Hosea
Inleiding 1 Samaria moet boeten 2 Bekering 3 Belijdenis 4 De breuk met het verleden 5 Gods antwoord op de belijdenis 6 Toekomstige heerlijkheid voor Israël 7 Israël als de olijfboom 8 De wijnstok 9 Een tweegesprek 10 Wijs en verstandig
Inleiding

Vers 11Samaria zal schuldig staan,
omdat het ongehoorzaam geweest is aan zijn God.
Door het zwaard zullen zij vallen,
hun kleine kinderen zullen verpletterd worden
en hun zwangere vrouwen opengereten.
van dit hoofdstuk hoort nog bij het vorige hoofdstuk. Vanaf vers 22Bekeer u, Israël,
tot de HEERE, uw God,
want u bent gestruikeld door uw ongerechtigheid.
vinden we een prachtige beschrijving over de toekomst van Israël. Deze beschrijving is als de regenboog na een weggedreven onweersbui. Uit vers 22Bekeer u, Israël,
tot de HEERE, uw God,
want u bent gestruikeld door uw ongerechtigheid.
valt af te leiden dat het door Hosea aangekondigde oordeel ook gekomen is.

Maar dan komt de omkeer. De oproep tot bekering heeft eindelijk weerklank gevonden in het hart van het volk. Het volk komt met schuldbelijdenis, het bekeert zich tot de HEERE. Het antwoord van de HEERE is: heerlijkheid voor Israël, een heerlijkheid die afkomstig is van God Zelf.

Het laatste vers is een samenvatting van de profetie. Hosea heeft gesproken over de in dat vers genoemde rechte wegen van de HEERE, zowel in oordeel als in zegen.


Samaria moet boeten

1Samaria zal schuldig staan,
omdat het ongehoorzaam geweest is aan zijn God.
Door het zwaard zullen zij vallen,
hun kleine kinderen zullen verpletterd worden
en hun zwangere vrouwen opengereten.

Samaria vertegenwoordigt hier het hele noordelijke rijk van de tien stammen. De voortdurende weerspannigheid tegen zijn God is er de oorzaak van dat God het oordeel, dat Hij zo lang heeft uitgesteld, wel moet uitvoeren. Zo wordt de straf die is aangekondigd (Hs 9:11-1211Wat Efraïm betreft, als een vogel zal zijn luister wegvliegen,
van de geboorte, van de [moeder]schoot en van de bevruchting af.12Ook al brengen zij hun kinderen groot,
Ik zal hen van kinderen beroven, geen mens zal er [meer] zijn!
Ja ook, wee hun, wanneer Ik van hen wijk!
)
, daadwerkelijk uitgevoerd. Het oordeel is radicaal.

Het zwaard zal zijn verderfelijke werk doen in drie stadia van het leven. Eerst vallen de volwassenen ten prooi aan het zwaard, vooral natuurlijk zij die tegenstand kunnen bieden; dan de kleine kinderen, want die zullen in de toekomst tegenstand kunnen bieden; ten slotte het ongeboren kind, waardoor tevens de groei van het volk wordt voorkomen.

De gruweldaden die hier beschreven worden, gebeuren niet alleen in primitieve tijden of door primitieve volken. Ze zijn niet alleen van die tijd, ze zijn er ook in onze tijd en ze zullen er ook in de eindtijd zijn.


Bekering

2Bekeer u, Israël,
tot de HEERE, uw God,
want u bent gestruikeld door uw ongerechtigheid.

Het lange twistgesprek dat de HEERE in de voorgaande hoofdstukken met Zijn volk heeft gevoerd, eindigt met een prachtige, positieve dialoog. In het gedeelte dat nu volgt, zien we de ontknoping van Gods wegen met Zijn volk. Hier vinden we geen oordeelsaankondigingen meer.

Zonder terugkeer tot God is er geen verlossing voor de gevallen mens. Daarom begint de zegen met de oproep tot bekering en het gehoor dat daaraan gegeven wordt. Het lijkt erop dat Hosea in de geest de val van het volk al heeft gezien en het vanuit die positie oproept tot bekering. Dit is af te leiden uit het woord “gestruikeld”, dat de feitelijke, complete ondergang van Israël inhoudt.

