Handelingen
1-2 De ontvangst op Malta 3-6 Paulus door een adder gebeten 7-10 Genezingen op Malta 11-16 Aankomst in Rome 17-22 Eerste onderhoud met de Joden 23-28 Tweede onderhoud met de Joden 29-31 Paulus predikt ongehinderd verder
De ontvangst op Malta

1En nadat wij behouden waren, vernamen wij dat het eiland Malta heette. 2En de inheemsen bewezen ons buitengewone menslievendheid, want zij staken een vuur aan en haalden er ons allen bij vanwege de regen die begon te vallen en vanwege de koude.

Nadat allen veilig aan land zijn gekomen, wordt hun duidelijk dat ze zich op het eiland Malta bevinden. “De inheemsen”, dat wil zeggen de oorspronkelijke bevolking, bewijzen de drenkelingen “buitengewone menslievendheid”. Als we bedenken dat het een gebruik was om alles wat aanspoelde in beslag te nemen en de mensen te doden, dan zien we ook hier de genade van God dat Hij hen bij deze mensen heeft gebracht.

De behandeling die Paulus hier van heidenen ontvangt, vormt wel een groot contrast met de behandeling die hij van zijn Joodse broeders naar het vlees heeft gekregen. Het is het contrast tussen de Joodse leiders en de Romeinse regeerders.

Het lijkt erop alsof er niets is gebeurd, want we zullen zien dat Paulus op dit eiland gewoon doorgaat met zijn werk van getuigen. God heeft hem door de schipbreuk daarvoor een nieuw terrein gegeven.


Paulus door een adder gebeten

3Toen nu Paulus een hoop takken had bijeengeraapt en op het vuur gelegd, kwam er door de hitte een adder uit en deze beet zich vast in zijn hand. 4Toen nu de inheemsen het beest aan zijn hand zagen hangen, zeiden zij tot elkaar: Deze man is zeker een moordenaar, die, nadat hij uit de zee behouden is, de Gerechtigheid niet laat leven. 5Hij dan schudde het beest af in het vuur en ondervond niets kwaads. 6Zij nu verwachtten dat hij zou opzwellen of plotseling dood neervallen. Toen zij echter na lang wachten zagen dat hem niets bijzonders overkwam, veranderden zij van mening en zeiden dat hij een god was.

Voordat Paulus aan getuigen toekomt, gebeurt er iets wat het te geven getuigenis grote kracht zal bijzetten. De drenkelingen worden door de inheemsen bij een vuur genodigd om zich daar te drogen en te warmen. Ze zijn kletsnat en het begint ook nog eens te regenen, zodat van drogen nog niet veel terechtkomt. Voor een dergelijk groot gezelschap is een groot vuur en dus veel hout nodig. Daarvoor moet hout worden gesprokkeld. Daarbij helpt Paulus mee. Hij voelt zich niet te belangrijk om te helpen bij het takken verzamelen. Een gemeenschappelijke activiteit geeft warmte voor allen. Het nederigste werk heeft dat effect. Iets doen voor de Heer houdt je liefde voor Hem en de medegelovigen warm en voorkomt dat je geestelijk verkleumt.

Paulus verzamelt een “hoop takken”, een menigte, niet slechts een paar takjes. Als hij het hout op het vuur heeft gelegd en zich wil gaan warmen, komt er door de hitte een adder uit die zich in zijn hand vastbijt. De adder is een beeld van de duivel. De duivel houdt er niet van als gelovigen om elkaar geven. Hij houdt niet van de warmte van de broederliefde en zal proberen die te verstoren. Zoals hitte slangen wakker maakt, zo maakt de liefde onder de broeders de duivel als het ware wakker. Als gelovigen koud zijn of slapen, houdt de duivel zich ook slapend.

Als de inheemsen het beest aan Paulus´ hand zien hangen, staan ze direct klaar met een theorie die nergens op slaat, of het moet zijn dat het hun afgodische manier van denken openbaar maakt. Een dergelijke beoordeling kan ook bij christenen voorkomen. Ook christenen kunnen klaarstaan met een verklaring als iemand iets ergs overkomt.

De reactie van Paulus is de reactie van het geloof (Mk 16:1818<en met hun handen> zullen zij slangen opnemen, en als zij iets dodelijks drinken, zal het hun geenszins schaden; op zieken zullen zij [de] handen leggen en zij zullen beter worden.; Lk 10:1919Zie, Ik heb u de macht gegeven op slangen en schorpioenen te treden en over alle kracht van de vijand, en niets zal u enige schade toebrengen.). Hij schudt het beest van zich af in het vuur. Dat moet ook onze reactie zijn als de duivel ons te pakken wil nemen. We moeten hem in het geloof op de plaats zetten waar hij eeuwig zal zijn: het vuur (Op 20:1010En de duivel die hen misleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel waar zowel het beest als de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid.). De inheemsen hebben hun mening gegeven over de adder die zich in de hand van Paulus had vastgebeten. Ze hebben ook hun mening over de gevolgen ervan: het is óf opzwellen óf plotseling dood neervallen. Geen van beide gebeurt.

