Handelingen
1-6 Van Efeze naar Troas 7 De eerste dag van de week 8-9 De val van Eutychus 10-12 Het herstel van Eutychus 13-16 Van Troas naar Miléte 17 Paulus roept de oudsten van Efeze bij zich 18-21 Paulus’ dienst bij de Efeziërs 22-24 Het evangelie van de genade van God 25-27 Het koninkrijk en de raad van God 28-31 Waarschuwingen 32 God en het Woord van Zijn genade 33-35 Paulus wijst nog eens op zijn voorbeeld 36-38 Het afscheid
Van Efeze naar Troas

1Nadat nu het tumult voorbij was, riep Paulus de discipelen bij zich en vermaande hen, groette hen en ging op reis naar Macedonië. 2Nadat hij die streken had doorreisd en hen met vele woorden had vermaand, kwam hij in Griekenland. 3En nadat hij er drie maanden had doorgebracht en door de Joden een aanslag tegen hem werd gesmeed toen hij op het punt stond naar Syrië af te varen, vatte hij het plan op door Macedonië terug te keren. 4En hem vergezelden <tot in Asia> Sópater, [de zoon] van Pyrrhus, van Beréa; van [de] Thessalonicenzen, Aristarchus en Secundus, Gajus van Derbe, Timotheüs, en [de] Asiaten Tychicus en Trófimus. 5Dezen nu gingen vooruit en wachtten op ons in Troas, 6maar wij voeren na de dagen van de ongezuurde broden van Filippi af en kwamen in vijf dagen bij hen in Troas, waar wij zeven dagen verbleven.

Na het tumult roept Paulus de discipelen van Efeze bij zich en vermaant – of: bemoedigt, of: vertroost – hen. Met een groet neemt hij afscheid van hen en gaat op reis naar Macedonië, zoals hij zich dat had voorgenomen (Hd 19:2121Toen nu deze dingen waren volbracht, nam Paulus zich in zijn geest voor door Macedonië en Achaje naar Jeruzalem te reizen en zei: Nadat ik daar ben geweest, moet ik ook Rome zien.). Daar schrijft hij zijn tweede brief aan de Korinthiërs nadat hij van Titus het goede nieuws heeft gehoord over de reactie van de gemeente in Korinthe op zijn eerste brief aan hen. In enkele woorden wordt de reis door Macedonië weergegeven, zonder plaatsnamen of verblijfsduur.

Op zijn doorreis heeft Paulus wel telkens de gelovigen opgezocht en toegesproken. Hoewel er van een langdurig verblijf geen sprake is, heeft hij geen vluchtige en oppervlakkige woorden gesproken. Hij heeft intensief, “met vele woorden”, de gelovigen vermaand of bemoedigd. Hij heeft hun een hart onder de riem gestoken, hen opgebouwd op hun allerheiligst geloof.

Dan komt hij in Griekenland, zonder dat ook hier een plaats vermelding gegeven wordt. In de drie maanden die Paulus in Griekenland is, zal hij zeker de gemeente in Korinthe hebben bezocht. In deze drie maanden schrijft hij vanuit Korinthe zijn brief aan de Romeinen. Hij ziet af van zijn plan om naar Syrië af te varen. Hij had dat graag gedaan, want dan zou hij via Antiochië naar Jeruzalem kunnen gaan en zo het eerste deel van zijn voornemen hebben uitgevoerd. Maar een voornemen van de Joden is voor hem de aanleiding zijn reisroute te veranderen. Zij smeden de zoveelste aanslag tegen hem. Dat brengt hem tot het besluit om over land door Macedonië terug te keren. Hij heeft zich hierin ongetwijfeld laten leiden door de Geest, maar het hangt ook volledig samen met zijn eigen overwegingen hoe hij moet reageren op het plan van de Joden om hem te doden.

Lukas somt vervolgens de reisgenoten van Paulus op. Het zijn er zeven. De opsomming van de namen laat de belangstelling zien die God heeft voor mensen die met Paulus meegaan en zijn dienst ondersteunen. Ze komen uit verschillende plaatsen waar Paulus het evangelie heeft verkondigd en de gelovigen heeft onderwezen.

Sópater komt uit Beréa, waar de gelovigen het Woord dat Paulus heeft gebracht met alle bereidwilligheid hebben aangenomen, terwijl ze dagelijks de Schriften hebben onderzocht of wat Paulus heeft gezegd daarmee overeenstemt (Hd 17:1111Dezen nu waren edeler dan die in Thessalonika: zij ontvingen het Woord met alle bereidwilligheid, terwijl zij dagelijks de Schriften onderzochten of deze dingen zo waren.). Een dergelijke bereidwillige en door de Schriften gevormde gelovige zal voor Paulus een grote steun zijn geweest. Hij is de zoon van Pyrrhus, dat ‘vurige’ betekent. Mogelijk dat Sópater net als Apollos ‘vurig van geest’ is.

Aristarchus en Secundus komen uit Thessalonika waar Paulus de Heer Jezus als Koning heeft gepredikt (Hd 17:77en Jason heeft hen opgenomen; en dezen handelen allen tegen de verordeningen van de keizer door te zeggen dat er een andere Koning is: Jezus.). Zij stellen zich onder Zijn gezag. Aristarchus wordt door Paulus zijn ‘medegevangene’ en zijn ‘medearbeider’ genoemd (Ko 4:1010U groet Aristarchus, mijn medegevangene, en Markus, de neef van Barnabas, over wie u bevelen ontvangen hebt (als hij bij u komt, ontvangt hem),; Fm 1:2424Markus, Aristarchus, Demas en Lukas, mijn medearbeiders.). Secundus betekent ‘tweede’, een naam die aanduidt dat hij de tweede plaats inneemt en dat voor hem de Heer Jezus de Eerste is.

Gajus komt uit Derbe, waar ook Timotheüs vandaan komt. Tychicus en Trófimus komen uit de provincie Asia, waarbij we van Trófimus weten dat hij uit Efeze komt (Hd 21:2929Want zij hadden tevoren de Efeziër Trófimus met hem in de stad gezien, van wie zij meenden dat Paulus hem in de tempel had gebracht.). Tychicus wordt door Paulus een “geliefde broeder en trouwe dienaar in de Heer” en “medeslaaf in de Heer” genoemd (Ef 6:2121Opdat ook u mijn omstandigheden weet, hoe het met mij gaat, zal Tychicus, de geliefde broeder en trouwe dienaar in [de] Heer, u alles bekendmaken;; Ko 4:77Alles wat mij aangaat zal Tychicus, de geliefde broeder en trouwe dienaar en medeslaaf in [de] Heer, u bekendmaken.). Trófimus heeft de reis niet helemaal mee kunnen maken. Hij is ziek geworden en Paulus heeft hem ziek in Miléte moeten achterlaten (2Tm 4:2020Erastus is in Korinthe gebleven en Trófimus heb ik in Miléte ziek achtergelaten.).

Deze zeven mannen reizen vooruit naar Troas, waar zij op Paulus en Lukas wachten. We zien aan het gebruik van het woord “ons” dat Lukas zich inmiddels weer bij Paulus heeft gevoegd. Zie het gebruikte woord “zij” in Handelingen 16 (Hd 16:4040Toen zij nu de gevangenis waren uitgegaan, gingen zij naar Lydia; en toen zij de broeders zagen, vermaanden zij hen en gingen weg.), na het “wij” ook in Handelingen 16 (Hd 16:1010Toen hij nu het gezicht had gezien, trachtten wij terstond naar Macedonië te vertrekken, daar wij [daaruit] opmaakten dat God ons had geroepen om hun het evangelie te verkondigen.). Paulus en Lukas varen na de dagen van de ongezuurde broden van Filippi af.

Overigens ligt er tussen het tijdstip waarop Paulus uit Filippi vertrekt terwijl Lukas daar achterblijft, en het moment waarop ze elkaar hier weer ontmoeten een periode van zes á zeven jaar. Al die tijd heeft Lukas ongetwijfeld de gemeente gediend. Daarover zegt hij niets. Hij cijfert zichzelf weg. Het gaat hem om Gods werk door middel van het daartoe door Hem uitverkoren vat.

Lukas vermeldt als tijdstip van het afvaren van Filippi dat het “na de dagen van de ongezuurde broden” is. Tot aan de Pinksterdag, het tijdstip waarop Paulus in Jeruzalem wil zijn (vers 1616Want Paulus had zich voorgenomen Efeze voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen, want hij haastte zich om zo mogelijk op de Pinksterdag in Jeruzalem te zijn.), zijn nog slechts zeven weken te gaan. Er is haast geboden. Die haast leidt niet tot overhaasting, want als Paulus en Lukas in Troas aankomen, blijven ze daar zeven dagen.


De eerste dag van de week

7Toen wij nu op de eerste [dag] van de week vergaderd waren om brood te breken, sprak Paulus, die de volgende dag zou vertrekken, hen toe en rekte zijn rede tot middernacht.

De reden van het verblijf van zeven dagen in Troas lijkt geen andere te zijn dan om in Troas het avondmaal te vieren (vgl. Hd 21:4-54Toen wij nu de discipelen hadden gevonden, bleven wij daar zeven dagen. Dezen zeiden Paulus door de Geest niet op te gaan naar Jeruzalem.5Toen het nu gebeurde dat wij die dagen ten einde hadden gebracht, gingen wij weg en reisden verder, terwijl zij allen met vrouwen en kinderen ons uitgeleide deden tot buiten de stad; en wij knielden neer op het strand en baden,; 28:1414waar wij broeders vonden en ons verzocht werd zeven dagen bij hen te blijven; en zo gingen wij naar Rome.). Dat doen ze op de avond van de eerste dag van de week. De samenkomst is ’s avonds, want de zondag is een gewone werkdag. Paulus en Lukas zijn dus op maandag aangekomen. Ze organiseren niet vanwege de haast die ze hebben een samenkomst op maandag of dinsdag om dan het avondmaal te vieren, maar ze wachten tot zondag.

