Haggaï
1 De datum van de hervatting 2-3 Een nieuwe boodschap 4 De heerlijkheid van het huis 5 Wees sterk 6 Woord en Geest 7 Nog een korte tijd 8 Het verlangen van de heidenvolken 9 Alles is van de HEERE 10 De toekomstige heerlijkheid van Gods huis 11-12 De boodschap voor de priesters 13-14 Wanneer heilig en wanneer onrein 15 Alles is onrein 16-18 Een terugblik 19-20 De zegen wordt beloofd 21-23 Een woord voor Zerubbabel 24 Een woord tot Zerubbabel
De datum van de hervatting

1op de vierentwintigste dag van de zesde maand, in het tweede jaar van koning Darius.

Dit vers hoort nog bij het vorige hoofdstuk en sluit direct aan op de hervatting van de herbouw van de tempel. De dag dat zij met het werk beginnen, is van zo grote waarde voor de HEERE, dat de datum nauwkeurig wordt aangegeven.


Een nieuwe boodschap

2In de zevende maand, op de eenentwintigste van de [maand], kwam het woord van de HEERE door de dienst van de profeet Haggaï: 3Zeg toch tegen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël [en] landvoogd van Juda, en tegen Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en tegen de rest van het volk:

De tweede datumnotering markeert het begin van de tweede boodschap. Deze tweede boodschap komt binnen een maand nadat er met het werk is begonnen. Harten die bereid zijn om voor de Heer te werken, krijgen steeds nieuwe bemoedigingen. Als de wielen eenmaal rollen, zorgt God voor de olie.

De zevende maand is de maand van het Loofhuttenfeest, het laatste oogstfeest (Lv 23:39-4439Maar vanaf de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer u de opbrengst van het land ingezameld hebt, moet u het feest van de HEERE zeven dagen [lang] vieren. Op de eerste dag is het rustdag en op de achtste dag is het rustdag.40Op de eerste dag moet u voor uzelf vruchten van sierlijke bomen, takken van palmbomen, takken van loofbomen en van beekwilgen nemen, en u moet zich zeven dagen [lang] voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden.41Dat feest voor de HEERE moet u per jaar zeven dagen [lang] vieren. Het is een eeuwige verordening, [al] uw generaties door. In de zevende maand moet u het vieren.42Zeven dagen moet u in de loofhutten wonen. Alle ingezetenen van Israël moeten in loofhutten wonen,43zodat de generaties na u weten dat Ik de Israëlieten in loofhutten liet wonen, toen Ik hen uit het land Egypte geleid heb. Ik ben de HEERE, uw God.44Zo maakte Mozes de feestdagen van de HEERE aan de Israëlieten bekend.). Het wordt gevierd van de vijftiende tot de eenentwintigste van de maand. Op de eenentwintigste zullen er veel mensen in Jeruzalem zijn geweest. Op die dag komt het woord van de HEERE opnieuw tot de leiders en het volk. Het woord komt tot hen door de dienst van de profeet Haggaï. Hij is het instrument dat de HEERE gebruikt om hun Zijn wil bekend te maken.


De heerlijkheid van het huis

4Wie is er onder u overgebleven
die dit huis gezien heeft
in zijn eerste heerlijkheid?
En hoe ziet u het nu?
Is het niet als niets in uw ogen?

Dit vers bestaat uit drie vragen. Op de eerste vraag kan alleen antwoord worden gegeven door de ouden die zich de tempel van Salomo kunnen herinneren die ze als kind hebben gezien. Alle anderen hebben alleen over die tempel horen vertellen. De tweede vraag is in feite ook voor de ouden bedoeld, want alleen zij kunnen de vergelijking maken tussen wat ze “nu” zien en hoe hij vroeger was. Zij ook zullen dan moeten zeggen dat wat ze nu zien, niets is vergeleken bij wat ze vroeger hebben gezien. Het gebouw kan niet tippen aan de heerlijke tempel van weleer (Ea 3:8-138In het tweede jaar na hun komst naar het huis van God in Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overigen van hun broeders, de priesters en de Levieten, en allen die uit de gevangenschap naar Jeruzalem waren gekomen [met de bouw]. Zij stelden de Levieten aan van twintig jaar en daarboven om toezicht te houden op het werk aan het huis van de HEERE.9Toen trad Jesua aan, [met] zijn zonen en zijn broeders, [en] Kadmiël met zijn zonen, de nakomelingen van Juda, als één [man] om toezicht te houden op hen die het werk deden in het huis van God, [en ook] de zonen van Henadad, hun zonen en hun broeders, de Levieten.10En de bouwers legden de fundering van de tempel van de HEERE, en men stelde de priesters op, gekleed [in ambtsgewaad], met de trompetten, en de Levieten, de nakomelingen van Asaf, met de cimbalen, om de HEERE te prijzen, naar de richtlijnen van David, de koning van Israël.11Zij zongen in beurtzang bij het prijzen en bij het danken van de HEERE dat [Hij] goed is, dat Zijn goedertierenheid over Israël tot in eeuwigheid is. Heel het volk hief een groot gejuich aan bij het prijzen van de HEERE, omdat de fundering voor het huis van de HEERE gelegd was.12Maar velen van de priesters en de Levieten en de familiehoofden, [namelijk] de ouderen die het eerste huis op zijn fundering gezien hadden, huilden met luide stem toen [zij] dit huis voor hun ogen [zagen], terwijl vele [anderen] met gejuich [en] met blijdschap [hun] stem verhieven.13En het volk kon geen onderscheid maken tussen het geluid van het vreugdegejuich en het geluid van het huilen van het volk, want het volk hief een groot gejuich aan en het geluid werd tot ver gehoord.).

Bewogen door de vrees voor God luistert het volk naar de woorden van Zijn bode. Maar nu is er weer een andere moeilijkheid die het geloof in de weg staat en dat is het pijnlijke besef dat alle glans en glorie van de vroegere tempel ontbreekt. Het overblijfsel kan daaraan niets veranderen. Ze kunnen de eerste heerlijkheid niet terughalen.

Maar hoe opmerkelijk is het dat God spreekt over “dit huis … in zijn eerste heerlijkheid”. Het aanzien van het huis mag dan veranderd zijn, het huis zelf is niet veranderd. Voor God bestaat er maar één huis. Zo is het ook met de gemeente, Zijn huis in onze tijd. Als we in het boek Handelingen over het ontstaan van de gemeente lezen, zien we de heerlijkheid van Gods huis. Van die heerlijkheid is vandaag niet veel te zien door alle scheuringen en dwaalleringen. Toch blijft het voor God hetzelfde huis.

