatsen voor.

Het avondmaal van de Heer is verworden tot een avondmaal van mensen. Of men nu zegt dat het avondmaal dient tot versterking van het geloof, zoals in het protestantisme, of dat men zegt dat je door het eten ervan Christus eet en daardoor eeuwig leven hebt, zoals in het rooms-katholicisme, in beide gevallen wordt niet begrepen wat deze maaltijd inhoudt. Het avondmaal is een gedachtenismaal aan Hem, Die Zichzelf overgaf aan God en stierf voor de gemeente (1Ko 11:23-2623Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam;24en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.25Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.26Want zo dikwijls u dit brood eet en de drinkbeker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt.).

Zo is ook de dag van de Heer, de zondag, verworden tot een dag die we vullen met het doen van dingen die we zelf leuk vinden. Misschien bezoeken we nog wel een kerk of samenkomst, maar het mag allemaal niet te lang duren, want er moet ook nog genoeg tijd voor onszelf overblijven. We denken er niet meer aan dat het een dag is die Hij speciaal voor Zichzelf heeft afgezonderd.

Overigens is de “dag van de Heer” niet een verkapte vorm van de sabbat, waarvoor allerlei regels zijn bedacht van wat je wel en vooral van wat je niet mag doen. De dag van de Heer heeft als doel dat op die dag iedere christen zich speciaal erop zal toeleggen met de Heer bezig te zijn. Natuurlijk geldt ook voor andere dagen dat een christen met de Heer bezig is. Hij kan geen moment zonder Hem. Maar op die speciale dag gaan de alledaagse dingen die we steeds te doen hebben, zoveel mogelijk aan de kant, om Hem te eren.

Dat eren zal in de eerste plaats gebeuren door met Gods kinderen samen te komen. Ook kunnen we Hem eren door eens wat extra aandacht te geven aan sommigen die bezoek op prijs stellen. Verder zal ieder die zich door de Heer laat leiden, zeker wel een invulling voor die dag vinden die beantwoordt aan het feit dat het “de dag van de Heer” is.


Verwoesting van wijnstok en vijgenboom

11Ik zal haar wijnstok en haar vijgenboom verwoesten,
waarvan zij zegt: Die vormen voor mij het hoerenloon
dat mijn minnaars mij gegeven hebben.
Maar Ik zal er een woud van maken
en de dieren van het veld zullen ervan vreten.

Van de feesten in het vorige vers gaat de profeet over naar de vruchten van het land. Feesten en vruchten horen bij elkaar, want de jaarfeesten hangen samen met de landbouw. De wijnstok en de vijgenboom stellen de heerlijke vruchten van het land voor, die God bedoeld heeft als een zegen voor iedere Israëliet. In de tijd van Salomo, als hij heerst over een groot gebied en vrede heeft aan alle zijden, wonen Juda en Israël gerust, “ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom” (1Kn 4:24-2524Want hij heerste over al [het land] aan deze zijde van de rivier, vanaf Tifsah tot aan Gaza, over alle koningen aan deze zijde van de rivier, en hij had vrede aan al zijn zijden, van rondom.25En Juda en Israël woonden onbezorgd, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, van Dan tot Berseba, al de dagen van Salomo.).

Maar wat een geschenk van God is, wordt door Israël gezien als iets wat ze van haar minnaars, Egypte en Assyrië, hebben gekregen. Als ze hun wijnstok en vijgenboom zien, worden ze niet meer herinnerd aan de goedheid van God, maar aan hun handelspartners. Misschien beroemen ze zich wel op hun slimheid in de onderhandelingen.

God komt niet meer in hun gedachten voor. Wat een belediging voor Hem! Maar als ze dan de zegeningen die God hun heeft gegeven, menen gekregen te hebben van hun “minnaars”, dan hoeven ze ook niet meer te rekenen op Gods bescherming. Hij zal elke bescherming van hen wegnemen en hen tot een buit maken voor hun vijanden. Wie Gods zegeningen versmaadt, moet ook Gods bescherming ontberen.


Vergelding voor de dagen van de Baäls

12Ik zal haar de dagen van de Baäls vergelden,
waarop zij reukoffers aan hen bracht.
Zij tooide zich met haar ring en haar halssieraad
en ging achter haar minnaars aan,
maar Mij vergeet zij, spreekt de HEERE.

