Hebreeën
1-10 Het aardse heiligdom 11-15 Christus, Hogepriester en Middelaar 16-28 Reiniging en verschijning
Het aardse heiligdom

1<Ook> het eerste [verbond] had dus dienstvoorschriften en het wereldlijk heiligdom. 2Want een tabernakel was ingericht, de eerste, waarin de kandelaar was en de tafel en de toonbroden; deze wordt [het] heilige genoemd. 3En achter het tweede voorhangsel was een tabernakel, [het] heilige der heiligen geheten, 4die een gouden wierookvat bevatte en de ark van het verbond, rondom geheel met goud overdekt, waarin een gouden kruik was die het manna bevatte, en de staf van Aäron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond; 5en daarboven de cherubs van [de] heerlijkheid die het verzoendeksel overschaduwden; het is niet mogelijk hierover nu in bijzonderheden te spreken. 6Waar deze dingen nu zo ingericht zijn, gaan de priesters wel steeds in de eerste tabernakel om de diensten te volbrengen, 7maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offert voor zichzelf en voor de afdwalingen van het volk. 8Daarmee duidt de Heilige Geest aan dat de weg tot het heiligdom nog niet bekendgemaakt is, zolang de eerste tabernakel nog standhoudt. 9Deze is een gelijkenis voor de tegenwoordige tijd; vandaar dat zowel gaven als slachtoffers geofferd worden, die hem die de dienst verricht, naar [het] geweten niet kunnen volmaken, 10die alleen [bestaan] in spijzen, dranken en verschillende reinigingen: inzettingen van [het] vlees, tot op [de] tijd van het herstel opgelegd.

In Hebreeën 8 heb je gezien hoe het nieuwe verbond tegenover het oude is geplaatst. In Hebreeën 9 zul je zien hoe het ware, hemelse heiligdom tegenover het zinnebeeldige, aardse heiligdom wordt geplaatst. In de verzen 1-51<Ook> het eerste [verbond] had dus dienstvoorschriften en het wereldlijk heiligdom.2Want een tabernakel was ingericht, de eerste, waarin de kandelaar was en de tafel en de toonbroden; deze wordt [het] heilige genoemd.3En achter het tweede voorhangsel was een tabernakel, [het] heilige der heiligen geheten,4die een gouden wierookvat bevatte en de ark van het verbond, rondom geheel met goud overdekt, waarin een gouden kruik was die het manna bevatte, en de staf van Aaron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond;5en daarboven de cherubs van [de] heerlijkheid die het verzoendeksel overschaduwden; het is niet mogelijk hierover nu in bijzonderheden te spreken. staat eerst een beschrijving van de inrichting van het aardse heiligdom. Vervolgens wordt in de verzen 6-106Waar deze dingen nu zo ingericht zijn, gaan de priesters wel steeds in de eerste tabernakel om de diensten te volbrengen,7maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offert voor zichzelf en voor de afdwalingen van het volk.8Daarmee duidt de Heilige Geest aan dat de weg tot het heiligdom nog niet bekendgemaakt is, zolang de eerste tabernakel nog standhoudt.9Deze is een gelijkenis voor de tegenwoordige tijd; vandaar dat zowel gaven als slachtoffers geofferd worden, die hem die de dienst verricht, naar [het] geweten niet kunnen volmaken,10die alleen [bestaan] in spijzen, dranken en verschillende reinigingen: inzettingen van [het] vlees, tot op [de] tijd van het herstel opgelegd. de eredienst in het aardse heiligdom beschreven. Daarna kijk je in het hemelse heiligdom, waar Christus eens voor altijd is ingegaan en wat de heerlijke gevolgen daarvan zijn.

Wat nog opvalt, is dat er sprake is van de tabernakel en niet van de tempel. De reden is dat de beschrijving van de tabernakel en de dienst daarin beter passen bij de wijze waarop de christenen in deze brief worden gezien. Ze worden hier namelijk gezien als een pelgrimsvolk op aarde dat op weg is naar het beloofde land. Dat wil niet zeggen dat er een bepaald verschil is tussen de inrichting van de tabernakel en de dienst die daarin plaatsvond enerzijds en de tempel met zijn inrichting en dienst anderzijds. Naar hun wezen zijn de diensten in de tabernakel en de tempel ook gelijk. De beschrijving die wordt gegeven, is wel in wezen die van de actuele gang van zaken in de tempel, maar de schrijver spreekt steeds over de tabernakel.

V11<Ook> het eerste [verbond] had dus dienstvoorschriften en het wereldlijk heiligdom.. Hij begint met het aantonen van het verband tussen het eerste, oude verbond en de voorschriften voor de eredienst in het aardse heiligdom waar die eredienst plaatsvond. Hij spreekt over “het wereldlijk heiligdom” en niet over een ‘werelds heiligdom’. Een werelds heiligdom zou betekenen dat het er werelds aan toeging en dat het aan de smaak van de wereld zou zijn aangepast. Wat hij bedoelt te zeggen, is dat het een heiligdom is dat tot de tastbare, zichtbare wereld behoort.

V22Want een tabernakel was ingericht, de eerste, waarin de kandelaar was en de tafel en de toonbroden; deze wordt [het] heilige genoemd.. In zijn beschrijving neemt hij zijn lezers mee naar de tabernakel en voert hen in gedachten langs de verschillende voorwerpen. Hij staat eerst stil bij “de eerste” tabernakel, dat wil zeggen het eerste gedeelte van de tabernakel. Dit gedeelte wordt “[het] heilige” genoemd (Ex 26:31-3731U moet ook een voorhangsel maken, van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode [wol] en dubbeldraads fijn linnen; men moet het op kunstige wijze maken, [met] cherubs [erop], werk van een kunstenaar.32Dan moet u het hangen aan vier pilaren van acaciahout die met goud overtrokken zijn en [van] gouden haken [voorzien], op vier zilveren voetstukken.33Dan moet u het voorhangsel onder aan de haken hangen en de ark van de getuigenis daarbinnen achter het voorhangsel brengen. Het voorhangsel moet voor u scheiding maken tussen het heilige en het heilige der heiligen.34Vervolgens moet u het verzoendeksel op de ark van de getuigenis leggen, in het heilige der heiligen.35Verder moet u de tafel aan de buiten[kant] van het voorhangsel zetten, en de kandelaar tegenover de tafel, aan de zuidkant van de tabernakel, en de tafel moet u aan de noordkant plaatsen.36U moet voor de ingang van de tent ook een gordijn maken, van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode [wol] en dubbeldraads fijn linnen, borduurwerk.37En voor het gordijn moet u vijf pilaren van acacia[hout] maken, die met goud overtrekken en [voorzien van] gouden haken; u moet daarvoor vijf koperen voetstukken gieten.). Daarin mochten de priesters dagelijks komen om er hun dienst te doen. In het heilige stonden de kandelaar (Ex 25:31-4031U moet ook een kandelaar van zuiver goud maken. Als gedreven werk moet de kandelaar gemaakt worden, zijn schacht en zijn armen; zijn bloemkelken, zijn knoppen en zijn bloesems moeten er één geheel mee vormen.32En zes armen moeten uit de zijkanten ervan uitsteken: drie armen van de kandelaar uit zijn ene kant, en drie armen van de kandelaar uit zijn andere kant.33Drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de ene arm, [met] knop en bloesem, en drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem aan de andere arm, [met] knop en bloesem. Zo moeten de zes armen worden die uit de kandelaar steken.34En op de kandelaar [zelf] moeten vier bloemkelken komen in de vorm van amandelbloesem, [met] zijn knoppen en zijn bloesems.35Er moet een knop komen onder het [eerste] paar armen dat eruit [steekt], een knop onder het [tweede] paar armen dat eruit [steekt], en een knop onder het [derde] paar armen dat eruit [steekt. Zo moet het worden] bij de zes armen die uit de kandelaar steken.36Zijn knoppen en zijn armen moeten [met de kandelaar] één geheel vormen; het geheel moet één stuk gedreven werk van zuiver goud zijn.37Vervolgens moet u de bijbehorende zeven lampen maken. Men moet die lampen aansteken en licht doen verspreiden in de richting van de voorzijde van [de kandelaar].38Zowel de bijbehorende snuiters als de bijbehorende vuurschalen moeten van zuiver goud zijn.39Van één talent zuiver goud moet men hem maken, met al die [genoemde] voorwerpen.40Zie dan [erop] toe dat u het maakt naar zijn ontwerp, dat u op de berg getoond is.) en de tafel met daarop de toonbroden (Ex 25:23-3023U moet ook een tafel van acaciahout maken. Zijn lengte moet twee el zijn, zijn breedte één el en zijn hoogte anderhalve el.24Dan moet u hem met zuiver goud overtrekken en er een gouden rand omheen maken.25Ook moet u er een sierlijst van een hand breed omheen maken en moet u een gouden rand rondom die sierlijst maken.26Dan moet u er vier gouden ringen voor maken en de ringen bevestigen aan de vier hoeken van zijn vier poten.27De ringen moeten dicht onder de sierlijst zitten, als houders voor de draagbomen, om de tafel te [kunnen] dragen.28En u moet de draagbomen van acaciahout maken en ze met goud overtrekken; de tafel moet daarmee gedragen worden.29Vervolgens moet u de bijbehorende schotels, schalen, kannen en kommen maken, waarmee plengoffers gebracht worden; van zuiver goud moet u ze maken.30Dan moet u het toonbrood op de tafel leggen; [het moet er] voortdurend voor Mijn aangezicht [zijn].).