De gestelde vragen zijn ook voor ons belangrijk. Ze doen ons beseffen dat voor enige zelfvoldane gedachte geen ruimte is. Het is goed geen hoge pretenties te hebben. We mogen bouwen aan Gods huis, terwijl we beseffen dat de manifestatie van dat huis niets is om ons op te verheffen. Tegelijk mogen we ruimte laten voor Gods genade en macht. We voelen hoever de gemeente is afgeweken van haar oorspronkelijke staat, maar we hoeven niet ontmoedigd te raken.


Wees sterk

5Nu dan, wees sterk, Zerubbabel, spreekt de HEERE,
wees sterk, Jozua, zoon van Jozadak, hogepriester,
en wees sterk, heel de bevolking van het land,
spreekt de HEERE.
Werk door, want Ik ben met u,
spreekt de HEERE van de legermachten.

De vergelijking van vers 44Wie is er onder u overgebleven
die dit huis gezien heeft
in zijn eerste heerlijkheid?
En hoe ziet u het nu?
Is het niet als niets in uw ogen?
is niet bedoeld om hen te ontmoedigen, maar om hen des te meer te doen vertrouwen op hun God. De opdracht waarvoor ze zich geplaatst zien, kan onuitvoerbaar lijken als ze hun werk vergelijken met de eerste heerlijkheid van Gods huis. Ze hebben niets om de tempel mee te verfraaien. Daarom is de oproep om sterk te zijn en door te werken zo belangrijk. Daarbij laat de HEERE nog een keer weten dat ze er niet alleen voor staan en dat ze het niet in eigen kracht hoeven te doen, want Hij is met hen (Hg 1:1313Daarop sprak Haggaï, de bode van de HEERE, krachtens de boodschap van de HEERE tot het volk: Ik ben met u, spreekt de HEERE.). Als de HEERE alleen zou hebben gezegd “werk door”, zonder de noodzakelijke toezegging van Zijn ondersteuning, zou de motivatie niet voldoende gestimuleerd zijn.

De oproep om sterk te zijn heeft eerder geklonken, zoals tot de Israëlieten en Jozua (Dt 31:6,7,236Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en schrik niet voor hen terug, want het is de HEERE, uw God, Die met u [mee]gaat. Hij zal u niet loslaten en u niet verlaten.7En Mozes riep Jozua en zei tegen hem voor de ogen van heel Israël: Wees sterk en moedig, want ú zult met dit volk het land binnengaan dat de HEERE hun vaderen gezworen heeft hun te geven; en ú zult het hun in erfbezit laten nemen.23En Hij gebood Jozua, de zoon van Nun, en zei: Wees sterk en moedig, want ú zult de Israëlieten brengen in het land dat Ik hun onder ede beloofd heb; en Ík zal met u zijn.; Jz 1:6-186Wees sterk en moedig, want ú zult dit volk het land dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te geven, in erfbezit laten nemen.7Alleen, wees sterk en zeer moedig, door nauwlettend te handelen overeenkomstig heel de wet die Mozes, Mijn dienaar, u geboden heeft. Wijk daar niet van af, naar rechts of naar links, opdat u verstandig zult handelen overal waar u gaat.8Dit boek met deze wet mag niet wijken uit uw mond, maar u moet het dag en nacht overdenken, zodat u nauwlettend zult handelen overeenkomstig alles wat daarin geschreven staat. Dan immers zult u uw wegen voorspoedig maken en dan zult u verstandig handelen.9Heb Ik het u niet geboden? Wees sterk en moedig, schrik niet en wees niet ontsteld, want de HEERE, uw God, is met u, overal waar u heen gaat.10Toen gebood Jozua de beambten van het volk:11Ga midden door het kamp en gebied het volk: Maak proviand voor u klaar, want nog binnen drie dagen zult u deze [rivier, de] Jordaan, oversteken, zodat u kunt binnengaan om het land in bezit te nemen dat de HEERE, uw God, u geeft om in bezit te nemen.12En tegen de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse zei Jozua:13Denk aan het woord dat Mozes, de dienaar van de HEERE, u geboden heeft: De HEERE, uw God, geeft u rust, en Hij geeft u dit land.14Uw vrouwen, uw kleine kinderen en uw vee zullen in het land blijven dat Mozes u aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft. Maar ú moet in slagorde oversteken, voor uw broeders uit, alle strijdbare helden, en u moet hen helpen,15totdat de HEERE aan uw broeders rust geeft zoals aan u, en ook zij het land in bezit nemen dat de HEERE, uw God, hun geeft. Dan mag u terugkeren naar het land van uw bezit en mag u het in bezit nemen, [namelijk het land] dat Mozes, de dienaar van de HEERE, u gegeven heeft, aan deze zijde van de Jordaan, waar de zon opkomt.16Toen antwoordden zij Jozua: Alles wat u ons geboden hebt, zullen wij doen, en overal waar u ons heen zult sturen, zullen wij gaan.17Zoals wij in alles naar Mozes hebben geluisterd, zo zullen wij naar u luisteren. Alleen, moge de HEERE, uw God, met u zijn, zoals Hij met Mozes geweest is!18Iedereen die aan uw bevel ongehoorzaam is en niet luistert naar uw woorden in alles wat u hem gebieden zult, moet gedood worden. Alleen, wees sterk en moedig!) en tot Salomo (1Kr 22:1313Dan zul je voorspoedig zijn, als je de verordeningen en bepalingen nauwlettend in acht neemt, die de HEERE aan Mozes voor Israël geboden heeft. Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en wees niet ontsteld!; 28:10,2010Zie nu, want de HEERE heeft jou uitgekozen om een huis als heiligdom te bouwen; wees sterk en doe het.20Vervolgens zei David tegen zijn zoon Salomo: Wees sterk en moedig, en doe het; wees niet bevreesd en wees niet ontsteld, want de HEERE God, mijn God, zal met je zijn. Hij zal je niet loslaten en Hij zal je niet verlaten, totdat je heel het werk voor de dienst van het huis van de HEERE zult voltooid hebben.). Ook bij andere gelegenheden is die oproep gedaan (2Kr 19:1111En zie, de hoofdpriester Amarja [staat] boven u voor elke zaak [die] de HEERE [betreft], en Zebadja, de zoon van Ismaël, de leider van het huis van Juda, voor elke zaak [die] de koning [betreft]. En [als] beambten [staan] de Levieten u ter beschikking. Wees sterk en handel [zo], en de HEERE zal zijn bij hem die goed is.; Dn 10:1919Hij zei: Wees niet bevreesd, zeer gewenste man! Vrede zij u. Wees sterk, ja, wees sterk. Terwijl Hij met mij sprak, werd ik versterkt en ik zei: Laat mijn Heere spreken, want U hebt mij versterkt.). Hij is dezelfde getrouwe God voor het overblijfsel in de dagen van Haggaï als in de tijd van Jozua en Salomo.