Bekering wil zeggen: je omkeren op de weg die je gaat en in tegenovergestelde richting gaan lopen. Eerst loopt een mens met zijn rug naar God toe. Als hij zich bekeert, keert hij zich om en kijkt hij naar God en vraagt Hem wat hij moet doen om behouden te worden. [Zie uitvoerig het boekje ‘Bekering en doop’ op www.oudesporen.nl.] Zo komt ook Israël tot bekering.


Belijdenis

3Neem [deze] woorden met u mee,
bekeer u tot de HEERE.
Zeg tegen Hem:
Neem alle ongerechtigheid weg, neem het goede aan.
Dan zullen wij de offers van onze lippen nakomen.

Bekering is de eerste stap. Dan moet belijdenis volgen. Die belijdenis geeft uiting aan de bekering. Het zullen natuurlijk woorden moeten zijn die echt weergeven wat in het hart is. Het hart moet als het ware de tong dicteren. De zonde moet genoemd worden. In de belijdenis van het volk komt de erkenning van de ongerechtigheid duidelijk tot uiting. Ze hebben dingen gedaan zonder rekening te houden met God. De woorden waarmee ze hun belijdenis uitspreken, worden hun door Hosea aangereikt. Zo mogen wij ook mensen helpen, om hun belijdenis onder woorden te brengen.

Hun uitgesproken belijdenis wordt vergeleken met het brengen van offers. Letterlijk staat er: “Dan zullen wij de jonge stieren van onze lippen nakomen”. Dat duidt op het bewustzijn dat God hun belijdenis als een offer zal aannemen, met in hun hart de verschuldigde eerbied die daarbij hoort. Ze zijn zich bewust dat hun zonden groot en vele zijn en dat een groot offer – een jonge stier is een groot offer – nodig is om al die overtredingen te kunnen vergeven. Dat offer is in werkelijkheid door de Heer Jezus gebracht. Zijn offer is groot genoeg om alle zonden tot en met de grootste zonde te kunnen vergeven.

Paulus haalt dit vers uit Hosea aan om de gelovigen aan te sporen God te eren (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.). Hij zegt daarmee dat God het echt waard is om Hem altijd, niet alleen bij schuldbelijdenis of tijdens bepaalde diensten, te loven en te prijzen. Hebben wij daar niet alle reden toe?

Het volk, en dat geldt voor ieder mens die weet dat hij schuldig voor God staat, wordt aangemoedigd naar God te gaan en Hem om vergeving te vragen. Het volk wordt als het ware opgeroepen erop te vertrouwen dat ze met een vergevende God te maken hebben. Ook vandaag mag iedereen weten dat onze God een God van vergeving is (Ne 9:17b17Zij hebben geweigerd te luisteren en zij hebben niet gedacht aan Uw wonderen die U bij hen had gedaan. Zij zijn halsstarrig geweest en in hun opstandigheid hebben zij een hoofd aangesteld om terug te keren naar hun slavernij. Maar U bent een God [Die] menigvuldig vergeeft, genadig, barmhartig, geduldig, rijk aan goedertierenheid, en U hebt hen niet verlaten.). Vergeven is een gezindheid die bij Hem hoort, die in Hem aanwezig is. Hij is “een vergevend God” (Ps 99:88HEERE, onze God, Ú hebt hen verhoord;
U bent voor hen een vergevend God geweest,
hoewel U wraak oefende over hun daden.
)
. Hij is “goed, mild om te vergeven” (Ps 86:55U, Heere, bent immers goed, mild om te vergeven
en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen.
)
. “Hij vergeeft veelvuldig” (Js 55:77Laat de goddeloze zijn weg verlaten,
de man van ongerechtigheid zijn gedachten.
Laat hij zich bekeren tot de HEERE, dan zal Hij Zich over hem ontfermen,
tot onze God, want Hij vergeeft veelvuldig.
)
. Hij vergeeft en gedenkt niet meer (Jr 31:3434Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.).