V33En achter het tweede voorhangsel was een tabernakel, [het] heilige der heiligen geheten,. Na het eerste gedeelte achter een eerste voorhangsel is er nog een tweede gedeelte “achter” wat hier genoemd wordt “het tweede voorhangsel“. Dat gedeelte heet “[het] heilige der heiligen” en was de eigenlijke woonplaats van God. Het was alleen toegankelijk voor de hogepriester en dat slechts eenmaal per jaar.

V44die een gouden wierookvat bevatte en de ark van het verbond, rondom geheel met goud overdekt, waarin een gouden kruik was die het manna bevatte, en de staf van Aaron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond;. In het heilige der heiligen stonden ook enkele voorwerpen en wel het reukaltaar (Ex 30:1-61U moet ook een altaar voor het branden van reukwerk maken. Van acaciahout moet u het maken;2zijn lengte moet een el zijn en zijn breedte een el – vierkant moet het zijn – en zijn hoogte twee el. De bijbehorende horens moeten er één geheel mee vormen.3U moet dat vervolgens met zuiver goud overtrekken, zijn bovenkant, zijn wanden rondom, en zijn horens. Ook moet u er een gouden rand omheen maken.4Ook moet u er twee gouden ringen voor maken, onder de rand ervan; aan zijn beide kanten moet u die maken, aan weerskanten ervan. Ze moeten dienen als houders voor de draagbomen om het [altaar] daarmee te dragen.5Verder moet u de draagbomen van acaciahout maken en ze met goud overtrekken.6U moet het vervolgens vóór het voorhangsel, dat voor de ark van de getuigenis [hangt], plaatsen, vóór het verzoendeksel, dat boven de getuigenis is, waar Ik u zal ontmoeten.) en de ark (Ex 25:10-1610Ook moeten zij een ark van acaciahout maken; zijn lengte moet tweeënhalve el zijn, zijn breedte anderhalve el en zijn hoogte anderhalve el.11U moet hem met zuiver goud overtrekken; vanbinnen en vanbuiten moet u hem overtrekken en er aan de bovenkant een gouden rand omheen maken.12Dan moet u er vier gouden ringen voor gieten en [die] aan zijn vier voetstukken bevestigen, namelijk twee ringen aan de ene kant ervan en twee ringen aan de andere kant ervan.13Vervolgens moet u draagbomen van acaciahout maken en die overtrekken met goud.14Dan moet u de draagbomen door de ringen steken aan weerskanten van de ark, om de ark daarmee te dragen.15De draagbomen moeten in de ringen van de ark blijven, ze mogen er niet uitgetrokken worden.16Vervolgens moet u in de ark de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.). De ark wordt hier “de ark van het verbond” genoemd om nog eens aan te geven dat het om een oud en een nieuw verbond gaat. De ark was de ontmoetingsplaats tussen God en het volk onder het oude verbond. Tegenover dit centrum van het oude verbond staat Christus als het middelpunt, het hart van het nieuwe verbond.

De heerlijkheid van de ark wordt aangegeven door te vermelden dat die “rondom geheel met goud overdekt” was. En er waren nog meer heerlijke dingen met de ark verbonden. In de ark bevonden zich een gouden kruik met manna (Ex 16:3333Ook zei Mozes tegen Aäron: Neem een kruik en doe daar een volle gomer manna in, en zet die voor het aangezicht van de HEERE om het te bewaren, [al] hun generaties door.) en de staf van Aäron (Nm 17:8-108De volgende dag gebeurde het, toen Mozes in de tent van de getuigenis kwam, dat, zie, de staf van Aäron voor het huis van Levi in bloei stond. Hij bracht bloesem voort en bloeiende bloemen, en droeg amandelen.9Toen bracht Mozes al deze staven van voor het aangezicht van de HEERE naar buiten, naar al de Israëlieten. En zij zagen [het], en namen elk hun staf.10Toen zei de HEERE tegen Mozes: Breng de staf van Aäron terug vóór de getuigenis, om [hem] te bewaren, als teken voor de opstandigen. En u zult een einde maken aan hun gemor over Mij, opdat zij niet sterven.). Als je de aangehaalde verzen leest, valt het op dat zowel van de kruik als van de staf wordt gezegd dat ze vóór de ark werden neergelegd. Hier staat dat ze in de ark waren. Dat moet betekenen dat ze later in de ark zijn terechtgekomen. Hoe dat is gebeurd, weten we niet.

De inhoud van de ark wordt compleet gemaakt door de twee stenen tafelen, hier genoemd “de tafelen van het verbond” (vgl. ‘de ark van het verbond’). De tafelen bevonden zich vanaf het begin in de ark en wel omdat God het had gezegd (Dt 10:55En ik keerde mij om, daalde de berg af en legde de tafelen in de kist die ik gemaakt had. Daar zijn ze [nog steeds], zoals de HEERE mij geboden had.; 1Kn 8:99Er was niets in de ark dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij de Horeb daarin gelegd had, toen de HEERE [een verbond] gesloten had met de Israëlieten, toen zij uit het land Egypte waren vertrokken.).