In geestelijk opzicht kan de volgende toepassing worden gemaakt. De hand spreekt van activiteit, van bezig zijn. Als we bezig zijn met een werk voor de Heer, kan de duivel zich daarin vastbijten. Als we dan niet kordaat optreden en de duivel de hem toekomende plaats wijzen, zullen we opzwellen, dat betekent hoogmoedig worden op wat we voor de Heer doen. Of we vallen plotseling dood neer, dat wil zeggen dat er bij ons geen leven voor God meer zichtbaar wordt. Daarom moeten we de duivel geen plaats geven (Ef 4:2727en geeft de duivel geen plaats.), dat wil zeggen dat we hem geen gelegenheid moeten geven zijn schadelijke werk bij ons te verrichten.

Als de verwachte gevolgen uitblijven, veranderen de inheemsen van mening. We hebben hier een nieuw bewijs hoe gemakkelijk mensen van mening veranderen, zoals we eerder in Lystra hebben zien gebeuren, maar dan het omgekeerde (Hd 14:11-1911En toen de menigten zagen wat Paulus had gedaan, verhieven zij hun stem in Lycaónisch en zeiden: De goden zijn aan mensen gelijk geworden en tot ons neergedaald.12En zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het woord voerde.13En de priester van [de tempel van] Zeus, die vóór de stad was, bracht stieren en kransen aan de voorpoorten en wilde met de menigten offeren.14Toen echter de apostelen Barnabas en Paulus dit hoorden, scheurden zij hun kleren, sprongen naar voren tussen de menigte15en schreeuwden aldus: Mannen, waarom doet u dit? Ook wij zijn mensen van gelijke natuur als u en verkondigen u dat u zich van deze nietige [goden] moet bekeren tot [de] levende God, Die de hemel, de aarde, de zee en alles wat daarin is, heeft gemaakt.16Hij heeft in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen laten gaan,17hoewel Hij Zich niet onbetuigd heeft gelaten in goeddoen, door u uit de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en uw harten te vervullen met voedsel en vreugde.18En door dit te zeggen weerhielden zij ternauwernood de menigten ervan hun te offeren.19Er kwamen echter Joden van Antiochië en Iconium, en zij overreedden de menigten, stenigden Paulus en sleepten hem buiten de stad in de mening dat hij dood was.). Zulke redeneringen houden mensen erop na die alleen naar het uiterlijk oordelen. God heeft Zijn eigen plan met deze gebeurtenis. Hij gebruikt deze gebeurtenis om aan te geven dat te midden van alle gevangenen deze man Zijn dienaar is.


Genezingen op Malta

7In de omgeving van die plaats nu had de voornaamste van het eiland, genaamd Publius, landerijen. Deze ontving ons en verleende [ons] drie dagen vriendelijk gastvrijheid. 8Het gebeurde nu, dat de vader van Publius door koorts en ingewandsziekte bevangen op bed lag; Paulus ging naar hem toe, en na te hebben gebeden legde hij hem de handen op en maakte hem gezond. 9Toen nu dit was gebeurd, kwamen ook de overigen op het eiland die ziekten hadden naar hem toe en werden genezen; 10en zij vereerden ons ook met vele eerbewijzen en bij ons vertrek voorzagen zij ons van wat wij nodig hadden.

De welwillendheid van de eilandbewoners is zo groot, dat zelfs “de voornaamste [d.i. een officiële titel] van het eiland” Paulus en de zijnen drie dagen vriendelijk gastvrij ontvangt. Dan komt de gelegenheid voor een tegenprestatie. De vader van Publius is ernstig ziek geworden. Zonder dat er een beroep op hem wordt gedaan, gaat Paulus naar hem toe. Daar gekomen, bidt hij eerst. Hij maakt daardoor duidelijk dat niet hij, maar God de genezing kan geven. Vervolgens legt hij hem de handen op en maakt hem gezond. Als dat is gebeurd, is het de beurt aan de overigen van het eiland die ziekten hebben. Zij komen naar hem toe en worden genezen.