De reden voor het oordeel ligt in het offers ontsteken voor de Baäl. Dat verwijst naar de dagen van Achab door wie de Baälsdienst tot ‘staatsgodsdienst’ is verheven, terwijl de dienst van God aan de kant is gezet (1Kn 16:31-3331En het gebeurde (was het gering dat hij in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, ging?) dat hij [ook nog] Izebel tot vrouw nam, de dochter van Ethbaäl, de koning van de Sidoniërs, en dat hij de Baäl ging dienen en zich daarvoor neerboog.32Hij richtte voor de Baäl een altaar op in het huis van de Baäl, dat hij in Samaria gebouwd had.33Ook maakte Achab een gewijde paal, zodat Achab nog meer deed om de HEERE, de God van Israël, tot toorn te verwekken dan alle koningen van Israël die er vóór hem geweest waren.). Hoewel Jehu de Baälsdienst heeft uitgeroeid (2Kn 10:18-2818En Jehu riep heel het volk bijeen en zei tegen hen: Achab heeft de Baäl [slechts] een beetje gediend, Jehu zal hem meer dienen.19Nu dan, roep alle profeten van de Baäl, al zijn dienaren en al zijn priesters bij mij. Laat niemand gemist worden, want ik heb een groot offer voor de Baäl. Al wie gemist wordt, zal niet in leven blijven. Maar Jehu deed dat met list, om de dienaren van de Baäl om te brengen.20Verder zei Jehu: Kondig een bijzondere samenkomst af voor de Baäl. En zij riepen [die] uit.21Ook stuurde Jehu [boden] door heel Israël. En alle dienaren van de Baäl kwamen; er bleef niet één man achter die niet kwam. Zij kwamen in het huis van de Baäl, zodat het huis van de Baäl vol was, van het ene einde tot het andere einde.22Toen zei hij tegen degene die over het kledingmagazijn ging: Haal voor alle dienaren van de Baäl de kleding tevoorschijn. En hij haalde de kleding voor hen tevoorschijn.23En Jehu kwam met Jonadab, de zoon van Rechab, in het huis van de Baäl en zei tegen de dienaren van de Baäl: Onderzoek en zie of er niemand van de dienaren van de HEERE hier bij u is, maar alleen dienaren van de Baäl.24Toen zij binnenkwamen om slachtoffers en brandoffers te brengen, stelde Jehu daar buiten tachtig man voor zich op en zei: Als er iemand van de mannen die ik u in handen heb doen komen, ontkomt, [dan is het] uw leven in plaats van zijn leven!25En het gebeurde, toen men gereed was met het brengen van het brandoffer, dat Jehu tegen de lijfwacht en tegen de officieren zei: Kom, sla hen dood [en] laat niemand naar buiten komen. De lijfwacht en de officieren sloegen hen met de scherpte van het zwaard en wierpen hun [lichamen naar buiten]. Daarna kwamen zij naar de stad, [naar] het huis van de Baäl,26en zij haalden de gewijde stenen uit het huis van de Baäl en verbrandden die.27Zij braken de gewijde steen van de Baäl stuk; bovendien braken zij het huis van de Baäl af en maakten er een mestvaalt van, tot op deze dag.28Zo vaagde Jehu de Baäls[dienst] uit Israël weg.), is het hart van het volk aan de Baäl blijven kleven. De afgodendienst is weer opgeleefd en het dienen van de Baäl is opnieuw begonnen (2Kn 11:1818Daarna ging de hele bevolking van het land naar het huis van de Baäl en brak dat af; zijn altaren en zijn beelden braken zij volledig in stukken. Mattan, de priester van de Baäl, doodden zij voor de altaren. De priester stelde de ambten [weer] in voor het huis van de HEERE.).

Het meervoud “Baäls” duidt aan dat er meerdere verschijningsvormen in de afgoderij zijn. Regionaal worden verschillende goden onder de naam Baäl vereerd, zoals er ook vandaag van plaats tot plaats verschillende Madonna’s van de ene Mariaverering zijn. Ook zijn er Baäls met verschillende functies. Het eerbetoon aan de Baäls gaat gepaard met uitgebreide ceremoniën. Men kleedt zich zoals hoeren dat doen om hun minnaars te verleiden.

Dan volgt het treffende “maar Mij vergeet zij”. Hier horen we de roerende taal van Gods hart vanwege het versmaden van Zijn liefde. Hem vergeten of negeren is wellicht nog erger dan tegen Hem ingaan. Het getuigt van minachting. Het is niet alleen geen rekening met Hem houden, maar doen alsof Hij er niet is. Er is niets wat een mens meer kan krenken dan te doen alsof hij niet bestaat. Hoe schokkend kan voor een kind de ontdekking zijn dat zijn ouders hem zijn vergeten. Dan ben je niet echt belangrijk, dan zijn andere dingen of mensen blijkbaar belangrijker. Iemand kan uit onze gedachten verdwijnen, omdat we hem of haar niet langer interessant vinden.

Zo kan dat ook gebeuren met God. Er zijn wel mensen die zeggen dat ze een zwak geheugen hebben en zich zo denken te kunnen verontschuldigen voor het niet dienen van God. Maar als je naar hen luistert, merk je hoe ze andere dingen heel goed kunnen onthouden. God vergeten is een schuldige daad, waarmee Hem enorm veel onrecht wordt aangedaan. Het laat Hem beslist niet koud hoe Zijn volk met Hem omgaat. Als Zijn liefde niet wordt beantwoord, doet Hem dat groot verdriet.


God gaat Zijn volk lokken

13Daarom, zie, Ikzelf ga haar lokken,
haar de woestijn in leiden,
en naar haar hart spreken.

Met dit vers begint een beschrijving van wat God in de toekomst met Zijn volk zal doen. Die beschrijving loopt door tot het eind van het hoofdstuk. Na de oordeelsaankondigingen volgen nu de heilsbeloften. Het oordeel dat God wel moet aankondigen en ook moet voltrekken, is niet Zijn laatste woord tot Zijn volk. Het “daarom” waarmee het vers begint, leidt hier de zegen in, zoals het “daarom” van de verzen 5,85Daarom, zie, Ik ga uw weg met dorens omheinen,
Ik zal haar met een muur omgeven,
zodat zij haar paden niet zal kunnen vinden.8Daarom keer Ik terug
en neem Ik Mijn koren weg op zijn tijd,
en Mijn nieuwe wijn op de daarvoor vastgestelde tijd.
Ik ruk Mijn wol en Mijn vlas weg,
waarmee zij haar naaktheid moet bedekken.
het oordeel inleidt.

De plaats die God uitkiest om met het zegenen te beginnen, is de woestijn. Daar moet het volk leren dat de valse goden haar niet rijk hebben kunnen maken. In de eenzaamheid van de woestijn, alleen met de HEERE, zal ze leren waarheen haar zonde haar heeft gebracht. Daar zal ze het gemis van de zegeningen voelen die God haar in Zijn land had gegeven. Dit is Gods weg met Zijn volk om haar ten laatste wel te doen.