Het woord ‘vergeven’ wil ten eerste zeggen dat de straf die het zondige gedrag verdient, wordt kwijtgescholden; ten tweede houdt dat woord in dat de oorzaak van de overtreding volledig wordt verwijderd. God kan op deze radicale wijze met de zonde omgaan, omdat Hij daarvoor een rechtvaardige grondslag heeft en wel het plaatsvervangend en verzoenend offer van Christus. Want “zonder bloedstorting is er geen vergeving” (Hb 9:2222En met bloed wordt bijna alles naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving.).

Na zo onder de indruk te zijn gekomen van de vergevende God kan de bewondering voor Hem niet uitblijven: “Wie is een God als U, Die de ongerechtigheid vergeeft, Die voorbijgaat aan de overtreding van het overblijfsel van Zijn eigendom?” (Mi 7:1818Wie is een God als U,
Die de ongerechtigheid vergeeft,
Die voorbijgaat aan de overtreding
van het overblijfsel van Zijn eigendom?
Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn,
want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.
)
. Met zo’n God heeft Israël te maken. Zo kent Hosea Hem en daarom kan hij het volk aansporen naar die God te gaan. Het volk mag ook rekenen op een totale vergeving, waarbij geen enkele zonde overblijft die niet vergeven is. “Alle ongerechtigheid” wordt vergeven.


De breuk met het verleden

4Assyrië zal ons niet verlossen,
op paarden zullen wij niet rijden.
Wij zullen nooit meer zeggen: U bent onze god
tegen het werk van onze handen.
Bij U immers vindt een wees ontferming.

Na de belijdenis en de vergeving is een radicale breuk met het verleden op zijn plaats. Weg met het vroegere leven, het leven in de zonde! God vergeeft de zonden niet als we van plan zijn ermee door te gaan. We moeten werkelijk breken met de zonde (Sp 28:1313Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn,
maar wie ze belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen.
)
. Belangrijk in de belijdenis is dat de zonde bij name wordt genoemd. Israël doet dat hier.

Ze zullen niet langer voor hun verlossing uitzien naar Assyrië (Hs 5:1313Toen Efraïm zijn ziekte zag
en Juda zijn gezwel,
ging Efraïm naar Assyrië
en stuurde hij boden naar koning Jareb.
Maar die zal u niet kunnen genezen,
en van u het gezwel niet wegnemen.
; 7:1111Efraïm is als een duif, onnozel, zonder verstand;
Egypte roepen zij te hulp, naar Assyrië gaan zij!
; 8:99want zíj gingen naar Assyrië:
een wilde ezel houdt zich afgezonderd,
maar Efraïm zoekt hulp bij minnaars.
)
, maar naar God. Ook zullen ze niet langer op hun eigen kracht vertrouwen of op die van hun (oorlogs)paarden. Mogelijk doelt het rijden op paarden op de steun die ze bij Egypte hebben gezocht (Dt 17:1616Maar hij mag voor zichzelf niet veel paarden aanschaffen en het volk niet laten terugkeren naar Egypte om veel paarden aan te schaffen, omdat de HEERE tegen u gezegd heeft: U mag nooit meer langs deze weg terugkeren.; Js 30:1616U zegt: Nee!
Te paard zullen wij vluchten.
Daarom zúlt u vluchten.
En op snelle [paarden] zullen wij rijden.
Daarom zullen uw achtervolgers [ook] snel zijn.
; 31:1,31Wee hun die afdalen naar Egypte om hulp,
die steunen op paarden,
vertrouwen op strijdwagens, omdat er zoveel zijn,
op ruiters, omdat die zeer machtig zijn,
maar die geen acht slaan op de Heilige van Israël
en de HEERE niet zoeken.
3want de Egyptenaren zijn mensen en geen God,
en hun paarden zijn vlees en geen geest.
De HEERE zal Zijn hand uitstrekken,
zodat de helper zal struikelen,
en wie geholpen wordt, zal neervallen,
tezamen zullen zij allen omkomen.
)
. Met “het werk van onze handen” bedoelt het volk de afgoden. Ook die zweren ze af.