Lange tijd hebben we niet van tekenen gehoord. Hier horen we er nog een keer van. Tekenen zijn altijd een ondersteuning van het Woord dat de apostelen spreken. Ook hier is het een teken dat door een apostel wordt verricht (2Ko 12:1212De tekenen van de apostel zijn onder u met alle volharding verricht, door tekenen, wonderen en krachten.). Tekenen hebben een functie aan het begin van een periode. Paulus is hier op een braakliggend terrein waar het evangelie nooit is gehoord. Omdat het voor dit eiland een nieuw begin is, zijn ook hier tekenen verricht. Tekenen zijn nooit een doel op zichzelf, maar sluiten altijd aan op de verkondiging van het Woord (Hb 2:44terwijl God bovendien meegetuigde zowel door tekenen als wonderen en allerlei krachten en uitdelingen van [de] Heilige Geest naar Zijn wil.). Dat heeft Paulus natuurlijk ook verkondigd. Het is zo vanzelfsprekend, dat Lukas het niet eens vermeldt.

Het is duidelijk dat de eilandbewoners buitengewoon dankbaar zijn dat ze het evangelie hebben gehoord en aangenomen en dat ze van ziekten zijn genezen. De eerbewijzen waarmee ze daarvoor Paulus en die met hem zijn, vereren, hebben niets te doen met het bewijzen van goddelijke eer die Paulus zeker direct zou hebben afgewezen.

Petrus roept ons in zijn eerste brief in algemene zin op allen, dat zijn alle mensen, te eren (1Pt 2:1717Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de koning.) en Paulus zegt dat we moeten eren wie eer toekomt (Rm 13:77Geeft aan allen wat hun toekomt: belasting, aan wie belasting; tol, aan wie tol; vrees, aan wie vrees; eer, aan wie eer [toekomt].). Het gaat om de waardering van de ander om wie hij als schepsel van God is en als hij dan ook nog iets heeft gedaan wat eer verdient, moeten we de ander onze waardering daarvoor niet onthouden. Dat is wat de eilandbewoners hebben gedaan.

Als het gezelschap het eiland verlaat, krijgen ze allemaal nog mee wat ze nodig hebben voor het voortzetten van de reis. Hiermee helpen de eilandbewoners hen voort op een wijze God waardig (vgl. 3Jh 1:5-85Geliefde, u handelt trouw in alles wat u jegens de broeders bewerkt, en dat jegens vreemdelingen,6die van uw liefde getuigd hebben tegenover [de] gemeente; u zult er goed aan doen, als u hen voorthelpt op een wijze God waardig;7want zij zijn voor de Naam uitgegaan, zonder iets aan te nemen van hen die tot de volken [behoren].8Wij behoren daarom zulke [personen] te ontvangen, opdat wij medearbeiders van de waarheid worden.).


Aankomst in Rome

11Na drie maanden nu voeren wij af op een schip dat op het eiland had overwinterd, een Alexandrijns [schip] met [de] Dioscuren als kenteken. 12En in Syracuse aangekomen bleven wij daar drie dagen, 13vanwaar wij omvoeren en in Rhegium aankwamen; en toen na één dag een zuidenwind opstak, kwamen wij de tweede [dag] in Putéoli, 14waar wij broeders vonden en ons verzocht werd zeven dagen bij hen te blijven; en zo gingen wij naar Rome. 15En vandaar kwamen de broeders, die van onze zaken hadden gehoord, ons tegemoet tot Forum Appii en Tres Tabernae, en toen Paulus hen zag, dankte hij God en vatte moed. 16Toen wij nu Rome waren binnengekomen, werd aan Paulus toegestaan op zichzelf te wonen met de soldaat die hem bewaakte.

Het is inmiddels eind januari / begin februari geworden als ze aan boord van opnieuw een Alexandrijns schip (Hd 27:66En daar vond de hoofdman een Alexandrijns schip dat naar Italië voer en hij liet ons daar aan boord gaan.) stappen om de reis naar Rome te vervolgen. Het schip heeft, zo merkt Lukas op, de “Dioscuren als kenteken”. ‘Dioscuren’ betekent ‘zonen van Zeus’. Zij golden als beschermers van de zeevarenden en werden daarom in veel havensteden vereerd. Door het kenteken van dit schip, waar Paulus aan boord is, te vermelden, worden we erop attent gemaakt dat de verkondiging van het evangelie waarvan Paulus de vertegenwoordiger is, een geestelijke strijd is. Deze strijd is nog steeds in volle gang (Fp 1:27-2827Alleen, wandelt waardig het evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik uw omstandigheden hoor, dat u vast staat in één geest, terwijl u één van ziel meestrijdt met het geloof van het evangelie28en u in geen enkel opzicht door de tegenstanders laat afschrikken. Voor hen is dit een bewijs van verderf, maar van uw behoudenis, en dat van Godswege.).