V55en daarboven de cherubs van [de] heerlijkheid die het verzoendeksel overschaduwden; het is niet mogelijk hierover nu in bijzonderheden te spreken.. In zijn ‘rondleiding’ in het wereldlijk heiligdom staat de schrijver ten slotte stil bij “de cherubs van [de] heerlijkheid die het verzoendeksel overschaduwden” (Ex 25:18-2218Vervolgens moet u twee cherubs van goud maken, als gedreven werk moet u ze maken, aan de beide uiteinden van het verzoendeksel.19Maak één cherub aan het uiteinde aan de ene [kant], en één cherub aan het uiteinde aan de andere [kant]; als één geheel met het verzoendeksel moet u de cherubs maken, aan de beide uiteinden ervan.20De cherubs moeten hun beide vleugels naar boven uitgespreid houden, terwijl ze met hun vleugels het verzoendeksel bedekken en hun gezichten naar elkaar toe [gericht zijn]; de gezichten van de cherubs moeten naar het verzoendeksel [gericht] zijn.21Vervolgens moet u het verzoendeksel op de ark leggen, en in de ark moet u de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.22Dan zal Ik u daar ontmoeten en van boven het verzoendeksel, van tussen de twee cherubs, die zich op de ark van de getuigenis zullen bevinden, zal Ik met u spreken over alles wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal.). De twee indrukwekkende engelgestalten vormden één geheel met het verzoendeksel. Tussen de twee cherubs, die de troon van God vormden, woonde God. Ze keken neer op het verzoendeksel en de tafelen van de wet en waren de symbolische vertegenwoordigers van Gods oordeelskracht om alles te oordelen wat niet overeenstemde met Gods heiligheid.

De schrijver had graag in bijzonderheden over de betekenis van het innerlijk of het uiterlijk van de tabernakel willen spreken, maar dat was niet mogelijk. Het is natuurlijk ook prachtig om in die voorwerpen een geestelijke betekenis te zien. Dat mag ook. Het is, als je het boek Exodus leest en bestudeert, zelfs de bedoeling. Maar daar gaat het de schrijver hier niet om. Hij wil zijn Joodse lezers juist losmaken van dit hele aardse gebeuren, omdat die hele tempeldienst met al zijn voorwerpen voor God zijn betekenis heeft verloren.

Voor hen gaat er echter nog steeds een grote aantrekkingskracht uit van de tempel als zodanig met alle voorwerpen en de dienst die daarmee verbonden was. Vandaar dat de schrijver de leegte van het aardse heiligdom aantoont en de zinloosheid om daar nog enige waarde aan toe te kennen. Er mag dan veel onderwijs in de symbolen aanwezig zijn, het gaat de schrijver om het scherpe contrast tussen de symbolen als zodanig en het christendom. Telkens weer laat hij de tegenstelling zien: symbolen–werkelijkheid, aards–hemels, tijdelijk–eeuwig, onvolkomen–volmaakt, en zegt dat een vermenging niet mogelijk is.

V66Waar deze dingen nu zo ingericht zijn, gaan de priesters wel steeds in de eerste tabernakel om de diensten te volbrengen,. Nadat de schrijver heeft laten zien hoe alles is ingericht, spreekt hij vervolgens over de dienst van de priesters. Hun dienst in het heilige, ‘de eerste tabernakel’, bestond uit het twee keer per dag verzorgen van de lampen en het offeren van reukwerk op het altaar en het eens per week verwisselen van de toonbroden. Deze dienst gebeurde met grote regelmaat, wat wordt aangegeven door het woord “steeds”.

V77maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offert voor zichzelf en voor de afdwalingen van het volk.. Dat is een contrast met de dienst van de hogepriester, van wie je leest dat hij slechts “eenmaal in het jaar” in het heilige der heiligen, ‘de tweede’, mocht binnengaan. Dit ‘eenmaal in het jaar’ was op de tiende dag van de zevende maand, dat is de grote Verzoendag (Lv 16:29-3029Dit is voor u tot een eeuwige verordening: u moet in de zevende maand, op de tiende [dag] van de maand, uzelf verootmoedigen en geen enkel werk doen, de ingezetene niet, en de vreemdeling die in uw midden verblijft, evenmin.30Want op deze dag wordt voor u verzoening gedaan om u te reinigen. Van al uw zonden wordt u voor het aangezicht van de HEERE gereinigd.). En als hij binnenging, dan was dat “niet zonder bloed”. Eerst ging hij naar binnen met het bloed van de stier om dat “voor zichzelf” te offeren (Lv 16:6,146Dan moet Aäron de jonge stier aanbieden als zondoffer dat voor hem bestemd is, en voor zichzelf en zijn gezin verzoening doen.14Hij moet dan [een deel] van het bloed van de jonge stier nemen, en met zijn vinger op het verzoendeksel sprenkelen, aan de kant naar het oosten toe. En vóór het verzoendeksel moet hij zeven keer met zijn vinger van dat bloed sprenkelen.). Daarna ging hij naar binnen met het bloed van de eerste bok om dat te offeren “voor de afdwalingen [dat wil zeggen de onopzettelijke zonden] van het volk” (Lv 16:1515Daarna moet hij de bok slachten die als zondoffer voor het volk bestemd is, en zijn bloed binnen het voorhangsel brengen. Hij moet met zijn bloed doen zoals hij met het bloed van de jonge stier gedaan heeft, en dat op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen.).

V88Daarmee duidt de Heilige Geest aan dat de weg tot het heiligdom nog niet bekendgemaakt is, zolang de eerste tabernakel nog standhoudt.. De beschrijving van de tabernakel is niet door de schrijver verzonnen. Hij volgt eenvoudig wat de Heilige Geest hierover in het Oude Testament heeft bekendgemaakt. Hij begrijpt uit de beschrijving van de tabernakel ook het onderwijs van de Heilige Geest dat, zolang de eerste tabernakel met zijn gesloten voorhang nog standhoudt, er geen vrije toegang is tot God. Zijn lezers moeten goed beseffen dat een terugkeer naar de aardse eredienst betekent dat zij de weg tot God weer voor zichzelf sluiten.

Is door het werk van de Heer Jezus de voorhang niet gescheurd en de weg tot het heiligdom geopend (Mt 27:5151En zie, het voorhangsel van het tempelhuis scheurde van boven naar beneden in tweeën; en de aarde beefde en de rotsen scheurden.)? Iedere gelovige wordt op grond van wat de Heer Jezus heeft gedaan, toegelaten tot de tegenwoordigheid van God. Ook jij hebt voortdurend toegang tot God, rechtstreeks toegang tot de plaats waar Hij is, in het licht. Zou je dat voorrecht willen inruilen voor een dienst die misschien wel je oog en je oor streelt, maar die je buiten de tegenwoordigheid van God plaatst?

V99Deze is een gelijkenis voor de tegenwoordige tijd; vandaar dat zowel gaven als slachtoffers geofferd worden, die hem die de dienst verricht, naar [het] geweten niet kunnen volmaken,. De hele aardse tabernakel- of tempeldienst is “een gelijkenis voor de tegenwoordige tijd”, dat wil zeggen met de bedoeling alle onderdelen van die dienst te vergelijken met de hemelse tabernakel. Het woord ‘gelijkenis’ is letterlijk ‘werpen naast’ met de betekenis van het werpen van een voorwerp naast een ander voorwerp om die twee voorwerpen met elkaar te vergelijken. Het is de bedoeling dat je zowel het gebouw als wat erin plaatsvindt, vergelijkt met het hemelse heiligdom en de dienst die daar plaatsvindt. Zoals bij een aards heiligdom past, werden er – ook nog ten tijde van het schrijven van deze brief – tastbare, letterlijke gaven en slachtoffers geofferd.

