Hebreeën
1-7 Het hogepriesterschap van Aäron en Christus 8-14 Melk en vast voedsel
Het hogepriesterschap van Aäron en Christus

1Want iedere hogepriester die uit mensen wordt genomen, wordt voor mensen aangesteld in de dingen die God betreffen, opdat hij zowel gaven als slachtoffers voor [de] zonden offert. 2Hij kan toegeeflijk zijn jegens de onwetenden en dwalenden, omdat hij ook zelf met zwakheid omvangen is; 3en wegens deze [zwakheid] moet hij, evenals voor het volk, ook voor zichzelf offeren voor [de] zonden. 4En iemand neemt niet voor zichzelf de eer, maar wordt door God geroepen, evenals ook Aäron. 5Zo heeft ook Christus niet Zichzelf verheerlijkt om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem gesproken heeft: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’. 6Zoals Hij ook op een andere [plaats] zegt: ‘U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek’. 7Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),

V11Want iedere hogepriester die uit mensen wordt genomen, wordt voor mensen aangesteld in de dingen die God betreffen, opdat hij zowel gaven als slachtoffers voor [de] zonden offert.. De schrijver gaat nu meer uiteenzetten over de persoon van de hogepriester. Zijn lezers zijn zeer vertrouwd met deze persoon. Ze kennen hem goed uit het Oude Testament en uit de praktijk toen ze nog niet in de Heer Jezus geloofden. Eerst wijst hij op het hogepriesterschap zoals dat onder Gods aardse volk functioneerde en in Aäron zijn eerste vertegenwoordiger had. Daarna vergelijkt hij het hogepriesterschap van de Heer Jezus met dat van Aäron, om de verhevenheid daarvan boven dat van Aäron duidelijk te maken.

Hij heeft het hogepriesterschap van de Heer Jezus al aangestipt in Hebreeën 2-4 (Hb 2:1717Daarom moest Hij in alles aan Zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en trouw Hogepriester zou zijn in de dingen die God betreffen, om voor de zonden van het volk verzoening te doen.; 3:11Daarom, heilige broeders, deelgenoten van [de] hemelse roeping, beschouwt de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Jezus,; 4:14-1514Daar wij nu een grote Hogepriester hebben, Die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij de belijdenis vasthouden.15Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.), maar nu gaat hij er uitvoerig op in. Dit onderwijs loopt door tot Hebreeën 10. Voor de Joodse christenen, die steeds de neiging hebben terug te gaan naar de oude staat van zaken, is dit onderwijs van groot belang. Het is ook van belang voor de christenheid, waar veel in aanwezig is wat aan het Jodendom herinnert.

De hogepriester in Israël wordt door enkele dingen gekenmerkt. Zo is hij iemand uit het volk, “uit mensen”, een mens uit mensen genomen. Daarom was het nodig dat Christus Mens zou worden, waarbij je niet mag vergeten dat Hij ook veel meer is, namelijk de unieke, eeuwige Zoon van God.

Verder heeft de dienst van de hogepriester betrekking op mensen. Hij is “voor mensen aangesteld”. Mensen zijn het voorwerp van zijn dienst, hij zet zich voor hen in. Maar zij zijn geen doel op zichzelf. In de dienst van de hogepriester gaat het om “de dingen die God betreffen”. Het gaat om Zijn belangen, Zijn eer, dat er een rein en Hem toegewijd volk is dat Hem aanbidt en dient.

In het Oude Testament komt die dienst op treffende wijze tot uitdrukking door het offeren van “zowel gaven als slachtoffers voor [de] zonden” (vgl. Hb 8:33Want iedere hogepriester wordt aangesteld om zowel gaven als slachtoffers te offeren; daarom was het nodig dat ook Deze iets had om te offeren.; 9:99Deze is een gelijkenis voor de tegenwoordige tijd; vandaar dat zowel gaven als slachtoffers geofferd worden, die hem die de dienst verricht, naar [het] geweten niet kunnen volmaken,). Bij ‘gaven’ kun je denken aan alle mogelijke offers en bij ‘slachtoffers’ vooral aan de bloedige offers. Zonden brengen een scheiding teweeg tussen God en Zijn volk. Als er dan offers werden gebracht voor de zonden, kon God weer bij Zijn volk zijn. Het was de taak van de hogepriester de verbinding tussen God en het volk te herstellen.