De eerste havenplaats die wordt aangedaan, is Syracuse op het Italiaanse eiland Sicilië. Daar blijven ze drie dagen, mogelijk om lading te lossen of een gunstige wind af te wachten. Van Syracuse wordt overgestoken naar Rhegium op het vaste land van Italië. Omdat ze naar het noorden moeten en er een zuidenwind opsteekt, verloopt de rest van de zeereis zeer voorspoedig. Na twee dagen komen ze in Putéoli, de haven van Napels.

In Putéoli zijn Paulus en zijn metgezellen op zoek gegaan naar “broeders” en die vinden ze ook. ‘Broeders’ is in die tijd de algemene benaming voor de gelovigen. De broeders vragen aan Paulus en de zijnen om zeven dagen te blijven. Zeven dagen betekent altijd inclusief een zondag (Hd 20:6-76maar wij voeren na de dagen van de ongezuurde broden van Filippi af en kwamen in vijf dagen bij hen in Troas, waar wij zeven dagen verbleven.7Toen wij nu op de eerste [dag] van de week vergaderd waren om brood te breken, sprak Paulus, die de volgende dag zou vertrekken, hen toe en rekte zijn rede tot middernacht.; 21:44Toen wij nu de discipelen hadden gevonden, bleven wij daar zeven dagen. Dezen zeiden Paulus door de Geest niet op te gaan naar Jeruzalem.). Dan gaan ze verder over land op weg naar Rome.

Terwijl Paulus zeven dagen in Putéoli was, kon het bericht hem vooruitsnellen naar Rome. Vandaar komen de broeders hem tegemoet. Als Paulus hen ziet, dankt hij God en vat moed. Hij heeft die broeders nooit eerder gezien, maar het feit dat het broeders zijn, die hem hartelijke begroeten en hem omarmen, is een groot geschenk en kan alleen door God gewerkt worden.

Uit het verslag dat Lukas doet van de ontmoeting die Paulus met de verschillende groepen broeders heeft, lijkt het erop dat Paulus terneergeslagen was. Hij is een mens van gelijke gemoedsbewegingen als wij. Bij een eerdere gelegenheid van terneergeslagenheid is de Heer Zelf bij hem gekomen om hem te bemoedigen (Hd 23:1111De volgende nacht nu stond de Heer bij hem en zei: Heb goede moed, want zoals je in Jeruzalem van Mij hebt betuigd, zo moet je ook in Rome getuigen.). Hier doet de Heer het door de broeders.

De liefde van de broeders bemoedigt en bezielt Paulus opnieuw. Hij ervaart wat hij eerder in zijn brief “aan de geliefden van God die in Rome zijn” (Rm 1:7,127aan alle geliefden van God die in Rome zijn, geroepen heiligen: genade zij u en vrede van God onze Vader en van [de] Heer Jezus Christus.12dat is, om in uw midden mee vertroost te worden door elkaars geloof, zowel dat van u als dat van mij.) heeft geschreven. Een groep broeders komt hem vanuit Rome al ongeveer vijfenzestig kilometer tegemoet. Hij omhelst hen in Forum Appii. Een andere groep die mogelijk wat later uit Rome is vertrokken, komt hem ongeveer vijftig kilometer tegemoet en hen omhelst hij in Tres Tabernae. Zo heeft de Heer voor Paulus een dubbele bemoediging op het laatste stuk van de reis naar Rome.

Dan komt Paulus ten slotte aan in het toenmalige hart van de wereld. Wat moet er door hem zijn heengegaan toen hij de stad binnenkwam die hij al zo lang had willen bezoeken (Rm 1:1010terwijl ik altijd in mijn gebeden bid of ik wellicht nu eens door de wil van God het voorrecht mocht hebben tot u te komen.; 15:2323Maar nu ik in deze streken geen plaats meer heb en sinds vele jaren groot verlangen heb tot u te komen,). Zoals al eerder opgemerkt, komt hij er op een andere manier dan hij zich zal hebben voorgesteld. Want dat hij er als gevangene zou komen, zal niet bij hem zijn opgekomen. Maar zo heeft God het bepaald en wat is er een zegen uit die gevangenschap voortgekomen! Denken we alleen al aan de brieven die hij tijdens deze gevangenschap heeft geschreven en die wij nu in de Bijbel hebben.