Voor ons geldt hetzelfde. Paulus zegt tegen Timotheüs, en tegen ons: “Sterk je in de genade die in Christus Jezus is” (2Tm 2:11Jij dan, mijn kind, sterk je in de genade die in Christus Jezus is;). Tegen de Efeziërs, en tegen ons, zegt hij: “Sterkt u in de Heer en in de kracht van Zijn sterkte” (Ef 6:1010Overigens, sterkt u in [de] Heer en in de kracht van Zijn sterkte.). De aanmoediging om sterk te zijn klinkt altijd in situaties van tegenstand, waarbij het erop aankomt door te gaan, wat de verhinderingen ook zijn en hoe groot de tegenstand ook is. De sterkte van de Heer is nodig om innerlijke ontmoediging tegen te gaan en uiterlijke tegenstand te overwinnen.

De puinhoop te midden waarvan wij leven, is groot. Er zijn veel scheuringen en de verwarring neemt toe. Toch is het mogelijk te beantwoorden aan Gods verlangens naar een woonplaats voor Hem, waar we bij Hem als middelpunt mogen zijn. Dat is zo, als we als plaatselijke gemeente het gezag van Zijn Woord en de leiding van Zijn Geest erkennen. Dat zien we in het volgende vers voorgesteld.


Woord en Geest

6Volgens het woord [van het] verbond dat Ik met u sloot,
toen u uit Egypte vertrok,
en Mijn Geest, Die in uw midden stond:
Wees niet bevreesd!

De eventuele gedachte dat de HEERE niet meer bij hen is, wordt hier door Haggaï ongegrond verklaard. Hij verwijst naar “het woord”, dat is het woord van het verbond, dat de HEERE met hen heeft gesloten bij hun vertrek uit Egypte. Hun bevrijding uit Egypte en het verbond dat de HEERE bij die gelegenheid met hen heeft gesloten, is de garantie dat Hij Zijn volk trouw blijft, want Hij blijft trouw aan Zijn Woord. Wat Hij Zich toen heeft voorgenomen – dat is Zijn volk het land in bezit geven –, blijft nog steeds Zijn doel. Zijn Geest heeft hun de verzekering daarvan gegeven door in hun midden te zijn. Daarom klinkt nu de bemoediging: “Wees niet bevreesd.”

Het Woord van God en de Geest van God zijn altijd in harmonie met elkaar en zijn beide nodig om Gods wil te leren kennen en te doen. Het Woord van God is niet te begrijpen zonder de Geest en de Geest handelt altijd in overeenstemming met het Woord en zal nooit tot iets aanzetten wat daartegen ingaat. Wie alleen met het Woord bezig is, zonder door de Geest geleid te worden, wordt een rationalist. Wie alleen door de Geest geleid wil worden zonder Gods Woord te raadplegen, wordt een niet te corrigeren fanaticus.


Nog een korte tijd

7Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Nog één [ogenblik], en dat is een korte [tijd],
dan zal Ik de hemel en de aarde,
de zee en het droge doen beven.

Na de toezegging van Zijn ondersteuning in de vorige verzen gaat God dit zwakke overblijfsel nog meer bemoedigingen geven. Al kan Hij Zich door hun vervallen toestand en de veranderde situatie nu niet persoonlijk in hun midden openbaren, er zal weer een tijd aanbreken dat Hij eigenmachtig zal ingrijpen.

Dit vers en de volgende vier verzen zijn duidelijk Messiaans. Ze zijn bedoeld als een extra bemoediging om het werk van de herbouw te doen. Hij om Wie het gaat en Die met hen is, is Degene Die binnenkort alles met Zijn heerlijkheid zal vervullen. De heerschappij van Christus betreft niet alleen de aarde, maar het heelal, dat is inclusief de hemel (Ef 1:1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;).

De aanhaling van dit vers in het Nieuwe Testament – het enige vers dat daar van Haggaï wordt geciteerd – maakt duidelijk dat dit vers nog toekomst is. Het wordt op een wat andere wijze aangehaald, dan Haggaï zegt. De schrijver citeert uit de Septuaginta: Toen deed Zijn stem de aarde wankelen; maar nu heeft Hij beloofd en gezegd: ‘Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde doen beven maar ook de hemel’. Dit ‘nog eenmaal’ nu duidt <de> verandering van de wankelbare – als gemaakte – dingen aan, opdat de dingen blijven die niet wankelbaar zijn” (Hb 12:26-2726Toen deed Zijn stem de aarde wankelen; maar nu heeft Hij beloofd en gezegd: ‘Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde doen beven maar ook de hemel’.27Dit ‘nog eenmaal’ nu duidt <de> verandering van de wankelbare – als gemaakte – dingen aan, opdat de dingen blijven die niet wankelbaar zijn.).

Het wankelen van de aarde ‘toen’ is gebeurd bij de Sinaï, wanneer God de wet aan Mozes geeft (Ex 19:1616En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde.). Het tweede beven zal gebeuren aan het einde van de tijden, bij de wederkomst van Christus, wanneer Hij komt om de aarde te oordelen. Daarna komt er een onwankelbaar koninkrijk, het duizendjarig vrederijk onder de zegenrijke heerschappij van Christus.


Het verlangen van de heidenvolken

8Ik zal alle heidenvolken doen beven.
Zij zullen komen [naar] het verlangen van alle heidenvolken
en Ik zal dit huis vullen met heerlijkheid,
zegt de HEERE van de legermachten.

De “heidenvolken doen beven” wil zeggen dat God de volken zal neerwerpen, wat met grote beroering gepaard zal gaan. Dat zal tot gevolg hebben dat ze zich aan Hem onderwerpen en naar Jeruzalem komen, dat dan ook het centrum van hun aanbidding zal zijn. Daar zal de Heer Jezus regeren en daar zal de tempel van God staan.

Nadat ‘alle heidenvolken’ zich aan God hebben onderworpen, zullen ze komen tot “het verlangen van alle heidenvolken”, dat is de tempel, waar ze de HEERE zullen aanbidden (vgl. Js 11:1010Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.
)
. Dit verlangen naar Christus en Zijn huis, de waardering voor en het begrip van Hem, is door Hemzelf in hun harten gewerkt.