De lezers moeten er goed van doordrongen raken dat geen enkel offer in de eerste tabernakel de offeraar ooit een volmaakt geweten heeft gegeven. Wie terugkeert naar de oude eredienst, zal zijn volmaakte geweten verliezen en weer voortdurend door zijn geweten aangeklaagd worden. Een volmaakt geweten kent God en weet zich door Hem aangenomen. Wie een volmaakt geweten heeft, weet dat hij door het werk en het bloed van Christus eens voor altijd van alle kwaad is gereinigd.

V1010die alleen [bestaan] in spijzen, dranken en verschillende reinigingen: inzettingen van [het] vlees, tot op [de] tijd van het herstel opgelegd.. De hele dienst naar de wet met zijn offers en inzettingen kan en kon dat nooit bewerken. Het zijn allemaal inzettingen voor het uiterlijk, het vlees, het lichaam, en niet voor het innerlijk of het geweten of de geest. Zo hebben “spijzen” te maken met het verschil tussen reine en onreine dieren (Lv 11:22Spreek tot de Israëlieten: Dit zijn de dieren die u eten mag van alle dieren die op de aarde zijn.) en wijzen “dranken” bijvoorbeeld op het verbod voor de priester om sterkedrank te gebruiken (Lv 10:99Wijn en sterkedrank mag u niet drinken, u niet en uw zonen met u [ook] niet, als u de tent van ontmoeting binnenkomt, opdat u niet sterft – [het is] een eeuwige verordening, [al] uw generaties door –). Ook de “verschillende reinigingen” hebben niets te maken met het innerlijk, maar alleen met het uiterlijk. Zo was er reiniging nodig bij een geboorte (Leviticus 12) en na melaatsheid (Leviticus 13-14).

Al deze uiterlijke inzettingen waren door God aan het volk opgelegd tot “[de] tijd van [het] herstel”, dat is het duizendjarig vrederijk. Als dat rijk is aangebroken, zal Gods aardse volk door bekering en wedergeboorte gereinigd zijn van alle zonden en innerlijk met God in verbinding staan. De uiterlijke dienst is dan geen holle vorm meer, niet meer een godsdienstig gebeuren zonder inhoud. Het zal een eredienst zijn die vanuit een vernieuwd hart zal plaatsvinden en die geheel in overeenstemming met Gods gedachten zal zijn.

Lees nog eens Hebreeën 9:1-10.

Verwerking: Wat wil de schrijver met deze samenvatting van de aardse eredienst aan de lezer duidelijk maken?


Christus, Hogepriester en Middelaar

11Maar Christus, gekomen als Hogepriester van de komende goederen, door de grotere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt (dat is niet van deze schepping), 12ook niet door [het] bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, is eens voor altijd ingegaan in het heiligdom na een eeuwige verlossing verworven te hebben. 13Want als het bloed van bokken en stieren en [de] as van een jonge koe, gesprenkeld op de onheiligen, heiligt tot de reinheid van het vlees, 14hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door [de] eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd, ons geweten reinigen van dode werken, om [de] levende God te dienen. 15En daarom is Hij Middelaar van een nieuw verbond, zodat, nu [de] dood heeft plaatsgevonden tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.

V1111Maar Christus, gekomen als Hogepriester van de komende goederen, door de grotere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt (dat is niet van deze schepping),. Het eerste woord, “maar”, geeft aan dat wat nu volgt een tegenstelling vormt met het voorgaande. Het tweede woord, “Christus”, stelt de Persoon voor door Wie de hele aardse eredienst die in de vorige verzen is beschreven, zijn bestaansrecht heeft verloren. De aardse eredienst heeft het geweten van geen enkel mens volmaakt gemaakt (vers 99Deze is een gelijkenis voor de tegenwoordige tijd; vandaar dat zowel gaven als slachtoffers geofferd worden, die hem die de dienst verricht, naar [het] geweten niet kunnen volmaken,) en geen volmaakte situatie gebracht (Hb 7:1919(want de wet heeft niets tot volmaaktheid gebracht), en anderzijds [de] invoering van een betere hoop, waardoor wij tot God naderen.). De Enige Die dat kan en zal doen, is Christus.

Hij is gekomen als Hogepriester om Zijn volk in de rust van het beloofde vrederijk in te voeren. In dat rijk van vrede, dat is het toekomstige aardrijk, zal Hij regeren en Zijn volk zegenen met “goederen”. Deze “komende” of toekomstige goederen bestaan in alles waarin de Messias Zich zal verheugen wanneer Hij zal regeren.

Bij ‘goederen’ moet je dus niet zozeer denken aan bepaalde tastbare dingen, maar aan goede dingen. Het woord ‘goederen’ is hier namelijk het meervoud van het woord ‘goede’. Je herkent deze goede dingen in het brood en de wijn waarmee Melchizédek Abraham tegemoetkwam (Gn 14:1818En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
)
.

De goede dingen die voor Israël nog zullen komen, hebben wij nu al gekregen: de eeuwige behoudenis, verlossing, erfenis, verbond, een volmaakt geweten, vrije toegang tot het hemelse heiligdom, gemeenschap met God. Voor de gelovige Hebreeën, en voor jou en mij, is Christus al als Hogepriester gekomen. Zijn dienst staat voor ons niet in verbinding met een aards heiligdom dat gekenmerkt werd door zwakheid en onvolkomenheid, maar met het hemelse heiligdom.

Het hemelse heiligdom is groter en volmaakter dan het aardse. Dat hemelse heiligdom en de dienst die Christus daar verricht, is niet het resultaat van mensenwerk. Het staat op geen enkele manier in verbinding met de eerste schepping. Daarom is dat heiligdom en de dienst die daar gebeurt, gegarandeerd onaantastbaar voor enige vorm van verderf, waarmee de zegen veilig is gesteld. Met die zegen komt Christus als de ware Melchizédek straks naar buiten uit het hemelse heiligdom tot Zijn volk op aarde.

V1212ook niet door [het] bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, is eens voor altijd ingegaan in het heiligdom na een eeuwige verlossing verworven te hebben.. De schrijver gebruikt weer de krachtigste taal om de geringste twijfel aangaande Christus en Zijn werk geen schijn van kans te geven. De garantie van de zegen is gelegen in het “eigen bloed” van Christus waarmee Hij het heiligdom is binnengegaan. Dat staat ook weer tegenover de aardse dienst met zijn dierlijke offers waarvan het bloed geen zonden kon wegnemen (Hb 10:44Want het is onmogelijk dat bloed van stieren en bokken zonden wegneemt.). Hoe zou trouwens het bloed van dieren ooit zonden van mensen kunnen wegnemen?

Christus is het heiligdom ingegaan om er altijd te blijven. Zijn eens voor altijd gestorte bloed behoudt eeuwig zijn waarde en kracht. Het werk is af en kan nooit van waarde veranderen. Omdat Hij daar altijd blijft, is de toegang eens en voor altijd ontsloten en hebben we altijd toegang tot God in het licht. We kunnen ingaan omdat Christus is ingegaan en we kunnen ingaan omdat we een volmaakt geweten hebben.