V22Hij kan toegeeflijk zijn jegens de onwetenden en dwalenden, omdat hij ook zelf met zwakheid omvangen is;. Omdat Aäron als menselijke hogepriester zelf ook een zondaar was, kon hij “toegeeflijk” zijn. Christus was dat nooit tegenover de zonden. Hij stierf ervoor. De toegeeflijkheid van de menselijke hogepriester is iets in de zin van ‘gematigde gevoelens koesteren’. Het wijst op een gebrekkig, onvolledig medegevoel. Hij heeft die toegeeflijkheid ten opzichte van “onwetenden en dwalenden”. Dat zijn zondaars, maar niet zondaars die leven in bewuste opstand tegen God. Voor de laatsten is geen offer mogelijk (Hb 10:26-2926Want als wij moedwillig zondigen nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor [de] zonden meer over,27maar een vreselijke verwachting van oordeel en een felheid van vuur dat de tegenstanders zal verslinden.28Iemand die [de] wet van Mozes verworpen heeft, sterft zonder ontferming op [het woord van] twee of drie getuigen;29hoeveel zwaarder straf, meent u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God met voeten heeft getreden en het bloed van het verbond waardoor hij geheiligd was, onheilig geacht en de Geest van de genade gesmaad heeft?).

V33en wegens deze [zwakheid] moet hij, evenals voor het volk, ook voor zichzelf offeren voor [de] zonden.. Omdat Aäron een menselijke hogepriester was, moest hij ook voor zichzelf offeren. Dat gold ook voor zijn opvolgers in de volgende eeuwen tot op Christus. Hij trad wel namens het volk op bij God, maar tegelijk was hij ook een van hen, ook in hun zondigheid. De zwakheid die hier wordt bedoeld, wijst op de neiging om te zondigen. Dat was bij Christus niet aanwezig. Hij offerde niet voor Zichzelf, Hij offerde Zichzelf.

V44En iemand neemt niet voor zichzelf de eer, maar wordt door God geroepen, evenals ook Aaron.. Het hogepriesterschap is geen ambt dat iemand voor zichzelf kon opeisen. Dat dit in het ontrouwe Israël wel gebeurde – er is een situatie waar zelfs sprake is van twee hogepriesters (Lk 3:11In [het] vijftiende jaar nu van de regering van keizer Tibérius, toen Pontius Pilatus stadhouder was over Judéa en Herodes viervorst over Galiléa en zijn broer Filippus viervorst over Ituréa en het land Trachonítis en Lysánias viervorst over Abiléne, onder hogepriester Annas en Kajafas,) –, verandert niets aan Gods inzettingen. God heeft Zijn keus bepaald wie uiteindelijk hogepriester zal zijn, zoals bij Zadok en zijn zonen te zien is (Ez 44:15-1615Maar de Levitische priesters, de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mijn heiligdom vervuld hebben toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, díe mogen in Mijn nabijheid komen om Mij te dienen. Zij mogen voor Mijn aangezicht staan om aan Mij vet en bloed aan te bieden, spreekt de Heere HEERE.16Zíj mogen Mijn heiligdom binnenkomen en zíj mogen in de nabijheid van Mijn tafel komen om Mij te dienen en zij zullen [hun] taak ten behoeve van Mij vervullen.; 48:1111Het zal bestemd zijn voor de priesters die geheiligd zijn uit de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mij vervuld hebben, die niet afgedwaald zijn toen de Israëlieten afdwaalden, zoals de [andere] Levieten afgedwaald zijn.). Iemand is hogepriester op grond van roeping, niet door aanmatiging (vgl. 2Kr 26:16-2116Maar toen hij sterk geworden was, werd zijn hart hoogmoedig, tot [zijn eigen] verderf. Hij werd ontrouw aan de HEERE, zijn God. Hij ging namelijk de tempel van de HEERE binnen om [reukwerk] in rook te laten opgaan op het reukofferaltaar.17Maar de priester Azaria ging hem achterna, en met hem de priesters van de HEERE, tachtig dappere mannen.18Zij gingen voor koning Uzzia staan en zeiden tegen hem: U komt het niet toe, Uzzia, om voor de HEERE [reukwerk] in rook te laten opgaan, maar het is aan de priesters, de nakomelingen van Aäron, die geheiligd zijn om [reukwerk] in rook te laten opgaan. Ga het heiligdom uit, want u bent ontrouw geweest, en het zal voor u niet tot eer zijn van de HEERE God.19Toen werd Uzzia woedend; het wierookvat was in zijn hand om [reukwerk] in rook te laten opgaan. En terwijl hij woedend was op de priesters, verscheen de melaatsheid op zijn voorhoofd, voor [de ogen van] de priesters, in het huis van de HEERE, bij het reukofferaltaar.20Toen keerde de hoofdpriester Azaria zich naar hem toe, en al de priesters, en zie, hij was melaats aan zijn voorhoofd. En zij verdreven hem haastig daarvandaan, ja, ook hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, omdat de HEERE hem getroffen had.21Koning Uzzia was melaats tot aan de dag van zijn dood. Hij woonde, [omdat] hij melaats was, in een apart staand huis, want hij was van het huis van de HEERE afgesneden. Jotham, zijn zoon, was [aangesteld] over het huis van de koning, en gaf leiding aan de bevolking van het land.). Zoals Aäron door God was geroepen, zo is ook Christus door God geroepen, zij het op een manier die tegelijk een groot verschil met Aäron laat zien.