Christus zal “dit huis”, de tempel, in het vrederijk “met heerlijkheid”, Zijn heerlijkheid, vullen. Een schaduwbeeld daarvan is te zien in de dagen van Salomo, die een type van de Vredevorst is (1Kn 8:10-1110En het gebeurde, toen de priesters uit het heiligdom gingen, dat de wolk het huis van de HEERE vervulde.11Vanwege de wolk konden de priesters niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld.; 2Kr 5:13-1413het gebeurde nu, toen zij eenparig op de trompet bliezen en toen zij zongen door met een eenparige stem [een lied] te laten horen om de HEERE te prijzen en te loven, ja, toen zij de stem verhieven met trompetten, met cimbalen en [andere] muziekinstrumenten, en toen zij de HEERE prezen [met de woorden]: Voorzeker, Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig, dat het huis, het huis van de HEERE, met een wolk vervuld werd.14En de priesters konden, vanwege die wolk, niet blijven staan om te dienen, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van God vervuld.).


Alles is van de HEERE

9Van Mij is het zilver en van Mij is het goud,
spreekt de HEERE van de legermachten.

De kostbaarheden waarmee de volken komen, hun rijkdommen, neemt God niet van hen af, want het is allemaal van Hem. Daar zal niemand iets tegenin kunnen brengen, want dit “spreekt de HEERE van de legermachten”. Het overblijfsel mag te arm zijn om de tempel te versieren, en ook geen groot, gewillig volk dat goud en zilver brengt zoals bij de bouw van de tabernakel en de tempel, maar dat is geen beperking voor God.

Hier zegt de profeet als het ware dat ze zich geen zorgen hoeven te maken waar het goud en het zilver voor de tempel vandaan moeten komen, want het is alles van God en Hij kan en zal er dan ook in voorzien (Ps 50:12b12Als Ik honger had, Ik zou het u niet zeggen;
want van Mij is de wereld en al wat zij bevat.
)
. Niets kan de openbaring van Zijn heerlijkheid belemmeren.

Het zilver en het goud zijn vandaag de gelovigen die nu het huis van God vormen. We zien dat in beeld in de materialen die bij de bouw van de tabernakel en de tempel worden gebruikt. Zilver stelt de prijs van de verlossing voor en goud de heerlijkheid van God. De gelovige is verlost door het bloed van Christus en in Christus bekleed met de heerlijkheid van God. Zo vormen alle gelovigen samen “een woonplaats van God in [de] Geest” (Ef 2:2222in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.).


De toekomstige heerlijkheid van Gods huis

10De heerlijkheid van dit toekomstige huis zal groter zijn
dan die van het eerste,
zegt de HEERE van de legermachten.
In deze plaats zal Ik vrede geven,
spreekt de HEERE van de legermachten.

De vertaling ‘de heerlijkheid van dit toekomstige huis’ is niet juist. Het moet zijn “de toekomstige [of: laatste] heerlijkheid van dit huis”. Het betreft, zoals opgemerkt bij vers 44Wie is er onder u overgebleven
die dit huis gezien heeft
in zijn eerste heerlijkheid?
En hoe ziet u het nu?
Is het niet als niets in uw ogen?
, altijd hetzelfde huis, maar in andere omstandigheden. God kent maar één huis. Er wordt niet aan een ander huis gebouwd, maar het oorspronkelijke huis wordt herbouwd. De toekomstige heerlijkheid wordt beschreven in Ezechiël 40-48.

De toezegging dat de toekomstige heerlijkheid “groter” zal zijn dan wat ze nu zien, is een grote bemoediging voor hen die de tempel hebben herbouwd. De herbouwde tempel steekt schril af tegen de tempel die de Babyloniërs hebben verwoest. Hier belooft God dat de toekomstige heerlijkheid zelfs groter zal zijn dan “de eerste”, dat is de heerlijkheid van de tempel van Salomo.

De tweede belofte is dat de HEERE “in deze plaats”, dat is in de stad Jeruzalem, “vrede” zal geven. Dat zal gebeuren wanneer de Heer Jezus als de Vredevorst zal regeren (Js 9:5-65Want een Kind is ons geboren,
een Zoon is ons gegeven,
en de heerschappij rust
op Zijn schouder.
En men noemt Zijn Naam
Wonderlijk, Raadsman,
Sterke God,
Eeuwige Vader,
Vredevorst.
6Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.
)
. De vrede is hier niet in de eerste plaats de geestelijke vrede, in het hart, maar de uiterlijke vrede, die in zijn volle uitwerking ook de geestelijke vrede in zich sluit (vgl. Mi 5:44Hij zal Vrede zijn.
Wanneer Assur in ons land zal komen
en wanneer hij onze paleizen zal betreden,
zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan
en acht vorsten uit de mensen.
; Jl 3:1717Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, uw God ben,
Die op Sion, Mijn heilige berg, woont.
Jeruzalem zal een heiligdom zijn
en vreemden zullen er niet meer doorheen trekken.
; Js 60:1818Er zal niet meer gehoord worden van geweld in uw land,
van verwoesting of rampen binnen uw grenzen,
maar uw muren zult u noemen Heil,
en uw poorten Lof.
)
. Nu wordt het overblijfsel nog omgeven door vijanden en geplaagd door ontmoediging. De gedachte aan de toekomstige vrede, zowel uiterlijk als innerlijk, geeft moed. Dit wordt opnieuw onderstreept door erop te wijzen dat “de HEERE van de legermachten” dit spreekt. Wat Hij spreekt, gebeurt.


De boodschap voor de priesters

11Op de vierentwintigste dag van de negende [maand], in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van de HEERE tot de profeet Haggaï: 12Zo zegt de HEERE van de legermachten: Vraag toch de priesters [onderwijs in] de wet.

Bijna twee maanden na de vorige boodschap en drie maanden na de eerste komt nu de derde boodschap van de HEERE tot Haggaï. Hij moet dit keer naar de priesters gaan en hun enkele vragen stellen om van hen te horen wat de wet daarover zegt. De priesters zijn de leraren van het volk. Zij leggen het volk de wet uit (Dt 33:10a10Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
; Ml 2:6-76Betrouwbaar [onderwijs in] de wet was in zijn mond,
geen ongerechtigheid werd op zijn lippen gevonden.
In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij
en velen bekeerde hij van ongerechtigheid.
7Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,
uit zijn mond moet men [onderwijs in] de wet zoeken,
want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.
)
. Priesters leggen de wet uit, verklaren die, terwijl profeten hem op het hart en het geweten van het volk toepassen.


