Handelingen
1-3 Van Miléte naar Tyrus 4-7 Bij de gelovigen in Tyrus en in Ptolemaïs 8-14 Bij Filippus en de gelovigen in Caesaréa 15-16 Van Caesaréa naar Jeruzalem 17-19 Paulus bezoekt Jakobus 20-21 Reacties op het verslag van Paulus 22-24 Het voorstel aan Paulus 25-26 Paulus gaat op het voorstel in 27-30 Paulus gegrepen in de tempel 31-36 Paulus door de Romeinen ontzet 37-40 Paulus wil tot het volk spreken
Van Miléte naar Tyrus

1Toen het nu, nadat wij ons van hen hadden losgerukt, gebeurde dat wij afvoeren, liepen wij recht op Cos aan, [gingen] de dag daarna naar Rhodus en vandaar naar Pátara. 2En nadat wij een schip hadden gevonden dat naar Fenicië overvoer, gingen wij aan boord en voeren af. 3En nadat wij Cyprus in zicht hadden gekregen en het links hadden laten liggen, voeren wij naar Syrië en kwamen aan in Tyrus, want daar zou het schip zijn lading lossen.

Na zijn indringende toespraak tot de oudsten van Efeze moet Paulus weer verder. De oudsten laten hem niet zomaar gaan. Hoe graag hadden ze hem bij zich gehouden. Paulus en de zijnen moeten zich losrukken. Het geeft aan wat voor een sterke band de christelijke genegenheid is.

Wat verder volgt, is een gewoon reisverslag. God stelt belang in alles wat Zijn dienaar doet, ook in de niet spectaculaire dingen. Zo bracht ook de Heer Jezus het grootste deel van Zijn leven door in verborgenheid wat betreft het oog van de mensen. Al die tijd was Hij een welbehagen voor Zijn Vader. Wij mogen de gewoonste dingen doen tot eer van God, zoals eten en drinken (1Ko 10:3131Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets [anders] doet, doet het alles tot heerlijkheid van God.).

Tegelijk zien we ook de hand van de Heer in het reisverslag. We lezen over het ‘vinden’ van een schip dat hen naar het doel van hun reis brengt. Zal Paulus ook niet dankbaar zijn geweest voor een gunstige wind en een rustige reis?

Wat zal er in de gedachten van de apostel zijn omgegaan toen ze “Cyprus in zicht hadden gekregen”. Ook dat staat er niet voor niets. Zal het niet de herinnering aan Barnabas en Markus bij hem naar boven hebben gebracht (Hd 13:4-54Zij dan, uitgezonden door de Heilige Geest, kwamen in Seleucië en voeren vandaar af naar Cyprus.5En toen zij in Sálamis kwamen, verkondigden zij het Woord van God in de synagogen van de Joden; zij nu hadden ook Johannes als dienaar.; 15:3939Er ontstond nu een verbittering, zodat zij van elkaar scheidden en Barnabas Markus meenam en naar Cyprus afvoer.)? Ook Tyrus heeft hem misschien doen denken aan vroeger, aan de tijd dat de Heer Jezus daar in de buurt was (Mt 15:2121En Jezus ging vandaar weg en vertrok naar de streken van Tyrus en Sidon.).

Het oponthoud daar is evenzo van de Heer als het vinden van het schip in vers 22En nadat wij een schip hadden gevonden dat naar Fenicië overvoer, gingen wij aan boord en voeren af.. De aanleiding van het oponthoud is een heel praktische, want het schip moet er lading lossen. Leiding van de Heer gebeurt meestal langs heel natuurlijke wegen. De vraag is, of wij er oog voor hebben.


Bij de gelovigen in Tyrus en in Ptolemaïs

4Toen wij nu de discipelen hadden gevonden, bleven wij daar zeven dagen. Dezen zeiden Paulus door de Geest niet op te gaan naar Jeruzalem. 5Toen het nu gebeurde dat wij die dagen ten einde hadden gebracht, gingen wij weg en reisden verder, terwijl zij allen met vrouwen en kinderen ons uitgeleide deden tot buiten de stad; en wij knielden neer op het strand en baden, 6en nadat wij elkaar hadden gegroet, gingen wij aan boord van het schip, maar zij keerden naar huis terug. 7Nadat wij nu de vaart vanaf Tyrus hadden volbracht, kwamen wij in Ptolemaïs aan, en na de broeders te hebben gegroet bleven wij één dag bij hen.

Voor Paulus en de zijnen biedt het oponthoud in Tyrus de prachtige gelegenheid – niet om de stad te bewonderen, maar – op zoek te gaan naar discipelen. Als ze die hebben gevonden, kunnen ze er zeven dagen blijven. Evenals in Troas (Hd 20:6-76maar wij voeren na de dagen van de ongezuurde broden van Filippi af en kwamen in vijf dagen bij hen in Troas, waar wij zeven dagen verbleven.7Toen wij nu op de eerste [dag] van de week vergaderd waren om brood te breken, sprak Paulus, die de volgende dag zou vertrekken, hen toe en rekte zijn rede tot middernacht.) kan dit niet anders betekenen dan dat zij ook in Tyrus op de eerste dag van de week het avondmaal willen vieren. Op alle dagen zal Paulus er Gods Woord hebben onderwezen.

De discipelen hebben niet alleen naar Paulus geluisterd, ze hebben ook zelf een boodschap voor hem. Ze zeggen hem dat hij niet naar Jeruzalem moet opgaan. Het is een boodschap waarvan Lukas ons meedeelt dat die van “de Geest” komt. We hebben al in Handelingen 20 gelezen hoe de Heilige Geest met Paulus bezig is naar aanleiding van zijn voornemen om naar Jeruzalem te gaan (Hd 20:2323behalve dat de Heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt dat mij gevangenschap en verdrukkingen wachten.). Wat we hier lezen, gaat verder. Daar lijkt het alsof de Heilige Geest Paulus door bepaalde aanwijzingen wilde laten nadenken over zijn voornemen om naar Jeruzalem te gaan. Hier echter is het niet meer een in overweging geven of hij wel zal gaan, maar een duidelijke waarschuwing niet te gaan.

De hoogste weg voor Paulus zou geweest zijn niet te gaan. Toch wordt de wil van de Heer volbracht in zijn gaan naar Jeruzalem. Hij is de apostel van de volken, maar hij kan zijn liefde voor zijn volk niet verdringen. Die liefde is zo groot, dat hij afwijkt van de weg van het geloof en kiest voor de weg van de natuurlijke liefde.

Het blijft moeilijk om van een man als Paulus te zeggen dat hij bewust tegen de wil van de Heilige Geest is ingegaan. Van een directe ongehoorzaamheid is m.i. ook geen sprake. Paulus wordt gedreven door volstrekt onbaatzuchtige motieven. Het is geen kwestie van zwart/wit, maar van een keus tussen het goede en het betere. Het past ons niet de apostel hiervoor te bekritiseren.

We lezen dat de discipelen “door de Geest” tot Paulus zeggen niet op te gaan, maar ze zeggen niet: ‘Dit zegt de Heilige Geest.’ Later zal Agabus dat wel doen, echter niet in waarschuwende, maar in voorspellende zin (vers 1111en hij kwam bij ons, nam de gordel van Paulus, en na zichzelf aan voeten en handen gebonden te hebben zei hij: Dit zegt de Heilige Geest: de man van wie deze gordel is, zullen de Joden zó binden in Jeruzalem en overleveren in handen van [de] volken.). Hoe vaak hebben wij oog gehad voor het feit dat anderen iets tegen ons zeiden ‘door de Heilige Geest’?