Dat is de geëigende dag om het avondmaal te vieren en wel in het verband van de plaatselijke gemeente (1Ko 10:14-2214Daarom, mijn geliefden, ontvlucht de afgodendienst.15Ik spreek als tot verstandigen; beoordeelt u wat ik zeg.16De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus?17Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood.18Kijkt u naar Israël naar [het] vlees. Hebben niet zij die de offers eten, gemeenschap met het altaar?19Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is?20[Nee], maar dat wat <de volken> offeren, zij dat aan [de] demonen <offeren> en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen.21U kunt niet [de] drinkbeker van [de] Heer drinken en [de] drinkbeker van [de] demonen; u kunt niet deelnemen aan [de] tafel van [de] Heer en aan [de] tafel van [de] demonen.22Of willen wij de Heer tot jaloersheid verwekken? Zijn wij soms sterker dan Hij?; 11:17-3417Nu ik dit beveel, prijs ik [u] niet, omdat u niet ten goede, maar ten kwade samenkomt.18Want ten eerste hoor ik, dat er, wanneer u als gemeente samenkomt, scheuringen onder u zijn, en ten dele geloof ik het.19Want er moeten ook sekten onder u zijn, opdat <ook> de beproefden onder u openbaar worden.20Wanneer u nu op één plaats samenkomt, is dat niet ‘s Heren avondmaal eten;21want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen avondmaal, en de een is hongerig en de ander dronken.22Hebt u dan soms geen huizen om te eten en te drinken? Of veracht u de gemeente van God en beschaamt u hen die niets hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? Hierin prijs ik [u] niet.23Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam;24en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.25Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.26Want zo dikwijls u dit brood eet en de drinkbeker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt.27Daarom, wie op onwaardige wijze het brood eet of de drinkbeker van de Heer drinkt, zal schuldig zijn aan het lichaam en het bloed van de Heer.28Maar laat men zichzelf beproeven en zo eten van het brood en drinken van de drinkbeker.29Want wie eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, als hij niet het lichaam <van de Heer> onderscheidt.30Daarom zijn er onder u vele zwakken en zieken en nogal velen zijn ontslapen.31Als wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet geoordeeld worden;32maar als wij geoordeeld worden, dan worden wij door <de> Heer getuchtigd, opdat wij niet met de wereld veroordeeld worden.33Daarom, mijn broeders, als u samenkomt om te eten, wacht op elkaar.34Als iemand honger heeft, laat hij thuis eten, opdat u niet tot een oordeel samenkomt. – De overige dingen nu zal ik ordenen als ik kom.). Van een avondmaalsviering met zijn metgezellen ergens onderweg los van een plaatselijke gemeente is nergens sprake. Het hele gezelschap komt met de plaatselijke gelovigen op de eerste dag van de week samen om brood te breken. Daarbij neemt Paulus dezelfde plaats in als de jongste in het geloof.

De eerste dag van de week is de dag van de opstanding van de Heer Jezus (Mt 28:1-101Laat op de sabbat nu, tegen het aanbreken van de eerste dag van de week, kwam Maria Magdalena en de andere Maria om het graf te bezien.2En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel van [de] Heer daalde neer uit [de] hemel, trad toe en wentelde de steen af en ging daarop zitten.3Zijn gedaante nu was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw.4Uit bangheid voor hem nu beefden de wachters en werden als doden.5De engel antwoordde echter en zei tot de vrouwen: Weest ú niet bang, want ik weet dat u Jezus, de Gekruisigde zoekt.6Hij is hier niet, want Hij is opgewekt zoals Hij heeft gezegd. Komt hier, ziet de plaats waar <de Heer> gelegen heeft.7En gaat vlug heen en zegt Zijn discipelen: Hij is opgewekt <van de doden>, en zie, Hij gaat u voor naar Galiléa; daar zult u Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd.8En zij gingen vlug weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en liepen snel om het Zijn discipelen te berichten.9En <terwijl zij heengingen om het Zijn discipelen te berichten,> zie, Jezus ontmoette hen en zei: Gegroet! Zij nu kwamen naar Hem toe, grepen Zijn voeten en huldigden Hem.10Toen zei Jezus tot hen: Weest niet bang; gaat heen, bericht Mijn broeders dat zij moeten weggaan naar Galiléa, en daar zullen zij Mij zien.). Tweemaal is Hij op die dag aan Zijn discipelen verschenen, terwijl zij samenkwamen (Jh 20:19,2619Toen het dan avond was op die eerste dag van [de] week, en de deuren waar de discipelen waren, wegens hun vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jezus, ging in het midden staan en zei tot hen: Vrede zij u!26En na acht dagen waren Zijn discipelen weer binnen en Thomas bij hen. Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, ging in het midden staan en zei: Vrede zij u!). Deze dag wordt ook treffend “de dag van de Heer” genoemd (Op 1:1010Ik kwam in [de] Geest op de dag van de Heer, en ik hoorde achter mij een luide stem als van een bazuin,). Het is de dag bij uitstek om daarop het “avondmaal van de Heer” (1Ko 11:2020Wanneer u nu op één plaats samenkomt, is dat niet ‘s Heren avondmaal eten;) te vieren.

Het is veelzeggend dat in beide gevallen in het Grieks voor de woorden “van de Heer” een woord wordt gebruikt dat alleen in deze twee gevallen voorkomt en dat betekent ‘toebehorend aan de Heer’. Hierin hebben we toch wel een sterke aanwijzing om het avondmaal van de Heer op de dag van de Heer te vieren. Als we daarbij nemen wat we hier vinden bij de gelovigen in Troas, waar zo nadrukkelijk staat dat zij op de eerste dag van de week samenkomen om het brood te breken, dan hebben we toch wel duidelijke aanwijzingen voor de dag waarop christenen het avondmaal vieren.

Dat er geen gebod gegeven wordt, maar dat er aanwijzingen worden gegeven, past bij het christendom. Het zoeken naar alternatieve dagen betekent in het algemeen het verlaten van de christelijke positie om terug te keren naar het Jodendom dat met de schepping verbonden is. Wie dat doet, vergeet dat de zevende dag van de schepping plaats heeft gemaakt voor een nieuw begin uit de dood. In plaats van een rust na een week van gedane arbeid, begint het leven van de christen met rust. Dat mogen we in het avondmaal tot uitdrukking brengen.

Als Paulus met de gelovigen het avondmaal heeft gevierd, spreekt hij de gemeente toe. Het eerste doel van de samenkomst is om brood te breken ook al is de grote apostel Paulus in hun midden. De gemeente geeft nadat het brood is gebroken wel aan Paulus de gelegenheid om aan hen het Woord van God te brengen.


De val van Eutychus

8Nu waren er vele lampen in de bovenzaal waar wij vergaderd waren. 9En een jongeman genaamd Eutychus zat in het venster en werd door een diepe slaap bevangen, toen Paulus lang sprak; en door de slaap bevangen viel hij van de derde verdieping naar beneden en werd dood opgenomen.

Dan beschrijft Lukas een gebeurtenis die binnen het kader van de dienst van Paulus een belangrijke betekenis heeft. We zien in wat er met Eutychus gebeurt het gevaar dat elke gemeente en iedere individuele gelovige bedreigt. Lukas geeft eerst een beschrijving van de ruimte waarin de gelovigen bij elkaar zijn. Het is een bovenzaal, ergens in een gewone woning op de derde verdieping daarvan. Van een speciaal gewijd gebouw waarin christenen samenkomen, maakt de Schrift nergens melding.

Behalve dat het een bovenzaal is, vermeldt Lukas nog dat er veel lampen zijn. Het kan zijn dat hij dit vermeldt, opdat we ons kunnen voorstellen dat het daardoor behoorlijk warm is, want olielampen geven niet alleen licht, maar ook warmte. Hieraan verbindt men dan wel de conclusie dat dit heeft bijgedragen aan het in slaap vallen van Eutychus. Dat zou kunnen. Het werpt wel de vraag op hoe de anderen in de zaal het hebben kunnen volhouden. Eutychus zat immers op de plek waar hij de meeste frisse lucht had. Hij zorgde door zijn positie zelfs voor een blokkade van de instroom van de zo noodzakelijke frisse lucht in de ongetwijfeld volle bovenzaal. Daarom lijkt het erop dat de vermelding van de “vele lampen” meer betekent dan het aangeven van een natuurlijke oorzaak van de val van Eutychus.

Ongetwijfeld bevat deze geschiedenis een les voor ons. We zien dat Eutychus een gevaarlijke plek heeft ingenomen. Hij zit in het venster, dat betekent op de scheiding van twee werelden. Aan de ene kant is daar het vertrek met veel licht, aan de andere kant hoort hij beneden zich het vertier van de wereld. Het woord “bevangen” duidt erop dat hij niet plotseling door slaap is overvallen, maar dat hij langzaam maar zeker in slaap is gevallen.

Het wordt zijn doodsslaap, want hij valt naar beneden en wordt dood opgenomen. Hij moet uit zijn doodsslaap worden opgewekt. Dat doet Paulus. Het is een illustratie van wat Paulus de gelovigen in Efeze toeroept. Hij zegt tegen hen dat ze moeten ontwaken omdat ze slapen. Ze moeten ontwaken en opstaan uit de doden (Ef 5:1414Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.). Er is bij de slapers net zo weinig activiteit als bij de doden.

De discussie of Eutychus echt dood was of dat zijn ziel nog in hem was, is niet zo belangrijk. Het gaat om een situatie dat er geen leven meer zichtbaar is. In die situatie kunnen we terechtkomen als het licht dat we hebben ontvangen niet met Christus in verbinding wordt gebracht. Leven wordt alleen zichtbaar als Christus over ons licht. Misschien moeten we onszelf maar eens de vraag stellen: Wat houdt mij echt wakker? Christenen die zitten te knikkebollen als de dienst een uur duurt, zijn wel in staat een nacht op te blijven om te vissen, of sportevenementen te volgen, of concerten bij te wonen, of lange tv-programma’s te zien.

Eutychus was niet binnen en niet buiten. Misschien was hij gekomen om de grote apostel een keer te zien en hem te horen spreken. Zo kunnen ook vandaag jongeren afkomen op grote namen zonder dat ze naar gewoonte de samenkomst bezoeken. Misschien viel het toch wat tegen en verloor hij gaandeweg zijn belangstelling voor wat Paulus zei. Misschien zag hij zijn vrienden of dacht hij aan hen en aan de leuke dingen die hij met hen had kunnen doen, terwijl hij hier in een duffe ruimte met duffe mensen naar een duffe preek zat te luisteren.

Eutychus moest leren – en ieder van ons moet dat leren – dat niet de prediker het Woord waardevol maakt, maar de toestand van het hart van de luisteraar. Vaak is een val, een zondige daad, het gevolg van verslapping in geestelijke dingen. Voordat Eutychus uit het raam valt, valt hij eerst in slaap. Zo kunnen ook wij in slaap vallen als we naar Paulus luisteren, dat wil zeggen als wij zijn brieven lezen. De slaap waarin de kerk is gevallen en de dode of bijna-dood toestand als gevolg daarvan, komt ook omdat er geen aandacht meer is voor wat Paulus heeft gezegd.


Het herstel van Eutychus

10Paulus echter kwam naar beneden, wierp zich op hem, sloeg zijn armen om hem heen en zei: Maakt geen misbaar, want zijn ziel is in hem. 11En hij ging naar boven, brak het brood en at, en hij praatte lang [met hen], tot aan [de] dageraad, en zo vertrok hij. 12En zij brachten de jongen levend [terug] en werden buitengewoon vertroost.