Hij heeft “een eeuwige verlossing” verworven. Die verlossing betreft de gelovigen van alle tijden. Ook de hele kosmos zal erin delen. Het gaat om de rechten die Hij als de Zoon des mensen, Die eenmaal over het toekomstige aardrijk zal heersen, heeft verworven. Door Zijn offerdood heeft Hij de grondslag gelegd voor de verlossing van alle gelovigen en alle dingen (Ko 1:19-2219Want het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen20en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis, <door Hem,> hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen.21En u, die er vroeger vreemd aan was en vijandig gezind was door uw boze werken, heeft Hij echter nu verzoend22in het lichaam van Zijn vlees door de dood, om u heilig, onberispelijk en onstraffelijk voor Zich te stellen;). Het bloed dat de grondslag ervan vormt, is nu in het heiligdom.

Het bloed heeft eeuwigheidswaarde. Daarom is de verlossing ook een eeuwige verlossing. Verlossing gaat verder dan vergeving. Vergeving doet iets met onze zonden en wil zeggen dat God ons de zonden niet meer toerekent omdat ze door de Heer Jezus zijn weggedaan. Verlossing doet iets met onszelf. Het neemt ons weg uit heel onze vroegere toestand en brengt ons over in een heel nieuwe positie, verbonden met Christus.

V1313Want als het bloed van bokken en stieren en [de] as van een jonge koe, gesprenkeld op de onheiligen, heiligt tot de reinheid van het vlees,. De schrijver wil nog nadrukkelijker het contrast tussen de reinigingsrituelen in het Oude Testament en de reiniging door het bloed van Christus naar voren brengen. Het bloed van bokken en stieren staat in verbinding met de grote Verzoendag (Lv 16:3,14-153[Alleen] hiermee mag Aäron het heiligdom binnengaan: met een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer en een ram als brandoffer.14Hij moet dan [een deel] van het bloed van de jonge stier nemen, en met zijn vinger op het verzoendeksel sprenkelen, aan de kant naar het oosten toe. En vóór het verzoendeksel moet hij zeven keer met zijn vinger van dat bloed sprenkelen.15Daarna moet hij de bok slachten die als zondoffer voor het volk bestemd is, en zijn bloed binnen het voorhangsel brengen. Hij moet met zijn bloed doen zoals hij met het bloed van de jonge stier gedaan heeft, en dat op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen.). De as, vermengd met reinigingswater, kwam van de rode jonge koe (Nm 19:99En iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en buiten het kamp op een reine plaats wegleggen. Die [as] is voor de gemeenschap van de Israëlieten om te bewaren, [bestemd] voor reinigingswater. Het is [een middel tot] ontzondiging.). Deze middelen werden letterlijk op het lichaam van een persoon aangebracht die door een zondige uiting of aanraking onrein was geworden. Door de besprenkeling met de voorgeschreven middelen werd die persoon weer rein. Die reinheid betrof alleen zijn lichaam, maar op grond daarvan kon hij zich weer onder Gods volk begeven. Over zijn innerlijk zei het niets. Ook moesten deze middelen opnieuw worden toegepast als de persoon weer een zonde beging. De reiniging was slechts tijdelijk.

V1414hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door [de] eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd, ons geweten reinigen van dode werken, om [de] levende God te dienen.. Het bloed van Christus en de werking en het resultaat daarvan is volledig anders. Zover de hemel is boven de aarde, zover gaan wat Christus heeft gedaan en de waarde van Zijn bloed uit boven de aardse reinigingsrituelen. Zo was de Heilige Geest aanwezig in elk aspect van het werk van de Heer Jezus op het kruis en van Zijn hele leven dat eraan voorafging. De Heer Jezus werd door de Heilige Geest verwekt (Lk 1:3535En de engel antwoordde en zei tot haar: [De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige Dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd.), Hij werd met Hem gezalfd (Hd 10:38a38[met] Jezus van Nazareth, hoe God Hem heeft gezalfd met [de] Heilige Geest en met kracht. Hij is [het land] doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd, want God was met Hem.), Hij werd door Hem geleid (Lk 4:11Jezus nu, vol van [de] Heilige Geest, keerde terug van de Jordaan en werd door de Geest geleid in de woestijn,) en Hij handelde door Hem (Hd 10:38b38[met] Jezus van Nazareth, hoe God Hem heeft gezalfd met [de] Heilige Geest en met kracht. Hij is [het land] doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd, want God was met Hem.). Hier lezen we dat Hij Zichzelf door de eeuwige Geest vlekkeloos aan God heeft geofferd.

De waarde van het bloed van Christus is zo groot omdat dit het bloed is van Christus Die Zichzelf heeft geofferd aan God, en wel dóór de Heilige Geest. Hij wordt hier gezien als Mens Die ten behoeve van alle mensen die in Hem geloven het offer brengt aan een heilig en rechtvaardig God in de kracht van de Heilige Geest. Christus was een Offeraar Die een vlekkeloos offer kon aanbieden aan God omdat Hij volmaakt rein, rechtvaardig en zonder zonde was. Hij was de Offeraar én het Offer, waarvan het bloed in het heiligdom werd gebracht en daar gaat het hier om.

Het resultaat is dat het geweten van de gelovige gereinigd is van “dode werken”, waardoor hij nu in staat is “om [de] levende God te dienen”. Dode werken zijn allemaal werken die niet gedaan worden in gemeenschap met de levende God, maar vanuit een eigen idee over het dienen van God. Daarom staat het dienen van de levende God tegenover de dode werken.

‘Dienen’ heeft hier de betekenis van eredienst. Op grond van het offer dat de Heer Jezus in Zichzelf aan God heeft aangeboden, kunnen nu alle gelovigen geestelijke offers brengen aan God. Zij dienen God door Hem eer te brengen. De gelovigen brengen aanbidding in geest en waarheid (Jh 4:2424God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.) door God te vertellen wat zij in het offer van Zijn Zoon hebben gezien.

Alles zal worden beoordeeld aan de hand van de vraag: ‘Wat vindt God, de Levende, ervan?’ De levende God heeft geen belangstelling voor ‘kerkbezoek’ als zodanig, maar ziet of er belangstelling is voor Hem. Stel je voor dat er iemand bij je op bezoek zou komen die er alleen maar in geïnteresseerd zou zijn hoe je huis er uitziet, terwijl hij jou geen blik of woord waardig zou keuren. Dit is de manier waarop heel wat mensen met God en Zijn dienst omgaan. Zij beseffen niet dat de Heer Jezus Zichzelf heeft geofferd om een gezelschap van aanbidders te vormen die met een volkomen gereinigd geweten tot God in het heiligdom zouden naderen.

V1515En daarom is Hij Middelaar van een nieuw verbond, zodat, nu [de] dood heeft plaatsgevonden tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.. Dit naderen tot God was onder het oude verbond onmogelijk. Daarvoor was een nieuw verbond nodig. Dit nieuwe verbond betreft Israël en Juda en moet nog met hen worden gesloten, maar God heeft wel al de Middelaar aangesteld en geopenbaard. Deze heeft het werk volbracht waarop de vervulling van de beloften gegrond kan worden. De offerdood van Christus maakt ons vrij van de overtredingen van het oude verbond én is de grondslag voor het ontvangen van de zegeningen van het nieuwe verbond, “de eeuwige erfenis”.