Dit wegvoeren in de woestijn doet God als Hij Zijn volk door de Assyriërs laat wegvoeren en laat verstrooien in “de woestijn van de volken” (Ez 20:35-3635Vervolgens zal Ik u brengen in de woestijn van de volken en daar van aangezicht tot aangezicht een rechtszaak met u voeren.36Zoals Ik met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte een rechtszaak gevoerd heb, zo zal Ik een rechtszaak met u voeren, spreekt de Heere HEERE.). De woestijn is de plek waar de ‘jeugdherinneringen’ worden opgehaald. God kan hen daar herinneren aan de dagen van weleer, toen Israël in haar eerste liefde Hem is nagevolgd (Jr 2:22Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
)
. Het woord “woestijn” hier in Hosea en de aanhaling van ‘Egypte’ in het volgende vers wijzen op een historische overeenkomst met de tijd van Israëls vertrek uit Egypte. Zoals God het volk toen heeft opgedragen Egypte te verlaten, de woestijn in te gaan en te beginnen met de reis naar het beloofde land, zo zal Hij dat in de toekomst ook doen.

Net zoals in die tijd, de tijd van haar eerste liefde, zal het volk opnieuw in de “woestijn” worden gebracht. Daar zal God het beproeven, oordelen en reinigen, opdat het de weg van zegen terug zal vinden en opnieuw in het bezit van het land zal komen. Velen zullen geoordeeld worden. Slechts een overblijfsel zal er daadwerkelijk komen. Zo is het ook gegaan bij de uittocht uit Egypte op de weg naar het beloofde land. De lichamen van velen zijn gevallen in de woestijn.

Het is opmerkelijk hoe dit oordeel van verstrooiing hier wordt voorgesteld, namelijk als een zaak van Goddelijke liefde. God zegt dat Hij haar erheen zal “lokken” en daar “naar haar hart spreken” zal. Hij ‘lokt’ haar. Hij sleept haar dus niet aan de haren mee de woestijn in. Het woord voor “lokken” bevat de gedachte van ‘overreden door middel van aantrekkelijke voordelen’.

Achter de dwang van de verstrooiing, die noodzakelijk is vanwege haar ontrouw, gaat dus Gods liefde schuil. God wil Zijn volk weer voor Zich alleen hebben. “Naar haar hart spreken” wil zeggen ‘vriendelijk, bemoedigend, vertroostend tot iemand spreken’. Dezelfde uitdrukking wordt gebruikt in Jesaja 40 en Ruth 2, waar het ook de bedoeling is de ander op zijn of haar gemak te stellen (Js 40:22spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.
; Ru 2:1313En zij zei: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, want u hebt mij getroost en u hebt naar het hart van uw dienares gesproken, hoewel ik niet ben als een van uw dienaressen.)
.

Zoals voor Israël de woestijn een beeld is van verstrooiing onder de volken, zo is voor ons de woestijn een beeld van de plaats waar God ons op de proef stelt en vormt. In ons persoonlijke leven begint, na een afwijken van de weg met de Heer, het herstel ook vaak doordat we in beproeving terechtkomen.

We ontdekken dat het leven zonder God toch niet die bevrediging geeft die we ervan hebben verwacht. We doen teleurstellende ervaringen op. Het leven gaat er uitzien als een woestijn. Er is niets ‘eetbaars’ te vinden, niets wat een mens echt voldoening kan geven. Maar dan ontdekken we ook dat God ons in die beproeving heeft ‘gelokt’ en daarin ‘tot ons hart wil spreken’. Zo doet God, ook met ons, omdat Hij de Zijnen liefheeft.


Een deur van hoop

14Ik zal haar daarvandaan haar wijngaarden geven,
en het Dal van Achor tot een deur van hoop.
Daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd,
als op de dag dat zij wegtrok uit het land Egypte.

De terugkeer uit de woestijn in het land wordt met prachtige woorden weergegeven door Salomo in het boek Hooglied: “Wie is zij die daar opkomt uit de woestijn, leunend op haar Liefste?” (Hl 8:55Wie is zij die daar opkomt uit de woestijn,
leunend op haar Liefste?
Onder de appelboom heb ik U gewekt.
Daar heeft Uw moeder U met smart voortgebracht,
met smart heeft zij [U] daar voortgebracht [die] U gebaard heeft.
)
. Hier zien we Israël, niet meer leunend op eigen kracht, maar op haar Geliefde. Hij heeft tot haar hart gesproken en haar zegeningen in het vooruitzicht gesteld. Daarom trekt ze op uit de woestijn.

De troost die de HEERE voor Zijn volk heeft, komt niet alleen in woorden tot uiting. Hij zal haar in Zijn genade ook de toegang geven tot Zijn zegeningen. Het zijn zegeningen die Hij haar eerst heeft gegeven en vervolgens heeft ontnomen. Nu ze geleerd heeft dat alle zegen alleen van God komt, mag ze die opnieuw uit Gods hand aannemen. In Zijn genade noemt Hij de wijngaarden zelfs “haar wijngaarden”. Die wijngaarden vertegenwoordigen hier de zegeningen van het land Kanaän.

“Het dal Achor” herinnert aan Gods oordeel over de zonde (Jz 7:1,24-261Maar de Israëlieten pleegden trouwbreuk met wat door de ban gewijd was, want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam Juda, nam van wat door de ban gewijd was. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen de Israëlieten.24Toen nam Jozua, en heel Israël met hem, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, de kostbare mantel, de goudstaaf, zijn zonen, zijn dochters, zijn runderen, zijn ezels, zijn kleinvee, zijn tent, en alles wat van hem was, en zij voerden die naar het dal Achor.25Jozua zei: Waarom hebt u ons in het ongeluk gestort? De HEERE zal u in het ongeluk storten op deze dag. En heel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur. En zij wierpen stenen over hen26en richtten een grote steenhoop boven hem op, die er is tot op deze dag. Toen liet de HEERE Zijn brandende toorn varen. Daarom gaf men die plaats de naam dal van Achor, tot op deze dag.). Als Israël dit oordeel over de zonde die onder hen is gebeurd in opdracht van God heeft voltrokken, kan de deur die toegang geeft tot de zegen weer open. Zo wordt een ‘droefheid’ – dat is wat Achor betekent – tot een deur van hoop (vgl. Js 65:1010Saron zal tot een schaapskooi worden
en het Dal van Achor tot een rustplaats voor rundvee,
voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft.
)
.