Wanneer heilig en wanneer onrein

13Zie, iemand draagt geheiligd vlees in de punt van zijn kleding en raakt met de punt ervan brood, gekookt voedsel, wijn, olie, of welk voedsel dan ook, aan; wordt het [dan] heilig? Toen antwoordden de priesters en zeiden: Nee. 14Daarop zei Haggaï: Als iemand die onrein geworden is door een dood lichaam, iets van al die dingen aanraakt, wordt het [dan] onrein? Toen antwoordden de priesters en zeiden: Het wordt onrein.

Om het volk ervan te doordringen dat de misoogsten die zij tot nu toe hebben gehad het gevolg zijn van Gods straf vanwege hun houding tegenover Hem en Zijn huis, legt de profeet de priesters twee vragen voor. Het antwoord daarop past hij in vers 1515Toen antwoordde Haggaï en zei:
Zo is dit volk, zo is deze natie voor Mijn aangezicht,
spreekt de HEERE,
en zo is al het werk van hun handen;
ja, wat zij daar aanbieden, onrein is het!
toe op de geestelijke toestand van het volk.

De eerste vraag (vers 1313Zie, iemand draagt geheiligd vlees in de punt van zijn kleding en raakt met de punt ervan brood, gekookt voedsel, wijn, olie, of welk voedsel dan ook, aan; wordt het [dan] heilig? Toen antwoordden de priesters en zeiden: Nee.) gaat erover of heiligheid kan worden overgedragen. Haggaï gebruikt daarvoor het voorbeeld van iemand die “geheiligd vlees in de punt van zijn kleding” draagt. “Geheiligd vlees” is vlees van dieren die geslacht zijn om aan de HEERE te worden geofferd (Nm 6:2020En de priester moet die als beweegoffer bewegen voor het aangezicht van de HEERE; het is een heilig [deel] voor de priester, met het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer. Pas daarna mag de nazireeër wijn drinken.). Daarvan mogen de priesters ook een deel hebben (Lv 6:26,2926De priester die het als zondoffer offert, moet het [ook] eten. Op de heilige plaats moet het gegeten worden, in de voorhof van de tent van ontmoeting.29Al wie mannelijk is onder de priesters mag het eten. Het is allerheiligst.; 7:66Al wie mannelijk is onder de priesters mag het eten; op een heilige plaats moet het gegeten worden. Het is allerheiligst.; 7:15-16,31-3415En het vlees van het lof- en dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het aanbiedt. Men mag niets ervan tot de [volgende] morgen overlaten.16Maar als het slachtoffer dat hij aanbiedt, een gelofteoffer of een vrijwillige gave is, dan moet dat gegeten worden op de dag dat hij zijn offer aanbiedt; en wat ervan overblijft, mag ook de volgende dag gegeten worden.31De priester moet vervolgens het vet op het altaar in rook laten opgaan, maar het borststuk is voor Aäron en zijn zonen.32Van uw dankoffers moet u ook de rechterachterbout als een hefoffer aan de priester geven.33Wie van Aärons zonen het bloed van het dankoffer en het vet aanbiedt, voor hém is de rechterachterbout bestemd.34Want het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer heb Ik van de Israëlieten uit hun dankoffers genomen, en Ik geef die van de kant van de Israëlieten aan de priester Aäron en aan zijn zonen, als een eeuwige verordening.).

Laat zo iemand nu eens met de punt van zijn kleding, waarin dus dat geheiligde vlees zit, voedsel aanraken. Haggaï noemt een paar voorbeelden van het voedsel dat het zou kunnen zijn. Hij geeft tevens aan dat het maar voorbeelden zijn, want het geldt voor “welk voedsel dan ook”. Dan stelt hij de vraag of dat voedsel heilig wordt als het wordt aangeraakt door de punt van de kleding waarin het geheiligde vlees zit.

Blijkbaar zonder erover te hoeven nadenken antwoorden de priesters met een stellig “nee”. Weliswaar wordt de punt van het kleed zelf wel heilig door het geheiligde vlees, maar kan die heiligheid niet verder doorgeven (Lv 6:2727Ieder die het vlees ervan aanraakt, wordt [erdoor] geheiligd. En als [een deel] van het bloed ervan op de kleding spat, moet u datgene waarop hij het gespat heeft, op een heilige plaats wassen.).

Dan stelt Haggaï een tweede vraag (vers 1414Daarop zei Haggaï: Als iemand die onrein geworden is door een dood lichaam, iets van al die dingen aanraakt, wordt het [dan] onrein? Toen antwoordden de priesters en zeiden: Het wordt onrein.). Die vraag is het omgekeerde van de vorige vraag. Het gaat hier niet om iemand die iets van voedsel draagt, maar om iemand zelf, een persoon. Het gaat om iemand die onrein is geworden en wel door aanraking van “een dood lichaam”. Als die onreine persoon nu eens “iets van al die dingen [die in het vorige vers zijn genoemd] aanraakt”, zo vraagt Haggaï, “wordt [het] dan onrein?”

Het antwoord van de priesters is hier nadrukkelijker dan het antwoord op de vorige vraag. Daar is het een kort ‘nee’. Hier is het antwoord niet kortweg ‘ja’, maar een duidelijk omschreven “het wordt onrein”. Ook de tweede vraag wordt juist beantwoord door de priesters. Iemand die verontreinigd is door aanraking van een dode, maakt alles onrein wat hij aanraakt (Nm 19:2222Ja, alles wat een onreine aanraakt, is onrein. Ook de persoon die [dat] aanraakt, is tot de avond onrein.).

Dit is de les: heiligheid kan niet worden overgedragen, maar onreinheid wel. Een gezonde man kan zijn gezondheid niet overdragen, maar een zieke met een besmettelijke ziekte kan zijn ziekte wel overdragen (vgl. 1Ko 15:3333Dwaalt niet! Verkeerde omgang bederft goede zeden.). Het onreine besmet de omgeving wel, maar het heilige heeft die kracht niet.

Zo werkt dit ook in het dagelijks leven, zoals de Prediker heeft ontdekt: “Eén dode vlieg doet de zalf van de zalfbereider stinkend gisten.” Daarop laat hij direct de les volgen: “Zo [doet ook] een kleine dwaasheid met kostbare wijsheid en eer” (Pr 10:44Als de geest van de heerser zich tegen u keert, verlaat [dan] uw plaats niet, want het is een medicijn, het voorkomt grote zonden.). Dwaasheid heeft veel meer invloed dan wijsheid. Dat is precies zo'n uitspraak. Eén zwakke schakel doet de ketting breken.