In de zwakheid van zijn liefde voor zijn volksgenoten is hij bereid naar Jeruzalem te gaan, ondanks de verdrukkingen en banden die hem daar te wachten staan. Hij is bereid er zelfs voor te sterven, zoals hij verderop zegt (vers 1313Toen antwoordde Paulus: Wat doet u, dat u weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven in Jeruzalem voor de Naam van de Heer Jezus.). Het is geen in de wind slaan van een uitdrukkelijk bevel van de Heilige Geest, maar het volgen van een natuurlijke liefde voor zijn volk. Het is ook geen overmoed die niet weet wat hij doet als hij geen acht slaat op de waarschuwingen van verdrukking en banden. Hij kende deze dingen maar al te goed.

Bij dit alles komt nog dat de Heer, als Paulus eenmaal in Jeruzalem gevangen is, hem bemoedigt met de opdracht dat hij, zoals hij in Jeruzalem van Hem heeft getuigd, ook in Rome van Hem zal getuigen (Hd 23:1111De volgende nacht nu stond de Heer bij hem en zei: Heb goede moed, want zoals je in Jeruzalem van Mij hebt betuigd, zo moet je ook in Rome getuigen.). Er klinkt geen verwijt uit de mond van de Heer. Hoe zouden wij dan Paulus’ handelwijze veroordelen of hem iets kwalijk nemen?

We kunnen constateren dat hij in zijn verlangen om naar Jeruzalem te gaan niet wandelt op de hoogte van het geloof dat hij onder de volken predikt. God heeft hem niet naar Jeruzalem gezonden. We kunnen ook constateren dat hij niet handelt op de hoogte van het geloof als hij zich, om zijn broeders naar het vlees ter wille te zijn, aan een reinigingswet onderwerpt (verzen 21-2621En men heeft hun over u verteld dat u alle Joden die onder de volken zijn, afval van Mozes leert door te zeggen dat zij hun kinderen niet moeten besnijden en niet naar de gebruiken wandelen.22Wat is er dan [te doen]? Stellig <is het onvermijdelijk dat [de] menigte samenkomt; want [zeker]> zullen zij horen dat u bent gekomen.23Doe dan wat wij u zeggen: wij hebben vier mannen die <uit zichzelf> onder een gelofte staan.24Neem hen mee en reinig u met hen en draag de kosten voor hen, opdat zij zich het hoofd kunnen laten scheren; en allen zullen weten dat er van wat over u is verteld, niets [waar] is, maar dat u ook wandelt in het onderhouden van de wet.25Wat echter de gelovige volken betreft, wij hebben [hun] aangeschreven, na besloten te hebben <dat zij niets dergelijks moesten onderhouden dan> dat zij zich moesten wachten voor wat aan de afgoden is geofferd, voor [het] bloed, voor [het] verstikte en voor [de] hoererij.26Toen nam Paulus de mannen mee en na zich de volgende dag met hen te hebben gereinigd ging hij in de tempel en kondigde aan dat de dagen van hun reiniging zouden zijn vervuld wanneer voor ieder van hen de offerande was gebracht.). Hij predikt overal dat de gelovige niet onder de wet is. Het zou te wensen zijn dat alle christenen zouden delen in het verlangen van Paulus om zijn volksgenoten het evangelie te brengen. Het is echter te vrezen dat velen niet eens dat niveau halen ten aanzien van de mensen met wie zij door natuurlijke banden verbonden zijn.

De dagen van het samenzijn met de discipelen in Tyrus lopen ten einde. De reis moet worden voortgezet. Alle discipelen met vrouwen en kinderen doen hen uitgeleide tot buiten de stad. Ook de kinderen zijn aanwezig om afscheid te nemen van ‘oom’ Paulus. De apostel zal zeker zijn belangstelling voor hen hebben getoond, in navolging van zijn Heer Die deze belangstelling ook had (Mt 19:13-1513Toen werden er kinderen bij Hem gebracht, opdat Hij hun de handen zou opleggen en bidden; de discipelen echter bestraften hen.14Jezus echter zei: Laat de kinderen [begaan] en verhindert ze niet bij Mij te komen; want van de zodanigen is het koninkrijk der hemelen.15En Hij legde hun de handen op en ging vandaar weg.).

Het hele gezelschap knielt neer op het strand en bidt. Het zal indruk hebben gemaakt op de mensen die het mogelijk hebben gezien. Die mensen hebben ook gezien hoe ze elkaar hebben gegroet bij het afscheid nemen. We hebben hier de uitingen van het nieuwe leven. Enerzijds is er het liefhebben van God en anderzijds het liefhebben van elkaar. Het een kan niet zonder het ander. Dit prachtige getuigenis van het nieuwe leven wordt op het strand, in de openbaarheid, gegeven.

Na het groeten van elkaar scheiden de wegen zich. Paulus en de zijnen gaan aan boord van het schip om de reis naar Jeruzalem te vervolgen. De anderen gaan naar huis, om daar hun getuigenis verder te geven.

Van Tyrus varen ze naar Ptolemaïs. Ook in Ptolemaïs, waar ze maar één dag blijven, brengen ze de tijd door met de broeders. Telkens zien we hoe Paulus de gemeenschap met de plaatselijke gelovigen zoekt. Hij predikt niet alleen over de gemeente, hij beleeft de gemeente.


Bij Filippus en de gelovigen in Caesaréa

8En de volgende dag gingen wij weg en kwamen in Caesaréa; en wij gingen het huis van de evangelist Filippus binnen, die [een] van de zeven was, en bleven bij hem. 9Deze nu had vier maagdelijke dochters die profeteerden. 10Terwijl wij nu vele dagen bleven, kwam er een profeet van Judéa genaamd Agabus; 11en hij kwam bij ons, nam de gordel van Paulus, en na zichzelf aan voeten en handen gebonden te hebben zei hij: Dit zegt de Heilige Geest: de man van wie deze gordel is, zullen de Joden zó binden in Jeruzalem en overleveren in handen van [de] volken. 12Toen wij nu dit hoorden, drongen zowel wij als de plaatselijke [gelovigen] erop aan, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem. 13Toen antwoordde Paulus: Wat doet u, dat u weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven in Jeruzalem voor de Naam van de Heer Jezus. 14En toen hij zich niet liet overreden, hielden wij ons stil en zeiden: Moge de wil van de Heer gebeuren.

De zeereis eindigt in Caesaréa. Vandaar zal de reis verder over land gaan. In Caesaréa zoekt Paulus de evangelist Filippus op, die een van de zeven diakenen was (Hd 6:55En dit woord bevredigde de hele menigte; en zij kozen Stéfanus, een man vol van geloof en van [de] Heilige Geest, en Filippus, Próchorus, Nicánor, Timon, Pármenas en Nicolaüs, een proseliet van Antiochië,). Na zijn prediking in Samaria en zijn ontmoeting met de Ethiopische kamerling was Filippus in Caesaréa gekomen (Hd 8:5,405Filippus nu daalde af naar <de> stad van Samaria en predikte hun Christus.40Filippus echter werd in Asdod gevonden, en hij ging [het land] door en verkondigde het evangelie aan alle steden, totdat hij in Caesaréa kwam.). Daar is hij blijven wonen. Hij is getrouwd en heeft vier ongehuwde dochters die allen profeteren.