Je ziet dat er in de verzen 1-41Want iedere hogepriester die uit mensen wordt genomen, wordt voor mensen aangesteld in de dingen die God betreffen, opdat hij zowel gaven als slachtoffers voor [de] zonden offert.2Hij kan toegeeflijk zijn jegens de onwetenden en dwalenden, omdat hij ook zelf met zwakheid omvangen is;3en wegens deze [zwakheid] moet hij, evenals voor het volk, ook voor zichzelf offeren voor [de] zonden.4En iemand neemt niet voor zichzelf de eer, maar wordt door God geroepen, evenals ook Aaron. enkele overeenkomsten zijn tussen Aäron en Christus. Ik ga ze nog een keer langs en ontdek de volgende. Zowel Christus als Aäron
1. is voor mensen aangesteld in de dingen die God betreffen;
2. offert voor de zonden van het volk;
3. neemt geen eer voor zichzelf.

Er zijn ook verschillen en wel meer dan er overeenkomsten zijn:
1. Aäron is uit mensen genomen, terwijl Christus Mens is geworden en tevens de unieke Zoon van God is.
2. Aäron is met zwakheden omvangen met de neiging tot zondigen, terwijl Christus zonder zonde is en ook de neiging daartoe bij Hem niet aanwezig is.
3. Aäron moest voor zichzelf offeren, terwijl Christus Zichzelf offerde voor anderen.

In het vervolg komen nog enkele verschillen naar voren:
1. Er is verschil tussen de wijze waarop Aäron is geroepen en de wijze waarop Christus is geroepen (vers 55Zo heeft ook Christus niet Zichzelf verheerlijkt om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem gesproken heeft: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’.).
2. Er is ook verschil tussen het priesterschap naar de orde van Aäron en dat naar de orde van Melchizédek (vers 66Zoals Hij ook op een andere [plaats] zegt: ‘U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek’.).
3. In vers 55Zo heeft ook Christus niet Zichzelf verheerlijkt om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem gesproken heeft: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’. wordt de heerlijkheid van Christus’ roeping tot Hogepriester boven de roeping van Aäron door Psalm 2 bevestigd (Ps 2:77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
)
.
4. In vers 66Zoals Hij ook op een andere [plaats] zegt: ‘U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek’. wordt de heerlijkheid van Christus’ priesterorde boven die van Aäron door Psalm 110 in het licht geplaatst (Ps 110:44De HEERE heeft gezworen
en Hij zal er geen berouw van hebben:
U bent Priester voor eeuwig,
naar de ordening van Melchizedek.
)
.