Ook voor ons persoonlijk is het waar. Het dal waar wij onze zonde belijden en veroordelen, wordt een plaats van hoop. Een dal spreekt van vernedering. Vernedering, onze zonden oordelen, is het startpunt van het opnieuw gaan beleven van de gemeenschap met God. In Golgotha zien we ten diepste deze plaats van oordeel, maar waar ook de deur van de hoop wijd is opengezet.

Als Israël in de toekomst de zegeningen van het land opnieuw mag bezitten, “zal zij zingen”, zoals ze dat gedaan heeft bij de Rode Zee na haar verlossing uit de slavernij van Egypte (Ex 15:11Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de HEERE. Zij zeiden:
            Ik zal zingen voor de HEERE,
                        want Hij is hoogverheven!
            Het paard en zijn ruiter
                        heeft Hij in de zee geworpen.
)
. Zingen is letterlijk antwoorden dat wil zeggen antwoorden bij het beurtgezang (Ex 15:21a21Toen [zong] Mirjam hun ten antwoord:
            Zing voor de HEERE,
                        want Hij is hoogverheven!
            Het paard en zijn ruiter
                        heeft Hij in de zee geworpen.
)
. Dit is het lied “in de dagen van haar jeugd”.

Bij de zegeningen die ze in de toekomst weer zal genieten, zal ze de blijdschap van haar eerste bevrijding en verlossing opnieuw beleven. Genade geeft een nieuw begin aan haar geschiedenis, die gepaard gaat met onwankelbare zegeningen. De frisheid van deze hernieuwde jeugd die voor het hele volk zal aanbreken, zal dan niet meer verloren gaan.


Mijn Man

15Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE,
dat u [Mij] zult noemen: mijn Man,
en Mij niet meer zult noemen: mijn Baäl!

In de toekomst, als God Zijn volk in genade weer voor Zich heeft gewonnen, zal Hij voor hen als een Echtgenoot zijn. Hij wil dan niet langer een Meester (Baäl) voor hen zijn en als zodanig worden aangesproken. Mogelijk dat Israël de HEERE als Baäl is gaan aanspreken. Als het volk nog wel vasthoudt aan een verbinding met God, maar de liefde voor Hem niet meer aanwezig is, wordt Hij gezien als een van de vele goden aan wie men zich onderwerpt. Wat Israël betreft, zal aan die situatie in de toekomst een einde komen. Dan zal Israël weer in de rechte liefdesverhouding tot Hem komen te staan (Js 54:55Want uw Maker is uw Man,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam,
en uw Verlosser is de Heilige van Israël,
de God van heel de aarde zal Hij genoemd worden.
)
.

Ook binnen de christenheid leeft de gedachte dat God een onbuigzame Heerser is, aan Wiens ijzeren wil niemand kan ontkomen. God wil aan die situatie, die het leven van veel christenen tot een uiterst sombere aangelegenheid maakt, graag een einde maken. Deze christenen leven bij wijze van spreken in het dal Achor, maar dan zonder de deur van de hoop te kennen die dit dal ook inhoudt. Altijd zien zij God als een God Die toornt over de zonde, hun zonde. Maar het lijkt of ze blind zijn voor de deur die God juist op dat moment opent.

God wil van hen blijde, dankbare christenen maken die Hem mogen kennen en aanspreken als Vader, in plaats van ‘een God Die gedurig toornt’. Wie God alleen als een toornende Heerser kent, heeft een eenzijdig en daarmee onjuist beeld van Hem. God wordt daardoor op één lijn gezet met de afgoden die ook geheel willekeurig handelen, zonder enige genegenheid voor hun aanbidders. Afgoden zijn altijd eisende goden. Wie de God en Vader van de Heer Jezus Christus voorstelt als een louter eisende God, maakt een karikatuur van Hem en slaat geen acht op de gevende en vergevende God. In Jezus Christus heeft God alles gegeven om een mens tot Zijn kind te kunnen maken en hem tot Vader te zijn. “God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave!” (2Ko 9:1515God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave.).


Geen andere namen meer

16Dan zal Ik de namen van de Baäls uit haar mond wegdoen
en aan hun namen zal niet meer gedacht worden.

Door haar bekering zal het afgelopen zijn met haar dienen van de afgoden. De namen van de afgoden zullen niet meer worden genoemd (vgl. Ps 16:44Groot wordt het leed van hen die andere [goden] geschenken geven;
ik [echter] giet geen plengoffers van bloed voor ze uit
en neem de namen ervan niet op mijn lippen.
)
. Het zal kenmerkend zijn voor de tijd waarin Israël weer leeft in trouw aan zijn God, dat andere goden niet meer in beeld komen (Zc 13:2a2Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE van de legermachten, dat Ik uit het land de namen van de afgoden zal uitroeien, zodat aan hen niet meer gedacht zal worden. Ja, ook de profeten en de onreine geest zal Ik uit het land wegdoen.). Het herstelde volk dat weer in het land woont, zal dan de wet in hun hart hebben geschreven en daarnaar ook handelen. Het zal dan geen moeite meer hebben met het woord dat hun bij de Sinaï gezegd is en dat daarna door hen zo vaak is overtreden (Ex 23:1313Bij alles wat Ik tegen u gezegd heb, moet u op uw hoede zijn. U mag niet aan de naam van andere goden denken, die mag niet uit uw mond gehoord worden!).