Het huis wordt nadrukkelijk “het huis van de evangelist Filippus” genoemd en het profeteren van zijn dochters staat dan ook daarmee in verbinding. Zo profeteerde ook Debora thuis (Ri 4:4-54En Debora, een vrouw die een profetes was, de vrouw van Lappidoth, die gaf in die tijd als richter leiding aan Israël.5Zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en Bethel, in het bergland van Efraïm, en de Israëlieten gingen voor de rechtspraak naar haar toe.). Ook aan vrouwen geeft de Heer de gave van profetie. De dochters van Filippus hebben gesproken tot vermaning, stichting en vertroosting (1Ko 14:33Maar wie profeteert, spreekt voor mensen [tot] opbouwing, vermaning en vertroosting.). Ze hebben dat thuis gedaan en niet in de samenkomst van de gemeente, want daar is het voor vrouwen niet toegestaan (1Ko 14:3434Laten de vrouwen zwijgen in de gemeenten; want het is hun niet geoorloofd te spreken, maar laten zij onderdanig zijn, zoals ook de wet zegt.). Het zijn dan ook niet de dochters van Filippus die te midden van de gemeente een boodschap voor Paulus hebben. Daarvoor wordt Agabus door de Heer vanuit Judéa naar Caesaréa gestuurd.

Agabus beeldt eerst zijn boodschap uit. Hij neemt de gordel van Paulus en bindt zichzelf daarmee, vanzelfsprekend eerst zijn voeten en daarna ook zijn handen. De gordel is een beeld van dienst. De dienst van Paulus aan de Joden zal ertoe leiden dat hij door hen gevangengenomen zal worden. Dan spreekt Agabus als de mond van de Heilige Geest uit wat er met Paulus in Jeruzalem zal gebeuren.

Wat vandaag de zogenaamde profeten beweren als zij zeggen ‘zo zegt de Here’, vinden we bij geen enkele nieuwtestamentische profeet, maar alleen bij profeten in het Oude Testament. De zogenaamde hedendaagse profeten zijn met een dergelijke uitspraak dan zeker niet nieuwtestamentisch bezig.

Agabus heeft een boodschap die rechtstreeks van de Heilige Geest komt. Deze boodschap is niet bedoeld om Paulus alsnog ertoe te bewegen zijn plan om naar Jeruzalem te gaan op te geven, maar is een nadere invulling van het eerdere getuigenis dat de Geest heeft gegeven (Hd 20:2323behalve dat de Heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt dat mij gevangenschap en verdrukkingen wachten.).

Als het gezelschap dat Paulus begeleidt en ook de plaatselijke gelovigen horen wat Agabus zegt door de Heilige Geest, willen ze Paulus ervan weerhouden om op te gaan naar Jeruzalem. Het antwoord van Paulus op hun dringende verzoek om niet te gaan is het antwoord van een innerlijk diep overtuigd man. Waar Paulus zich op andere plaatsen wel heeft laten waarschuwen en het gevaar is ontvlucht, doet hij dat hier niet, vanwege zijn sterke natuurlijke liefde voor zijn volk naar het vlees. God staat hierboven en gebruikt dit alles om er Zijn doel mee te bereiken.

Hun tranen doen Paulus wel wat, maar veranderen hem niet in zijn opzet. Zijn motieven zijn goed, hij is niet zelfzuchtig, het gaat hem om zijn verblinde landgenoten aan wie hij zo graag de Heer Jezus als Messias wil voorstellen. Hij denkt daarbij niet aan zichzelf. Het past ons niet Paulus verwijten te maken, maar hem te bewonderen. Die bewondering geldt niet de mens Paulus, maar zijn toegewijde liefde.

Hij heeft het ervoor over niet alleen gebonden te worden, maar zelfs te sterven in Jeruzalem, niet voor zijn volk of zijn idealen, maar “voor de Naam van de Heer Jezus”. Dat is het enige wat hem drijft. Daarom is zijn vastbeslotenheid geen vertrouwen op het vlees, zoals dat bij Petrus zichtbaar is geworden in zijn verloochening van de Heer (Lk 22:33-3433Hij echter zei tot Hem: Heer, ik ben bereid met U zelfs in [de] gevangenis en in [de] dood te gaan.34Hij echter zei: Ik zeg je, Petrus, [de] haan zal vandaag niet kraaien voordat je driemaal hebt geloochend Mij te kennen.). Het gaat hem in alles om de Naam van de Heer Jezus.

Als duidelijk is dat Paulus niet van gedachten zal veranderen, geven zowel het reisgezelschap als de plaatselijke gelovigen de zaak in de handen van de Heer. Ze doen er verder het zwijgen toe. Er is een tijd om te spreken, er is ook een tijd om te zwijgen (Pr 3:77een tijd om stuk te scheuren
en een tijd om dicht te naaien,
een tijd om te zwijgen
en een tijd om te spreken;
)
. Ze beseffen dat zij niet alles naar hun eigen hand kunnen zetten. Gods wil is soms zoveel ingewikkelder dan wij kunnen beredeneren. Gods wil wordt altijd volbracht, maar soms zoveel anders dan wij misschien denken. Het getuigt van wijsheid om vooral dan te zeggen: “Moge de wil van de Heer gebeuren.”


Van Caesaréa naar Jeruzalem

15Na die dagen nu maakten wij ons gereed en gingen op naar Jeruzalem. 16En ook gingen er van de discipelen uit Caesaréa met ons mee en brachten [ons] bij een zekere Mnason, een Cypriër, een vroege discipel, bij wie wij zouden worden gehuisvest.

Alles wordt klaargemaakt om het laatste stuk van de reis af te leggen. Hoewel de reisgenoten van Paulus hebben geprobeerd hem ervan te weerhouden om op te gaan naar Jeruzalem, gaan ze toch mee. Ze zijn ervan overtuigd dat het past in de wil van de Heer dat Paulus toch gaat. Hoewel het naar hun overtuiging beter is dat hij niet gaat, gaan ze toch met hem mee. Ze zien ook dat er bij hem geen sprake is van eigen wil. Hetzelfde geldt voor de plaatselijke gelovigen. Ook zij hebben er bij Paulus op aangedrongen niet te gaan. Als hij toch gaat, gaan er enkele discipelen uit Caesaréa mee.

Dit spreekt van een groot vertrouwen, niet in Paulus, maar in de Heer van Paulus. Ze zien dat de Heer met Paulus meegaat en daarom kunnen zij ook met hem meegaan. Het betekent dat het niet gaat om de vraag wie gelijk heeft, maar of we de wil van de Heer in een zaak erkennen.

Als ze zien dat ze Paulus niet kunnen overtuigen om niet te gaan, geven ze de zaak over aan de Heer. Wat een groot voorbeeld voor ons. We kunnen soms zien dat iemand in zijn liefde voor de Heer en de Zijnen een weg gaat waarvan wij overtuigd zijn dat hij die niet moet gaan. We kunnen zelfs de opdracht krijgen van de Heer om de ander erop te wijzen die weg niet te gaan. Als we dan zien dat de ander die weg toch gaat, terwijl we ook merken dat er werkelijk onbaatzuchtige motieven aan ten grondslag liggen, moeten we tot de oprechte uitspraak kunnen komen: ‘Moge de wil van de Heer gebeuren.’

Dit is een toets voor onze kijk op de zaak. Het kan zomaar zijn dat wij geïrriteerd raken omdat de ander niet wil luisteren. Daarvan merken we bij de reisgenoten van Paulus en de plaatselijke gelovigen van Caesaréa niets. Integendeel, ze vergezellen hem verder naar Jeruzalem. Dit betekent dat zij zich tevens aan de gevaren blootstellen die voorzegd zijn voor Paulus.

Ze gaan mee en brengen hem naar de Cyprioot Mnason. Hij is “een vroege discipel”, wat wil zeggen dat hij een discipel is die al lang een volgeling van de Heer Jezus is. Paulus en zijn reisgenoten krijgen daar onderdak.

Het is opmerkelijk hoe Paulus en de zijnen telkens weer bij gelovigen gastvrij ontvangst en logies hebben gekregen. Dit kan alleen de band van het geloof bewerken. Het geloof heeft toegang gekregen niet alleen tot de harten van de gelovigen, maar ook tot al hun bezittingen die zij ter beschikking van het evangelie hebben gesteld. Zo hebben talloze, voor ons onbekende gelovigen, bijgedragen aan de verbreiding van het evangelie en aan de bevordering van het werk van de Heer. Deze wijze van bijdragen aan het evangelie staat ook nu nog open voor iedere gelovige.