In zijn belijdenis vergelijkt Israël zich met een wees en rekent hij op de barmhartigheid van God voor een vaderloos kind (Ex 22:2222U mag geen enkele weduwe of wees onderdrukken.; Dt 10:1818Die recht verschaft aan de wees en de weduwe, Die de vreemdeling liefheeft door hem brood en kleding te geven.). Ze zullen zich troosten met de woorden van David: Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen” (Ps 27:1010Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten,
maar de HEERE zal mij aannemen.
)
. Met deze belijdenis laat het volk zien dat het elk recht op het kind-zijn heeft verspeeld en dat alleen een beroep op Gods barmhartigheid overblijft. Dit beroep is niet vergeefs. Het is beter om een voorwerp van Gods genade te zijn, dan met Hem in een verhouding van recht te staan.

God staat altijd klaar om de hulpeloze te helpen. Hij wil hen beschermen die geen bescherming hebben. Hij zorgt voor hen, voor wie niemand zorgt en ontfermt Zich over hen die aan zichzelf zijn overgelaten. In deze situatie zal Israël zich in de eindtijd bevinden en ze zullen in God vinden wat nodig is.


Gods antwoord op de belijdenis

5Ik zal hun afkerigheid genezen,
Ik zal hen vrijwillig liefhebben,
want Mijn toorn heeft zich van hem afgewend.

Na hun belijdenis verzekert God hen van Zijn liefde. Hij heeft hen weer aangenomen als Zijn volk. Hij neemt alle gevolgen van hun zonden weg en vervangt hun ellende door de zegeningen die bij het nieuwe leven horen. Zijn liefde was er altijd, maar Hij kon die vanwege hun afkerigheid niet laten blijken. Nu kan Zijn liefde weer zonder verhindering naar hen uitgaan.

Hun verlaten van de HEERE is de oorzaak van alle ellende geweest. Daaraan maakt Hij voorgoed een einde. Hij doet dat door hen te reinigen en hun een nieuw hart en een nieuwe geest te geven (Ez 36:25-2625Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.26Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.).

In de verzen 5-65Ik zal hun afkerigheid genezen,
Ik zal hen vrijwillig liefhebben,
want Mijn toorn heeft zich van hem afgewend.6Ik zal voor Israël zijn als de dauw.
Hij zal in bloei staan als de lelie,
wortel schieten als de Libanon.
zegt de HEERE drie keer “Ik zal”. Het eerste “Ik zal” heeft te maken met het verleden, met de zonde die Hij heeft weggenomen. Het tweede “Ik zal” heeft te maken met het heden, met Zijn liefde die ze op dat moment mogen ervaren. Het derde “Ik zal” ziet op de toekomstige heerlijkheid van Israël, wanneer zij in het duizendjarig vrederijk door Zijn verkwikking zullen bloeien en vaststaan.


Toekomstige heerlijkheid voor Israël

6Ik zal voor Israël zijn als de dauw.
Hij zal in bloei staan als de lelie,
wortel schieten als de Libanon.

Voor de derde keer gebruikt Hosea het beeld van de dauw. In Hosea 6 gebruikt hij het als beeld van de vluchtigheid van Israëls liefde (Hs 6:44Wat zal Ik u doen, Efraïm?
Wat zal Ik u doen, Juda?
Uw goedertierenheid is als een morgenwolk,
als dauw die vroeg optrekt en weggaat.
)
en in Hosea 13 met het oog op hun oordeel (Hs 13:33Daarom zullen zij worden als een morgenwolk,
ja, als een vroeg opkomende dauw die verdwijnt,
als kaf dat van een dorsvloer wegstuift,
en als rook uit een venster.
)
. Beide keren staat erbij dat het een dauw is die in de vroegte vergaat. Hier is de dauw een beeld van zegen en is God Zelf als de dauw. Hij is de eeuwige God, bij Wie het altijd morgen is, bij Wie de dauw nooit optrekt. Wanneer God voor Zijn volk als de dauw zal zijn – het volk, dat zo lang zonder een druppel vochtigheid is geweest –, zal het bloeien als een lelie. Dan is er een einde gekomen aan de periode dat de oostenwind verschroeit al wat bloeit en groeit (Hs 13:1515Ook al draagt hijzelf tussen broeders vrucht,
de oostenwind zal komen,
de adem van de HEERE,
die opsteekt uit de woestijn.
Zijn bron zal uitdrogen
en zijn wel droogvallen.
Die zal de schat plunderen
van al zijn kostbare voorwerpen.
)
.