V55Zo heeft ook Christus niet Zichzelf verheerlijkt om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem gesproken heeft: ‘U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt’.. We kijken eerst naar de aanhaling uit Psalm 2, waarin de heerlijkheid van Zijn Persoon naar voren komt (Ps 2:77Ik zal het besluit bekendmaken:
De HEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon,
Ík heb U heden verwekt.
)
. Het begin van het vers toont nog overeenkomst met Aäron. Christus heeft nooit Zijn eigen eer gezocht, ook niet in het hogepriesterschap. Maar dan komt de tegenstelling: Hij is persoonlijk de Zoon. Dat verleent Zijn hogepriesterschap een veel hogere waardigheid dan dat van Aäron. Hij is verwekt door God de Heilige Geest in Maria (Lk 1:3535En de engel antwoordde en zei tot haar: [De] Heilige Geest zal over u komen en [de] kracht van [de] Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal dat Heilige Dat geboren zal worden, Gods Zoon worden genoemd.) en is daarom ook als Mens Gods Zoon. Deze Mens is de Hogepriester bij God, wat Hij als God de Zoon niet was of kon zijn. Pas toen Hij Mens werd, kon Hij Hogepriester worden.

V66Zoals Hij ook op een andere [plaats] zegt: ‘U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek’.. De andere aanhaling, die uit Psalm 110 (Ps 110:44De HEERE heeft gezworen
en Hij zal er geen berouw van hebben:
U bent Priester voor eeuwig,
naar de ordening van Melchizedek.
)
, voegt nog meer heerlijkheid toe, wat blijkt uit de inleidende woorden “zoals Hij ook op een andere plaats zegt”. De schrijver put, natuurlijk onder de leiding van de Heilige Geest, uit de rijkdom van Gods Woord om telkens weer een andere lichtstraal op Christus te laten vallen. Hij gaat daarbij niet willekeurig te werk, maar haalt telkens gedeelten aan die de glans en eer van Christus vergroten en tevens zijn betoog versterken en verduidelijken.

In de aanhaling van Psalm 110 komt de heerlijkheid van het ambt van Christus naar voren. Psalm 110 is een psalm die, zoals zoveel psalmen, op het vrederijk betrekking heeft. De vijanden van de Messias zijn dan aan Zijn voeten gelegd (Ps 110:11Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
)
. Hij ontvangt vanuit Sion de scepter (Ps 110:22De HEERE strekt Uw machtige scepter uit vanuit Sion
[en zegt:] Heers te midden van Uw vijanden.
)
te midden van een gewillig en feestvierend volk van God (Ps 110:33Uw volk is zeer gewillig
op de dag van Uw kracht,
[getooid] met heilig sieraad;
uit de baarmoeder van de dageraad
is voor U de dauw van Uw jeugd.
)
, terwijl Hij vijandige koningen verplettert en de volken oordeelt (Ps 110:5-65De Heere is aan Uw rechterhand,
Hij verplettert koningen op de dag van Zijn toorn.
6Hij spreekt recht onder de heidenvolken,
vult [het slagveld] met dode lichamen
[en] verplettert [hem die] het hoofd is over een groot land.
)
. Bij al die heerlijkheid en grootsheid is er ook een terugblik op Zijn leven op aarde toen Hij van Gods verkwikkingen afhankelijk was (Ps 110:77Hij drinkt onderweg uit de beek,
daarom heft Hij [Zijn] hoofd omhoog.
)
.

Uit de beide aanhalingen (Psalm 2 en Psalm 110) blijkt dat God verklaart dat de Messias zowel Zoon als Priester is. Zoonschap en priesterschap zijn daardoor nauw met elkaar verbonden. Dat geldt voor Christus en dat geldt ook voor ons.

Op de betekenis van “de orde van Melchizédek” wordt in Hebreeën 7 uitvoerig ingegaan. Wat hier opvalt, is dat Hij niet Hogepriester naar de orde van Melchizédek, maar Priester naar de orde van Melchizédek is. Hier is een mooie verklaring voor: een hogepriester veronderstelt andere priesters, maar als Priester naar de orde van Melchizédek is de Heer Jezus alleen.

De orde van Melchizédek is een orde van zegen. Melchizédek zegende Abraham van Godswege en prees God voor wat Hij voor Abraham had gedaan (Gn 14:18-2018En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
20En geloofd zij God, de Allerhoogste,
Die overgeleverd heeft
uw tegenstanders in uw hand!
En [Abram] gaf hem van alles een tiende deel.
)
. Naar die orde is de Heer Jezus Koning-Priester Die zegen van God voor Gods volk op aarde brengt. Dat vindt in het duizendjarig vrederijk zijn volle vervulling. Het priesterschap van Melchizédek, dat in het Oude Testament alleen in Genesis 14 en Psalm 110 wordt genoemd, was er eerder dan dat van Aäron en zal ook blijven bestaan als dat van Aäron niet meer nodig is.