Paulus bezoekt Jakobus

17Toen wij nu in Jeruzalem waren gekomen, ontvingen de broeders ons hartelijk. 18En de volgende [dag] ging Paulus met ons naar Jakobus, en alle oudsten kwamen daar. 19En toen hij hen had gegroet, verhaalde hij in bijzonderheden wat God onder de volken door zijn bediening had gedaan.

Met zijn aankomst in Jeruzalem eindigt de derde zendingsreis van Paulus en ook zijn openbare dienst als vrij man. Tot het einde van het boek beschrijft Lukas uitvoerig wat Paulus allemaal is overkomen als gevolg van zijn verlangen om zijn Joodse broeders voor het evangelie te winnen, of minstens elke hindernis weg te nemen om hen voor het evangelie te winnen. Daarvoor is hij bereid zich aan enkele Joodse gebruiken te onderwerpen. Om de Joden te winnen wil hij de Joden een Jood worden en hun die onder de wet zijn als onder de wet (1Ko 9:2020En ik ben de Joden geworden als een Jood, om [de] Joden te winnen; hun die onder [de] wet zijn, als onder [de] wet (hoewel ik zelf niet onder [de] wet ben), om hen die onder [de] wet zijn te winnen;). Hij doet het allemaal ter wille van het evangelie (1Ko 9:2323En ik doe alles ter wille van het evangelie, om er mededeelgenoot van te zijn.).

Het lijkt er echter op dat zijn opzet het tegenovergestelde bewerkt. Zijn verlangen om zijn landgenoten het bevrijdende evangelie te brengen drijft hem in de handen van de vijandige Joden en vervolgens in de handen van de heidenen. Deze ontwikkeling eindigt met zijn gevangenschap in Rome.

De eerste stappen in die ontwikkeling heeft Paulus al enige tijd geleden in zijn hart gezet en die in praktijk gebracht in zijn reis naar Jeruzalem. Dat heeft een onomkeerbaar proces in gang gezet. De stappen die volgen, vloeien uit de vorige voort.

Paulus wordt in Jeruzalem hartelijk ontvangen door de broeders. Dat betekent niet dat zij het van harte eens zijn met de koers die hij gaat, maar ze aanvaarden hem. Dat ze zo hun vragen hebben over de handelwijze van Paulus, blijkt als hij de volgende dag op bezoek gaat bij Jakobus, waar ook alle oudsten van de gemeente van Jeruzalem gekomen zijn. Jakobus is wel de broeder met de meeste invloed in de gemeente te Jeruzalem.

God heeft gesanctioneerd dat er in Jeruzalem een gemeente is die geheel Joods is gebleven. Hij heeft zelfs Jakobus door Zijn Geest geïnspireerd voor die speciale groep Joodse christenen een brief te schrijven die wij als de brief van Jakobus in de Bijbel hebben. De Joodse christenen onderscheiden zich in niets anders van hun ongelovige Joodse medegenoten dan alleen daarin dat zij in Jezus de Messias erkennen. Verder blijven zij vasthouden aan alle Joodse inzettingen en gebruiken.

Wij mogen wat God nog een tijd heeft verdragen, niet veroordelen. Bij monde van Jakobus hebben deze gelovigen de gelovigen uit de volken door de Geest gevrijwaard van het zich stellen onder de Joodse geboden en inzettingen. We hebben dat in Handelingen 15 gezien (Hd 15:1-311En sommigen die waren gekomen van Judéa, leerden de broeders: Als u niet wordt besneden naar het gebruik van Mozes, kunt u niet behouden worden.2Toen er nu strijd en niet weinig redetwist van de zijde van Paulus en Barnabas tegen hen ontstond, bepaalden zij dat Paulus en Barnabas en enige anderen uit hen zouden opgaan naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem over deze twistvraag.3Nadat zij dan door de gemeente waren uitgeleid, gingen zij door Fenicië en Samaria, verhaalden de bekering van de volken en bereidden alle broeders grote blijdschap.4En in Jeruzalem aangekomen werden zij ontvangen door de gemeente, de apostelen en de oudsten; en zij berichtten alles wat God met hen had gedaan.5Enigen echter van hen die van de sekte der farizeeën waren, die tot geloof waren gekomen, stonden uit [hun midden] op en zeiden dat men hen moest besnijden en bevelen de wet van Mozes te bewaren.6En de apostelen en de oudsten vergaderden samen om deze zaak te bezien.7Toen er nu veel redetwist was ontstaan, stond Petrus op en zei tot hen: Mannen broeders, u weet dat God lang geleden mij onder u heeft uitverkoren, opdat de volken door mijn mond het woord van het evangelie zouden horen en geloven.8En God, Die de harten kent, heeft getuigenis gegeven door aan hen de Heilige Geest te geven evenals ook aan ons;9en Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, daar Hij door het geloof hun harten heeft gereinigd.10Nu dan, waarom verzoekt u God door een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaderen noch wij in staat zijn geweest te dragen?11Maar door de genade van de Heer Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als ook zij.12De hele menigte nu zweeg; en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen welke grote tekenen en wonderen God door hen onder de volken had gedaan.13En nadat dezen zwegen, antwoordde Jakobus en zei: Mannen broeders, hoort naar mij.14Simeon heeft verhaald hoe God in het eerst erop heeft toegezien uit [de] volken een volk aan te nemen voor Zijn Naam.15En hiermee stemmen de woorden van de profeten overeen, zoals geschreven staat:16‘Daarna zal Ik terugkeren en de tent van David weer opbouwen die vervallen is; en wat daarvan is omvergehaald, zal Ik weer opbouwen en Ik zal haar weer oprichten,17opdat de overigen van de mensen de Heer zoeken, en alle volken waarover Mijn Naam is uitgeroepen, zegt [de] Heer Die deze dingen doet’,18die van eeuwigheid af bekend zijn.19Daarom ben ik van oordeel, dat men hen die zich uit de volken tot God bekeren, niet in moeilijkheden moet brengen,20maar hun aanschrijven zich te onthouden van de verontreinigingen van de afgoden, van de hoererij, van <het> verstikte en van het bloed.21Want Mozes heeft er van oude geslachten af in elke stad die hem prediken, daar hij op elke sabbat in de synagogen wordt gelezen.22Toen besloten de apostelen en de oudsten met de hele gemeente mannen uit hen te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te zenden: Judas, Barsabbas geheten, en Silas, mannen die voorgangers onder de broeders waren,23en door hun hand te schrijven: ‘De apostelen en de oudste broeders, aan de broeders uit [de] volken in Antiochië, Syrië en Cilicië, gegroet!24Daar wij hebben gehoord, dat enigen van ons <zijn uitgegaan en> u met woorden in verwarring hebben gebracht en uw zielen aan het wankelen hebben gemaakt, aan wie wij dat niet hadden geboden,25hebben wij, eendrachtig geworden, besloten mannen te kiezen en naar u toe te zenden met onze geliefden, Barnabas en Paulus,26mensen die hun leven hebben overgegeven voor de Naam van onze Heer Jezus Christus.27Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook mondeling hetzelfde zullen berichten.28Want de Heilige Geest en wij hebben besloten u geen grotere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:29u te onthouden van wat aan de afgoden is geofferd, van [het] bloed, van [het] verstikte en van [de] hoererij. Als u zich daarvoor in acht neemt, zult u wél doen. Vaarwel!’30Dezen dan, nadat men hen had laten gaan, kwamen in Antiochië, en zij vergaderden de menigte en overhandigden de brief.31En na die gelezen te hebben verblijdden zij zich over de vertroosting.). Maar als iemand zich bij hen voegt en zich in de sfeer van hun geloofsbeleving en geloofsuitoefening begeeft, merken we hoe groot hun invloed is op hen die zich bij hen voegen. Dat zal blijken uit de handelwijze waartoe de apostel van de volken komt, die voor zichzelf weet dat hij niet onder de wet staat en ook de Joden een Jood kan zijn om hen voor het evangelie te winnen.