Het is prachtig en leerzaam hoe Paulus met Eutychus handelt. In de eerste plaats daalt Paulus tot hem af. Hij daalt af naar het niveau van de gevallen jongeman en toont hiermee de houding van de ware herder. In de tweede plaats werpt hij zich op hem. Hij roept dus niet vanaf de derde verdieping, zijn eigen hoge positie, allerlei verwijten naar de jongeman, bijvoorbeeld dat hij niet zo dom had moeten zijn in het venster te gaan zitten, een plaats die om moeilijkheden vraagt. Geen verhalen van eigen schuld. Dat zou ook helemaal geen zin hebben, want Eutychus hoorde toch niets. Iemand die is afgedwaald, moeten we ook niet zo benaderen. Het is belangrijk tot zijn niveau af te dalen en hem dan aan te spreken. Door zich op de jongeman te werpen vereenzelvigt Paulus zich als het ware met hem (vgl. 1Kn 17:21-2221En hij strekte zich driemaal over het kind uit en riep de HEERE aan, en zei: HEERE, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem terugkeren.22De HEERE luisterde naar de stem van Elia en de ziel van het kind keerde in hem terug, en het werd weer levend.; 2Kn 4:3434Vervolgens ging hij op het kind liggen, legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen en zijn handen op diens handen. Hij strekte zich over hem uit en het lichaam van het kind werd warm.). In de derde plaats omarmt Paulus de jongeman. Hij laat hem zijn liefde en aanvaarding voelen in plaats van afwijzing.

Op deze wijze kunnen we de drie verdiepingen die Paulus afdaalt vertalen naar drie stappen die nodig zijn om iemand weer terug te brengen in de gemeenschap met Christus en de gelovigen. Eerst afdalen tot zijn niveau. Vervolgens zich op hem werpen, dat is zich vereenzelvigen met wat hij deed en hem vanuit die houding vertellen wat hij heeft gedaan. Ten slotte hem omarmen, dat is trachten hem in liefde te winnen voor Christus tegen Wie hij heeft gezondigd.

Tegen de anderen zegt Paulus dat ze geen misbaar moeten maken. Allerlei opgewonden toestanden over iemand die is afgeweken, helpen niets. Belangrijk is om herderlijk werk met gelovig gebed te ondersteunen in plaats van maar druk te praten over de val die iemand heeft gemaakt. Door de Geest krijgt Paulus de kracht om de functies van het leven weer te herstellen. De banden tussen ziel en lichaam worden weer hersteld.

Na het herstel van Eutychus gaat Paulus weer naar boven. Hij is niet geschokt of van slag door wat er is gebeurd. Hij heeft wel honger gekregen. Daarom breekt hij het brood en eet. Het breken van het brood is hier niet de avondmaalsviering, zoals sommige uitleggers wel veronderstellen. Het breken van het brood door één persoon is een aanduiding voor het beginnen van een gewone maaltijd (vgl. Hd 27:3535Toen hij nu dit had gezegd en brood had genomen, dankte hij God in bijzijn van allen; en hij brak het en begon te eten.). De viering van het avondmaal is geen persoonlijke daad, maar een gemeenschappelijk gebeuren. De toevoeging “en at” maakt duidelijk dat Paulus hier voedsel nuttigt tot versterking van zijn lichaam. Daarna praat hij nog lang met hen door, in het besef dat hij hen op aarde niet zal terugzien. Tegen de morgen is het tijd, niet om naar bed te gaan, maar om te vertrekken. Paulus is een man met een ongekende energie.

Hij laat de gelovigen in Troas achter met een grote voorraad aan onderwijs en een grote vertroosting door het herstel van Eutychus. De woorden van Paulus en wat er met Eutychus is gebeurd, zullen nog lange tijd als een krachtige impuls voor het geloofsleven van de gemeente in Troas hebben gediend.


Van Troas naar Miléte

13Wij echter gingen vooruit naar het schip en voeren af naar Assus, waar wij Paulus aan boord zouden nemen; want zo had hij het bevolen, daar hijzelf te voet wilde gaan. 14En toen hij zich in Assus bij ons had gevoegd, namen wij hem aan boord en kwamen in Mityléne. 15En vandaar voeren wij af en kwamen de volgende [dag] ter hoogte van Chios; en de daarop volgende voeren wij over naar Samos <en bleven in Trogyllium> en de dag daarna kwamen wij in Miléte. 16Want Paulus had zich voorgenomen Efeze voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen, want hij haastte zich om zo mogelijk op de Pinksterdag in Jeruzalem te zijn.

Vroeg in de ochtend van de maandag vertrekt het gezelschap uit Troas. Het volgende doel is Assus. Dat doel zal per schip worden bereikt, maar Paulus wil te voet naar Assus, zo’n veertig kilometer van Troas verwijderd. Dat Paulus deze voettocht onderneemt na een slapeloze nacht maakt eens te meer duidelijk dat hij een grote wilskracht en ook grote lichaamskracht bezit.

Waarom hij te voet wil gaan, vertelt Lukas niet. Toch kunnen we ons voorstellen dat hij dat doet om alleen te zijn en met de Heer te praten over Zijn werk. Hij wil naar Hem luisteren, in Zijn tegenwoordigheid zijn, zonder de aanwezigheid van mensen die onbedoeld toch vaak voor ‘ruis’ in de omgang met de Heer zorgen. Zo’n tijd heeft iedere dienaar af en toe nodig, opdat hij zijn werk en de verantwoordelijkheden die dat met zich meebrengt, (opnieuw) kan zien zoals God die ziet.

In Assus voegt Paulus zich weer bij hen. Lukas en de anderen nemen hem aan boord. Ze zullen hem hartelijk hebben verwelkomd. Ze hebben het er misschien wel met elkaar over gehad waarom Paulus te voet is gegaan. Hij had immers zo’n haast. Het lijkt erop dat ze hem daarover geen vragen stellen en hem nemen zoals hij is. Er is bij hen vertrouwen dat hij zijn weg met de Heer gaat. Dit vertrouwen is van grote betekenis in elke situatie waarin iemand een weg gaat die anders is dan de weg die wij gaan. Als we weten dat iemand met de Heer leeft, is het van belang zo iemand warm te ontvangen als hij bij ons komt.

Van Assus vaart het gezelschap naar Mityléne. Na een dag varen komen ze ter hoogte van Chios. Na nog een dag varen zijn ze bij Samos waar ze een kort oponthoud in Trogyllium hebben. Weer een dag later komen ze in een van de havens van Miléte. Daarbij zijn ze Efeze voorbijgevaren. Dat heeft Paulus bewust gedaan. Hij weet dat aanleggen in Efeze voor een langdurig oponthoud zou zorgen. Zijn plan ligt vast en de tijd dringt.


Paulus roept de oudsten van Efeze bij zich

17Hij nu zond van Miléte [een boodschap] naar Efeze en riep de oudsten van de gemeente bij zich.

Hoewel Paulus door tijdgebrek niet naar Efeze kan, verlangt hij er toch naar met de gemeente contact te hebben. Hij kan niet de hele gemeente bij zich roepen, maar wel de verantwoordelijken van de gemeente, de oudsten. Vandaar dat hij de halteplaats Miléte gebruikt om deze oudsten bij zich te roepen.

Dat hij dat met een bedoeling doet en niet slechts vanuit een emotionele opwelling, blijkt uit zijn toespraak tot hen. Van zijn twee eerdere toespraken is er één tot de Joden (Hd 13:15-4115En na het lezen van de wet en de profeten zonden de oversten van de synagoge [een boodschap] tot hen en zeiden: Mannen broeders, als u een woord van bemoediging voor het volk hebt, zegt het.16En Paulus stond op, wenkte met de hand en zei: Mannen van Israël, en u die God vreest, hoort:17De God van dit volk Israël verkoos onze vaderen en verhoogde het volk tijdens hun vreemdelingschap in Egypteland en leidde hen met een hoge arm daaruit.18En gedurende ongeveer veertig jaar verzorgde Hij hen in de woestijn;19en na zeven volken te hebben uitgeroeid in [het] land Kanaän, gaf Hij hun land <hun> ten erfdeel,20[dit is totaal] ongeveer vierhonderdvijftig jaar. En daarna gaf Hij richters, tot op Samuel, <de> profeet.21En van toen af vroegen zij om een koning; en God gaf hun Saul, zoon van Kis, een man uit [de] stam van Benjamin, veertig jaar lang.22En na hem te hebben afgezet verwekte Hij hun David tot koning, van wie Hij ook aldus getuigenis gaf: ‘Ik heb David gevonden, de [zoon] van Isaï, een man naar Mijn hart, die Mijn hele wil zal doen’.23Van diens nageslacht heeft God naar [de] belofte aan Israël een Heiland gebracht, Jezus,24nadat Johannes tevoren, vóór zijn optreden, [de] doop van bekering had gepredikt aan het hele volk Israël.25Toen nu Johannes zijn loop voleindigde, zei hij: ‘Wat denkt u dat ik ben? Ik ben het niet; maar zie, na mij komt Hij Wie ik niet waard ben de sandaal van Zijn voeten los te maken’.26Mannen broeders, zonen van Abrahams geslacht, en die onder u God vrezen, tot ons is het woord van deze behoudenis gezonden.27Want zij die in Jeruzalem wonen en hun oversten hebben Hem niet gekend, en de stemmen van de profeten, die op elke sabbat gelezen worden, hebben zij door [Hem] te veroordelen vervuld;28en hoewel zij geen enkele doodsschuld vonden, vroegen zij Pilatus dat Hij zou worden gedood.29Toen zij nu alles hadden volbracht wat over Hem geschreven stond, namen zij Hem van het hout af en legden Hem in een graf.30God echter heeft Hem uit [de] doden opgewekt,31en vele dagen lang is Hij verschenen aan hen die met Hem waren opgegaan van Galiléa naar Jeruzalem, die <nu> Zijn getuigen zijn bij het volk.32En wij verkondigen u de belofte, tot de vaderen gekomen, dat God deze heeft vervuld aan ons, hun kinderen, door Jezus te verwekken,33zoals ook in de tweede Psalm geschreven staat: ‘U bent Mijn Zoon, heden heb ik U verwekt’.34En dat Hij Hem uit [de] doden heeft opgewekt om niet meer tot ontbinding terug te keren, heeft Hij zo gezegd: ’Ik zal u de betrouwbare weldadigheden van David geven’.35Daarom zegt Hij ook in een andere [Psalm]: ‘U zult Uw Heilige geen ontbinding te zien geven’.36Want nadat David in zijn eigen geslacht de raad van God had gediend, is hij wel ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet en heeft ontbinding gezien,37maar Hij Die God heeft opgewekt, heeft geen ontbinding gezien.38U zij dan bekend, mannen broeders, dat door Deze u vergeving van zonden wordt verkondigd39<en> dat van alles waarvan u niet kon worden gerechtvaardigd in [de] wet van Mozes, in Deze ieder die gelooft, gerechtvaardigd wordt.40Kijkt dan uit dat [u] niet overkomt wat gezegd is in de profeten:41‘Ziet, verachters, en verwondert u en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk dat u geenszins zult geloven als iemand het u verhaalt’.) en één tot de heidenen (Hd 17:22-3122Terwijl nu Paulus midden op de Areópagus stond, zei hij: Mannen van Athéne, ik zie aan alles dat u de goden bijzonder toegewijd bent.23Want toen ik [de stad] doorging en uw voorwerpen van verering bekeek, vond ik ook een altaar waarop een opschrift stond: Aan een onbekende God. Wat u dan zonder het te kennen vereert, dat verkondig ik u.24De God Die de wereld heeft gemaakt en alles wat daarin is, Hij Die Heer is van hemel en aarde, woont niet in met handen gemaakte tempels,25en wordt ook niet door mensenhanden verzorgd alsof Hij nog iets nodig heeft, daar Hijzelf aan allen leven en adem en alles geeft.26En Hij heeft uit één <bloed> [het] hele mensengeslacht gemaakt om op [het] hele aardoppervlak te wonen, terwijl Hij de bepaalde tijden en de grenzen van hun woonplaats heeft vastgesteld,27opdat zij God zouden zoeken, of zij misschien naar Hem mochten tasten en Hem vinden, hoewel Hij niet ver is van ieder van ons.28Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, zoals ook enigen van de dichters onder u hebben gezegd: ‘Want wij zijn ook Zijn geslacht’.29Daar wij dus Gods geslacht zijn, behoren wij niet te menen dat de Godheid gelijk is aan goud, zilver of steen, aan beeldwerk van menselijke kunst en vinding.30Met voorbijzien dan van de tijden der onwetendheid beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich allen overal moeten bekeren,31omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een Man Die Hij [daartoe] heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit [de] doden op te wekken.). Hier richt hij zich tot de oudsten van de gemeente in Efeze en in hen tot de hele gemeente daar en over hun hoofden heen vervolgens ook tot de wereldwijde gemeente.