De overtredingen onder het eerste verbond konden door de offers onder het eerste verbond niet worden weggenomen. Maar het bloed van het nieuwe verbond dat door de dood van Christus is vergoten, heeft ze geheel en al uitgedelgd. Ze drukken niet meer als een last op de gelovige, wat wel het geval is bij hen die in verbinding blijven met het oude verbond. Wie verbonden zijn aan de Middelaar van het nieuwe verbond, zijn ervan verlost. Zij zijn “de geroepenen” en kunnen op grond van die verlossing de eeuwige erfenis ontvangen.

Het is een groot voorrecht tot de geroepenen te behoren, waarbij tot dit voorrecht ook het ontvangen van de eeuwige erfenis hoort. Er kan van een eeuwige erfenis worden gesproken omdat de verzoening volkomen is. De zonde is weggedaan en zal volkomen worden weggedaan uit het oog van God in overeenstemming met de natuur van God Zelf. Christus, de Middelaar (Hb 12:2424en tot Jezus, [de] Middelaar van een nieuw verbond; en tot [het] bloed van [de] besprenkeling, dat beter spreekt dan Abel.), bemiddelt tussen de heilige God en de verontreinigde mens. Mozes was ook middelaar, maar dan van het oude verbond. Maar hij stierf niet voor het volk. Als zondig mens kon hij dat ook niet. Wat Christus deed, deed Hij niet in verbinding met het oude verbond, want binnen dat bestel was geen ruimte voor ware reiniging en eredienst. De dienst van Christus staat in verbinding met een nieuw verbond. Dat maakt alles totaal anders en volmaakt zeker.

Lees nog eens Hebreeën 9:11-15.

Verwerking: Welke aspecten van Christus en Zijn werk vind je in deze verzen?


Reiniging en verschijning

16(Want waar een testament is, daar is het nodig dat [de] dood van de testamentmaker vaststaat; 17want een testament wordt geldig als de dood is ingetreden, daar het nimmer kracht heeft zolang de testamentmaker leeft.) 18Daarom is ook het eerste [verbond] niet zonder bloed ingewijd. 19Want toen door Mozes naar de wet elk gebod tot het hele volk gesproken was, nam hij het bloed van de kalveren <en de bokken> met water en scharlaken wol en hysop en besprenkelde zowel het boek zelf als het hele volk, 20en zei: ’Dit is het bloed van het verbond dat God u geboden heeft’. 21En evenzo besprenkelde hij zowel de tabernakel als alle vaten van de dienst met het bloed. 22En met bloed wordt bijna alles naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving. 23Het was dus nodig dat wel de zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn hierdoor gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere slachtoffers dan deze. 24Want Christus is niet ingegaan in [het] met handen gemaakte heiligdom, een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; 25ook niet opdat Hij Zichzelf dikwijls offerde, zoals de hogepriester elk jaar ingaat in het heiligdom met vreemd bloed; 26anders had Hij van [de] grondlegging van [de] wereld af dikwijls moeten lijden. Maar nu is Hij eenmaal in [de] voleinding van de eeuwen geopenbaard om <de> zonde af te schaffen door het slachtoffer van Zichzelf. 27En evenzeer als het de mensen beschikt is éénmaal te sterven en daarna het oordeel, 28zo zal ook Christus, éénmaal geofferd om [de] zonden van velen te dragen, [de] tweede keer zonder zonde verschijnen tot behoudenis aan hen die Hem verwachten.

V16-1716(Want waar een testament is, daar is het nodig dat [de] dood van de testamentmaker vaststaat;17want een testament wordt geldig als de dood is ingetreden, daar het nimmer kracht heeft zolang de testamentmaker leeft.). Deze verzen vormen een tussenzin. Je ziet dat in de tekst aan de haakjes aan het begin en het eind van deze verzen. In vers 1515En daarom is Hij Middelaar van een nieuw verbond, zodat, nu [de] dood heeft plaatsgevonden tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen. heeft de schrijver gesproken over de dood en de erfenis. Hij gaat nu verklaren hoe deze twee met elkaar verbonden zijn. Het een staat niet los van het ander. Dat was toen zo en dat is nog steeds zo.

Een erfenis is wat iemand na zijn overlijden nalaat. Wie iets heeft na te laten, zal meestal een testament laten opmaken. In een testament beschrijft de ‘testamentmaker’ wie zijn bezit krijgt als hij is gestorven. Dat betekent dat de dood moet hebben plaatsgevonden voordat de erfgenaam, dat is hij die in het testament als de begunstigde wordt genoemd, kan genieten van wat hem in dat testament is toegezegd. Daarom staat in deze verzen dat een testament pas in werking treedt bij de dood van de testamentmaker, ofwel de erflater. Om de wilsbeschikking van de testamentmaker te kunnen uitvoeren moet diens dood absoluut vaststaan.

Nu is het bijzondere in deze situatie dat Christus zowel de Testamentmaker of Erflater is als Degene Die recht heeft op de erfenis. Als God is Hij de Testamentmaker en als Mens is Hij gestorven. Tevens is Hij als de Zoon van God de “Erfgenaam van alle dingen” (Hb 1:22Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.). En als je dan bedenkt dat Hij die erfenis met jou deelt (Ef 1:1111in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,; 3:66dat [zij uit] de volken mede-erfgenamen zijn en mede-ïngelijfden en mededeelgenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie,), dat je tot de geroepenen behoort die de eeuwige erfenis ontvangen (vers 1515En daarom is Hij Middelaar van een nieuw verbond, zodat, nu [de] dood heeft plaatsgevonden tot verlossing van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.), dan kun je niet anders dan Hem aanbidden. Dit zijn dingen die het menselijk verstand te boven gaan, maar in het geloof zul je aanvaarden dat het zo is. Het is juist de heerlijkheid van Christus en het geheimenis van Zijn Persoon waardoor we tot aanbidding van Hem komen.

Een testament of verbond wordt dus alleen van kracht als de dood is ingetreden. Dat is niet iets wat pas in verband met het nieuwe verbond is gaan gelden. Ook in het oude verbond of oude testament was dat al zo. In het Oude Testament staat een overvloed aan voorbeelden van de noodzaak dat de dood moest intreden, voordat mensen in betrekking konden staan tot God. Denk maar aan de hele offerdienst. Ook nu geldt nog dat een mens óf het oordeel zelf ondergaat, óf ziet hoe zijn zonden zijn uitgewist doordat een Ander voor hem het oordeel heeft ondergaan.