V77Hij Die tijdens Zijn dagen in het vlees met sterk geroep en tranen zowel gebeden als smekingen geofferd heeft aan Hem Die Hem uit [de] dood kon verlossen (en Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht),. In dit vers verwijst de schrijver op indrukwekkende wijze naar wat geen plaats had in het leven van Aäron of Melchizédek, maar wel in het leven van Christus. Tussen Zijn verwekking als Zoon van God op aarde en Zijn verheerlijking als Priester in de hemel liggen “Zijn dagen in het vlees”, waarmee Zijn leven op aarde wordt aangeduid. Zijn heerlijkheid brengt Hem niet nader tot de ellende van de mens. Dat doet Zijn verblijf op aarde wel.

In wat hier van Hem wordt beschreven, leer je hoe werkelijk Hij in staat is om deel te nemen aan jouw moeiten en verdriet. Op aarde, “Zijn dagen in het vlees”, doorstond Hij, in afhankelijkheid van God, alle angsten van de dood. Hij smeekte om verlost te worden, want Hij wilde Zichzelf niet verlossen omdat Hij gekomen was om te gehoorzamen. Zijn leven op aarde maakte Hem geschikt om Hogepriester te worden in verbinding met ons. Tevens leidde Zijn leven op aarde tot de offerande van Zichzelf, waarin Hij uniek is.

Hij offerde geen gebeden en smekingen toen Hij verzocht werd door de satan in de woestijn. Dat deed Hij wel in Gethsémané, toen Hij de komende Godverlatenheid voor ogen kreeg. Alle lijden van de kant van de mens verdroeg Hij met vreugde, iets wat menig martelaar in Zijn navolging heeft gedaan. Maar tot zonde te worden gemaakt kon Hij niet met vreugde tegemoetzien. Daarin kon ook niemand Hem volgen. Toen Hij dat voor Zich zag, offerde Hij Zijn gebeden en smekingen op aan God, Hij zond ze op tot Hem.

Hij deed dat in het vertrouwen dat God “Hem uit de dood kon verlossen”. Het ging er niet om dat Hij van de dood verlost wilde worden, want die was noodzakelijk. Dat wist Hij en daarom bad Hij: “Moge evenwel niet Mijn wil maar de Uwe gebeuren” (Lk 22:4242Vader, als U het wilt, neem deze drinkbeker van Mij weg; moge evenwel niet Mijn wil maar de Uwe gebeuren. <). En Hij is verhoord, want God heeft Hem opgewekt. “Hij is verhoord om Zijn Godsvrucht”, Hij is verhoord vanwege Zijn volkomen vertrouwen op Zijn God, Zijn vroomheid en volmaakte toewijding, Zijn afhankelijkheid. Wat een Heer!

Lees nog eens Hebreeën 5:1-7.

Verwerking: Noem enkele heerlijkheden van de Heer Jezus uit dit gedeelte en dank God daarvoor.


Melk en vast voedsel

8heeft, hoewel Hij Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij geleden heeft; 9en volmaakt geworden is Hij voor allen die Hem gehoorzamen een oorzaak van eeuwige behoudenis geworden, 10door God begroet als Hogepriester naar de orde van Melchizedek. 11Over Hem hebben wij veel te zeggen, dat ook moeilijk te verklaren is, omdat u traag bent geworden in het horen. 12Immers, terwijl u gezien de tijd leraars behoorde te zijn, hebt u weer nodig dat men u leert <wat> de elementen van het begin van de uitspraken van God <zijn>, en u bent geworden als zij die melk nodig hebben, <en> niet vast voedsel. 13Want ieder die melk gebruikt, is onervaren in [het] woord van [de] gerechtigheid, want hij is een klein kind; 14maar het vaste voedsel is voor volwassenen, die door de gewoonte hun zinnen geoefend hebben om zowel [het] goede als [het] kwade te onderscheiden.

Het vorige stukje zijn we geëindigd met een blik in een bijzondere periode uit het leven van de Heer op aarde. Daarin heeft de schrijver ons meegenomen naar Gethsémané, waar de Heer Jezus met het diepste lijden werd geconfronteerd dat een mens ooit kan overkomen. Hij heeft het lijden voor de zonde op het kruis op een intense wijze vooruit gevoeld. In volle overgave heeft Hij Zich tot Zijn Vader gericht en Hem gebeden en gesmeekt om van dat lijden verlost te worden. In volle aanvaarding van de wil van Zijn Vader heeft Hij Zich gevoegd naar Diens wil. We zien hier een bijzondere gebeurtenis in een leven van gehoorzaamheid.