Oudsten worden altijd in het meervoud genoemd en staan alleen in verbinding met de plaatselijke gemeente. Er is dus niet zoiets als een dominee of lerende ouderling. Oudste en opziener is dezelfde persoon. Dat blijkt duidelijk uit vers 2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon]. waar Paulus ditzelfde gezelschap van oudsten opzieners noemt (vgl. Tt 1:5,75Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb.7Want de opziener moet onstraffelijk zijn, als een rentmeester van God, niet aanmatigend, niet opvliegend, geen drinker, geen vechter, niet op schandelijke winst uit,).

Lukas ruimt voor deze toespraak weer veel plaats in. Deze toespraak is namelijk niet alleen van belang voor de oudsten van Efeze en de gemeente daar, maar voor de hele christelijke kerk. Daarin wordt ons een overzicht van de bediening van Paulus gegeven. Het gaat daarbij niet zozeer om de uitwerking van zijn bediening naar buiten toe, de resultaten die dat voor anderen heeft opgeleverd. Het gaat vooral om de innerlijke kant van zijn dienst, wat hij daar zelf bij heeft ervaren en doorstaan, de strijd en zielsoefeningen die ermee gepaard zijn gegaan, de tranen, de zorg, de toewijding waarmee hij zijn bediening heeft verricht. Hij voelt zich in dit kleine gezelschap van verantwoordelijken vrij om zijn gevoelens te uiten, om die met hen te delen als met vrienden.

Zijn toespraak heeft ook een profetische strekking. Hij spreekt erover wat de uitwerking van zijn bediening zal zijn in de geschiedenis van de christelijke kerk als hij en de andere apostelen zouden zijn heengegaan.

In zijn toespraak kijkt hij
1. terug (verzen 18-2118En toen zij bij hem waren gekomen, zei hij tot hen: U weet hoe ik van [de] eerste dag af dat ik Asia betrad, al die tijd bij u ben geweest,19terwijl ik de Heer diende met alle nederigheid, onder tranen en met beproevingen die mij overkwamen door de aanslagen van de Joden;20hoe ik van wat nuttig was niets heb nagelaten u te verkondigen en te leren in het openbaar en in de huizen,21terwijl ik zowel aan Joden als Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus betuigde.),
2. naar het heden (verzen 22-2722En nu, zie, gebonden in de geest reis ik naar Jeruzalem, zonder te weten wat mij daar zal ontmoeten,23behalve dat de Heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt dat mij gevangenschap en verdrukkingen wachten.24Maar ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen.25En nu, zie, ik weet dat u allen onder wie ik ben rondgegaan om het koninkrijk te prediken, mijn gezicht niet meer zult zien.26Daarom getuig ik u op de dag van vandaag, dat ik rein ben van het bloed van allen;27want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen.) en
3. naar de toekomst (verzen 28-3128Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].29Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;30en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.31Daarom waakt, en herinnert u dat ik drie jaar, nacht en dag, niet heb opgehouden ieder met tranen terecht te wijzen.).

Hij spreekt over zijn bediening als
1. evangelist (verzen 21,2421terwijl ik zowel aan Joden als Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus betuigde.24Maar ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen.),
2. leraar (verzen 25,2725En nu, zie, ik weet dat u allen onder wie ik ben rondgegaan om het koninkrijk te prediken, mijn gezicht niet meer zult zien.27want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen.),
3. profeet (verzen 29-3029Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;30en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.) en
4. herder (verzen 31-3531Daarom waakt, en herinnert u dat ik drie jaar, nacht en dag, niet heb opgehouden ieder met tranen terecht te wijzen.32En nu draag ik u op aan God en aan het Woord van Zijn genade, Die machtig is op te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.33Niemands zilver, goud of kleding heb ik begeerd.34U weet zelf, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen die bij mij waren, hebben voorzien.35In alles heb ik u getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en de woorden van de Heer Jezus in herinnering moet houden, dat Hijzelf heeft gezegd: Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.). Als herder heeft hij oog voor de hele kudde, waarbij hij zijn zorg voor de zwakken speciaal noemt (vers 3535In alles heb ik u getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en de woorden van de Heer Jezus in herinnering moet houden, dat Hijzelf heeft gezegd: Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.).

We kunnen zijn toespraak in vier delen verdelen, waarbij de woorden “en nu” of “en nu, zie” de verschillende delen markeren:
1. zijn voorbeeld (verzen 17-2117Hij nu zond van Miléte [een boodschap] naar Efeze en riep de oudsten van de gemeente bij zich.18En toen zij bij hem waren gekomen, zei hij tot hen: U weet hoe ik van [de] eerste dag af dat ik Asia betrad, al die tijd bij u ben geweest,19terwijl ik de Heer diende met alle nederigheid, onder tranen en met beproevingen die mij overkwamen door de aanslagen van de Joden;20hoe ik van wat nuttig was niets heb nagelaten u te verkondigen en te leren in het openbaar en in de huizen,21terwijl ik zowel aan Joden als Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus betuigde.),
2. zijn weg (verzen 22-2422En nu, zie, gebonden in de geest reis ik naar Jeruzalem, zonder te weten wat mij daar zal ontmoeten,23behalve dat de Heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt dat mij gevangenschap en verdrukkingen wachten.24Maar ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen.),
3. de ontwikkelingen na zijn heengaan (verzen 25-3125En nu, zie, ik weet dat u allen onder wie ik ben rondgegaan om het koninkrijk te prediken, mijn gezicht niet meer zult zien.26Daarom getuig ik u op de dag van vandaag, dat ik rein ben van het bloed van allen;27want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen.28Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].29Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen;30en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.31Daarom waakt, en herinnert u dat ik drie jaar, nacht en dag, niet heb opgehouden ieder met tranen terecht te wijzen.) en
4. zijn aanbeveling (verzen 32-3532En nu draag ik u op aan God en aan het Woord van Zijn genade, Die machtig is op te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.33Niemands zilver, goud of kleding heb ik begeerd.34U weet zelf, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen die bij mij waren, hebben voorzien.35In alles heb ik u getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en de woorden van de Heer Jezus in herinnering moet houden, dat Hijzelf heeft gezegd: Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.).


Paulus’ dienst bij de Efeziërs

18En toen zij bij hem waren gekomen, zei hij tot hen: U weet hoe ik van [de] eerste dag af dat ik Asia betrad, al die tijd bij u ben geweest, 19terwijl ik de Heer diende met alle nederigheid, onder tranen en met beproevingen die mij overkwamen door de aanslagen van de Joden; 20hoe ik van wat nuttig was niets heb nagelaten u te verkondigen en te leren in het openbaar en in de huizen, 21terwijl ik zowel aan Joden als Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus betuigde.