Na de gebruikelijke begroeting – die meer is dan een formaliteit, maar uiting geeft aan verbondenheid – geeft Paulus volledig opening van zaken. Hij spreekt over Gods werk onder de heidenen door zijn bediening. Ongetwijfeld wil de Heer daardoor de harten van de Joodse gelovigen verruimen. Zij zijn alleen geconcentreerd op de ontwikkeling van het Joodse christendom en zijn niet zo op de hoogte van wat God onder de volken werkt in hun heidense broeders.


Reacties op het verslag van Paulus

20Toen zij nu dit hadden gehoord, verheerlijkten zij God en zij zeiden tot hem: U ziet, broeder, hoevele tienduizenden er onder de Joden zijn die geloven, en allen zijn zij ijveraars voor de wet. 21En men heeft hun over u verteld dat u alle Joden die onder de volken zijn, afval van Mozes leert door te zeggen dat zij hun kinderen niet moeten besnijden en niet naar de gebruiken wandelen.

Het verslag van Paulus vindt een enthousiast onthaal bij Jakobus en de oudsten van Jeruzalem. Ze verheerlijken God. Maar dan gaan ze direct spreken over wat hen zorgen baart. Ze spreken hem aan met “broeder”, waardoor ze hem als een van hen beschouwen. Daarna wijzen ze op het grote aantal Joden dat tot geloof is gekomen. Al die Joden zijn ijveraars voor de wet. Al deze Messiasgelovige Joden zijn vanwege hun vasthouden aan de wet onbekend met het ware christendom en de hemelse zegeningen.

Zoals al is gezegd, verdraagt God dat ook, maar voor ieder die wel bekend is met het ware christendom en de hemelse zegeningen en zich desondanks in hun geloofsbeleving begeeft, vormt het een gevaar. Dat is wat Paulus doet. Paulus bevindt zich nu op het terrein waar alle aandacht gericht is op het Judaïsme waar de eisen van de wet gelden. De sfeer die daar heerst, stemt niet overeen met de speciale opdracht die hem is gegeven: de verheerlijkte Christus prediken. Dat kan hij ook niet, want dit gezelschap staat daar niet voor open. Nogmaals: God tolereert dit Joodse christendom. Dat wil echter niet zeggen dat gelovigen uit de volken zich ook zo moeten gedragen en zeker de apostel Paulus niet. Maar Paulus kan niet meer terug.

Hij wordt geconfronteerd met een beschuldiging. In Jeruzalem hebben de Joodse christenen gehoord dat hij afval van Mozes leert. Ze zeggen ook waaruit die afval bestaat. Paulus zou leren dat Joden onder de volken hun kinderen niet moeten besnijden en dat ze ook niet naar de Joodse gebruiken moeten wandelen. Dit betekent dat hij deze Joodse christenen in het hart treft. Hij haalt de pijlers van hun geloof omver.

Nu zijn dat kwade geruchten. Door kwade geruchten is al veel onheil gesticht. Ze worden geuit en doorverteld zonder dat er navraag naar de waarheid wordt gedaan. Veel dienaren van God zijn daardoor al in een kwaad daglicht gesteld. Er wordt graag naar geruchten geluisterd. Nehemia bijvoorbeeld heeft dat ondervonden (Ne 6:66Daarin stond geschreven: De volken is ter ore gekomen – en Gasmu zegt het [ook – dat] u en de Joden in opstand denken te komen. Daarom bent u de muur aan het bouwen. En volgens deze geruchten staat u op het punt hun koning te worden.).


Het voorstel aan Paulus

22Wat is er dan [te doen]? Stellig <is het onvermijdelijk dat [de] menigte samenkomt; want [zeker]> zullen zij horen dat u bent gekomen. 23Doe dan wat wij u zeggen: wij hebben vier mannen die <uit zichzelf> onder een gelofte staan. 24Neem hen mee en reinig u met hen en draag de kosten voor hen, opdat zij zich het hoofd kunnen laten scheren; en allen zullen weten dat er van wat over u is verteld, niets [waar] is, maar dat u ook wandelt in het onderhouden van de wet.

Er is van de geruchten aangaande Paulus niets waar. Zo weten we bijvoorbeeld dat wat de besnijdenis betreft, hij zelf Timotheüs heeft besneden (Hd 16:33Paulus wilde dat deze met hem mee zou vertrekken en hij nam hem en besneed hem ter wille van de Joden die in die plaatsen waren; want zij wisten allen dat zijn vader een Griek was.). Jakobus en de oudsten vragen Paulus niet of die geruchten waar zijn. Zij weten wel dat die geruchten niet waar zijn, maar de menigte “van de tienduizenden Joden die geloven”, weet dat niet. Hun moet een overtuigend bewijs geleverd worden dat Paulus helemaal niet tegen de wet en de besnijdenis predikt.

De tienduizenden Joden die geloven, zijn er zeer op bedacht hun kinderen te besnijden en de wet te onderhouden. Niet dat voor hen de behoudenis nog van de besnijdenis afhangt, maar ze onderhouden die als een van God gegeven instelling. Ze zijn in hun geweten zo sterk eraan gebonden, dat zij daarmee doorgaan. Omdat Paulus de besnijdenis niet aan de volken predikt, hebben de ongelovige Joden hem in een kwaad daglicht gesteld. Van het feit dat hij de besnijdenis en de wet niet predikt, hebben zij gemaakt dat hij tegen de besnijdenis en de wet predikt.

Om nu aan de tienduizenden Messiasgelovige Joden te laten zien dat er van die beschuldigingen niets waar is, doen de broeders in Jeruzalem Paulus een voorstel. Als hij doet wat zij voorstellen, zal hij laten zien dat er van die beschuldigingen niets waar is. Als hij weigert op hun voorstel in te gaan, geeft hij de menigte de indruk dat de geruchten op waarheid berusten. Als hij echter hun verlangen inwilligt, zal hij niet de leiding van de Geest in alle vrijheid en liefde als regel aanvaarden. Dit probleem ontstaat, omdat Paulus daar niet gekomen is op grond van een directe opdracht van de Heer, maar gedreven door zijn gehechtheid aan zijn geliefde Joodse volksgenoten. Paulus is in een situatie terechtgekomen dat hij niet anders kan doen dan de gelovige Joden een genoegen doen.

Toch zal blijken dat de Heer ook hier de omstandigheden gebruikt om Zijn doel te bereiken. Doordat Paulus op het voorstel ingaat, zal namelijk de hardnekkige tegenstand van de ongelovige Joden zozeer blijken, dat het ook de Messiasgelovige Joden duidelijk zal maken in wat voor een systeem ze zich nog steeds bevinden waar het kwaad over het evangelie zo hardnekkig verbreid wordt. De rest van Handelingen maakt duidelijk hoe verdorven het hele leiderschap van het godsdienstige en tegelijk Godvijandige Jeruzalem is. Het zal de gelovige Joden helpen innerlijk van het Jodendom los te komen en zich geheel naar het nieuwe te voegen.

Ze zullen daardoor ook innerlijk ontvankelijk worden gemaakt voor het onderwijs van de brief aan de Hebreeën. Hoewel de brief geen afzender noemt, blijkt uit de inhoud dat hij door niemand anders dan door Paulus geschreven kan zijn, hoogstwaarschijnlijk vanuit de gevangenis in Rome (Hb 13:2424Groet al uw voorgangers en alle heiligen. U groeten die van Italië.). Deze brief is een gevolg van deze hele ontwikkeling waardoor Paulus ten slotte in Rome terechtkomt.