V88heeft, hoewel Hij Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit wat Hij geleden heeft;. Zijn hele leven was lijden, lijden als gevolg van de verzoekingen die op Hem af kwamen omdat Hij God volmaakt gehoorzaam was. Voordat Hij Mens werd, was gehoorzamen voor Hem een vreemde zaak. In de hemel moest Hij aan niemand gehoorzaam zijn. In de hemel kon Hij niet met gehoorzaamheid vertrouwd worden gemaakt. Daar werd Hij gehoorzaamd door de engelen. Pas toen Hij op aarde kwam, heeft Hij een plaats van onderdanigheid ingenomen, allereerst tegenover God, maar ook tegenover Zijn ouders (Lk 2:51a51En Hij daalde met hen af en kwam in Nazareth en Hij was hun onderdanig. En Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.). Hij moest het gehoorzamen als daad in praktijk brengen en in die zin leren wat gehoorzamen is.

V99en volmaakt geworden is Hij voor allen die Hem gehoorzamen een oorzaak van eeuwige behoudenis geworden,. Anders dan bij ons was er bij Hem geen eigen wil. Hij moest niet iets afleren, er moest bij Hem niets in toom worden gehouden of omgebogen worden. Bij Hem was niets wat niet onderworpen was. Op deze wijze is Hij door Zijn leven op aarde “volmaakt geworden”, dat wil zeggen dat Hij daardoor volmaakt geschikt is gemaakt om Zijn hogepriesterlijke dienst in de hemel te kunnen uitoefenen voor ons die ook in een positie van gehoorzaamheid zijn. Hij is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood van het kruis (Fp 2:88En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot [de] dood, ja, [tot de] kruisdood.).

Gehoorzaamheid was het geheim van Zijn weg op aarde. Het is ook het geheim van jouw weg, waardoor jij niet in de valstrikken van de vijand valt. Als je Hem gehoorzaamt Die door Zijn eigen gehoorzaamheid volmaakt het einde heeft bereikt, zal Hij jou ook daar brengen waar Hij nu al is. Door Zijn hogepriesterlijke dienst bewaart Hij jou voor de gevaren en verzoekingen van de woestijn tot je de uiteindelijke behoudenis, de sabbatsrust, hebt bereikt. Hij is de oorzaak of bewerker van een “eeuwige behoudenis”, dat wil zeggen dat de draagwijdte en de zegeningen ervan zich uitstrekken tot in alle eeuwigheid.

V1010door God begroet als Hogepriester naar de orde van Melchizedek.. Omdat Christus Zijn weg op aarde tot een einde heeft gebracht, is Hij volmaakt geschikt geworden om onze Hogepriester te zijn. Vanwege Zijn volmaakt gehoorzame leven heeft God Hem kunnen begroeten “als Hogepriester naar de orde van Melchizédek”. God heeft Hem zo betiteld na Zijn werk op aarde en daarmee de bevestiging gegeven voor Zijn dienst nu in de hemel voor ons. Nadat God Hem in vers 66Zoals Hij ook op een andere [plaats] zegt: ‘U bent Priester tot in eeuwigheid naar de orde van Melchizedek’. tot die dienst had geroepen, wordt Hij nu als zodanig door God begroet om deze dienst te gaan verrichten.

Aan de noodzakelijke voorwaarde is door Hem voldaan: Hij is volmaakt geworden. Een Priester Die de Zoon van God is, zou weinig voor ons kunnen doen als Hij niet door ervaring de reden van Zijn dienst had leren kennen. Juist omdat Hij uit eigen ervaring weet waarmee jij te kampen kunt hebben, is Hij volmaakt in staat jou te helpen. Hij is de absolute garantie voor jouw uiteindelijke, eeuwige behoudenis.