Als de christen droge perioden in zijn geestelijk leven kent, is dat ook vaak het gevolg van een zondige weg. Na belijdenis en vergeving komt er weer verlangen naar het lezen van het Woord van God. Dat is dan als de dauw (Dt 32:22Laat mijn leer neerdruppelen als de regen,
laten mijn woorden stromen als de dauw,
als een zachte regen op het groen,
en als regendruppels op het gewas.
)
, waardoor zijn leven weer gaat groeien en bloeien. Met de dauw kwam ook het manna (Ex 16:1414Toen de laag dauw opgetrokken was, zie, over de woestijn lag [iets] fijns, [iets] vlokkigs, fijn als de rijp op de aarde.; Nm 11:99Telkens wanneer de dauw 's nachts op het kamp neerdaalde, daalde [ook] het manna daarop neer.). Het manna is een beeld van de Heer Jezus (Jh 6:48-5148Ik ben het brood van het leven.49Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en zijn gestorven.50Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat men daarvan eet en niet sterft.51Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij leven tot in eeuwigheid. En het brood dat Ik zal geven, is Mijn vlees <dat Ik zal geven> voor het leven van de wereld.).

Israël zal bloeien als de lelie. De lelie ziet op gratie en sierlijkheid, op de heerlijkheid die Israël zal uitstralen in het vrederijk. Maar dat is niet het enige. Een lelie is een tere, kwetsbare bloem. Daarom staat er ook bij dat hij zal “wortel schieten als de Libanon”. Bij de Libanon duikt het beeld op van stabiliteit, onbeweeglijkheid. Israëls zichtbare heerlijkheid wordt gedragen door de onwankelbare grondslag van de heerschappij van Christus die geen einde heeft (Dn 2:4444In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.). De heerlijkheid van Israël zal zijn als de lelie en dat volk zal al die duizend jaar even onwankelbaar zijn als de Libanon door Hem Die dan regeert.


Israël als de olijfboom

7Zijn jonge loten zullen uitlopen,
zodat zijn pracht zal zijn als [die van] de olijfboom,
en hij zal een geur hebben als de Libanon.

De heerlijkheid die Israël dan zal bezitten, zal niet voor hemzelf alleen zijn. Zijn loten zullen zich uitbreiden tot anderen om ook voor hen tot zegen te zijn. Na de lelie als een beeld van heerlijkheid (Mt 6:28-2928En wat bent u bezorgd over kleding? Let op de lelies op het veld, hoe zij groeien;29zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet was bekleed als een van deze.) verschijnt nu een ander mooi beeld: de olijfboom. Daarmee wordt ook Israël bedoeld (Jr 11:16a16Een bladerrijke olijfboom, met welgevormde vruchten,
had de HEERE u als naam gegeven.
[Maar nu] heeft Hij onder het geluid van een groot gedruis
een vuur onder hem aangestoken,
zodat zijn takken gebroken zijn.
)
. De olijfboom heeft te maken met het getuige voor God op aarde zijn (Rm 11:17-2417En als enkele van de takken afgebroken zijn, en u die een wilde olijfboom was, daartussen geënt bent en mededeelgenoot van de wortel <en> de vettigheid van de olijfboom bent geworden,18beroem u dan niet tegen de takken; en als u zich beroemt, niet u draagt de wortel, maar de wortel u.19U zult dan zeggen: Er zijn takken afgebroken, opdat ik zou worden geënt.20Inderdaad! Zij zijn afgebroken door het ongeloof en u staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees;21want heeft God de natuurlijke takken niet gespaard, Hij mocht ook u niet sparen!22Zie dan [de] goedertierenheid en [de] strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, maar goedertierenheid van God over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u worden afgehouwen.23En ook zij zullen, als zij niet in het ongeloof blijven, weer geënt worden; want God is machtig hen opnieuw te enten.24Want als u uit de van nature wilde olijfboom uitgehouwen en tegen [de] natuur op [de] edele olijfboom geënt bent, hoeveel te meer zullen dezen, die natuurlijke [takken] zijn, op hun eigen olijfboom geënt worden!). De olijfboom toont wat Israël waard is voor de HEERE: groen, altijd fris, met prachtige, goede vruchten.