Voor ons, christenen, staat in Gods Woord eenzelfde waarschuwing: “Maar laat hoererij en alle onreinheid of hebzucht onder u zelfs niet genoemd worden, zoals het heiligen past, alsook oneerbaarheid, en zotte praat of lichtzinnige taal, die niet gepast zijn, maar veeleer dankzegging” (Ef 5:33Maar laat hoererij en alle onreinheid of hebzucht onder u zelfs niet genoemd worden, zoals het heiligen past,). Wie durft beweren dat hij zich nog nooit aan een of meerdere van de genoemde uitingen schuldig gemaakt heeft? Dubbelzinnige opmerkingen horen niet uit de mond van een christen te komen. Seksueel getinte praat past niet bij kinderen van God. Allerlei oneerbare toespelingen naar iemand van het andere geslacht zijn uit de boze en niet uit God. Uitspraken die aan hebzucht doen denken, zijn een aanwijzing dat we niet tevreden zijn met wat we hebben.

Tegenover al die uitingen van het vlees, uitingen die kenmerkend zijn voor de wereld, staat één enkel ander woord: “Dankzegging.” Wie dankt, staat in verbinding met God als de Gever, de Bron van alle goede gaven en elk rein woord. God wil dat we alleen met Hem in verbinding staan en vanuit die relatie leven. Dan is er geen ruimte meer voor enige vorm van afgoderij.


Vrede op aarde

17Ik zal voor hen een verbond sluiten op die dag
met de dieren van het veld, met de vogels in de lucht
en de kruipende dieren op de aarde.
En boog, zwaard en strijd zal Ik van de aarde doen verdwijnen,
en Ik zal hen onbezorgd doen neerliggen.

In het toekomstige vrederijk zal de dierenwereld niet meer worden gekenmerkt door angst voor de mens die er sinds de zondeval is (Gn 9:22Vrees en schrik voor u zal er zijn bij alle dieren van de aarde en bij alle vogels in de lucht, bij alles wat over de aardbodem kruipt en bij alle vissen in de zee; zij zijn in uw hand gegeven.). De vrede die Israël dan als volk zal bezitten, zal zijn uitstraling hebben over de hele aarde, inclusief het dierenrijk. Jesaja spreekt in zijn profetie uitbundig over die tijd en de dan heersende vrede (Js 11:6-96Een wolf zal bij een lam verblijven,
een luipaard bij een geitenbok neerliggen,
een kalf, een jonge leeuw en gemest [vee] zullen bij elkaar zijn,
een kleine jongen zal ze drijven.
7Koe en berin zullen [samen] weiden,
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.
Een leeuw zal stro eten als het rund.
8Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder,
en in het nest van een gifslang
zal een peuter zijn hand steken.
9Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water [de bodem] van de zee bedekt.
)
. Wat Hosea hier zegt, zal letterlijk in vervulling gaan.

Er is ook een toepassing te maken. In de verschillende dieren kunnen we de instrumenten van Gods oordelen zien, dat wil zeggen de verschillende vijanden door wie God Zijn volk heeft gekastijd. Als de vijandige volken hun door God opgedragen taak hebben volbracht, wordt met hen ook een verbond gesloten. Zo zullen ook zij delen in de zegen die Israëls deel zal zijn (Js 19:22-2522Zo zal de HEERE de Egyptenaren geducht treffen en genezen. Zij zullen zich tot de HEERE bekeren en Hij zal Zich door hen laten verbidden; en Hij zal hen genezen.23Op die dag zal er een gebaande weg zijn van Egypte naar Assyrië. De Assyriërs zullen in Egypte komen en de Egyptenaren in Assyrië. De Egyptenaren zullen [samen] met de Assyriërs [de HEERE] dienen.24Op die dag zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assyrië, een zegen in het midden van de aarde.25Want de HEERE van de legermachten zal hen zegenen met de woorden: Gezegend zij Mijn volk Egypte, het werk van Mijn handen Assyrië, en Mijn eigendom Israël!). De oorlog, door de eeuwen heen de gesel van de aarde en hier voorgesteld door “boog, zwaard en strijd”, zal er niet meer zijn. De HEERE zal deze dingen van de aarde doen verdwijnen en de oorlog zal niet meer geleerd worden (Js 2:44Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
; Mi 4:33Hij zal oordelen tussen vele volken
en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
)
. Hij “zal hen onbezorgd doen neerliggen” wat wil zeggen dat Zijn volk in vrede zal wonen.


Israël weer door God tot bruid genomen

18Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen:
ja, Ik zal u tot Mijn bruid nemen in gerechtigheid en in recht,
in goedertierenheid en in barmhartigheid.

God spreekt hier rechtstreeks tot Israël. Er wordt een nieuw begin gemaakt, alsof Israël nooit ontrouw is geweest. Het is een nieuw verbond, dat komt in de plaats van het oude, dat door Israël verbroken is. De nieuwe verbintenis die God dan met Zijn volk aangaat, is “voor eeuwig” en zal nooit meer verbroken worden. Israël zal dan niet meer van God wegdwalen, want Gods wet is in hun hart geschreven.

De basis van deze verhouding is meervoudig. Voorop staat “in gerechtigheid en in recht”. Hierin komt de volmaakt wettige basis voor dit huwelijk tot uiting. Het is geen verhouding waarbij de zonde door de vingers is gezien. Al de ontrouw van het volk is door God rechtvaardig geoordeeld, terwijl er op grond van het werk van Zijn Zoon een overblijfsel gespaard blijft. Aan dit overblijfsel, dat Jezus als de Christus belijdt, zal God al Zijn beloften vervullen. Omdat door Christus volledig is voldaan aan Gods gerechtigheid, heeft Christus ook recht op de vervulling van de beloften. Hij staat in Zijn recht wanneer Hij het volk weer aanneemt tot Zijn bruid.

Behalve gerechtigheid en recht liggen ook “goedertierenheid en … barmhartigheid” ten grondslag aan het herstel van de verhouding tussen de HEERE en Zijn bruid. Hierdoor komt tot uiting dat God met Zijn hele hart voor Zijn bruid zorg draagt. Dit wijst op Gods gezindheid voor Zijn volk en Zijn bewogenheid met de ellendige toestand waarin het heeft verkeerd. Wat de verhouding tussen de Messias en Zijn aardse volk kenmerkt, vinden we ook terug in de wijze waarop de Messias in het vrederijk regeert: Gerechtigheid en recht zijn het fundament van Uw troon, goedertierenheid en trouw gaan voor Uw aangezicht uit” (Ps 89:1515Gerechtigheid en recht zijn het fundament van Uw troon,
goedertierenheid en trouw gaan voor Uw aangezicht uit.
)
.