V18-2018Daarom is ook het eerste [verbond] niet zonder bloed ingewijd.19Want toen door Mozes naar de wet elk gebod tot het hele volk gesproken was, nam hij het bloed van de kalveren <en de bokken> met water en scharlaken wol en hysop en besprenkelde zowel het boek zelf als het hele volk,20en zei: ’Dit is het bloed van het verbond dat God u geboden heeft’.. Om zijn onderwijs te illustreren haalt de schrijver weer een voorbeeld aan waarmee zijn lezers bekend zijn. Mozes had de woorden aan het volk doorgegeven die hij van God over Zijn verbond op de berg had gehoord. Daarop verklaarde het volk plechtig zich aan dit verbond te zullen houden (Ex 24:33Mozes kwam [terug] en vertelde al de woorden van de HEERE en al de bepalingen aan het volk. Toen antwoordde heel het volk eenstemmig en zij zeiden: Al de woorden die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.). Hierna offerde Mozes en sprenkelde bloed op het altaar en op het volk en het boek (Ex 24:66Mozes nam de helft van het bloed en deed dat in de schalen, en de helft van het bloed sprenkelde hij op het altaar.). Het bloed is het bloed dat God geboden had als Zijn antwoord op de belofte van het volk. Van dit bloed ging dreiging uit. God zegt hiermee wat met Israël zou gebeuren als het volk Zijn woorden zou overtreden.

Het bloed van het nieuwe verbond spreekt een heel andere taal. Daarmee zijn de gelovigen van het nieuwe testament besprenkeld. Van dat bloed gaat verzoening, vergeving en zegen uit (1Pt 1:22uitverkorenen naar [de] voorkennis van God [de] Vader, door heiliging van [de] Geest, tot gehoorzaamheid en besprenkeling met [het] bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.; Hb 12:2424en tot Jezus, [de] Middelaar van een nieuw verbond; en tot [het] bloed van [de] besprenkeling, dat beter spreekt dan Abel.). In de waarde van dat bloed kunnen wij, die niet beter zijn dan zij die onder het oude verbond waren, voor God staan.

V2121En evenzo besprenkelde hij zowel de tabernakel als alle vaten van de dienst met het bloed.. De besprenkeling waarvan hier sprake is, gebeurde op de grote Verzoendag, niet door Mozes, maar door Aäron. Het gaat de schrijver erom de betekenis van het bloed onder het oude verbond aan te tonen, hoe alles onder het beslag ervan werd gebracht. Het maakt duidelijk wat voor een fundamentele rol het bloed speelt, zowel in het oude als in het nieuwe verbond.

V2222En met bloed wordt bijna alles naar de wet gereinigd, en zonder bloedstorting is er geen vergeving.. “Zonder bloedstorting” is vergeving niet mogelijk, net zomin als verlossing (vers 1212ook niet door [het] bloed van bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, is eens voor altijd ingegaan in het heiligdom na een eeuwige verlossing verworven te hebben.) en reiniging (vers 1414hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door [de] eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd, ons geweten reinigen van dode werken, om [de] levende God te dienen.). Door te zeggen dat met bloed “bijna alles” wordt gereinigd, is duidelijk dat de schrijver zich bewust is van uitzonderingen, zoals bijvoorbeeld voor een arme (Lv 5:11-1311Maar als zijn vermogen ontoereikend is voor twee tortelduiven of twee jonge duiven, dan moet degene die gezondigd heeft, als offergave het tiende [deel] van een efa meelbloem als zondoffer brengen. Hij mag er geen olie op doen en er [ook] geen wierook op leggen, want het is een zondoffer.12Hij moet het naar de priester brengen, en de priester moet daarvan een handvol nemen, als gedenkoffer, en het op het altaar in rook laten opgaan, boven de vuuroffers van de HEERE. Het is een zondoffer.13Zo zal de priester verzoening voor hem doen over zijn zonde, die hij begaan heeft, in deze of gene zaak, en het zal hem vergeven worden. Het zal voor de priester zijn, net zoals het graanoffer.; vgl. Lv 15:1010Ieder die wat dan ook aanraakt wat onder hem is, is onrein tot de avond. En wie het optilt, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen; en hij is onrein tot de avond.; Nm 31:22-23,5022Alleen het goud, het zilver, het koper, het ijzer, het tin en het lood,23elk ding dat vuurvast is, moet u door het vuur laten gaan, zodat het rein wordt; alleen moet het door het reinigingswater ontzondigd worden. Maar alles wat niet vuurvast is, moet u [alleen] door het water laten gaan.50Daarom zullen wij de HEERE een offergave brengen, ieder wat hij gevonden heeft: een gouden voorwerp, een ketting, een armband, een ring, een oorring of een halssieraad, om voor ons leven verzoening te doen voor het aangezicht van de HEERE.; 16:4646En Mozes zei tegen Aäron: Neem de vuurschaal en doe er vuur in van het altaar, en leg er reukwerk op, en ga onmiddellijk naar de gemeenschap en doe verzoening voor hen, want grote toorn is uitgegaan van voor het aangezicht van de HEERE; de plaag is [al] begonnen.).

Er is bijna niets wat door moderne theologen zo gehaat wordt als juist de gedachte dat zonder bloedstorting er geen vergeving is. Het betekent dat de mensheid uit hopeloos verloren schepselen bestaat op wie het doodsoordeel ligt en dat alleen door de dood dit doodsoordeel kan worden weggenomen, zodat verloren schepselen vergeving kunnen ontvangen. Hoe noodzakelijk was toch de dood van Christus!

V2323Het was dus nodig dat wel de zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn hierdoor gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere slachtoffers dan deze.. Met “de zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn”, wordt de hele aardse tabernakel met zijn dienst bedoeld. Ze zijn een voorstelling van de betere, ware, “hemelse dingen”. De zinnebeeldige dingen moesten gereinigd worden, want ze werden aangeraakt door zondige mensen. Die reiniging gebeurde door bloed. Als gevolg van de zondeval zijn echter ook de hemelse dingen, dat is de geschapen hemel, verontreinigd (Jb 15:1515Zie, [zelfs] op Zijn heiligen vertrouwt Hij niet,
en [zelfs] de hemel is niet zuiver in Zijn ogen.
)
en moeten die ook worden verzoend (Ko 1:2020en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis, <door Hem,> hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen.). In verbinding met die reiniging spreekt de schrijver over “betere slachtoffers”. Het bloed bepaalt ons bij het werk van Christus, het slachtoffer bepaalt ons bij Christus Zelf en het offer dat Hij heeft gebracht.

V2424Want Christus is niet ingegaan in [het] met handen gemaakte heiligdom, een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;. Christus is het echte, “het ware”, dat is het hemelse, heiligdom binnengegaan. Het aardse heiligdom was het “tegenbeeld”. Het was niet meer dan een kopie, een afdruk of afbeelding van het hemelse heiligdom. Christus is niet het aardse heiligdom ingegaan, maar het hemelse. Hij is daar heel anders ingegaan dan Aäron het aardse inging. Aäron bleef maar kort in het heiligdom. Christus is het hemelse heiligdom ingegaan om in het licht van God ten behoeve van ons te verschijnen. Als gevolg daarvan kunnen wij daar nu ook zijn. Hij vertegenwoordigt ons bij God.

V2525ook niet opdat Hij Zichzelf dikwijls offerde, zoals de hogepriester elk jaar ingaat in het heiligdom met vreemd bloed;. Christus is het heiligdom ingegaan op grond van Zijn eenmalige offer. Dat is volmaakt. Daarom is herhaling niet nodig. Met de grote Verzoendag is dat heel anders. Daar moeten elk jaar de voorgeschreven offers worden gebracht. Uit de herhaling blijkt de ontoereikendheid. Altijd weer moet de hogepriester met bloed het heiligdom ingaan en wel met vreemd bloed, dat wil zeggen met ander bloed dan dat van hemzelf. Dat is een groot verschil met de Heer Jezus Die juist met Zijn eigen bloed het heiligdom is ingegaan.