God wenst dat christenen nu hetzelfde getuigenis van Hem in de wereld geven als Israël in het vrederijk zal geven. De geur die van zo’n getuigenis uitgaat, is aantrekkelijk. Wat de olijfboom aan vrucht voortbrengt, is de olijfolie. Als hij wordt uitgegoten, verspreidt hij een aangename geur (Hl 1:33Uw [zalf]oliën zijn heerlijk van geur,
Uw Naam is een uitgegoten [zalf]olie.
Daarom hebben de meisjes U lief.
)
. De geur die Israël zal verspreiden, zal ook aangenaam zijn.

Ook hier wordt, evenals in het vorige vers, de Libanon genoemd, dit keer om het onveranderlijke en duurzame karakter van de geur te beklemtonen die Israël om zich heen zal verspreiden. Al de tijd dat het volk onder de gezegende regering van Christus zal zijn, zal ze even heerlijk blijven.

Tot ons als christenen die nu al onder de heerschappij van Christus leven, komt de vraag: Welke geur verspreiden wij? Het is te hopen dat de geur die wij verspreiden, lijkt op wat er gezegd wordt van de gelovigen in Rome (Rm 1:88Allereerst dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, omdat uw geloof wordt rond verteld in de hele wereld.). Die gelovigen verspreiden echt de geur van hun geloof om zich heen. Kennen de mensen uit onze omgeving ons als mensen die leven vanuit het geloof? Dan verspreiden wij een goede geur. Van de gelovigen in Thessalonika wordt hetzelfde gezegd (1Th 1:88Want van u uit heeft het Woord van de Heer weerklonken, niet alleen in Macedonië en in Achaje, maar in elke plaats is uw geloof jegens God uitgegaan, zodat wij daarvan niets hoeven te zeggen;).


De wijnstok

8Zij zullen opnieuw in zijn schaduw zitten,
koren verbouwen en in bloei staan als de wijnstok;
zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.

De “zij”, waarmee dit vers begint, zijn individuele Israëlieten. “Zijn schaduw” is de schaduw van het hele volk, de natie Israël. Israël zal aan zijn inwoners beschutting en bescherming bieden omdat de zegen van de HEERE erop rust. Ze zullen in die tijd weer kunnen zaaien en zelf van de opbrengst van het land genieten (vgl. Hs 2:8,20-228Daarom keer Ik terug
en neem Ik Mijn koren weg op zijn tijd,
en Mijn nieuwe wijn op de daarvoor vastgestelde tijd.
Ik ruk Mijn wol en Mijn vlas weg,
waarmee zij haar naaktheid moet bedekken.20Op die dag zal het geschieden,
spreekt de HEERE, dat Ik zal verhoren.
Ik zal de hemel verhoren
en die zal de aarde verhoren.
21Dan zal de aarde het koren, de nieuwe wijn en de olie verhoren,
en die zullen Jizreël verhoren.22En Ik zal haar voor Mij in de aarde zaaien
en Mij ontfermen over Lo-Ruchama.
Ik zal zeggen tegen Lo-Ammi: U bent Mijn volk,
en hij zal zeggen: Mijn God!
)
.