Het voorstel van de broeders van Jeruzalem, dat ook een zeker element van dwang bevat, is dat Paulus zich bij vier mannen aansluit die een gelofte hebben gedaan. Deze vier mannen zijn Joodse christenen. De gelofte die ze hebben gedaan, lijkt de nazireeërgelofte te zijn, waarbij zij voor een bepaalde tijd zich aan iets hebben verbonden om te doen of niet te doen. In de tijd van hun gelofte zal iets zijn gebeurd waardoor zij verontreinigd zijn en zij zich het hoofd moeten scheren en zich reinigen (Nm 6:8-128Alle dagen van zijn nazireeërschap is hij heilig voor de HEERE.9En wanneer de gestorvene onverwachts, plotseling, in zijn nabijheid sterft, zodat hij het hoofd van zijn nazireeërschap verontreinigt, dan moet hij op de dag van zijn reiniging zijn hoofd scheren; op de zevende dag moet hij het scheren.10En op de achtste dag moet hij twee tortelduiven of twee jonge duiven naar de priester brengen, bij de ingang van de tent van ontmoeting.11De priester moet er één als zondoffer en één als brandoffer bereiden, en moet verzoening voor hem doen, omdat hij gezondigd heeft vanwege die dode. Hij moet zijn hoofd op diezelfde dag [weer] heiligen.12Daarna moet hij [opnieuw] de dagen van zijn nazireeërschap aan de HEERE wijden; hij moet als schuldoffer een lam van een jaar oud brengen. En de vorige dagen vervallen, omdat zijn nazireeërschap verontreinigd was.).

Wat van Paulus wordt gevraagd, is niet iets zondigs. Hij handelt vanuit zijn liefde voor het volk. Maar geeft Paulus, door met hun handelwijze in te stemmen, niet de indruk dat hij onder de wet staat en de wet als norm voor zijn leven neemt?


Paulus gaat op het voorstel in

25Wat echter de gelovige volken betreft, wij hebben [hun] aangeschreven, na besloten te hebben <dat zij niets dergelijks moesten onderhouden dan> dat zij zich moesten wachten voor wat aan de afgoden is geofferd, voor [het] bloed, voor [het] verstikte en voor [de] hoererij. 26Toen nam Paulus de mannen mee en na zich de volgende dag met hen te hebben gereinigd ging hij in de tempel en kondigde aan dat de dagen van hun reiniging zouden zijn vervuld wanneer voor ieder van hen de offerande was gebracht.

De broeders van Jeruzalem maken Paulus duidelijk dat ze beseffen dat hun opstelling niet geldt voor de gelovigen uit de heidenen. Ze herhalen wat ze de gelovige volken hebben geschreven. Dat blijft voor hen staan. Ze proberen ook niet de wet aan de volken op te leggen. Het besluit dat daarover in Jeruzalem is genomen (Hd 15:19-2019Daarom ben ik van oordeel, dat men hen die zich uit de volken tot God bekeren, niet in moeilijkheden moet brengen,20maar hun aanschrijven zich te onthouden van de verontreinigingen van de afgoden, van de hoererij, van <het> verstikte en van het bloed.), is onder andere door Paulus aan de volken doorgegeven (Hd 15:22-2922Toen besloten de apostelen en de oudsten met de hele gemeente mannen uit hen te kiezen en met Paulus en Barnabas naar Antiochië te zenden: Judas, Barsabbas geheten, en Silas, mannen die voorgangers onder de broeders waren,23en door hun hand te schrijven: ‘De apostelen en de oudste broeders, aan de broeders uit [de] volken in Antiochië, Syrië en Cilicië, gegroet!24Daar wij hebben gehoord, dat enigen van ons <zijn uitgegaan en> u met woorden in verwarring hebben gebracht en uw zielen aan het wankelen hebben gemaakt, aan wie wij dat niet hadden geboden,25hebben wij, eendrachtig geworden, besloten mannen te kiezen en naar u toe te zenden met onze geliefden, Barnabas en Paulus,26mensen die hun leven hebben overgegeven voor de Naam van onze Heer Jezus Christus.27Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook mondeling hetzelfde zullen berichten.28Want de Heilige Geest en wij hebben besloten u geen grotere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:29u te onthouden van wat aan de afgoden is geofferd, van [het] bloed, van [het] verstikte en van [de] hoererij. Als u zich daarvoor in acht neemt, zult u wél doen. Vaarwel!’). Maar door zijn terugkeer naar Jeruzalem wordt Paulus er nu toe gedwongen zich aan een inzetting van diezelfde wet te onderwerpen, hoe goed bedoeld het motief ook was.

Paulus is zozeer een gevangene van zijn liefde voor zijn verwanten naar het vlees, dat hij zonder enig weerwoord doet wat zij hem voorstellen. Hij neemt zelfs het initiatief. Hij neemt de vier mannen mee en reinigt zich met hen. Ook kondigt hij aan wanneer de dagen van hun reiniging vervuld zullen zijn, namelijk als voor ieder van hen de offerande is gebracht.

Hier hebben we de merkwaardige zaak dat de apostel op zich neemt offers te brengen, alsof die offers niet allemaal terzijde zijn gesteld door het offer van de Heer Jezus. Paulus begeeft zich in een positie die David inneemt als hij zich bij de Filistijnen aansluit om tegen zijn eigen volk te vechten (1Sm 27:11Maar David zei in zijn hart: Ik zal op een dag nog eens door Sauls hand weggevaagd worden. Er is voor mij niets beters [te doen] dan met spoed te ontkomen naar het land van de Filistijnen. Dan zal Saul zijn hoop omtrent mij opgeven om mij nog langer te zoeken in heel het gebied van Israël, en zo zal ik uit zijn hand ontkomen.). Gelukkig voorkomt de Heer door het oproer dat ontstaat dat Paulus werkelijk een offer brengt, zoals Hij ook in het geval van David verhindert dat hij werkelijk tegen zijn volk zal strijden (1Sm 29:6-106Toen riep Achis David en zei tegen hem: [Zo waar] de HEERE leeft, u bent oprecht, en het is goed in mijn ogen dat u met mij in het leger uittrekt en terugkeert. Ik heb immers geen kwaad bij u gevonden van de dag af dat u naar mij toe bent gekomen, tot op deze dag; maar in de ogen van de stadsvorsten bent u niet goed.7Keer daarom nu terug, en ga in vrede, opdat u niets doet wat slecht is in de ogen van de stadsvorsten van de Filistijnen.8Toen zei David tegen Achis: Maar wat heb ik gedaan? Of wat hebt u in uw dienaar gevonden, van de dag af dat ik bij u geweest ben, tot op deze dag, dat ik niet mag gaan strijden tegen de vijanden van mijn heer, de koning?9Achis antwoordde en zei tegen David: Ik weet het; werkelijk, u bent goed in mijn ogen, als een engel van God, maar de bevelhebbers van de Filistijnen hebben gezegd: Laat hem niet met ons mee ten strijde trekken.10Nu dan, sta morgen vroeg op met de dienaren van uw heer die met u meegekomen zijn; en als u morgenvroeg opstaat, ga dan op weg zodra het licht voor u geworden is.).