V1111Over Hem hebben wij veel te zeggen, dat ook moeilijk te verklaren is, omdat u traag bent geworden in het horen.. Hier begint een derde tussenzin die doorloopt tot Hebreeën 6:11. Een tussenzin is een onderbreking in het betoog van de schrijver waarin hij zijn lezers ernstig waarschuwt om zijn onderwijs ter harte te nemen en wat de gevolgen zijn als zij dat niet doen. In eerdere tussenzinnen heeft hij gewaarschuwd om niet af te drijven van het Woord (Hebreeën 2:1-4) en niet te twijfelen aan het Woord (Hebreeën 3:7-4:13). De waarschuwing in deze derde tussenzin is om het Woord niet saai te gaan vinden met als gevolg traagheid in het geloof.

De schrijver wijst erop dat er over Hem, dat is Christus als Hogepriester naar de orde van Melchizédek, nog heel wat te zeggen is. Daarover zou hij graag verder met hen willen spreken. Dat zou echter alleen kunnen als er een passende geestelijke gezindheid bij de lezers was, en die is er niet. In deze tussenzin wil hij zien te bereiken dat zij zover komen, dat hij daarover wel met hen kan spreken.

Op dit moment is het moeilijk te verklaren. Dat ligt niet aan zijn kwaliteiten als leraar, maar aan zijn leerlingen. Zij kunnen zijn onderwijs niet opnemen vanwege geestelijke luiheid. Ze zijn niet altijd lui geweest, maar ze zijn lui geworden. Ze zijn lauw geworden, ze hebben hun eerste frisheid verloren omdat godsdienstige tradities weer invloed in hun denken begonnen te krijgen. Er is niets wat zo traag maakt in geestelijke dingen als godsdienstige traditie.

Als de hemelse dingen hun glans verliezen, krijgen de aardse, zichtbare dingen weer invloed en betekenis. Dat werkt extra vertragend in het volgen van de christelijke, hemelse roeping. Het ontbreekt zijn lezers niet aan intelligentie en hij constateert ook niet een vijandige of wereldse gezindheid. De vertragende, luimakende factor is dat zij in hun hart weer verlangen naar de oude godsdienstige vormen van het Jodendom. Dit verhindert hen praktisch te groeien in de waarheid van God, die geopenbaard is in het christendom.

Ze willen wel luisteren naar het onderwijs van Christus op aarde, want dat is verbonden met hun godsdienst. Dan blijft tenminste het zichtbare en tastbare bestaan en hebben ze voor hun gevoel houvast aan hun godsdienst. De verheerlijkte Christus als de vervulling van al dat zichtbare en tastbare is nog niet alles voor hen. Als hun over dit laatste iets wordt verteld, vertragen ze hun snelheid om te horen. Daardoor begrijpen ze hun ware christelijke positie niet.

V1212Immers, terwijl u gezien de tijd leraars behoorde te zijn, hebt u weer nodig dat men u leert <wat> de elementen van het begin van de uitspraken van God <zijn>, en u bent geworden als zij die melk nodig hebben, <en> niet vast voedsel.. Ze zijn echter toch al zo lang christen, dat zij in staat hadden moeten zijn anderen onderwijs te geven. In plaats daarvan hebben ze zelf nodig weer onderwijs te krijgen over “de elementen van het begin van de uitspraken van God”. Ze hadden leraren behoren te zijn in die zin dat ze geestelijk zo gegroeid hadden moeten zijn dat ze de geestelijke dingen met elkaar zouden kunnen delen. Maar de oude vormen van hun godsdienst die ze bij hun bekering hadden opgegeven, begonnen weer aantrekkelijk te worden.

Je kunt nauwelijks een grotere belemmering bedenken voor het maken van vorderingen in je geestelijk leven en het groeien van je geestelijk inzicht. Meestal wordt het handhaven van een oude vorm van godsdienst gezien als hét bewijs van vroomheid, terwijl in werkelijkheid vormendienst een barrière vormt tussen jouw hart en wat God je wil laten zien.

Nog een hindernis voor je geestelijke groei is de wijsheid of de filosofie van de wereld (1Ko 2:66Maar wij spreken wijsheid onder de volmaakten; maar een wijsheid niet van deze wereld, ook niet van de oversten van deze wereld, die tenietgedaan worden;; 3:1-21En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot kleine kinderen in Christus.2Ik voedde u met melk, niet met vast voedsel, want dat kon u niet [verdragen], ja, dat kunt u ook nu nog niet;). In Kolossenzen 2 worden beide hindernissen samen “elementen van de wereld” genoemd en gesteld tegenover Christus (Ko 2:88Kijkt u uit, dat er niemand zal zijn die u tot prooi maakt door de wijsbegeerte en door ijdel bedrog volgens de overlevering van de mensen, volgens de elementen van de wereld, en niet volgens Christus.). Zowel godsdienstige overlevering als wereldse wijsheid is een vijand van het geloof dat alleen gevoed wordt door het Woord van God waarvan Christus het middelpunt is.