In de wijnstok hebben we weer een ander beeld van Israël, dat we ook al eerder zijn tegengekomen (Hs 10:11Israël is een weelderige wijnstok,
hij brengt zijn vrucht voort.
Hoe groter zijn vrucht is,
hoe meer er voor de altaren is.
Hoe beter zijn land,
hoe mooier de gewijde stenen.
)
. Lange tijd heeft hij alleen maar slechte vruchten voortgebracht, ondanks de zorgen die de HEERE eraan heeft besteed (Js 5:1-71Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
. Maar nu is het een uitstekende wijnstok, die zuivere wijn levert. Dat komt door zijn verbinding met Christus, “de ware wijnstok” (Jh 15:11Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de Landman.). Wijn stelt vreugde, blijdschap voor (Ps 104:1515wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
)
. Israël zal in de toekomst een bron van vreugde zijn voor de hele aarde, maar bovenal voor God en de Heer Jezus.

Op die tijd doelt de Heer Jezus met wat Hij zegt over de wijn van het avondmaal (Mt 26:2929Ik zeg u echter, dat Ik van nu aan geenszins zal drinken van deze vrucht van de wijnstok tot op die dag wanneer Ik die met u nieuw zal drinken in het koninkrijk van Mijn Vader.). Op het moment dat Hij dat zegt, staat Hij op het punt door Zijn volk gedood te worden. Zijn dood betekent tegelijk de verzoening voor iedere enkeling voor wie Hij Zijn bloed heeft vergoten. De wijn in de drinkbeker van het avondmaal spreekt van Zijn bloed (1Ko 10:16a16De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus?; 11:2525Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.). Die drinkbeker gevuld met wijn spreekt ook van het heerlijke resultaat dat het gevolg is van het vergieten van Zijn bloed.

Dat geldt niet alleen voor de enkeling die tot geloof komt, maar ook voor het volk wanneer dat in de toekomst als geheel Hem aanneemt. Over dit laatste gaat het hier. De Heer Jezus en God zullen Zich met vreugde over hen verblijden (Zf 3:1717De HEERE, uw God, is in uw midden,
een Held, [Die] verlossen zal.
Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap.
Hij zal zwijgen in Zijn liefde.
Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.
)
. Die vreugde is even vast als de Libanon. Niemand neemt die vreugde weg (Jh 16:2222Ook u hebt dan nu wel droefheid; maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand neemt uw blijdschap van u weg.).


Een tweegesprek

9Efraïm, wat heb Ik nog met de afgoden te maken?
Ík heb hem verhoord en zal naar hem omzien.
Ik zal zijn als een altijd groene cipres.
Door Mij is bij u vrucht te vinden.

In dit vers beluisteren we een tweegesprek tussen de HEERE en Efraïm. In de eerste zin spreekt Efraïm. Het “Ik” moet hier ”ik” zijn, met een kleine letter. Hij, die verknocht is geweest aan de afgoden (Hs 4:1717Efraïm is verknocht aan de afgoden;
laat hem met rust!
)
, zal dit zeggen. Als iemand echt bekeerd is, heeft Hij genoeg aan de Heer Jezus Christus. Wat zouden zijn vroegere afgoden dan nog voor hem kunnen betekenen?

In de tweede zin geeft de HEERE op die houding van Efraïm een tweeledig antwoord. In de eerste plaats wordt over verhoring gesproken. De HEERE verhoort, wat wil zeggen dat Efraïm inderdaad niet meer zijn toevlucht neemt tot afgoden, maar alles aan de HEERE vraagt. Wie in vertrouwen tot Hem gaat, ontvangt wat hij nodig heeft.

In de tweede plaats heeft het antwoord van de HEERE te maken met het omzien naar Efraïm. Dat ziet op de positie van gunst waarin Efraïm zich geplaatst mag weten. God kijkt met liefde en goedheid naar hem en Efraïm mag zich dat bewust zijn (vgl. Jb 35:1313Zeker zal God de leugen niet verhoren,
en de Almachtige zal die niet aanschouwen.
)
. Dat geldt ook voor de christen die niets met afgoderij te maken wil hebben en alleen op God wil vertrouwen. Hij mag ook weten dat God hem zal geven wat hij nodig heeft en dat God hem “begenadigd [of: aangenaam gemaakt] heeft in de Geliefde” (Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,) en zo in gunst naar hem kijkt.