Paulus gegrepen in de tempel

27Toen nu de zeven dagen ten einde liepen, zagen de Joden uit Asia hem in de tempel, en zij brachten de hele menigte in opschudding en sloegen de handen aan hem 28en schreeuwden: Mannen van Israël, helpt! Dit is de mens die allen overal leert tegen het volk en de wet en deze plaats; en bovendien heeft hij ook Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontheiligd. 29Want zij hadden tevoren de Efeziër Trófimus met hem in de stad gezien, van wie zij meenden dat Paulus hem in de tempel had gebracht. 30En de hele stad kwam in rep en roer en er ontstond een volksoploop; en zij grepen Paulus en sleepten hem buiten de tempel, en terstond werden de deuren gesloten.

Paulus brengt de zeven dagen van de reiniging in de tempel door. Als die periode bijna is afgelopen en hij dus bijna aan het offeren toe is, loopt het alsnog mis. Joden uit Asia, waar Paulus zo lang heeft gewerkt, met name in Efeze, waardoor velen hem kennen en hem hebben tegengewerkt, herkennen hem. Zij zijn ook in Jeruzalem aanwezig om het Pinksterfeest te vieren. Als ze hem zien, brengen ze de menigte in opschudding. Ze grijpen hun kans en ook Paulus. Terwijl Paulus door zijn handelwijze juist heeft willen aantonen dat hij een van hen is, om zo ingang bij hen te krijgen voor het evangelie, keren zij zich massaal tegen hem.

Het oproer dat hier plaatsvindt, doet denken aan het oproer in Efeze in Handelingen 19 (Hd 19:23-4123Omstreeks die tijd nu ontstond er een niet geringe opschudding over de Weg.24Want iemand genaamd Demétrius, een zilversmid die zilveren tempels van Artemis maakte, bracht de kunstenaars niet weinig winst aan.25En hij riep hen bijeen alsook de werklieden in dat bedrijf en zei: Mannen, u weet dat wij aan deze winst onze welvaart danken;26en u ziet en hoort, dat deze Paulus een aanzienlijke menigte, niet alleen van Efeze maar bijna van heel Asia, heeft overreed en afkerig gemaakt door te zeggen dat [goden] die met handen worden gemaakt, geen goden zijn.27Nu is er niet alleen gevaar voor ons dat deze bedrijfstak in een kwade reuk komt, maar ook dat de tempel van de grote godin Artemis als niets wordt geteld en dat ook haar majesteit zal ten onder gaan, die door heel Asia en het aardrijk wordt vereerd.28Toen zij nu dit hoorden en met toorn werden vervuld, schreeuwden zij aldus: Groot is de Artemis van [de] Efeziërs!29En de stad raakte vol van de verwarring en zij stormden eendrachtig naar het theater en sleurden Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, reisgenoten van Paulus mee.30Toen nu Paulus zich onder het volk wilde begeven, lieten de discipelen het hem niet toe.31En ook sommigen van de oversten van Asia, die zijn vrienden waren, zonden [een boodschap] naar hem en drongen erop aan zich niet in het theater te begeven.32Sommigen dan schreeuwden dit, anderen dat, want de vergadering was in verwarring en de meesten wisten niet waarom zij waren samengekomen.33Uit de menigte nu lichtte men Alexander in, nadat de Joden hem naar voren hadden geduwd. En Alexander wenkte met de hand en wilde zich voor het volk verdedigen.34Toen zij echter merkten dat hij een Jood was, ging er één geroep op van allen en ongeveer twee uur lang schreeuwden zij: Groot is de Artemis van [de] Efeziërs!35Nadat nu de stadsschrijver de menigte had gekalmeerd, zei hij: Mannen van Efeze, wie is er toch onder [de] mensen die niet weet dat de stad van [de] Efeziërs tempelbewaarster is van de grote Artemis en van het [beeld] dat uit de hemel is gevallen?36Daar dan deze dingen niet tegen te spreken zijn, moet u zich rustig houden en niets overijlds doen.37Want u hebt deze mannen hier gebracht, die geen tempelrovers zijn en geen lasteraars van onze godin.38Als dan Demétrius en de kunstenaars met hem tegen iemand een zaak hebben, er worden rechtsdagen gehouden en er zijn proconsuls; laten zij elkaar aanklagen.39Als u echter daarenboven nog iets verlangt, zal dat in de wettige vergadering worden beslist.40Wij lopen immers gevaar van oproer te worden beschuldigd wegens vandaag, daar er geen aanleiding is waarover wij rekenschap zullen kunnen geven betreffende deze oploop.41En met deze woorden ontbond hij de vergadering.). Daar gaat het om een heidense tempel, hier gaat het om Gods tempel. Daar wordt het veroorzaakt door afgodendienaars, hier wordt het veroorzaakt door Gods oude volk. In beide gevallen gebeurt het met onzuivere middelen.

Terwijl ze hem vasthouden, schreeuwen ze om de hulp van de mannen van Israël. Ze hebben de man te pakken die de vreselijkste dingen leert en doet. In de ogen van deze ongelovige Joden is Paulus een afvallige Jood. Hij predikt niet de exclusiviteit van het Jodendom en eist van de volken geen onderwerping aan de inzettingen van de wet. Hij zet de deur tot God voor de heidenen open door het evangelie aan hen te prediken, zonder ze te verplichten tot Israël toe te treden en de wet van Israël op te leggen.

Ze beschuldigen hem ervan dat geen mens, “allen”, en geen plaats, “overal”, veilig is voor zijn boze leringen. Zijn boze leringen betreffen “het volk en de wet en deze plaats”. Zijn leringen tegen ‘het volk’ blijken uit het voorbijgaan aan de exclusiviteit van het Jodendom, uit het aanbieden van de behoudenis buiten het Jodendom om. Zijn leringen tegen ‘de wet’ blijken uit het niet opleggen ervan aan de volken, maar integendeel het zeggen dat de gelovigen uit de volken vrij zijn van de wet. Zijn leringen tegen ‘deze plaats’, dat is de tempel, blijken uit zijn onderwijs over de gemeente die hij ook vergelijkt met een tempel (1Ko 3:1616Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?; Ef 2:21-2221in Wie [het] hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer;22in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.).

Ze roepen beschuldigingen die Paulus volgens Jakobus en de oudsten door zich aan de wet te onderwerpen juist zou moeten ontkrachten. Zijn vijanden doen er echter nog een schepje bovenop door eraan toe te voegen dat hij nota bene ook nog een heiden de tempel heeft binnengeloodst, niet slechts in de voorhof van de heidenen, maar in het deel waar alleen Joden mogen komen. Daardoor heeft hij de tempel ontheiligd.

Ze beperken zich daarbij niet tot één Griek in wiens gezelschap zij Paulus hebben gezien, maar spreken over Grieken die hij in de tempel zou hebben gebracht. Ze baseren hun veronderstelling of conclusie op het feit dat ze Paulus samen met zijn van oorsprong heidense vriend Trófimus in de stad hebben gezien. Het is een dwaze veronderstelling, maar hij wordt evengoed geuit. Die beschuldiging doet de vlam in de pan slaan. Er zijn zeer veel mensen aanwezig vanwege het feest en door hun geroep ontstaat er een volksoploop.

De gemoederen raken steeds verder verhit. Paulus wordt gegrepen en buiten de tempel gesleept. Direct achter hem gaan de deuren van de tempel dicht. Uiterlijke heiligheid is alles. De tempel is in hun ogen verontreinigd en moet eerst worden gereinigd voor er weer dienst kan worden gedaan. Mogelijk doen ze dit ook om te voorkomen dat Paulus zich losrukt en de tempel binnen vlucht om de horens van het altaar beet te pakken en zo aan zijn straf te ontkomen (Ex 21:13-1413Maar [voor het geval] dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten.14Maar wanneer iemand moedwillig tegen zijn naaste optreedt [en] hem met list doodt, moet u hem bij Mijn altaar vandaan halen, zodat hij zal sterven.; 1Kn 2:28-2928Toen dit gerucht Joab bereikte – Joab had zich immers achter Adonia geschaard, maar achter Absalom had hij zich niet geschaard – vluchtte Joab naar de tent van de HEERE en greep de horens van het altaar vast.29En aan koning Salomo werd bekendgemaakt dat Joab naar de tent van de HEERE was gevlucht, en zie, hij bevond zich bij het altaar. Toen stuurde Salomo Benaja, de zoon van Jojada, [erheen] en zei: Ga, steek hem dood.).