Verder heeft Paulus juist als gevangene een gelegenheid gekregen die anderen in Rome niet kregen, namelijk het evangelie aan het hof van de keizer te brengen, wat ook weer een bemoediging was voor anderen (Fp 1:12-1412En ik wil dat u weet, broeders, dat mijn omstandigheden veeleer tot vordering van het evangelie hebben gediend,13zodat in het hele pretorium en aan alle overigen duidelijk is geworden dat ik in gevangenschap ben om Christus’ wil;14en dat de meesten van de broeders in [de] Heer vertrouwen hebben gekregen door mijn gevangenschap, om des te overvloediger het Woord <van God> zonder vrees te durven spreken.). Tevens heeft zijn gevangenschap de echtheid van het geloof van velen op de proef gesteld. Er zijn er die zich voor zijn boeien schaamden en hem in Rome zijn vergeten, terwijl iemand als een Onesíforus zich juist niet schaamde, maar hem in Rome heeft opgezocht (2Tm 1:16-1716Moge de Heer het huis van Onesíforus barmhartigheid geven, omdat hij mij dikwijls verkwikt en zich voor mijn keten niet geschaamd heeft;17maar toen hij in Rome kwam, heeft hij mij ijverig gezocht en gevonden.). Dat was dan wel tijdens zijn tweede gevangenschap, maar het principe blijft gelijk. Paulus was een gevangene.

Bij deze eerste gevangenschap krijgt Paulus toestemming om op zichzelf te wonen, waarbij hij voortdurend geketend is en door een soldaat wordt bewaakt. In vergelijking met het verblijf in een gevangenis is deze vorm van gevangenschap mild te noemen.


Eerste onderhoud met de Joden

17Het gebeurde nu na drie dagen, dat hij hen samenriep die de voornaamsten van de Joden waren; en toen zij waren samengekomen, zei hij tot hen: Mannen broeders, hoewel ik niets heb gedaan tegen het volk of de voorvaderlijke gebruiken, ben ik als gevangene uit Jeruzalem overgeleverd in de handen van de Romeinen, 18die mij, toen zij mij hadden verhoord, wilden loslaten, omdat er geen enkele doodsschuld in mij was. 19Toen de Joden [dat] echter tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; niet alsof ik iets had om mijn volk te beschuldigen. 20Om die reden dan heb ik u bij mij geroepen om u te zien en toe te spreken; want vanwege de hoop van Israël heb ik deze keten om. 21Zij nu zeiden tot hem: Wij hebben over u geen brieven uit Judéa ontvangen, ook is niemand van de broeders hier gekomen, die iets kwaads van u heeft bericht of gesproken. 22Wij achten het echter juist van u te horen wat uw denkbeelden zijn; want wat deze sekte betreft, ons is bekend dat zij overal wordt tegengesproken.

Het milde regime van zijn gevangenschap blijkt ook uit de mogelijkheid dat hij vrij is om iedereen te ontvangen of zelfs uit te nodigen wie hij wil. Al na drie dagen nodigt hij de voornaamsten van de Joden uit om bij hem te komen. Als hij dan geen gelegenheid heeft om naar de synagoge te gaan, is het op deze manier voor hem mogelijk om ook in Rome te handelen naar het beginsel ‘eerst de Jood en dan de Griek’. Als de voornaamste Joden bij hem zijn gekomen, is het eerste wat hij doet zijn persoon verdedigen. Hij legt eerst uit waarom hij in Rome is gekomen, want dat hij als gevangene hier is, vraagt uitleg en toelichting.

Hij vat kort voor hen samen wat er is gebeurd. Opmerkelijk daarbij is, dat hij niets vertelt over de aanleiding en de moordpogingen. Er komt geen woord van beschuldiging aan het adres van zijn Joodse broeders over zijn lippen, hoeveel kwaad ze hem ook hebben aangedaan. Dit is werkelijk onbaatzuchtige liefde.

Wat betreft zijn behandeling door de Romeinen, ook hen belicht hij op een gunstige wijze. Van hen vermeldt hij alleen dat ze hem hadden willen loslaten omdat ze in hem niets hadden gevonden wat de dood verdiende (Hd 23:2929Het bleek mij, dat hij werd beschuldigd over twistvragen van hun wet, maar dat hij geenszins werd aangeklaagd wegens iets dat dood of gevangenschap waard is.; 25:2525Ik heb echter begrepen dat hij niets wat [de] dood waard is heeft bedreven; daar hijzelf zich echter op Zijne Majesteit heeft beroepen, heb ik besloten hem [door] te zenden.; 26:3232En Agrippa zei tot Festus: Deze man had kunnen worden vrijgelaten als hij zich niet op de keizer had beroepen.). Paulus stelt de Romeinen in een gunstig daglicht. Deze Joden wonen ertussen en kennen ze.