Vervolgens horen we Efraïm weer spreken. Hij kan in aansluiting op wat de HEERE heeft gezegd, zeggen dat het leven in de gunst van God de beste voedingsbodem is om “een altijd groene cipres” te zijn. De cipres is de boom die in het vrederijk de doornstruik zal vervangen (Js 55:1313Voor een doornstruik zal een cipres opkomen,
voor een distel zal een mirt opkomen;
en het zal de HEERE zijn tot een naam,
tot een eeuwig teken, [dat] niet zal worden uitgewist.
)
. Aan een doornstruik zit meestal niet veel groen. Hij staat symbool voor de dood als gevolg van de zonde. Dat Efraïm zich hier vergelijkt met “een altijd groene cipres”, wil zeggen dat hij in het vrederijk symbool zal staan voor het leven. Van de eerder vermelde grijsheid (Hs 7:99Vreemden verteren zijn kracht,
maar zelf merkt hij dat niet.
Ook heeft hij grijze haren gekregen,
maar [ook] dat merkt hij niet.
)
is niets meer te bespeuren. Er is eeuwige frisheid en kracht, zonder verval.

Dan is de HEERE weer aan het woord. Alles komt van Hem. Niets van wat aan of bij Efraïm gevonden wordt, heeft hij aan zichzelf te danken. Het laatste deel van het vers laat dat duidelijk zien. Alles wat Israël voortbrengt, komt uit de HEERE voort. Slechts door gemeenschap met Hem wordt al dat goeds in Israël gevonden en zal het gehandhaafd blijven.


Wijs en verstandig

10Wie is [zo] wijs, dat hij deze dingen begrijpt,
en [zo] verstandig dat hij ze kent?
De wegen van de HEERE zijn immers recht.
De rechtvaardigen zullen daarop wandelen,
maar de overtreders zullen erop struikelen.

“Deze dingen” zijn de dingen die in de voorgaande hoofdstukken door Hosea zijn genoemd. De korte inhoud van die dingen luidt: “De wegen van de HEERE zijn immers recht.” Die wegen zijn wat God heeft bepaald over het verloop van de menselijke geschiedenis. God heeft daarvoor vaste regels gegeven. Aan de hand daarvan wordt ieders wel en wee bepaald. Iedereen kan de regels weten waarnaar God handelt. Of wij wandelen of struikelen wordt bepaald door onze houding tegenover de rechte wegen van de Heer. Anders gezegd: of wij goed wandelen of van de weg afwijken, wordt bepaald door Gods norm, Zijn regels, ofwel door ‘de rechte weg’ van de Heer.

Een wijze en verstandige is iemand die op een Goddelijke manier in zijn hart is onderwezen over de wegen van God (vgl. Ps 84:66Welzalig de mens van wie de kracht in U is
– in hun hart zijn de gebaande wegen.
)
. De weg waarlangs de HEERE Zijn handelingen verricht, heeft altijd met recht te maken. Al Zijn wegen gaan recht vooruit, hoe groot Zijn barmhartigheid ook is. Het is daarmee net zoals met de ‘wagen van Gods regering’ waarover we lezen in Ezechiël 1. Die wagen wijkt niet af, maar gaat steeds recht vooruit en is door niets of niemand tegen te houden. Zijn wegen zijn recht. Dat kunnen we zien aan de straf die God over de zonde uitoefent en aan de eer die Hij hun verleent die Hem dienen.

Het bestuur van God over deze wereld loopt uit op de verheerlijking van hen die Hem vrezen en op de ondergang van de goddelozen. Al dit handelen zal bovenal zijn tot verheerlijking van God en van Zijn Zoon Jezus Christus. “Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen” (Rm 11:3636Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen! Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.).