De Hebreeën zijn vanwege hun traagheid in het horen niet alleen in hun geestelijke groei blijven steken, maar ze zijn weer teruggezakt naar het begin. Daardoor moet hun weer geleerd worden wat ze allang weten, maar wat zijn betekenis voor hun hart heeft verloren. Het heeft geen gezag meer in hun leven. Zodra Gods Woord niet meer je hart vult en je leven bestuurt, zak je weg en loop je gevaar terug te keren naar de wereld. Dan heb je het nodig om weer onderwijs te krijgen over de grondbeginselen van de uitspraken van God, wat wijst op het spreken van Christus op aarde (Hb 6:11Laten wij daarom het woord van het begin van Christus laten [rusten] en voortgaan tot het volkomene, zonder opnieuw een fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God,; 1:11Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,).

V13-1413Want ieder die melk gebruikt, is onervaren in [het] woord van [de] gerechtigheid, want hij is een klein kind;14maar het vaste voedsel is voor volwassenen, die door de gewoonte hun zinnen geoefend hebben om zowel [het] goede als [het] kwade te onderscheiden.. De schrijver noemt dat “melk”. ‘Melk’ is het woord van en over Christus op aarde. Aan het vaste voedsel zijn ze niet toe. Vast voedsel is het woord over Christus in de hemel. Als christen leef je op melk als je bijvoorbeeld de bergrede (Mt 5-7) als norm voor je christelijk leven neemt, terwijl je niet nadenkt over je hemelse positie in Christus. Het is niet verkeerd om een baby te zijn, maar wel om er een te blijven of weer te gaan doen alsof je er een bent.

Als je nadenkt over je hemelse positie in Christus, ben je bezig met vast voedsel of, zoals het in vers 1313Want ieder die melk gebruikt, is onervaren in [het] woord van [de] gerechtigheid, want hij is een klein kind; wordt genoemd, met “het woord van de gerechtigheid”. Je bent dan bezig met de gerechtigheid van God die door het volmaakte werk van Christus het deel is van ieder die gelooft. Op grond van die gerechtigheid heeft Christus de plaats gekregen die Hij nu in de hemel inneemt en die jij in Hem daar hebt. Ben je daar onervaren in, terwijl je beter had moeten weten, dan ben je een klein kind. Om het met de woorden van Galaten 4 te zeggen, waar het om dezelfde dingen gaat: je bent een onmondige (Gl 4:1-71Maar ik zeg: zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, hoewel hij heer is van alles;2maar hij staat onder voogden en rentmeesters tot op de tijd door de vader vooraf bepaald.3Zo waren ook wij, toen wij onmondig waren, in slavernij onder de elementen van de wereld;4maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw, geboren onder [de] wet,5opdat Hij hen die onder [de] wet waren, vrijkocht, opdat wij het zoonschap zouden ontvangen.6En omdat u zonen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon in onze harten uitgezonden, Die roept: Abba, Vader!7U bent dus niet meer slaaf, maar zoon; en bent u zoon, dan ook erfgenaam door God.).

Daartegenover staat de geestelijk volwassene die een gezonde geestelijke groei heeft doorgemaakt en die zijn positie in Christus kent en daarnaar leeft. Geestelijk volwassen worden is geen automatisme, maar het gevolg van een gewoonte om je zinnen te oefenen. Met je “zinnen” wordt je waarnemingsvermogen of onderscheidingsvermogen bedoeld. Je geestelijke groei hangt in hoge mate af van het onderscheiden van goed en kwaad. Als je je oog richt op de hemelse Christus, ben je niet een wereldvreemde zonderling, maar krijg je inzicht in het doen van het goede en het nalaten van het kwade.

Lees nog eens Hebreeën 5:8-14.

Verwerking: Zijn er dingen in jouw leven die jouw geestelijke groei vertragen?


Lees verder