Paulus door de Romeinen ontzet

31En terwijl zij hem trachtten te doden, werd aan de overste van de legerafdeling gemeld dat heel Jeruzalem in verwarring was; 32deze nam onmiddellijk soldaten en hoofdlieden met zich mee en liep snel op hen af. Toen zij nu de overste en de soldaten zagen, hielden zij op Paulus te slaan. 33Toen naderde de overste, greep hem en beval hem met twee ketenen te boeien; en hij vroeg wie hij was en wat hij had gedaan. 34In de menigte nu riepen sommigen dit, anderen dat; en daar hij het rechte niet te weten kon komen vanwege het tumult, beval hij hem in de legerplaats te brengen. 35En toen hij bij de trappen was, gebeurde het dat hij door de soldaten werd gedragen vanwege het geweld van de menigte. 36Want de volksmenigte volgde, terwijl zij schreeuwden: Weg met hem!

Het lijkt erop dat Paulus’ laatste uur geslagen heeft, zo heeft hij dat waarschijnlijk toch wel beleefd. De Joden, zijn volk, zijn tegen hem. Van zijn Joods-christelijke medebroeders vernemen we niets meer. Dan regelt de Heer dat de overste van de legerafdeling ervan hoort. Deze treedt kordaat op. Hij kent de licht ontvlambare Joden en zeker vanwege de drukte van het feest zal hij zijn soldaten in de hoogste staat van paraatheid hebben gebracht om in te grijpen zodra er een opstootje zou plaatsvinden. In de burcht Antonia was altijd een garnizoen soldaten dat klaar stond om op te treden. Vanaf de burcht hadden ze een goed overzicht over het tempelplein.

De overste neemt een afdeling soldaten mee en gaat naar de plaats waar de lynchpartij in volle gang is. Als zij die zich aan Paulus vergrijpen de overste en de soldaten zien, houden ze op Paulus te slaan. Hij moet dan toch al de nodige vuistslagen en schoppen hebben gehad. De overste bevrijdt Paulus, maar niet om hem vrij te laten. Hij geeft bevel Paulus met twee ketenen te boeien. Iemand die zich zo de volkswoede op de hals haalt, moet toch wel heel wat op zijn geweten hebben, zo zal hij hebben gedacht. Hij zag direct dat het niet een ordinaire ruzie was. Hij vraagt aan de menigte naar de persoon van Paulus en naar het misdrijf dat hij kennelijk begaan moet hebben. Zoals zo vaak is de menigte niet eenstemmig omdat velen bij deze rel betrokken zijn geraakt zonder te weten waarom het gaat.

De overste wordt van de menigte niets wijzer en beveelt dat Paulus in de legerplaats, de burcht Antonia, wordt gebracht om hem daar te verhoren. Dat gebeurt via de trappen die van de voorhof van de heidenen naar de burcht voeren. Deze trappen worden de tribune voor de rede van Paulus tot het volk. Het is symbolisch dat hij spreekt tot het volk dat hier in de voorhof van de heidenen bijeen is. De voorhof van de heidenen is overigens gemaakt naar aanleiding van het woord dat het huis van God een huis van gebed zou zijn voor alle volken (Js 56:77hen zal Ik ook brengen naar Mijn heilige berg,
en Ik zal hen verblijden in Mijn huis van gebed.
Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar.
Want Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken.
)
.

Paulus is dan wel ontzet en door de overste en de soldaten gevangengenomen, maar dat betekent niet dat de bloeddorst van de menigte gestild is. Ze zien hun prooi ontsnappen en proberen hem weer in handen te krijgen. De soldaten moeten hem beschermen tegen het geweld van de menigte door hem in hun midden te nemen en te dragen. Terwijl hun prooi aan hun handen ontkomt, schreeuwen ze: “Weg met hem.” Deze roep heeft ook geklonken tegen de Heer Jezus (Lk 23:1818Massaal echter schreeuwden zij het uit en zeiden: Weg met Hem, en laat ons Barabbas los!). Paulus heeft hierin deel aan het lijden van Christus (Fp 3:1010om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding en <de> gemeenschap aan Zijn lijden, terwijl ik aan Zijn dood gelijkvormig word,).


Paulus wil tot het volk spreken

37En toen Paulus op het punt stond in de legerplaats te worden gebracht, zei hij tot de overste: Is het mij ook geoorloofd u iets te zeggen? Hij nu zei: Kent u Grieks? 38Bent u dan niet de Egyptenaar die enige tijd geleden oproer maakte en de vierduizend Sicariërs naar de woestijn uitleidde? 39Paulus echter zei: Ik ben integendeel een Joods man uit Tarsus, een burger van een niet onvermaarde stad in Cilicië; en ik smeek u, staat u mij toe tot het volk te spreken. 40En toen hij het had toegestaan, wenkte Paulus, terwijl hij op de trappen stond, met de hand tot het volk; en toen er een diepe stilte was ontstaan, sprak hij hen toe in de Hebreeuwse taal en zei:

Paulus wil zich niet zomaar aan zijn vervolgers onttrekken. Hij is niet iemand die dankbaar gebruikmaakt van zijn bevrijding uit de hand van hen die hem willen vermoorden. Vanwege zijn liefde voor hen wil hij zich voor hen verdedigen of verantwoorden. Altijd is hij erop uit om de Joden voor het evangelie te winnen. Hij vraagt aan de overste om toestemming hen toe te spreken, waarmee hij de macht erkent van degene van wie hij de gevangene is.

Paulus spreekt de overste aan in het Grieks, de taal van de beschaving. De overste is daarover verbaasd, want hij had een totaal andere indruk van de man die de aanleiding is voor zo’n tumult. Hij meende dat hij een grote slag had geslagen en de Egyptenaar in handen had gekregen die maar liefst vierduizend Sicariërs uit de stad had weten te leiden naar de woestijn om van daaruit nieuwe pogingen te doen onder het volk hun slag te slaan. Sicariërs ofwel Sluipmoordenaars zijn de leden van een fanatieke Joodse partij die zich tijdens de feesten onder het volk mengden om hun tegenstanders heimelijk met een kort zwaard, de sica, neer te steken.

Paulus verklaart dat hij niet tot een dergelijke partij behoort. Integendeel, hij heeft een respectabele Joodse achtergrond en een even respectabele burgerlijke status, afkomstig als hij is uit de bekende universiteitsstad Tarsus in de Romeinse provincie Cilicië. De overste zal verbaasd kennis hebben genomen van het feit dat Paulus een Jood is en zich hebben afgevraagd wat deze van woede kokende Joden dan wel tegen hem zouden hebben. Ook de plaats van herkomst van deze Joodse man zal hem hebben bevreemd. Hoe dan ook neemt de overste met die informatie genoegen om het verzoek van Paulus toe te staan.

Nadat Paulus de gewenste toestemming heeft gekregen, wenkt hij met de hand als een verzoek om stilte en met de bedoeling iets te gaan zeggen. Er ontstaat een diepe stilte. Paulus staat vol waardigheid op de trappen van de burcht, terwijl hij vol bloed en wonden zal zijn geweest door de mishandeling van het volk dat hij gaat toespreken. Hij spreekt hen toe in het Hebreeuws, hun eigen taal, de taal die zij in de omgang als leden van Gods volk onder elkaar gebruikten.


Lees verder