Als de oudsten bij hem zijn gekomen, begint Paulus aan zijn indrukwekkende afscheidsrede. We kunnen die vergelijken met de redes die Jozua en Samuel bij hun afscheid hebben uitgesproken (Jz 23:1-161Het gebeurde na vele dagen, nadat de HEERE Israël rust gegeven had van al zijn vijanden van rondom, en Jozua oud [en] op dagen gekomen was,2dat Jozua heel Israël, zijn oudsten, zijn stamhoofden, zijn rechters en zijn beambten [bijeen]riep. Hij zei tegen hen: Ík ben oud geworden [en] op dagen gekomen,3en ú hebt alles gezien wat de HEERE, uw God, voor uw [ogen] gedaan heeft aan al deze volken, want de HEERE, uw God Zelf is het Die voor u gestreden heeft.4Zie, ik heb deze overgebleven volken, [samen] met al de volken die ik uitgeroeid heb, vanaf de Jordaan tot aan de Grote Zee, waar de zon ondergaat, aan u door het lot doen toevallen als erfelijk bezit voor uw stammen.5En de HEERE uw God Zelf zal hen van voor uw [ogen] verjagen, en Hij zal hen van voor uw [ogen] verdrijven, en u zult hun land in bezit nemen zoals de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft.6Wees daarom zeer sterk door alles wat geschreven is in het wetboek van Mozes, in acht te nemen en na te leven, zodat u daarvan niet afwijkt, naar rechts of naar links,7[en] zodat u zich niet inlaat met deze volken, deze [hier] die bij u overgebleven zijn. U mag niet aan de naam van hun goden denken en er niet bij laten zweren. U mag ze niet dienen en u niet voor ze neerbuigen.8Maar u moet zich aan de HEERE, uw God, vasthouden, zoals u tot op deze dag gedaan hebt.9De HEERE heeft immers grote en machtige volken van voor uw [ogen] verdreven. En wat u betreft: niemand heeft tegenover u stand kunnen houden tot op deze dag.10Eén man uit u zal er duizend achtervolgen, want het is de HEERE, uw God, Zelf Die voor u strijdt, zoals Hij tot u gesproken heeft.11Wees daarom, omwille van uw leven, zeer op uw hoede dat u de HEERE, uw God, liefhebt.12Want als u zich op enigerlei wijze [hiervan] afkeert en u vastklampt aan de rest van deze volken, deze [hier] die bij u overgebleven zijn, en u huwelijksbanden met hen aangaat, en u zich met hen zult inlaten en zij met u,13weet [dan] zeker dat de HEERE, uw God, niet zal doorgaan met het uit [hun] bezit te verdrijven van deze volken van voor uw [ogen]. Maar zij zullen een strik en een val voor u zijn, een gesel op uw zijden en prikkels in uw ogen, tot u verdwenen bent uit dit goede land, dat de HEERE, uw God, u gegeven heeft.14En zie, ik ga heden de weg van heel de aarde, en u weet met heel uw hart en met heel uw ziel dat er geen enkel woord van al de goede woorden die de HEERE, uw God, over u gesproken heeft, onvervuld gebleven is. Alles is uitgekomen voor u, er is geen enkel woord van onvervuld gebleven.15En zoals al die goede dingen u overkomen zijn, die de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft, zo zal het [ook] gebeuren dat de HEERE al die kwade dingen over u zal laten komen, totdat Hij u weggevaagd heeft uit dit goede land, dat de HEERE, uw God u gegeven heeft.16Als u het verbond van de HEERE, uw God, dat Hij u geboden heeft, overtreedt, en andere goden gaat dienen en u daarvoor neerbuigt, dan zal de toorn van de HEERE over u ontbranden en zult u spoedig verdwenen zijn uit het goede land dat Hij u gegeven heeft.; 24:1-281Daarna verzamelde Jozua alle stammen van Israël in Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, zijn stamhoofden, zijn rechters en zijn beambten, en zij stelden zich op voor het aangezicht van God.2Toen zei Jozua tegen heel het volk: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaderen vanouds gewoond, [namelijk] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.3Toen nam Ik uw vader Abraham van de overzijde van de rivier en liet hem door heel het land Kanaän gaan. Ik maakte zijn nageslacht talrijk en gaf hem Izak.4En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau. Ik gaf aan Ezau het Seïrgebergte om dat in bezit te nemen, maar Jakob en zijn kinderen trokken naar Egypte.5Toen zond Ik Mozes en Aäron en Ik trof Egypte [met plagen] zoals Ik in het midden van dat [land] gedaan heb, en daarna leidde Ik u daaruit.6Toen Ik uw vaderen uit Egypte geleid had, kwam u bij de zee, en de Egyptenaren achtervolgden uw vaderen met wagens en ruiters, tot aan de Schelfzee.7Toen riepen zij tot de HEERE, en Hij maakte een duisternis tussen u en de Egyptenaren; en Hij deed de zee over hen komen en bedekte hen. En uw ogen hebben gezien wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt u vele dagen in de woestijn gewoond.8Toen bracht Ik u in het land van de Amorieten, die aan de overzijde van de Jordaan woonden. Die streden tegen u, maar Ik gaf hen in uw hand. U nam hun land in bezit, en Ik vaagde hen weg van voor uw [ogen].9Vervolgens maakte Balak, de zoon van Zippor, de koning van Moab, zich gereed en streed hij tegen Israël. Hij zond [een bode] en liet Bileam, de zoon van Beor, roepen om u te vervloeken.10Maar Ik wilde niet naar Bileam luisteren; daarom zegende hij u steeds weer, en Ik verloste u uit zijn hand.11Toen u over de Jordaan getrokken was en bij Jericho kwam, streden de burgers van Jericho tegen u, [net als] de Amorieten, de Ferezieten, de Kanaänieten, de Hethieten, de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten, maar Ik gaf hen in uw hand.12En Ik zond horzels voor u uit, die hen van voor uw [ogen] verdreven, [zoals eerder] de beide koningen van de Amorieten [verdreven werden]. [Dat gebeurde] niet door uw zwaard en [ook] niet door uw boog.13Zo heb Ik u een land gegeven waarvoor u zich niet ingespannen hebt, en steden die u niet gebouwd hebt, en u woont erin. U eet van wijngaarden en olijfbomen die u niet geplant hebt.14Nu dan, vrees de HEERE, dien Hem in oprechtheid en trouw, doe de goden weg die uw vaderen gediend hebben, aan de overzijde van de rivier en in Egypte, en dien de HEERE.15Maar als het in uw ogen kwalijk is de HEERE te dienen, kies voor u heden wie u zult dienen: óf de goden die uw vaderen, die aan de overzijde van de rivier woonden, gediend hebben, óf de goden van de Amorieten, van wie u het land bewoont. Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEERE dienen!16Toen antwoordde het volk en zei: Er is geen sprake van dat wij de HEERE zouden verlaten om andere goden te dienen.17Want de HEERE is onze God. Hij is het Die ons en onze vaderen uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heeft uitgeleid en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft en ons bewaard heeft op heel de weg die wij gegaan zijn, en voor alle volken door het midden waarvan wij getrokken zijn.18De HEERE heeft al die volken van voor onze [ogen] verdreven, zelfs de Amorieten, de inwoners van het land. Wíj zullen eveneens de HEERE dienen, want Hij is onze God.19Toen zei Jozua tegen het volk: U zult de HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God, Hij is een na-ijverig God. Hij zal uw overtreding en uw zonden niet vergeven.20Als u de HEERE zult verlaten en vreemde goden gaat dienen, zal Hij Zich [van u] afkeren, Hij zal u kwaad doen en Hij zal u vernietigen, nadat Hij u goedgedaan zal hebben.21Daarop zei het volk tegen Jozua: Nee, wij zullen voorzeker de HEERE dienen.22Jozua zei tegen het volk: U bent getuigen voor uzelf dat ú voor u de HEERE gekozen hebt om Hem te dienen. En zij zeiden: [Wij zijn] getuigen.23Nu dan, doe de vreemde goden weg die te midden van u zijn, en richt uw hart op de HEERE, de God van Israël.24Het volk zei tegen Jozua: Wij zullen de HEERE, onze God, dienen en wij zullen Zijn stem gehoorzamen.25Zo sloot Jozua op die dag een verbond met het volk en stelde [het] in Sichem voor hen vast als een verordening en bepaling.26Jozua schreef deze woorden in het wetboek van God. Vervolgens nam hij een grote steen en richtte die daar op, onder de eik die bij het heiligdom van de HEERE stond.27En Jozua zei tegen heel het volk: Zie, deze steen zal voor ons getuige zijn, want hij heeft al de woorden van de HEERE gehoord, die Hij tegen ons gesproken heeft. Ja, hij zal getuige voor u zijn, opdat u uw God niet verloochent.28Toen stuurde Jozua het volk weg, iedereen naar zijn erfelijk bezit.; 1Sm 12:1-241Toen zei Samuel tegen heel Israël: Zie, ik heb naar uw stem geluisterd in alles wat u mij gezegd hebt, en ik heb een koning over u aangesteld.2En nu, zie, de koning gaat u voor; ík ben oud en grijs geworden, en mijn zonen, zie, zij zijn onder u. Ik ben u van mijn jeugd af tot op deze dag voorgegaan.3Zie, [hier] ben ik, leg getuigenis tegen mij af in de tegenwoordigheid van de HEERE en in de tegenwoordigheid van Zijn gezalfde: van wie heb ik een rund afgenomen, van wie heb ik een ezel afgenomen, wie heb ik onderdrukt, wie heb ik mishandeld, uit wiens hand heb ik zwijggeld aangenomen om mijn ogen voor hem te sluiten? Dan zal ik het u teruggeven.4Toen zeiden zij: U hebt ons niet onderdrukt, u hebt ons niet mishandeld en u hebt uit niemands hand iets genomen.5Toen zei hij tegen hen: De HEERE is getuige tegen u, en Zijn gezalfde is op deze dag getuige, dat u bij mij niets gevonden hebt. En [het volk] zei: Hij is getuige.6Verder zei Samuel tegen het volk: Het is de HEERE Die Mozes en Aäron voortgebracht heeft en Die uw vaderen uit Egypte heeft laten wegtrekken.7Welnu, stel u [hier] op, dan zal ik als richter voor het aangezicht van de HEERE al de rechtvaardige daden van de HEERE bij u aan de orde stellen, die Hij bij u en bij uw vaderen verricht heeft.8Nadat Jakob in Egypte gekomen was, riepen uw vaderen tot de HEERE. Toen zond de HEERE Mozes en Aäron. Zij leidden uw vaderen uit Egypte en lieten hen in deze plaats wonen.9Maar zij vergaten de HEERE, hun God. Toen leverde Hij hen over in de hand van Sisera, de bevelhebber van het leger in Hazor, in de hand van de Filistijnen en in de hand van de koning van Moab, die tegen hen streden.10Zij riepen tot de HEERE en zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij de HEERE verlaten en de Baäls en Astartes gediend hebben. Nu dan, red ons uit de hand van onze vijanden; dan zullen wij U dienen.11Toen zond de HEERE Jerubbaäl, Bedan, Jefta en Samuel; en Hij redde u uit de hand van uw vijanden rondom [u], zodat u veilig woonde.12Toen u zag dat Nahas, de koning van de Ammonieten, op u afkwam, zei u tegen mij: Nee, maar een koning moet over ons regeren – terwijl toch de HEERE, uw God, uw Koning is.13Welnu, zie [hier] de koning die u gekozen hebt, die u verlangd hebt. Zie, de HEERE heeft een koning over u aangesteld.14Als u dan maar de HEERE vreest, Hem dient, naar Zijn stem luistert en het bevel van de HEERE niet ongehoorzaam bent! Dan zal zowel u als de koning die over u regeren zal, [veilig] zijn, achter de HEERE uw God.15Maar wanneer u niet naar de stem van de HEERE luistert, en het bevel van de HEERE ongehoorzaam bent, dan zal de hand van de HEERE tegen u zijn, zoals tegen uw vaderen.16Blijf dan nu staan, en zie het indrukwekkende dat de HEERE voor uw ogen zal doen.17Is het vandaag niet [de tijd van] de tarweoogst? Ik zal tot de HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven. Besef dan en zie, dat uw kwaad, dat u voor de ogen van de HEERE gedaan hebt, groot is, omdat u een koning voor u verlangd hebt.18Toen Samuel de HEERE aanriep, gaf de HEERE donder en regen op die dag. Daarom werd heel het volk zeer bevreesd voor de HEERE en voor Samuel.19En heel het volk zei tegen Samuel: Bid voor uw dienaren tot de HEERE, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij ook nog dit kwaad gedaan dat wij een koning voor ons verlangd hebben.20Toen zei Samuel tegen het volk: Wees niet bevreesd, u hebt al dit kwaad [wel] gedaan, maar wijk niet [langer] van achter de HEERE af, en dien de HEERE met uw hele hart.21Wijk niet af door de nietige [afgoden] na [te volgen], die niet van nut zijn en niet kunnen redden, want zij zijn nietigheden.22Want de HEERE zal Zijn volk niet verlaten, omwille van Zijn grote Naam, omdat het de HEERE behaagd heeft u voor Hem tot een volk te maken.23En wat mij betreft, er is bij mij geen sprake van dat ik tegen de HEERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden; maar ik zal u de goede en juiste weg leren.24Vrees alleen de HEERE, en dien Hem trouw met uw hele hart, want zie welke grote dingen Hij bij u gedaan heeft.). Uit zijn rede blijkt duidelijk dat hij niet oproept tot onderwerping aan zijn gezag of aan dat van een eventuele opvolger, maar dat hij vraagt om navolging van zijn voorbeeld.