Het is voor sommigen moeilijk te begrijpen dat de Heer Jezus twee bruiden heeft, een aardse bruid, Israël, en een hemelse bruid, de gemeente, “de bruid, de vrouw van het Lam” (Op 21:99En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam tonen.). Maar we moeten bedenken dat het om beeldspraak gaat. Het gaat om een voorstelling van de verhouding tussen de Heer Jezus en Israël en een voorstelling van de verhouding tussen de Heer Jezus en de gemeente. Met zowel Israël op aarde, als de gemeente in de hemel, onderhoudt de Heer Jezus een nauwe band van liefde en gemeenschap. Die verhouding en die band, die Hij zowel met Israël als met de gemeente heeft, kan niet beter worden voorgesteld dan door het beeld van het huwelijk.


Trouw

19In trouw zal Ik u voor Mij als bruid nemen;
en u zult de HEERE kennen.

Het vijfde kenmerk, na de vier van het vorige vers, waarop de nieuwe verhouding tussen God en Zijn volk is gebaseerd, is “trouw”. Dit kenmerk van trouw zal zeker ook voor het volk gelden in hun relatie met God. Ze zullen Hem niet meer ontrouw worden. Voor God is dit altijd zo: “Als wij ontrouw zijn – Hij blijft trouw, want Zichzelf kan Hij niet verloochenen” (2Tm 2:1313als wij ontrouw zijn – Hij blijft trouw, want Zichzelf kan Hij niet verloochenen.).

Dat Hij trouw is, blijkt ook daaruit dat Hij garant staat voor al Zijn aan Israël gegeven beloften. Hij zal die vervullen. Zij zullen niet opnieuw van de HEERE wegdwalen, omdat ze Hem echt zullen kennen. Dat is het resultaat van het nieuwe hart dat ze dan zullen hebben gekregen, waarin God Zijn wetten heeft geschreven (Hb 8:8-128Want hen berispend zegt Hij: ‘Zie, [de] dagen komen, zegt [de] Heer, dat Ik voor het huis van Israël en voor het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten;9niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen maakte ten dage dat Ik hen bij de hand nam om hen uit [het] land Egypte te leiden, want zij bleven niet in Mijn verbond en Ik sloeg geen acht [meer] op hen, zegt [de] Heer.10Want dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël zal maken, zegt [de] Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal ze in hun harten schrijven; en Ik zal hun tot een God en zij zullen Mij tot een volk zijn.11En zij zullen geenszins leren ieder zijn medeburger en ieder zijn broeder door te zeggen: ‘Ken de Heer’, want zij zullen Mij allen kennen, van [de] kleine tot [de] grote onder hen.12Want Ik zal jegens hun ongerechtigheden genadig zijn en hun zonden zal Ik geenszins meer gedenken’.; Jr 31:31-3431Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,32niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.). Het is deze kennis van de HEERE die kenmerkend is voor het vrederijk (Js 11:99Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water [de bodem] van de zee bedekt.
)
. Deze kennis is nu nog niet aanwezig (Hs 2:77Zíj erkent echter niet
dat Ik het ben Die haar gegeven heeft
het koren, de nieuwe wijn en de olie,
dat Ik het zilver en het goud voor haar vermeerderd heb,
[dat] zij voor de Baäl gebruikt hebben.
; 4:1,61Hoor het woord van de HEERE, Israëlieten,
want de HEERE heeft een rechtszaak
met de inwoners van [dit] land,
omdat er geen trouw, geen goedertierenheid
en geen kennis van God in het land is.6Mijn volk is uitgeroeid,
omdat het zonder kennis is.
Omdat ú de kennis verworpen hebt,
heb Ik u verworpen om als priester voor Mij te dienen.
Omdat u de wet van uw God hebt vergeten,
zal Ik ook uw kinderen vergeten.
)
.


De HEERE verhoort

20Op die dag zal het geschieden,
spreekt de HEERE, dat Ik zal verhoren.
Ik zal de hemel verhoren
en die zal de aarde verhoren.
21Dan zal de aarde het koren, de nieuwe wijn en de olie verhoren,
en die zullen Jizreël verhoren.

Het hart van het volk is tot God teruggebracht. De verbroken verhouding tussen God en Zijn volk is hersteld. Na het herstel van de innerlijke band staat niets de stroom van Gods zegen meer in de weg. Maar die stroom van zegen komt pas, nadat het volk erom heeft gevraagd. God wil Zich doen kennen als een God Die verhoort. Dat staat voorop. Al het andere is slechts de uitwerking ervan. Terwijl Israël de zegeningen van het land eerst heeft gezien als het eigen bezit, erkennen ze nu door hun gebed dat het zegeningen zijn die van God moeten komen, uit genade geschonken.

Zij rekenen voor hun behoeften niet meer op de gunst van de afgoden. Israël heeft de zegen toegeschreven aan de Baäls. Daarom heeft God hun die zegen ontnomen, opdat ze zouden leren dat Hij de Gever is (verzen 6-76Zij zal haar minnaars najagen, maar hen niet inhalen;
hen zoeken, maar hen niet vinden.
Dan zal zij zeggen:
Ik ga, ik keer terug naar mijn vorige Man,
want toen had ik het beter dan nu.7Zíj erkent echter niet
dat Ik het ben Die haar gegeven heeft
het koren, de nieuwe wijn en de olie,
dat Ik het zilver en het goud voor haar vermeerderd heb,
[dat] zij voor de Baäl gebruikt hebben.
)
. Nu is er voor afgoden geen plaats meer. In de herstelde betrekking met hun God maken ze Hem nu in het gebed hun behoeften bekend. Daarop zal Hij antwoorden, en hoe! Er zal een onafgebroken stroom van zegen zijn tussen de HEERE en Zijn aardse volk.