We kunnen dit toepassen op tal van dingen in het leven van alle dag. Als we onreine muziek beluisteren, laat ons dat niet onberoerd, het straalt iets uit wat ons zelf ook onrein maakt. Onreine beelden – het hoeft maar een flits te zijn van iets onreins of sadistisch dat we op de televisie of op internet zien – blijven soms dagenlang hangen, we worden erdoor besmet. We menen dat we overal heen kunnen gaan, allerlei lectuur kunnen lezen, naar allerlei films kunnen kijken zonder dat het ons iets doet. Maar we vergissen ons zeer, want het heeft een uitwerking die ons totaal vervuilt.

Haggaï houdt het volk hun verkeerde denkwijze voor. Ze hebben in Babel gedacht: ‘Als we maar in Jeruzalem zijn, dat is tenslotte vanouds de stad van God. Als we maar in aanraking zijn met het heilige, met de heilige stad, dan geeft dat de beste kans om de beloofde zegen te genieten.’ Haggaï gaat daar vlijmscherp tegenin met dit priesterlijke onderwijs uit de wet.

Hij zegt: ‘Uiterlijke aanraking met het heilige bewerkt niets, maar uiterlijke aanraking met het onreine heeft rampzalige gevolgen!’ We hebben het misschien niet door, maar aanraking met het onreine beïnvloedt ons tot op de bodem van ons hart. En laten we niet denken dat aanraking met het heilige de aanraking met het onreine rechtvaardigt.

Wij zeggen: ‘Je moet altijd openstaan voor iedereen.’ De Bijbel zegt dat niet. De Bijbel zegt dat we de band moeten verbreken als iemand in onze vriendenkring bijvoorbeeld openlijk gaat spotten met het heilige. Een uiterlijke aanraking met wat onrein is door wat we horen en zien, maakt ons onrein. We moeten niet menen dat de uiterlijke aanraking met het heilige daartegen opweegt. Een rituele lezing van de Bijbel na het eten, of zo nu en dan eens een samenkomst bezoeken zonder dat ons hart erbij is, is een uiterlijke aanraking van het heilige, die niets uitwerkt. Het heilige heeft niet de kracht van een automatische uitstraling.

Samenvattend kunnen we zeggen dat alle profetieën van Haggaï gericht zijn tegen de nonchalance van de oppervlakkige aanraking en dat in tweeërlei opzicht:
1. De oppervlakkige aanraking van het heilige, waarvan we denken dat het ons iets extra’s oplevert, levert ons niets extra’s op.
2. De oppervlakkige aanraking met het onreine, waarvan we denken dat we daar wel tegen kunnen, maakt ons onrein.


Alles is onrein

15Toen antwoordde Haggaï en zei:
Zo is dit volk, zo is deze natie voor Mijn aangezicht,
spreekt de HEERE,
en zo is al het werk van hun handen;
ja, wat zij daar aanbieden, onrein is het!

In dit vers geeft Haggaï de betekenis van zijn vragen in de vorige twee verzen. Door hun lakse houding met betrekking tot het werk aan het huis van de HEERE is hun offer de HEERE niet aangenaam. Hij neemt hun offers niet aan, een feit dat duidelijk blijkt uit het onthouden van dauw en regen en de zegen van de vrucht van het land. Het heilige vlees van het offer kan de heiligheid ervan niet overdragen op de offeraar als die alleen maar eigen belangen nastreeft. Integendeel, door zijn onheilige houding draagt hij zijn onreinheid over op alles wat hij doet, inclusief zijn offers. Er moet persoonlijke reinheid zijn voordat iemand op de juiste wijze kan handelen of offeren.

Ook in dit vers is weer sprake van “dit volk” (Hg 1:22Zo spreekt de HEERE van de legermachten: Dit volk zegt: De tijd is nog niet gekomen, de tijd om het huis van de HEERE te herbouwen.). Het volk lijkt in zijn plaats voor de HEERE enerzijds op een man die heilig vlees in de slip van zijn kleed draagt, en anderzijds op een man die onrein is geworden door de aanraking met de dood. Israël bezit in het land een heiligdom. Daardoor wordt ook het land heilig. Maar het volk dat in het land woont, wordt daardoor niet automatisch heilig en ook niet alles wat ze er bouwen of verbouwen. Israël is door het nalaten van de herbouw van Gods huis onrein geworden. Daardoor wordt alles wat het volk aanraakt, wat het plant of bouwt of offert op het altaar, ook onrein.

Haggaï is nauw betrokken bij een volk dat zich alleen uiterlijk heeft laten aanraken, maar dat niet de HEERE, dat is de Heer Jezus, de eerste plaats geeft. Het is een volk dat niet met de hand en met de daad en daardoor ook niet ten diepste met het hart, eerst het koninkrijk van God zoekt (Mt 6:3333Zoekt echter eerst het koninkrijk <van God> en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden.), de tempel eerst herbouwt en dan pas het eigen huis.


Een terugblik

16Nu dan, let toch aandachtig op,
vanaf deze dag en daarna,
voordat steen op steen gelegd werd
aan de tempel van de HEERE.
17Kwam voordien [iemand] bij een [koren]hoop van twintig [maten],
dan waren er [maar] tien,
kwam hij bij de perskuip om vijftig [maten] uit de [wijn]pers te scheppen,
dan waren er [maar] twintig.
18Ik sloeg u met korenbrand en met meeldauw en met hagel,
al het werk van uw handen,
maar u [keerde] u niet naar Mij, spreekt de HEERE.

De profeet roept het volk op om eens terug te kijken om na te gaan waar ze mee bezig waren toen ze het werk aan de tempel staakten en welke gevolgen ze daarvan hebben ondervonden (vers 1616Nu dan, let toch aandachtig op,
vanaf deze dag en daarna,
voordat steen op steen gelegd werd
aan de tempel van de HEERE.
)
. Dat moet hen ertoe brengen “vanaf deze dag en daarna” te werken aan de herbouw van Gods huis.

Als ze terugkijken, zullen ze moeten constateren dat het land slechts een deel van de verwachte oogst heeft geproduceerd (vers 1717Kwam voordien [iemand] bij een [koren]hoop van twintig [maten],
dan waren er [maar] tien,
kwam hij bij de perskuip om vijftig [maten] uit de [wijn]pers te scheppen,
dan waren er [maar] twintig.
)
. Ze meenden dat de oogst een bepaalde opbrengst zou geven, maar dat viel tegen. De oorzaak van de tegenvallende opbrengst van dorsvloer en perskuip is niet toe te schrijven aan veranderde weersomstandigheden. De HEERE is Zelf de Veroorzaker ervan (vers 1818Ik sloeg u met korenbrand en met meeldauw en met hagel,
al het werk van uw handen,
maar u [keerde] u niet naar Mij, spreekt de HEERE.
)
.