Hij begint zijn rede met de oudsten te herinneren aan hun eerste kennismaking. Hij is niet bij hen gekomen met het verzoek hem de stad eens te laten zien en allerlei interessante plaatsen te bezoeken. Hij heeft geen tijd nodig gehad om zich in te werken of dingen af te tasten of op diplomatieke wijze een bepaalde sfeer te scheppen voor zijn boodschap. Vanaf het allereerste begin heeft hij zich aan zijn taak gewijd. Dat hebben ze gezien. Zijn gedrag onder hen is doorzichtig geweest, men hoefde zich niet af te vragen wat hij deed. Hij is “bij hen” geweest, dat wil zeggen dat hij een van hen is geweest en niet een boven hen staande prediker.

Het eerste waaraan hij dan ook herinnert, is zijn dienende houding. Paulus geeft verderop een overzicht van zijn bediening:
1. betuigen van bekering en geloof (vers 2121terwijl ik zowel aan Joden als Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus betuigde.),
2. betuigen van het evangelie van de genade van God (vers 2424Maar ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen.),
3. prediken van het koninkrijk (vers 2525En nu, zie, ik weet dat u allen onder wie ik ben rondgegaan om het koninkrijk te prediken, mijn gezicht niet meer zult zien.) en
4. het verkondigen van de hele raad van God (vers 2727want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen.).

Hij begint echter met te wijzen op zijn gezindheid. Het gaat er niet alleen om wat iemand zegt, maar van belang is ook wie het zegt en hoe hij het zegt. Hij heeft het in nederigheid gedaan. Zó heeft hij de gelovigen gediend. Toch zegt hij dat niet met die woorden. Hier zegt hij dat hij de Heer heeft gediend. Het dienen van de gelovigen is in werkelijkheid het dienen van de Heer en die dienst zal ook door Hem als zodanig worden beloond (Mt 25:4040En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.).

Hij diende in nederigheid en niet als een gevierde hoogheid die van anderen verlangde dat ze hem dienden. Hij is een ware navolger van zijn Heer van Wie hij deze nederigheid heeft geleerd (Mt 11:2929Neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen;). Aan deze nederigheid werd extra betekenis gegeven door de tranen die tijdens het dienen tevoorschijn kwamen. Hij diende niet koel, vanuit de hoogte of op afstand. Zijn tranen gaven uiting aan zijn bewogenheid voor de ander. Hij schaamde zich niet voor zijn tranen (verzen 31,3731Daarom waakt, en herinnert u dat ik drie jaar, nacht en dag, niet heb opgehouden ieder met tranen terecht te wijzen.37En zij barstten allen uit in groot geween en vielen Paulus om de hals en kusten hem innig,; 2Ko 2:44Want in veel verdrukking en benauwdheid van hart heb ik u geschreven onder veel tranen, niet opdat u bedroefd zou worden, maar opdat u de liefde zou kennen die ik overvloedig tot u heb.; Fp 3:1818Want velen wandelen, van wie ik u dikwijls heb gezegd en nu ook wenend zeg, dat zij de vijanden van het kruis van Christus zijn;). God telt dit soort tranen (Ps 56:99Ú hebt mijn omzwervingen geteld;
doe mijn tranen in Uw kruik.
Staan zij niet in Uw register?
)
en Hij zal straks elke traan van zijn ogen afwissen (Op 7:1717want het Lam Dat in [het] midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen.).

Die nederigheid en die tranen waren geen tekenen van slapheid. Ze gingen gepaard met beproeving door aanslagen op zijn leven van de kant van de Joden. Als je daartegen standhoudt, ben je geen slappeling maar een man met moed, kracht en vastberadenheid.

Hij liet zich leiden door wat nuttig was voor de gelovigen en niet door zijn eigen voorkeuren. Altijd ging het hem om de Heer en omdat bij de Heer altijd het belang van anderen vooropstaat, stond dat ook bij Paulus voorop. Omdat hij zocht wat nuttig was voor anderen, heeft hij niets achtergehouden. Hij heeft alles verkondigd wat hem was toevertrouwd voor de gemeente. Iets achterhouden zou betekenen dat hij ontrouw was aan zijn Zender en dat hij dan niet deelde in de gevoelens van de Heer Jezus voor Zijn gemeente. Paulus had zowel “in het openbaar”, dat is in de synagoge en de school van Tyrannus, als in kleinere kring “in de huizen” de gelovigen gediend.

Het eerste onderdeel van die dienst was het betuigen van de bekering tot God met daaraan onlosmakelijk gekoppeld het geloof in de Heer Jezus. Dit getuigenis dat de basis van alles is, heeft hij gegeven voor Joden en Grieken – de Joden dus voorop. Bekering tot God wil zeggen dat iemand zichzelf in Gods tegenwoordigheid ziet en dan tot totale zelfveroordeling komt. In Gods tegenwoordigheid wordt alles beoordeeld zoals het is in Gods ogen. We verontschuldigen onszelf niet langer en we willen dat ook niet.

Het gevolg is belijdenis van zonden voor God door een geweten dat zich in Zijn tegenwoordigheid voelt (Hb 4:1212Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot verdeling van ziel en geest, zowel van gewrichten als van merg, en oordeelt [de] gedachten en overleggingen van [het] hart.). We rechtvaardigen God in onze veroordeling, terwijl er tegelijk vertrouwen is in Zijn genade, want Hij Die licht is, is ook liefde. Dat brengt tot geloof in de Heer Jezus.

Geloof in de Heer Jezus wil zeggen dat wij vertrouwen in Zijn werk waardoor de zonden zijn weggedaan, want Hij is gestorven voor onze zonden. Daarna is Hij gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge (Hb 1:33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,). Het gaat om Zijn Persoon als het voorwerp van het geloof. Hij is ook onze gerechtigheid voor God. We zijn aangenaam gemaakt in Hem.

Als ware bekering heeft plaatsgevonden in Gods tegenwoordigheid en tegenover Hem, komen vertrouwen en vrede door het geloof in de Heer Jezus. Bekering en geloof zijn beide noodzakelijk en niet van elkaar te scheiden. Alleen als beide aspecten aanwezig zijn, wordt iemand een kind van God.


Het evangelie van de genade van God

22En nu, zie, gebonden in de geest reis ik naar Jeruzalem, zonder te weten wat mij daar zal ontmoeten, 23behalve dat de Heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt dat mij gevangenschap en verdrukkingen wachten. 24Maar ik reken mijn leven niet als kostbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop volbreng en de bediening die ik van de Heer Jezus heb ontvangen, om het evangelie van de genade van God te betuigen.

Dan maakt Paulus de oudsten deelgenoot van het doel van zijn reis en de drang die hij daartoe voelt. Hij werd al geruime tijd innerlijk sterk gedrongen om naar Jeruzalem te gaan. Dat hij zegt “gebonden in de geest” – dat is zijn eigen menselijke geest en niet de Heilige Geest –, zou erop kunnen wijzen dat het een verplichting van de liefde voor zijn volk was die niet zijn directe oorsprong in een opdracht van God had, hoewel ook niet noodzakelijk tegen de wil van God. Het is ermee als met de wens die hij heeft geuit om met een vloek gescheiden te zijn van Christus ter wille van zijn broeders naar het vlees (Rm 9:33Want zelf heb ik gewenst door een vloek [gescheiden] te zijn van Christus ter wille van mijn broeders, mijn verwanten naar [het] vlees.).

Deze verlangens van Paulus hebben niets te maken met het zondige vlees, maar zouden hoogstens een gedrevenheid kunnen zijn vanuit de nobelste motieven. Mocht het een zwakheid blijken te zijn, dan is elke zelfzucht in dit verlangen hem vreemd. Het enige motief is zijn brandende liefde voor zijn eigen volk. Die liefde drijft hem om zo te zeggen in het hol van de leeuw.

Paulus is eigenlijk een slaaf – wat in het woord ‘gebonden’ opgesloten ligt – van zijn eigen gemoed. Hij wordt zó gedrongen, dat er voor hem geen andere weg openstaat. Hoewel het mogelijk is dat Paulus niet handelt onder de directe leiding van de Heilige Geest, maar vanuit de zwakheid van zijn eigen geest vanwege zijn liefde voor zijn verwanten naar het vlees, zal de Heer dat toch gebruiken tot eer van Zijn Naam. Er is bij Paulus geen zelfbedrog.

Dat zien we ook in wat de Heilige Geest hem betuigt. Naar aanleiding van het getuigenis van de Geest had Paulus een uitweg kunnen zoeken, maar dat doet hij niet. Hij wist wat de Heilige Geest tegen hem zei en dat zou kunnen betekenen dat hij niet moest gaan. De Geest zei niet rechtstreeks dat hij niet moest gaan, maar vertelde hem alleen wat hem te wachten stond.

Paulus koos bewust voor wat hem wachtte, uit liefde voor de Heer Jezus en Zijn aardse volk, om enigen uit Zijn volk te behouden. Hij wist dat Gods hand hierin was. En wij weten dat God zijn gevangenschap zou gebruiken voor het schrijven van brieven met de hoogste christelijke waarheden.

Alle lijden kon Paulus niet verhinderen zich te richten naar de wil van God. Hij had van zijn Meester geleerd hoe lijden in een wereld vol zonde en ellende een God verheerlijkende uitwerking kan hebben. Van dat lijden droeg Paulus de merktekens in zijn lichaam (Gl 6:1717Overigens, laat niemand mij lastig vallen, want ik draag de merktekens van Jezus in mijn lichaam.).