Hemel en aarde zijn sinds de zondeval van de mens van elkaar gescheiden. Sinds die tijd heeft de satan de macht op aarde (Lk 4:5-65En hij voerde Hem omhoog en toonde Hem alle koninkrijken van het aardrijk in een ogenblik tijds.6En de duivel zei tot Hem: U zal ik al deze macht en hun heerlijkheid geven, want zij is mij overgegeven en aan wie ik wil geef ik ze;) en verschijnt hij voor God in de hemel als de aanklager van de gelovigen (Op 12:1010En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is de behoudenis gekomen en de kracht en het koninkrijk van onze God en het gezag van Zijn Christus; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht vóór onze God aanklaagde, is neergeworpen.). Maar in de tijd van zegen die dan voor Israël zal zijn aangebroken, zal de macht van de satan verbroken zijn. Op aarde kan hij gedurende die tijd geen kwaad meer aanrichten (Op 20:2-32En hij greep de draak, de oude slang, dat is [de] duivel en de satan, en bond hem duizend jaren;3en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de naties niet meer zou misleiden voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten.). En de hemel zal, nadat hij daaruit verwijderd is, van zijn aanwezigheid gezuiverd zijn (Op 12:1010En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is de behoudenis gekomen en de kracht en het koninkrijk van onze God en het gezag van Zijn Christus; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht vóór onze God aanklaagde, is neergeworpen.).

Dan zal er een prachtige harmonie bestaan tussen de hemel en de aarde. Ook zal er een prachtige harmonie zijn tussen zaaiing en oogst. De keten van zegen vindt zijn oorsprong in God. Het eerste wat gezegd wordt, is: “Ik zal verhoren.” Dat zegt God en vervolgens begint de zegen te stromen. De hemel zal aan God vragen om aan de aarde regen, dat is zegen, te mogen geven en God zal verhoren. Maar de vraag van de hemel komt van de aarde. De aarde wordt gezien als een persoon die aan de hemel om regen vraagt. De hemel zal reageren en de zegen geven.

Maar ook de vraag van de aarde staat niet op zichzelf. Op haar beurt is de aarde door het koren, de nieuwe wijn en de olie om vruchtbaarheid gevraagd. Daarom vraagt de aarde aan de hemel om regen. Maar ook de vraag van het koren, de nieuwe wijn en de olie staat niet op zichzelf. Jizreël heeft gevraagd om de vrucht van het land. Jizreël vraagt dus als eerste. Jizreël is Israël zoals het in die tijd door God gezaaid zal zijn in het land – zie ook de verklaring bij Hosea 1:11. Israël is het voorwerp van Gods zegen. Zo zullen de hemel en de aarde en de vrucht van de aarde – in het vrederijk – voorzien in de behoeften van het volk van God.

Het is schitterend om te zien hoe hier de gebeden op elkaar zijn afgestemd. Alle gebeden hebben eenzelfde doel, elke schakel in deze gebedsketen werkt daaraan mee. Het gaat om zegen voor Gods volk. De hemel wordt verhoord door God Die regen zal geven. Daardoor zal Jizreël de zegen van het land kunnen genieten als komend uit Gods hand en als verhoring van het gebed.

De inhoud van deze gebeden heeft ons wel wat te zeggen. God wil Zijn huidige volk, de gemeente, ook graag zegenen. Bidden we daar wel voor? Daarbij gaat het om het genieten van wat God ons al heeft gegeven. God heeft ons “gezegend … met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus” (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,). Maar Paulus bidt voor de Efeziërs dat God hun geeft dat ze er ook van zullen genieten (Ef 1:16b-1916houd ik niet op voor u te danken, terwijl ik u gedenk in mijn gebeden,17opdat de God van onze Heer Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u [de] geest van wijsheid en openbaring geeft in [de] kennis van Hem,18verlichte ogen van <uw> hart, opdat u weet wat de hoop van Zijn roeping is, wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,19en wat de uitnemende grootte van Zijn kracht is jegens ons die geloven, naar de werking van de macht van Zijn sterkte,; vgl. Ko 1:9-109Daarom houden ook wij, van de dag af dat wij ervan gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat u vervuld mag worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht,10om de Heer waardig te wandelen tot al [Zijn] welbehagen, terwijl u in alle goed werk vrucht draagt en opgroeit door de kennis van God,; 4:2-32Volhardt in het gebed, terwijl u daarin waakzaam bent met dankzegging3[en] tevens voor ons bidt, dat God ons een deur voor het Woord opent, om over de verborgenheid van Christus te spreken, ter wille waarvan ik ook gevangen ben;). Als we ons in onze gebeden meer zouden richten op de inhoud van wat Paulus bidt, zou er dan niet meer echte zegen van God in Christus door ons worden genoten?

Ten aanzien van het herstel van Israël in hun betrekking tot de HEERE is nog meer resultaat te melden. Er zal niet alleen zegen zijn voor Israël, maar de hele aarde zal in die zegen delen. De hele schepping zal dan vrijgemaakt zijn van de vloek die erop is komen te liggen door de zondeval. De vrijmaking van de schepping wordt verbonden aan “de openbaring van de zonen van God” (Rm 8:19-2119Want de schepping verwacht reikhalzend de openbaring van de zonen van God.20Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen (niet vrijwillig, maar om wille van hem die [haar] onderworpen heeft),21in [de] hoop dat ook de schepping zelf zal worden vrijgemaakt van de slavernij van de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God.).