Zonder enig waardeoordeel vertelt Paulus hoe de Joden zijn vrijspraak door de Romeinen tegenspraken en hoe hij daardoor genoodzaakt was geworden zich op de keizer te beroepen. Hij is hier dan ook niet om zijn broeders te beschuldigen, maar om het recht zijn loop te laten krijgen. Dat wilde hij hun graag laten weten en daarom heeft hij hen laten komen.

Tevens laat hij hun weten dat hij geen afvallige Jood is, maar dat hij deelt in de hoop van alle Joden. “De hoop van Israël” ziet op de vervulling van de beloften aan de vaderen, een hoop die onlosmakelijk verbonden is met de Messias. Aan het einde van het boek wordt hierdoor niet alleen in het licht gesteld dat het christendom het nieuwe getuigenis is, maar ook dat God Zijn volk niet uit het oog verliest. Paulus klaagt niet zijn volk aan als de oorzaak van zijn keten, maar wijst als de oorzaak van zijn keten op de hoop van Israël, de Messias.

Als Paulus is uitgesproken, zeggen de Romeinse Joden dat ze niets aangaande hem weten. Er zijn over hem geen brieven uit Judéa aan hen geschreven en er zijn ook geen broeders daarvandaan bij hen gekomen om iets kwaads over hem te vertellen. Ze kunnen daarom geen oordeel vellen. Ze bieden hem de kans om zijn denkbeelden aan hen uit te leggen. Tegelijk geven ze aan dat wat ze van het christendom hebben gehoord, hun de indruk geeft dat het een tegendraadse beweging is die het Jodendom geen goed doet. Een dergelijke gelegenheid om zich te verantwoorden gaven de farizeeën niet aan de Heer Jezus, terwijl Nicodémus daar wel op had aangedrongen (Jh 7:5151Veroordeelt onze wet soms de mens, tenzij zij eerst van hem hoort en weet wat hij doet?).

Deze Joden willen wel luisteren, maar laten ook merken dat ze er kritisch tegenover staan. De houding van deze Joden is navolgenswaardig. Het is belangrijk dat we pas een oordeel vellen over iemands denkbeelden die niet met onze opvattingen stroken, nadat de betreffende persoon gelegenheid heeft gekregen zich te verantwoorden.


Tweede onderhoud met de Joden

23Nadat zij nu voor hem een dag hadden bepaald, kwamen er nog meer bij hem in zijn verblijf, aan wie hij het koninkrijk van God uitlegde en betuigde, terwijl hij hen trachtte te overtuigen aangaande Jezus, zowel uit de wet van Mozes als uit de profeten, van ‘s morgens vroeg tot [de] avond toe. 24En sommigen lieten zich overtuigen door wat werd gezegd, maar anderen geloofden niet. 25En onder elkaar onenig gingen zij weg, nadat Paulus [dit] ene woord had gezegd: Terecht heeft de Heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen de woorden gesproken: 26‘Ga tot dit volk en zeg: Met [het] gehoor zult u horen en geenszins verstaan, en kijkend zult u kijken en geenszins zien; 27want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet misschien met hun ogen zien en met hun oren horen en met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’. 28Het zij u dan bekend dat deze behoudenis van God tot de volken is gezonden; zij zullen ook horen.

Na het kennismakingsgesprek wordt er een afspraak gemaakt om dieper op de zaak in te gaan. Bij die gelegenheid komen er nog meer bij Paulus in zijn verblijf. Hij legt aan hen uit wat het koninkrijk van God is en betuigt het belang ervan. Hier wordt voor de zesde keer in dit boek over het koninkrijk gesproken. Spreken over en leven in het koninkrijk betekent spreken over en leven onder de heerschappij van de Heer Jezus. Dat koninkrijk zal in heerlijkheid worden opgericht als de Heer Jezus komt om op aarde te regeren.

Nu Hij verworpen is, is het koninkrijk van God niet zichtbaar, maar het is er wel. Het is namelijk overal waar mensen de Heer Jezus als Heer belijden en dat in de kracht van de Heilige Geest in de praktijk van elke dag in hun leven laten zien (Rm 14:1717Want het koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in [de] Heilige Geest.). Als iedere gelovige in zijn leven meer zou verwerkelijken wat het is een onderdaan in het koninkrijk te zijn, zou de waarheid van de gemeente beter in praktijk worden gebracht. Veel scheuringen in de gemeente zouden dan niet hebben plaatsgevonden.