Paulus kon rekenen. Hij berekende enerzijds de waarde van zijn leven voor zichzelf en anderzijds de waarde van zijn leven in dienst van zijn Heer. Uit die rekensom bleek dat alle winst lag bij de Heer Jezus en de opdracht die Hij hem had gegeven (vgl. Fp 3:7-97<Maar> wat winst voor mij was, heb ik om Christus’ wil schade geacht.8Jazeker, ik acht ook alles schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer, om Wie ik de schade van alles heb geleden en het als vuilnis acht, opdat ik Christus mag winnen9en in Hem bevonden word, niet in het bezit van mijn gerechtigheid die uit [de] wet is, maar van die welke door [het] geloof in Christus is, de gerechtigheid die uit God is, [gegrond] op het geloof;). Hij zag zijn leven als Gods gift aan hem, waarmee God een plan had: een dienst om die ten volle te vervullen. Hij zou zijn loop ook voleindigen (2Tm 4:6-76Want ik word al als een drankoffer uitgegoten en de tijd van mijn heengaan is aangebroken.7Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.). Paulus vult dat zo in, dat hij voor het volbrengen van zijn loop het evangelie van de genade van God ook aan zijn eigen volk moet betuigen.

Het evangelie van de genade van God is het volle evangelie. De genade van God houdt meer in dan bekering en geloof. Bij bekering en geloof ligt het accent meer op de nood van de zondaar. Bij het evangelie van de genade van God ligt het accent op de kant van God, alles wat Hij heeft gedaan door het bekendmaken van Zijn genade. We vinden dit evangelie in de brief aan de Romeinen. We leren daar onder andere dat de gelovige staat in de genade van God en dat hij is gerechtvaardigd door het geloof alleen, op grond van de dood en opstanding van de Heer Jezus (Rm 5:1-21Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus,2door Wie wij ook de toegang verkregen hebben <door het geloof> tot deze genade waarin wij staan, en wij roemen in [de] hoop op de heerlijkheid van God.).


Het koninkrijk en de raad van God

25En nu, zie, ik weet dat u allen onder wie ik ben rondgegaan om het koninkrijk te prediken, mijn gezicht niet meer zult zien. 26Daarom getuig ik u op de dag van vandaag, dat ik rein ben van het bloed van allen; 27want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen.

Paulus kondigt zijn afscheid aan. Het zal een definitief afscheid zijn. Hij weet dat ze elkaar niet zullen weerzien. Tegen de achtergrond van deze aankondiging herinnert hij de oudsten eraan dat hij onder hen allen is rondgegaan om het koninkrijk te prediken. Het koninkrijk wordt hier voor de vijfde keer genoemd van de in totaal zeven keer dat er in Handelingen over wordt gesproken (Hd 1:33aan wie Hij Zich ook, nadat Hij had geleden, levend heeft vertoond met vele duidelijke bewijzen, terwijl Hij gedurende veertig dagen door hen werd gezien en met hen sprak over de dingen die het koninkrijk van God betreffen.; 8:1212Toen zij echter Filippus geloofden, die het evangelie aangaande het koninkrijk van God en van de Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, zowel mannen als vrouwen.; 14:2222en versterkten de zielen van de discipelen, terwijl zij hen vermaanden in het geloof te blijven en dat wij door vele verdrukkingen het koninkrijk van God moeten binnengaan.; 19:88Hij nu ging in de synagoge en sprak vrijmoedig drie maanden lang en betoogde en overreedde [de mensen] betreffende <de dingen van> het koninkrijk van God.; 20:2525En nu, zie, ik weet dat u allen onder wie ik ben rondgegaan om het koninkrijk te prediken, mijn gezicht niet meer zult zien.; 28:23,3123Nadat zij nu voor hem een dag hadden bepaald, kwamen er nog meer bij hem in zijn verblijf, aan wie hij het koninkrijk van God uitlegde en betuigde, terwijl hij hen trachtte te overtuigen aangaande Jezus, zowel uit de wet van Mozes als uit de profeten, van ‘s morgens vroeg tot [de] avond toe.31predikte het koninkrijk van God en leerde aangaande de Heer Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, ongehinderd.).

Paulus heeft niet alleen over het koninkrijk in zijn toekomstige heerlijke vorm gesproken, zoals het zal zijn als de Heer Jezus op aarde regeert. Hij heeft ook de betekenis van het koninkrijk verkondigd die het in deze tijd heeft, waarin het nog niet zichtbaar, maar wel aanwezig is (Ko 1:1313Die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde,; Rm 14:1717Want het koninkrijk van God is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap in [de] Heilige Geest.). De gelovigen zijn in dat koninkrijk onderdanen van de Heer Jezus. Aan het koninkrijk is de gedachte van heerschappij en dienen verbonden. Gelovigen erkennen de Heer Jezus als hun Heer en dienen Hem. Het koninkrijk heeft te maken met onze erkenning van de heerschappij van de Heer Jezus in het dagelijkse leven en dat op elk terrein ervan.

Omdat zij zijn gezicht niet meer zullen zien, “daarom”, betuigt hij op deze dag dat hij rein is van het bloed van allen. Eerder zei hij tegen ongelovigen dat hij rein was van hun bloed (Hd 18:66Toen zij echter weerstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; van nu af zal ik naar de volken gaan.), hier zegt hij dat tegen gelovigen. Hij weet dat hij tegenover hen niet in de schuld staat. Hij heeft hun immers alles verteld wat hij hun moest vertellen. Het woord “want” geeft de reden aan van zijn rein zijn van het bloed van allen, niet alleen van de oudsten: hij heeft niets achtergehouden van de hele raad van God.

De verkondiging van de raad van God is het vierde onderdeel van zijn bediening. Later zal hij die raad vastleggen in vooral de brief aan de Kolossenzen en de brief aan de Efeziërs. Het is de raad van God die zich uitstrekt van eeuwigheid tot eeuwigheid. Aan zijn bediening met betrekking tot de raad van God is een einde gekomen, want alles wat hij mee te delen had, heeft hij meegedeeld. Er zullen na wat hem is toevertrouwd geen nieuwe dingen meer worden geopenbaard (Ko 1:2525waarvan ik een dienaar geworden ben overeenkomstig het rentmeesterschap van God dat mij gegeven is voor u, om het Woord van God te voleindigen:).


Waarschuwingen

28Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon]. 29Ik weet, dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen; 30en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken. 31Daarom waakt, en herinnert u dat ik drie jaar, nacht en dag, niet heb opgehouden ieder met tranen terecht te wijzen.

Zo heeft hij verantwoording afgelegd van zijn motieven en zijn bediening. Nu richt hij zich tot de oudsten. Hij roept hen op in de eerste plaats op hun eigen geestelijke gezindheid te letten. Alleen als die in orde is, kunnen ze ook letten op de kudde om die te voorzien van wat nodig is (vgl. 1Tm 4:1616Geef acht op jezelf en op de leer; volhard in deze dingen, want door dit te doen zul je zowel jezelf als hen die je horen, behouden.). Zoals gezegd, spreekt Paulus deze groep oudsten aan als opzieners. Hij wijst hen ook op de oorsprong van hun dienst. Niemand minder dan de Heilige Geest heeft hun die plaats in de gemeente in Efeze gegeven.

Van enige aanstelling van oudsten door de gemeente of door een of andere menselijke instelling is geen sprake. De Heilige Geest stelt ze aan. Als er een mens aan te pas komt, is dat een apostel of diens afgezant. Dat blijkt uit de enkele keren dat er over het aanstellen van oudsten wordt gesproken (Hd 14:2323Nadat zij nu voor hen in elke gemeente oudsten hadden gekozen, baden zij met vasten en droegen hen op aan de Heer in Wie zij hadden geloofd.; Tt 1:55Om deze reden heb ik je op Kreta gelaten, opdat je het ontbrekende in orde brengt en in elke stad oudsten aanstelt, zoals ik je opgedragen heb.). Aangezien er geen apostelen meer zijn, valt de aanstelling door mensen weg.

Zoals eerder is aangegeven, zijn oudste en opziener namen voor dezelfde persoon. In de kerk is daarmee anders omgegaan. Het Griekse woord voor ‘oudste’ is presbuteros. Dat is verbasterd tot ons woord ‘priester’. Het Griekse woord voor ‘opziener’ is episkopos. Dat is verbasterd tot ons woord ‘bisschop’. Al spoedig is er in de christelijke kerk een onderscheid gemaakt tussen de priester en de bisschop. Dat onderscheid bestaat in het Nieuwe Testament niet. Het duidt dezelfde persoon aan, maar met een verschillend accent. Bij oudste gaat het meer om de leeftijd, wijsheid en levenservaring; bij opziener gaat het meer om de taak, het toezicht houden op de kudde.

Oudsten of opzieners verrichten hun taak in de plaatselijke gemeente. De plaatselijke gemeente is een miniatuur van de wereldwijde gemeente. Die hele gemeente is de gemeente van God. Hij heeft die Zich “verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon]” (vers 2828Past op uzelf en op de hele kudde, waarin de Heilige Geest u als opzieners heeft gesteld, om de gemeente van God te hoeden, die Hij Zich heeft verworven door het bloed van Zijn eigen [Zoon].). Het is het bloed van Hem Die van Hemzelf is. Het is het bloed van Zijn Eigen. Het woord ‘Zoon’ staat er niet. Zijn eigen bloed is niet het bloed van God. Dat gaat te ver, zo spreekt de Schrift nergens. Het bloed is verbonden aan de Heer Jezus, de Zoon van God Die Mens werd om Zijn bloed te kunnen geven als koopsom voor de gemeente.

Het is de gemeente van Gód en niet die van de oudsten of welk mens dan ook. Het zal door sommigen onbewust gebeuren, maar iedere voorganger die spreekt over ‘mijn gemeente’, spreekt aanmatigend en treedt in de rechten van God. Alleen de Heer Jezus heeft het recht om te spreken over “Mijn gemeente” (Mt 16:1818En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik Mijn gemeente bouwen, en [de] poorten van [de] hades zullen haar niet overweldigen.). Geen mens heeft die gemeente verworven, dat heeft de Heer Jezus gedaan. Het is dan ook kwalijk als een mens dan toch spreekt over ‘mijn gemeente’.

Vervolgens spreekt Paulus over de zeer nabije toekomst. Hij spreekt over “na mijn vertrek”. In de eerste plaats voorziet hij dat er van buiten wrede wolven (vgl. Mt 7:1515Past u op voor de valse profeten, die tot u komen in schapenvachten, maar van binnen zijn zij roofzuchtige wolven.; Jh 10:1212wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit <de schapen.) zullen binnenkomen om hun verscheurend werk in de gemeente te doen. Zij kunnen binnenkomen omdat de herders niet waakzaam zijn gebleven. Van zulke lieden hebben we een voorbeeld in de tweede brief van Johannes, waarin we ook de aanwijzing hebben dat zulke wrede wolven de toegang moet worden ontzegd (2Jh 1:10-1110Als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en begroet hem niet.11Want wie hem begroet, heeft gemeenschap met zijn boze werken.).