Als de Heer Jezus terugkomt en die heerlijke tijd voor Israël en de hele aarde zal aanbreken, komt Hij niet alleen. Allen die zonen van God zijn geworden door het geloof in dé Zoon van God, zullen Hem vergezellen (Op 19:1414En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.). Samen met al de gelovigen van het Oude Testament en ook met allen die na de opname van de gemeente tijdens de grote verdrukking zijn omgebracht, zullen ze “met Hem <de> duizend jaren regeren” (Op 20:4-64En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven; en [ik zag] de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren.5De overigen van de doden werden niet levend voordat de duizend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste opstanding.6Gelukkig en heilig is hij die aan de eerste opstanding deel heeft; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en met Hem <de> duizend jaren regeren.).


U bent Mijn volk

22En Ik zal haar voor Mij in de aarde zaaien
en Mij ontfermen over Lo-Ruchama.
Ik zal zeggen tegen Lo-Ammi: U bent Mijn volk,
en hij zal zeggen: Mijn God!

God is tot Zijn doel gekomen. Hij heeft Zijn volk terug aan Zijn hart en in Zijn land. Het door en voor Hem gezaaide volk zal in gemeenschap met Hem de volle zegen genieten. In die tijd, de tijd van het vrederijk, zal de situatie, die Hosea in zijn dagen moest verwoorden in de namen van zijn kinderen (Hs 1:4,6,94Toen zei de HEERE tegen hem: Geef hem de naam Jizreël, want nog even en Ik zal de bloedschulden van Jizreël vergelden aan het huis van Jehu, en Ik zal het koningschap van het huis van Israël wegdoen.6Zij werd opnieuw zwanger, en zij baarde een dochter. Daarop zei Hij tegen hem: Geef haar de naam Lo-Ruchama, want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, want Ik zal hen zeker wegvoeren.9En Hij zei:
Geef hem de naam Lo-Ammi,
want u bent niet Mijn volk
en Ík zal er voor u niet zijn.
)
, totaal omgekeerd zijn. Het ‘God verstrooit’, de ene betekenis van ‘Jizreël’, waarin Zijn oordeel tot uitdrukking komt, wordt veranderd in ‘God zaait’, de andere betekenis van ‘Jizreël’. Daarmee wordt Gods zegen tot uitdrukking gebracht. Dat God hier spreekt over zaaien, doet, behalve aan de zegen voor het zaad, ook denken aan vermenigvuldigen, in aantal toenemen. Het volk zal genieten van de zegen, maar zal ook zeer talrijk worden en in menigte uitbreiden (Js 54:33Want u zult zich rechts en links uitbreiden,
uw nageslacht zal de heidenvolken in bezit nemen
en de verlaten steden bevolken.
)
.

Paulus haalt dit vers aan in zijn brief aan de Romeinen (Rm 9:2525Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-Mijn-volk Mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’.). In Romeinen 9 haalt hij ook, zoals we hebben gezien, Hosea 1:10 aan (Rm 9:2626‘En het zal zijn op de plaats waar tegen hen gezegd werd: U bent Mijn volk niet, daar zullen zij zonen van [de] levende God worden genoemd’.). Dat citaat dient ertoe om te laten zien dat God genade niet beperkt kan blijven tot de Jood. Het citeren van Hosea 2:22 dient een ander doel. Dit vers maakt duidelijk dat, hoewel genade zonder enig onderscheid wordt bewezen aan Jood en heiden, er voor de Jood toch een aparte zegen overblijft. Die zegen is: herstel in zijn land.

Ook Petrus verwijst in zijn eerste brief naar dit vers. Hij belicht weer een ander aspect. Uit zijn brief blijkt dat hij schrijft aan bekeerde Joden “in [de] verstrooiing” (1Pt 1:11Petrus, apostel van Jezus Christus aan [de] vreemdelingen in [de] verstrooiing in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia, en Bithynië,). Hij schrijft hun: “U die vroeger geen volk was, maar nu Gods volk bent, die aan geen barmhartigheid deel had, maar nu barmhartigheid hebt verkregen” (1Pt 2:1010u die vroeger geen volk was, maar nu Gods volk bent, die aan geen barmhartigheid deel had, maar nu barmhartigheid hebt verkregen.). Daarmee verwijst Petrus naar het vers hier. Hij wil hiermee duidelijk maken dat de gelovige Joden aan wie hij schrijft, al in de betrekking tot God staan die het hele volk pas in de toekomst zal hebben.

Als Joden van nature rust op hen het oordeel dat God in Hosea heeft bekendgemaakt. Als bekeerde Joden zijn ze al als Gods volk aangenomen en hebben ze Zijn barmhartigheid al verkregen. Dat ze door hun geloof in de Heer Jezus bij de gemeente zijn gevoegd, is ook waar, maar dat feit wordt hier niet door Petrus genoemd. Het is hem erom te doen, zijn Joodse broeders te laten zien wat zij, door het geloof in de Messias, van God hebben ontvangen.

Zoals we al bij de naam ‘Jizreël’ hebben gezien, worden hier ook de andere namen die in Hosea 1 genoemd worden, “Lo-Ruchama” en “Lo-Ammi”, door Gods genade ten goede veranderd. In Hosea 1 betekenen ze oordeel. Hier krijgen ze een positieve betekenis, die doet denken aan barmhartigheid en zegen. God ontfermt Zich over Lo-Ruchama, dat ‘geen ontferming’ betekent. Tegen Lo-Ammi, dat ‘niet Mijn volk’ betekent, zegt Hij: “U bent Mijn volk.”

Het volk kan bij zoveel goedheid alleen maar uitroepen: “Mijn God.” Daarmee geven ze uitdrukking aan al de gevoelens van dankbaarheid, bewondering en lofprijzing die hun harten vervullen. Dit doet denken aan wat we van Thomas lezen. Thomas is een beeld van het overblijfsel, dat pas tot geloof komt als het de opgestane Heer ziet. Maar als Thomas Hem ziet, zegt hij, met eerbied en ontzag vervuld: “Mijn Heer en mijn God!” (Jh 20:2828Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Heer en mijn God!).


Lees verder