V2626anders had Hij van [de] grondlegging van [de] wereld af dikwijls moeten lijden. Maar nu is Hij eenmaal in [de] voleinding van de eeuwen geopenbaard om <de> zonde af te schaffen door het slachtoffer van Zichzelf.. De schrijver stelt weer duidelijk voor wat het zou betekenen als het offer van Christus niet eenmalig afdoende was geweest. Dan had Hij namelijk vele malen, telkens weer, uit de hemel moeten komen om te lijden. Dit toont de dwaasheid en ook het verwerpelijke van het misoffer van de roomse kerk aan, waarin Christus telkens opnieuw wordt geofferd. Als het ene offer van Christus niet afdoende zou zijn geweest, wanneer zou Zijn offer het dan wel zijn? Het is een van beide: óf het offer van Christus is eens voor altijd volmaakt volbracht, óf het zal nooit volkomen zijn. In het laatste geval zou een even eindeloze herhaling vereist zijn als dit onder het oude verbond het geval was.

Maar Christus is slechts éénmaal gekomen en heeft een eenmalig werk verricht dat nooit herhaald hoeft te worden (1Pt 3:1818Want ook Christus heeft eenmaal voor [de] zonden geleden, [de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Hij Die wel gedood is in [het] vlees, maar levend gemaakt in [de] Geest,). Het tijdstip van het lijden was door God bepaald. Het zou in de voleinding van de eeuwen plaatsvinden. Pas toen vele eeuwen hadden aangetoond dat er van de mens helemaal niets te verwachten viel, zond God Zijn Zoon.

De verdorvenheid van de mens is volledig aan het licht gebracht, met als dieptepunt de verwerping van de Zoon van God. Tegelijk is in de openbaring van de Zoon dit grote voornemen van God werkelijkheid geworden, namelijk dat Hij de zonde zou afschaffen. Hij is het Lam Dat de zonde van de wereld wegneemt (Jh 1:2929De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.). De volle vervulling ervan moet nog komen, maar de basis voor de uiteindelijke, definitieve en volledige afschaffing is gelegd door het Lam toen Hij stierf.

V2727En evenzeer als het de mensen beschikt is éénmaal te sterven en daarna het oordeel,. Alle mensen sterven slechts één keer. Dat is het onontkoombare gevolg van de zonde waardoor de dood in de wereld is gekomen (Rm 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.). Met de dood liggen voor alle mensen de gevolgen van het aardse leven onherroepelijk en voor eeuwig vast. Wie in ongeloof sterft, komt in de hades, de plaats waar pijn heerst (Lk 16:19-3119Nu was er een rijk mens, en hij ging gekleed in purper en fijn linnen en vierde elke dag schitterend feest.20Nu lag er ook een arme, genaamd Lazarus, aan zijn voorpoort, vol zweren,21begerig zich te verzadigen met wat van de tafel van de rijke viel; maar zelfs de honden kwamen zijn zweren likken.22Het gebeurde nu dat de arme stierf en door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham.23De rijke nu stierf ook en werd begraven. En toen hij in de hades zijn ogen opsloeg, terwijl hij in pijnen verkeerde, zag hij Abraham uit de verte, en Lazarus in zijn schoot.24En hij riep de woorden: Vader Abraham, erbarm u over mij en zend Lazarus om de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong te verkoelen, want ik lijd smart in deze vlam.25Abraham echter zei: Kind, bedenk dat u het goede hebt ontvangen in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij hier vertroost, maar u lijdt smart.26En bij dat alles is er tussen ons en u een grote kloof gevestigd, zodat zij die van hier naar u willen overgaan, niet kunnen, en zij vandaar niet naar ons kunnen overkomen.27Hij echter zei: Ik bid u dan, vader, dat u hem zendt naar het huis van mijn vader, want ik heb vijf broers,28opdat hij ernstig tot hen kan getuigen, zodat ook zij niet komen in deze plaats van pijn.29Abraham echter zei: Zij hebben Mozes en de profeten; laten zij naar hen luisteren.30Hij echter zei: Nee, vader Abraham, maar als iemand van [de] doden naar hen toe gaat, zullen zij zich bekeren.31Hij echter zei tot hem: Als zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij, ook al stond iemand uit [de] doden op, zich niet laten overtuigen.), en ten slotte in de hel (Op 20:11-1511En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.12En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.13En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken.14En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur.15En als iemand niet geschreven gevonden werd in het boek van het leven, werd hij geworpen in de poel van vuur.).

Er wordt de mens geen tweede bestaan op aarde gegeven. Een kringloop van leven en dood, de zogenaamde reïncarnatie, is een verzinsel van de duivel. Mensen die geen rekening houden met God, willen dat graag geloven. Toch is met de dood niet alles uit. Er is een “daarna het oordeel“. Dat oordeel zal door Jezus Christus worden uitgeoefend (2Tm 4:11Ik betuig voor God en Christus Jezus, Die levenden en doden zal oordelen, en Zijn verschijning en Zijn koninkrijk:; Jh 5:2727en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.).

V2828zo zal ook Christus, éénmaal geofferd om [de] zonden van velen te dragen, [de] tweede keer zonder zonde verschijnen tot behoudenis aan hen die Hem verwachten.. Net als alle mensen is ook Christus slechts één keer gestorven, maar met wat voor heerlijke, hemelse, eeuwige en onherroepelijke gevolgen voor de gelovige. Hij heeft twee geweldige zekerheden: de vergeving van zijn zonden en de terugkeer van zijn Heer. Christus stierf in de plaats van allen die in Hem geloven. Hun zonden droeg Hij (1Pt 2:2424Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam heeft gedragen op het hout, opdat wij, voor de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid leven: ‘door Zijn striemen bent u gezond geworden’.; Js 53:1212Daarom zal Ik Hem veel toedelen,
en machtigen zal Hij verdelen als buit,
omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood,
onder de overtreders is geteld,
[omdat] Hij de zonden van velen gedragen heeft
en voor de overtreders gebeden heeft.
)
. Toen Hij als Mens op aarde verscheen, was dat om te sterven. Nu Hij in de hemel is, na het volbrengen van Zijn werk, verschijnt Hij voor het aangezicht van God voor ons.

Als Hij voor de tweede keer op aarde verschijnt, is dat voor hen die Hem verwachten. Het betreft hier niet de opname van de gemeente, maar Zijn openbaring op aarde. Het overblijfsel van Israël zal Hem verwachten, en ook wij zien naar Hem uit. Wij hebben Zijn verschijning lief (2Tm 4:88Overigens is voor mij de kroon van de gerechtigheid weggelegd, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij in die dag zal geven; en niet alleen mij, maar ook <allen> die Zijn verschijning hebben lief gekregen.).

Als Hij dan komt, zal dat niets met Zijn werk voor de zonde te maken hebben, want het zondeprobleem is eens voor altijd opgelost bij Zijn eerste komst. Als Hij voor de tweede keer komt, is dat niet meer in vernedering, maar in heerlijkheid. Dan zal de volle behoudenis van het vrederijk door Hem werkelijkheid worden.

Lees nog eens Hebreeën 9:16-28.

Verwerking: Waarom is de waarde van het bloed van Christus zo groot?


Lees verder