Hij heeft bij monde van Mozes gezegd dat Hij plagen als “korenbrand en … meeldauw” zou geven als het volk ontrouw zou zijn (Dt 28:2222De HEERE zal u treffen met tering, koorts en ontsteking, met hitte en droogte, en met korenbrand en meeldauw, die u achtervolgen zullen totdat u omkomt.). ‘Korenbrand’ is een zwam op rogge; ‘meeldauw’ is een schimmelaantasting van diverse graansoorten. Haggaï voegt daar “hagel” aan toe, die bijzonder de wijnoogst en vijgenoogst treft (Ps 78:4747Hij doodde hun wijnstok door de hagel,
hun wilde vijgenbomen door grote hagelstenen.
)
. Ondanks dit alles heeft het volk zich niet tot God gekeerd.


De zegen wordt beloofd

19Let toch aandachtig op,
vanaf deze dag en daarna,
vanaf de vierentwintigste dag van de negende [maand],
vanaf de dag dat de tempel van de HEERE gegrondvest is;
let aandachtig op.
20Ligt er nog zaad in de schuur?
Zelfs tot de wijnstok, de vijgenboom, de granaatappelboom toe,
en de olijfboom, [die] geen [vrucht] gedragen heeft,
[die] zal Ik vanaf deze dag zegenen.

De profeet wordt niet moe op te roepen tot overweging van de gebeurtenissen die ze hebben meegemaakt (vers 1919Let toch aandachtig op,
vanaf deze dag en daarna,
vanaf de vierentwintigste dag van de negende [maand],
vanaf de dag dat de tempel van de HEERE gegrondvest is;
let aandachtig op.
)
. Als ze kijken naar de opbrengst van het land, moeten ze wel tot de conclusie komen dat God hen niet heeft gezegend en dat dit is vanwege hun ongehoorzaamheid (vers 2020Ligt er nog zaad in de schuur?
Zelfs tot de wijnstok, de vijgenboom, de granaatappelboom toe,
en de olijfboom, [die] geen [vrucht] gedragen heeft,
[die] zal Ik vanaf deze dag zegenen.
)
. Maar nu ze gehoorzaam zijn geworden, zal Hij hen vanaf dat ogenblik weer gaan zegenen.

“Vanaf deze dag”, dat is vanaf de vierentwintigste dag van de negende [maand]”, zullen er weer vruchtbare tijden komen. Velden en bomen zullen weer vrucht gaan dragen. Dit is een belofte voor allen die oordelen wat kwaad is en willen wandelen in de waarheid.


Een woord voor Zerubbabel

21Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot Haggaï, op de vierentwintigste van de maand: 22Zeg tegen Zerubbabel, de landvoogd van Juda:
Ik zal doen beven
de hemel en de aarde.
23Ik zal de troon van de koninkrijken omverwerpen
en de kracht van de koninkrijken van de heidenvolken wegvagen.
Ik zal de wagen met zijn berijder omverwerpen;
de paarden en hun ruiters zullen neerstorten,
ieder door het zwaard van zijn broeder.

Op de dag van de voorzegging van de zegen komt het woord van de HEERE voor de tweede keer tot Haggaï (vers 2121Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot Haggaï, op de vierentwintigste van de maand:). Het is zijn vierde en laatste boodschap. Hij moet tegen Zerubbabel persoonlijk zeggen wat de HEERE zal doen. Zerubbabel is de rechtmatige troonopvolger in de lijn van David. Daar is hier nog niets van te zien. Hij is hier landvoogd van Juda in dienst van de Meden en Perzen aan wie Juda onderworpen is (vers 2222Zeg tegen Zerubbabel, de landvoogd van Juda:
Ik zal doen beven
de hemel en de aarde.
)
.

Maar Haggaï heeft een bemoedigende boodschap voor hem. Het land mag dan wel aan vreemde overheersers onderworpen zijn, de HEERE zal in die situatie verandering brengen. Hij doet dat met de macht die Hij heeft om de hemel en de aarde te doen beven. Deze woorden wijzen terug naar de verzen waar ook over het beven van hemel en aarde wordt gesproken (verzen 7-87Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Nog één [ogenblik], en dat is een korte [tijd],
dan zal Ik de hemel en de aarde,
de zee en het droge doen beven.8Ik zal alle heidenvolken doen beven.
Zij zullen komen [naar] het verlangen van alle heidenvolken
en Ik zal dit huis vullen met heerlijkheid,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
.

De HEERE zal verandering in de situatie van Zijn volk brengen door de troon van de koninkrijken omver te werpen. De troon is het symbool van koningschap of heerschappij (Dn 7:2727Maar het koningschap en de heerschappij
en de grootheid van de koninkrijken onder heel de hemel
zullen gegeven worden aan het volk van de heiligen van de Allerhoogste.
Zijn koninkrijk zal een eeuwig koninkrijk zijn,
en alles wat heerschappij heeft, zal Hem eren en gehoorzamen.
)
. Hij zal hun heerschappij verbreken, zodat ze geen enkele kracht meer hebben om zich tegen Zijn volk te verheffen. De middelen waardoor zij hun kracht hebben getoond, zoals “de wagen met zijn berijder” en “de paarden en hun ruiters”, worden omvergeworpen en neergestort.

De HEERE zal dat doen door hen elkaar te laten uitroeien, “ieder door het zwaard van zijn broeder”, dat wil zeggen van zijn broeder in het kwaad dat zij Gods volk hebben aangedaan. Het ene vijandelijke rijk zal het andere verdelgen (Zc 14:1313Op die dag zal het geschieden
dat er een grote, door de HEERE [bewerkte], verwarring onder hen zal ontstaan,
zodat zij elkaars hand zullen vastgrijpen
en tegen elkaar de hand zullen opheffen.
; vgl. Ez 38:2121Op al Mijn bergen zal Ik een zwaard tegen hem oproepen, spreekt de Heere HEERE. Ieders zwaard zal tegen zijn broeder zijn.)
. Hierdoor wordt de weg vrijgemaakt voor de invoering van de Koning naar Gods hart, de Messias, van wie Zerubbabel een beeld is. We zien dit in het volgende en laatste vers van dit boek.