In de tweede plaats zullen er uit het midden van de gemeente mensen opstaan die de waarheid verdraaien. Ze doen dat om zichzelf tot middelpunt te maken in plaats van Christus. Dwaalleraren brengen niet alleen valse leer, maar zoeken ook aanhangers. Ze werpen zich op als sekteleiders. Dezen zijn vaak moeilijker te herkennen dan de wrede wolven. Van deze gevaren van binnenuit hebben we in de derde brief van Johannes in de persoon van Diótrefes een veelzeggend en waarschuwend voorbeeld (3Jh 1:9-109Ik heb aan de gemeente <een en ander> geschreven; maar Diótrefes, die graag onder hen de eerste is, neemt ons niet aan.10Daarom zal ik, als ik kom, in herinnering brengen zijn werken die hij doet, terwijl hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermee niet tevreden neemt hijzelf de broeders niet aan en verhindert hen die het willen [doen] en werpt hen uit de gemeente.).

In verband met wat er binnenkort gaat gebeuren, waarschuwt Paulus om te waken. Hij bindt hun eigen verantwoordelijkheid op hen. Ze moeten steeds blijven denken aan wat hij hun heeft gezegd om hen op de rechte Weg te houden en ook hoe hij dat heeft gedaan. Onophoudelijk, nacht en dag (vgl. Gn 31:38-4038Deze twintig jaar dat ik bij u geweest ben, hebben uw ooien en uw geiten geen misdracht gehad en de rammen van uw kleinvee heb ik niet gegeten.39Verscheurde dieren heb ik niet naar u toe gebracht, ik moest ze [zelf] vergoeden. [Ook] hebt u van mij [vergoeding] geëist van wat overdag gestolen was en wat 's nachts gestolen was.40Het is zo met mij geweest: overdag werd ik gekweld door de hitte, 's nachts door de kou, zodat de slaap van mijn ogen week.; 1Sm 25:1616Toen wij de schapen weidden, zijn zij alle dagen dat wij bij hen waren, een muur om ons heen geweest, zowel ‘s nachts als overdag.), is hij daarmee bezig geweest, drie jaar lang. Telkens zijn daarbij tranen tevoorschijn gekomen, zo bewogen is hij over het lot van zijn geliefde Efeziërs. Zijn boodschap is met tranen doorweekt. Zulke woorden moeten wel doel treffen in harten waarin ware zorg voor de gemeente aanwezig is.


God en het Woord van Zijn genade

32En nu draag ik u op aan God en aan het Woord van Zijn genade, Die machtig is op te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.

Paulus heeft gesproken over zijn dienst, zowel wat betreft zijn gezindheid en gedrag als wat betreft de inhoud ervan. Hij heeft hen ook gewezen op hun verantwoordelijkheid met het oog op de aanstaande ontwikkelingen. Nu draagt hij hen op aan God en aan Zijn genade zoals die in Zijn Woord tot uiting komt. Paulus en de andere apostelen hebben hun gezag niet in menselijke handen gelegd. Er is geen enkele sprake van apostolische opvolging. Wat blijft als de apostelen verdwijnen, is God en het Woord van Zijn genade.

Het Woord is altijd gebleven. Uit die bron kan de gelovige in alle tijden de kracht putten om Gods gedachten te leren kennen over de Heer Jezus en om te leven tot Zijn eer. Maar ook de aanvallen zijn gebleven die erop zijn gericht dat het volk van God er niet zijn kracht uit zal putten. Er wordt getracht nieuwe openbaringen aan het Woord toe te voegen, zowel in de vorm van tradities als in de vorm van mensen die zeggen dat God hun bepaalde dingen heeft laten zien. In de geschiedenis van de kerk hebben tradities al vroeg de uitleg bepaald. Vandaag wordt het gezag van het Woord aangetast en bekritiseerd.

Al die aanvallen kunnen we alleen afslaan als we het Woord zijn volle gezag over ons leven geven en ons bewust zijn dat de genade van God ons daarin wil helpen. Dan biedt het Woord niet alleen bescherming, maar bouwt het op en sticht en vertroost en bemoedigt het ons en voert het ons het erfdeel binnen. We hebben al deel aan het erfdeel van de heiligen in het licht (Ko 1:1212terwijl u de Vader dankt, Die u bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht;) en we krijgen er nog daadwerkelijk deel aan als wij met Christus zullen regeren (Ef 1:10-1410dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;11in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,12opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die vooraf in Christus hebben gehoopt;13in Wie ook u, toen u het Woord van de waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord – in Wie u ook, toen u geloofd hebt, verzegeld bent met de Heilige Geest van de belofte,14Die [het] onderpand is van onze erfenis, tot [de] verlossing van de verkregen bezitting, tot lof van Zijn heerlijkheid.).

“Onder alle geheiligden” wil zeggen te midden van alle geheiligden, samen met hen. De geheiligden zijn een groep mensen die door God apart gesteld is om samen dit erfdeel te bezitten. Tot de geheiligden te mogen behoren is een groot voorrecht en uitsluitend te danken aan God en het Woord van Zijn genade.


Paulus wijst nog eens op zijn voorbeeld

33Niemands zilver, goud of kleding heb ik begeerd. 34U weet zelf, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen die bij mij waren, hebben voorzien. 35In alles heb ik u getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en de woorden van de Heer Jezus in herinnering moet houden, dat Hijzelf heeft gezegd: Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.

Paulus heeft niet alleen zijn leer bij hen achtergelaten, maar ook zijn voorbeeld. Leer en praktijk horen bij elkaar. Doorgeven van de leer moet gepaard gaan met het geven van het goede voorbeeld. Bij meerdere christelijke leiders is geld de drijfveer van hun werk. Zij zien de godsdienst als een bron van inkomsten (1Tm 6:55voortdurend geruzie van mensen die verdorven zijn in hun denken en van de waarheid beroofd zijn, die menen dat de Godsvrucht een winst[bron] is.). Zo was dat bij Paulus niet. Hij wilde helemaal onafhankelijk van hen zijn. Hij voelde zich ook niet te goed om gewoon met zijn handen te werken. Hij liet de oudsten zijn doorgroefde, eeltige handen zien. Daarmee had hij niet alleen voor zichzelf gewerkt, maar ook voor hen die bij hem waren.

Wat heeft deze man een tomeloze inzet getoond en dat allemaal ten behoeve van anderen. Daarbij heeft hij zich vooral het lot van de armen aangetrokken. We moeten niet profiteren van de zwakken, maar juist ons voor hen inzetten. Hoe gemakkelijk willen we ons alleen voor mensen inzetten waaraan we zelf plezier beleven of vanwege het voordeel dat het ons oplevert. Dan lijken we niet op de Heer Jezus. Dat wilde Paulus nu juist wel en dat houdt hij de oudsten en ons voor.

Om het belang om zo te arbeiden te onderstrepen citeert Paulus een woord dat de Heer Jezus heeft gesproken. Als we de evangeliën lezen, zullen we die uitspraak niet tegenkomen. Maar laat deze uitspraak niet de hele teneur van het leven van de Heer zien en komt die niet overeen met het onderwijs dat Hij over ‘geven’ heeft gegeven (Lk 14:1414en u zult gelukkig zijn, omdat zij u niet kunnen vergelden; want het zal u worden vergolden in de opstanding van de rechtvaardigen.)?


Het afscheid

36En toen hij dit had gezegd, knielde hij neer en bad met hen allen. 37En zij barstten allen uit in groot geween en vielen Paulus om de hals en kusten hem innig, 38het meest bedroefd over het woord dat hij had gezegd, dat zij zijn gezicht niet meer zouden zien. En zij deden hem uitgeleide naar het schip.

Paulus wacht niet op een antwoord. Hij heeft vanuit zijn hart gesproken tot hen die hij liefheeft. Wat overblijft, is de daad bij het woord te voegen en hen aan God op te dragen en aan het Woord van Zijn genade. Daarom knielt hij neer en bidt met hen allen. Of zij ook hebben gebeden, staat er niet bij. Wel lezen we dat ze in groot gehuil uitbarsten. Wat Paulus heeft gezegd, heeft diepe indruk gemaakt. Zeker heeft dat ook te maken met de inhoud van zijn woorden aangaande de toekomstige gebeurtenissen. Wat hen echter het meest bedroefd maakt, is dat Paulus heeft gezegd dat zij hem niet meer zullen zien.

Door deze fijnzinnige opmerking wil de Heilige Geest ons misschien zeggen dat ze toch niet helemaal de ernst hebben begrepen van wat Paulus heeft gezegd. Zouden ze anders niet meer hebben gehuild over de dreigende gevaren die Paulus heeft aangekondigd dan over zijn vertrek? We weten dat al in die dagen de gemeente werd bedreigd door grote gevaren (1Tm 1:3-43Blijf, zoals ik je toen ik naar Macedonië reisde aangespoord heb, nog in Efeze, om sommigen te bevelen geen andere leer te brengen4en zich niet bezig te houden met fabels en eindeloze geslachtsregisters, die veeleer twistvragen tot gevolg hebben dan Gods rentmeesterschap dat in [het] geloof is.; vgl. Op 2:1-51Schrijf aan de engel van de gemeente in Efeze: Dit zegt Hij Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in [het] midden van de zeven gouden kandelaars wandelt:2Ik weet uw werken en uw arbeid en uw volharding en dat u de bozen niet kunt verdragen; en u hebt op de proef gesteld hen die zeggen dat zij apostelen zijn en het niet zijn, en hebt hen leugenaars bevonden;3en u hebt volharding en hebt verdragen ter wille van Mijn Naam en u bent niet moe geworden.4Maar Ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten.5Bedenk dan waarvan u afgevallen bent en bekeer u en doe de eerste werken. Maar zo niet, Ik kom tot u en zal uw kandelaar van zijn plaats wegnemen, als u zich niet bekeert.).

Hoe het ook zij, ze hadden hem van harte lief. Hun verdriet over zijn vertrek was oprecht. Hun uitingen van liefde waren intens. Als we zelf wel eens hebben meegemaakt dat iemand die veel voor ons heeft betekend, wegvalt, en welke indruk dat op ons heeft gemaakt, dan kunnen we ons ook enigszins voorstellen dat zijn definitieve vertrek hun veel doet. Na het hartroerende tafereel van huilen, omhelzen en kussen brengen ze Paulus naar het schip.


Lees verder