Paulus ‘legt uit’, wat wil zeggen dat hij de betekenis ervan bekendmaakt, en ‘betuigt’, dat wil zeggen dat hij er indringend over spreekt dat er ook naar geleefd moet worden. Hij doet dat de hele dag. Er was niemand die op de klok keek. Het moet adembenemend boeiend zijn geweest om hem vanuit de wet van Mozes en uit de profeten te horen spreken over de Heer Jezus. Hij legde zijn hele hart erin, want hij wilde hen zo graag overtuigen aangaande “Jezus”. Als ze in Hem de van God gezonden Messias zouden erkennen, zouden ze behouden worden en daar ging het hem om. Hier zien we dat intensieve bijbelstudie met uitleg ook een mogelijkheid is om mensen voor Christus te winnen.

De reacties blijven niet uit. Zoals altijd brengt de prediking van het Woord een tweedeling onder de hoorders. Sommigen laten zich overtuigen, maar anderen geloven niet. Al discussiërend gaan ze weg nadat Paulus een ernstig woord van Jesaja heeft aangehaald (Js 6:9-109Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk:
Luister voortdurend, maar u zult [het] niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult [het] niet opmerken.
10Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
)
. Jesaja heeft dit woord gesproken tot het ongelovige volk als geheel en Paulus past het nu toe op de ongelovige Joden tot wie hij het woord heeft gericht. De Heer Jezus heeft dit woord ook gebruikt met het oog op het volk in Zijn dagen (Mt 13:14-1614En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: ’Met [het] gehoor zult u horen en geenszins verstaan, en kijkend zult u kijken en geenszins zien;15want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden en hun ogen hebben zij gesloten, opdat zij niet misschien met hun ogen zien en met hun oren horen en met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’.16Gelukkig echter uw ogen, omdat zij kijken, en uw oren, omdat zij horen;).

De grote vraag of het volk alsnog tot geloof zal komen, wordt door deze aanhaling duidelijk beantwoord. Het lijkt een hard woord, maar het is ten volle van toepassing op hen vanwege hun afwijzing. Het is het laatste en definitieve oordeel van de door Paulus vastgestelde verharding. Ze hebben hun hart toegesloten, zodat ze het Woord van God niet in zich kunnen opnemen. Ze onttrekken zich tot hun verderf (Hb 10:3939Wij echter behoren niet tot hen die zich onttrekken tot verderf, maar tot hen die geloven tot behoud van [de] ziel.).

Deze vaststelling van hun verharding voert Paulus tot de laatste woorden die we van hem in dit boek hebben. Die woorden bevatten het punt waartoe we in dit boek zijn gevoerd en wel dat vanwege de verwerping van de behoudenis door de Joden de deur van de behoudenis naar de volken is opengegaan (Hd 13:4646En Paulus en Barnabas zeiden met vrijmoedigheid: Het was nodig dat eerst tot u het Woord van God werd gesproken; aangezien u het van u afstoot en uzelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, – zie, wij wenden ons tot de volken.; 18:66Toen zij echter weerstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; van nu af zal ik naar de volken gaan.; Rm 11:25-3225Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat u niet wijs bent in eigen [oog], dat er voor een deel over Israël verharding is gekomen, totdat de volheid van de volken is ingegaan;26en zó zal heel Israël behouden worden, zoals geschreven staat: ‘Uit Sion zal de Redder komen; Hij zal [de] goddeloosheden van Jakob afwenden.27En dit is voor hen het verbond Mijnerzijds, wanneer Ik hun zonden zal wegnemen’.28Wat het evangelie betreft, zijn zij wel vijanden ter wille van u, maar wat de verkiezing betreft, geliefden ter wille van de vaderen.29Want de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijk.30Want evenals u voorheen niet in God geloofd hebt, maar nu barmhartigheid hebt verkregen door het ongeloof van dezen,31zo hebben nu ook dezen niet geloofd dat u barmhartigheid [verkregen hebt], opdat ook <zij> nu barmhartigheid verkrijgen.32Want God heeft allen onder [het] ongeloof besloten, opdat Hij aan allen barmhartigheid zou bewijzen.). Tot hen zal het Woord niet tevergeefs gaan. Zij zullen ook horen. Hoewel niet alle volken het evangelie hebben aangenomen, hebben in de loop van de eeuwen velen uit de volken het gehoord en aangenomen (1Tm 3:1616En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de Godsvrucht: Hij Die geopenbaard is in [het] vlees, gerechtvaardigd in [de] Geest, gezien door [de] engelen, gepredikt onder [de] volken, geloofd in [de] wereld, opgenomen in heerlijkheid.).