Een woord tot Zerubbabel

24Op die dag, spreekt de HEERE van de legermachten,
zal Ik u, Zerubbabel, zoon van Sealthiël, Mijn dienaar, nemen,
spreekt de HEERE.
Ik zal u maken tot een zegelring,
want u heb Ik verkozen,
spreekt de HEERE van de legermachten.

“Op die dag” is de dag dat alle vijandschap is tenietgedaan, zoals in het vorige vers is beschreven. Direct daarop volgt: “Spreekt de HEERE van de legermachten.” Dat staat nog een keer aan het eind van het vers. In het midden van het vers staat ook nog: “Spreekt de HEERE.” Tot drie keer toe staat er in dit vers dat de HEERE spreekt, waarvan twee keer wordt gewezen op Zijn heerschappij over alle legermachten, waar ze ook maar zijn en waaruit ze ook maar bestaan.

Wat Hij zegt, gebeurt, want Hij heeft alle macht het uit te voeren. Enige twijfel aan Zijn woorden wordt daardoor uitgesloten. Dat wordt nog benadrukt door de tweevoudige vermelding van de HEERE wat Hij zal doen – “zal Ik” en “Ik zal” –, en ook van Zijn verkiezing – “zal Ik u … nemen”; “u heb Ik verkozen”. Alle nadruk ligt hier op de HEERE, op Wie Hij is en wat Hij zal doen en gedaan heeft.

Deze bevestiging heeft deze afstammeling van David en de rechthebbende op de troon van David nodig. Het is ook een grote bemoediging voor het kleine en zwakke overblijfsel waarover Zerubbabel landvoogd is.

De HEERE spreekt tot “Zerubbabel, zoon van Sealthiël, Mijn dienaar”. Het is een woord voor hem persoonlijk. Dat de HEERE hem zo nadrukkelijk als “Mijn dienaar” aanspreekt, onderstreept de gedachte dat het over Zerubbabel heen uiteindelijk om de Messias gaat (Js 41:88Maar u, Israël, Mijn dienaar,
u, Jakob, die Ik heb verkozen,
het nageslacht van Abraham, die Mij liefhad,
; 42:11Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun,
Mijn Uitverkorene, [in Wie] Mijn ziel een welbehagen heeft;
Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd.
Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.
; 49:5-65En nu zegt de HEERE,
Die Zich Mij vanaf de [moeder]schoot tot Knecht heeft geformeerd
om Jakob tot Hem terug te brengen
– maar Israël zal zich niet laten verzamelen.
Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE,
en Mijn God zal Mijn kracht zijn.
6Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
; 50:1010Wie is er onder u die de HEERE vreest,
die luistert naar de stem van Zijn Knecht?
Als hij in duisternissen gaat
en geen licht heeft,
laat hij [dan] vertrouwen op de Naam van de HEERE
en steunen op zijn God.
; 52:1313Zie, Mijn Knecht zal verstandig handelen,
Hij zal verhoogd worden en verheven, ja, zeer hoog verheven worden.
; 53:1111Om de moeitevolle [inspanning] van Zijn ziel zal Hij het zien,
Hij zal verzadigd worden.
Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken,
want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
)
.

De HEERE geeft Zerubbabel geen zegelring, maar maakt hem tot een zegelring. Een zegelring is een teken van eer en gezag (Hl 8:66Leg mij als een zegel op Uw hart,
als een zegel op Uw arm.
Want de liefde is sterk als de dood,
de hartstocht onstuitbaar als het graf.
Haar vonken zijn vurige vonken,
vlammen van de HEERE.
; Jr 22:2424[Zo waar] Ik leef, spreekt de HEERE, zelfs al was Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring aan Mijn rechterhand, toch zou Ik u daarvan afrukken,)
. De drager kenmerkt daarmee brieven of documenten, die hem dan vertegenwoordigen (Gn 38:1818Toen zei hij: Wat is het onderpand dat ik u zal geven? Zij zei: Uw zegelring, uw snoer en uw staf, die u in uw hand hebt. Hij gaf ze haar, kwam bij haar, en zij werd zwanger van hem.; 1Kn 21:88Vervolgens schreef zij brieven in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel, en zij stuurde de brieven naar de oudsten en naar de edelen die bij Naboth in diens stad woonden.; Dn 6:1818Er werd een steen gebracht en op de opening van de kuil gelegd. De koning verzegelde die met zijn ring en de ring van zijn machthebbers, zodat de maatregel met betrekking tot Daniël niet veranderd kon worden.; Es 8:88Schrijft u dan zelf over de Joden zoals goed is in uw ogen, in naam van de koning, en verzegelt u het met de zegelring van de koning. Want de tekst die in naam van de koning geschreven en met de zegelring van de koning verzegeld is, kan niet herroepen worden.). Zoals al is gezegd, is Zerubbabel een type van Christus. Gods doel is om Christus als Zijn zegelring te gebruiken en de afdruk, het kenmerk, van Christus te zetten op al het geschapene.

Dat is nu nog niet het geval. De naties houden geen rekening met Hem, ze zijn niet van Hem onder de indruk. Maar ieder die onder de volken het evangelie aanneemt, komt wel onder die indruk en wordt een afdruk van Hem.

De zegelring hoort onlosmakelijk bij de drager. God zal Zerubbabel een positie geven waarin hij onafscheidelijk aan de HEERE verbonden zal zijn en blijven. Hij zal hem niet wegwerpen, maar als Zijn waardevolle eigendom bewaren. De belofte geldt niet hem persoonlijk, maar de ambtelijke positie die hij inneemt. Dat blijkt wel uit het feit dat het geprofeteerde pas zal komen als alle koninkrijken omvergeworpen zullen zijn (Dn 2:44a44In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.). Het ziet vooruit naar Christus aan Wiens koninkrijk geen einde zal komen (Dn 2:44b44In de dagen van die koningen zal de God van de hemel echter een Koninkrijk doen opkomen dat voor eeuwig niet te gronde zal gaan en waarvan de heerschappij niet op een ander volk zal overgaan. Het zal al die [andere] koninkrijken verbrijzelen en tenietdoen, maar zelf zal het voor eeuwig standhouden.; Lk 1:32-3332Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,33en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn.).

Zo eindigt het boek Haggaï, dat zo ontmoedigend en terneerdrukkend begint, op een verheffende en veelbelovende wijze. De eerste boodschap van Haggaï is een aanklacht. In zijn laatste boodschap spreekt hij over een grote en gezegende toekomst voor het volk van God. Zoals we nu weten, was die toekomst veel verder weg dan zowel Haggaï als Zerubbabel hebben gedacht. Maar in de gedachten van God is die net zo dichtbij en zeker als de ‘s morgens opkomende zon.