Paulus predikt ongehinderd verder

[29Dit vers is als niet-authentiek weggelaten.] 30Hij nu bleef twee hele jaren in zijn eigen huurwoning, en hij ontving allen die bij hem binnenkwamen, 31predikte het koninkrijk van God en leerde aangaande de Heer Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, ongehinderd.

De duur van deze gevangenschap van Paulus, die hij mag doorbrengen “in zijn eigen huurwoning”, wordt door Lukas vastgesteld op “twee hele jaren”. Het lijkt erop dat hij na die tijd is vrijgelaten omdat zijn aanklagers niet zijn verschenen. Om een proces doorgang te laten vinden moesten zowel de aangeklaagde als de aanklagers voor de rechter verschijnen (Hd 23:3535zei hij: Ik zal u verhoren wanneer ook uw beschuldigers zijn aangekomen. En hij beval dat hij in het pretorium van Herodes in bewaring zou worden gehouden.; 25:1616Ik antwoordde hun dat Romeinen niet [de] gewoonte hebben een mens bij wijze van gunst uit te leveren voordat de beschuldigde de beschuldigers vóór zich heeft en gelegenheid tot verdediging tegen de aanklacht krijgt.). Het is dan ook niet terecht dat Paulus na eerder twee jaren te hebben vastgezeten, niet is vrijgelaten (Hd 24:2727Toen echter twee jaren voorbij waren, kreeg Felix als opvolger Porcius Festus; en daar Felix de Joden een gunst wilde bewijzen, liet hij Paulus gevangen.). Als de aanklagers niet verschijnen, schrijft het Romeinse recht voor dat de aangeklaagde in vrijheid moet worden gesteld. De Joden zullen de reis naar Rome een te grote onderneming hebben gevonden. Mogelijk dat ze er genoegen mee hebben genomen dat Paulus is gevangengenomen en op transport naar Rome is gesteld.

Dat Paulus na twee jaren in vrijheid is gesteld, zonder voor de keizer te verschijnen, hoeft niet in strijd te zijn met de vermelding dat hij juist daarvoor naar Rome moest. Voor zover de tekst duidelijk maakt, is het niet noodzakelijk dat zijn verschijning voor de keizer tijdens deze gevangenschap gebeurt. Er zal namelijk een tweede gevangenschap volgen en dan zal hij wel voor de keizer verschijnen.

Paulus heeft tijdens deze eerste gevangenschap een onbekend aantal onbekende mensen op bezoek gehad. Dat kunnen broeders, Joden en ook heidenen zijn geweest (1Ko 10:3232Weest geen struikelblok voor Joden en voor Grieken en voor de gemeente van God;). Daaronder bevindt zich ook een weggelopen slaaf, genaamd Onésimus, van wie we weten dat deze door de dienst van Paulus tot bekering is gekomen (Fm 1:1010Ik doe een beroep op u aangaande mijn kind dat ik in mijn gevangenschap heb verwekt, Onésimus,). Hij heeft aan deze Onésimus de brief aan Filémon meegegeven die hij tijdens zijn gevangenschap naar aanleiding van de bekering van Onésimus heeft geschreven. Hij heeft in deze twee jaren ook nog de brieven aan de Efeziërs, Filippenzen en Kolossenzen geschreven.

Aan allen die bij hem komen, predikt hij het koninkrijk van God, waarin het gaat om de Heer Jezus Christus. Het boek begint met de prediking van het koninkrijk van God (Hd 1:33aan wie Hij Zich ook, nadat Hij had geleden, levend heeft vertoond met vele duidelijke bewijzen, terwijl Hij gedurende veertig dagen door hen werd gezien en met hen sprak over de dingen die het koninkrijk van God betreffen.), en hier, waar het voor de zevende en tevens laatste keer wordt genoemd, sluit het boek ermee. Paulus predikt de Heer van dat koninkrijk in de stad van de keizer, de grote heer van het aardrijk. Hij doet dat “ongehinderd”, het laatste woord van het boek Handelingen.

Het boek eindigt met een open einde omdat de handelingen van de Geest, Die niet gebonden is, niet zijn afgelopen. De geschiedenis van de gemeente gaat verder in het leven van ieder lid ervan. Daardoor heeft het Woord de uithoeken van het Romeinse rijk bereikt. Het christendom is van een Joodse sekte tot een wereldgodsdienst geworden. Van Jeruzalem is het evangelie uitgegaan tot aan het einde van het aardrijk en zal ook uitgaan tot aan het einde van de tegenwoordige bedeling. Wij mogen onze bijdrage leveren aan het doorgeven van die boodschap, dat er een andere Koning is dan de heersers van de wereld: de verheerlijkte Heer in de hemel. Tot Hij terugkomt, wensen we dat het dag wordt.