Genesis
1-7 De dromen van de farao 8-13 Het hoofd van de schenkers denkt aan Jozef 14-16 Jozef uit de kerker 17-24 De farao vertelt zijn dromen 25-32 Jozef legt de dromen uit 33-36 Advies van Jozef 37-44 Jozef onderkoning 45 Een naam en een vrouw voor Jozef 46-49 Jozef aan het werk 50-52 De zonen van Jozef 53-57 De hongersnood begint
De dromen van de farao

1En het gebeurde, na verloop van twee volle jaren, dat de farao droomde, en zie, hij stond aan de Nijl. 2En zie, uit de Nijl kwamen zeven koeien op, mooi van uiterlijk en vet van vlees, en ze graasden in het rietgras. 3Maar zie, na hen kwamen uit de Nijl zeven [andere] koeien op, lelijk van uiterlijk en mager van vlees, en ze gingen bij de [andere] koeien aan de oever van de Nijl staan. 4En de koeien [die] lelijk van uiterlijk en mager van vlees [waren], aten de zeven koeien [die] mooi van uiterlijk en vet [waren] op. Toen werd de farao wakker. 5Daarna sliep hij [weer] in en droomde voor de tweede maal. En zie, zeven aren kwamen op in één halm, dik en mooi. 6En zie, daarna kwamen er zeven dunne en door de oostenwind verschroeide aren op. 7De dunne aren verslonden de zeven dikke en volle aren. Toen werd de farao wakker, en zie, het was een droom!

Dromen spelen in het leven van Jozef een belangrijke rol. Twee volle jaren zijn voorbijgegaan en Jozef zit nog steeds in de gevangenis. Heeft hij wel eens gedacht dat God hem was vergeten? God bepaalt van alles de duur. Hij stelt een grens aan ons leven. Hij stelt ook een grens aan de duur van ons lijden (vgl. Mt 24:21-2221Want er zal dan een grote verdrukking zijn zoals er niet geweest is van [het] begin van [de] wereld af tot nu toe en er ook geenszins meer zal komen.22En als die dagen niet werden verkort, zou geen enkel vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.). Hij beproeft niet boven vermogen, “maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen” (1Ko 10:1313U heeft geen verzoeking getroffen dan menselijke; en God is getrouw, Die niet zal toelaten dat u verzocht wordt boven wat u kunt [verdragen]; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen.). Tijd is een factor die Hij gebruikt om ons geduld te leren, om ons te leren volharden. Die volharding moet een volmaakt werk hebben (Jk 1:3-43daar u weet dat de beproefdheid van uw geloof volharding bewerkt.4Laat de volharding echter een volmaakt werk hebben, opdat u volmaakt en volkomen bent, terwijl het u aan niets ontbreekt.).

Als Gods tijd gekomen is, begint Hij te werken. Hij bepaalt de tijdsduur van de vernedering van Jozef. Als die tijd van lijden vol is, gaat Hij aan het werk om Zijn dienaar tot heerlijkheid te brengen (Ps 105:19-2119Tot de tijd dat Zijn woord uitkwam,
heeft de belofte van de HEERE hem gelouterd.
20De koning stuurde [boden] en liet hem vrij,
de heerser van de volken liet hem los.
21Hij stelde hem aan tot heer over zijn huis,
tot heerser over al zijn bezit,
)
. Hierin zien we weer een prachtig beeld van wat God werkt met het oog op de verheerlijking van de Heer Jezus. Daar gaat het altijd en alleen om bij alles wat God doet.

God begint Zijn werk ten gunste van Jozef door de farao dromen te laten dromen die hem verontrusten (vers 88En het gebeurde de [volgende] morgen dat zijn geest verontrust was. Hij stuurde [boden] en [liet] al de magiërs van Egypte en al zijn wijzen roepen, en de farao vertelde hun zijn droom. Er was echter niemand die hem aan de farao kon uitleggen.). De farao begrijpt dat dit geen gewone dromen zijn, dromen die mensen van nature hebben (Pr 5:22Want [zoals] de droom komt door veel bezigheid,
zo ook het gepraat van de dwaas door veelheid van woorden.
)
. Het zijn twee dromen met eenzelfde strekking. De ene droom gaat over zeven mooie, vette koeien die in het rietgras grazen, en zeven lelijke, magere koeien die de zeven mooie, vette koeien opeten. Na even wakker te zijn geworden valt hij weer in slaap en droomt een andere droom. Die gaat over zeven dikke, mooie aren uit één halm en zeven dunne, verschroeide aren die de zeven dikke en volle aren verslinden.


Het hoofd van de schenkers denkt aan Jozef

8En het gebeurde de [volgende] morgen dat zijn geest verontrust was. Hij stuurde [boden] en [liet] al de magiërs van Egypte en al zijn wijzen roepen, en de farao vertelde hun zijn droom. Er was echter niemand die hem aan de farao kon uitleggen. 9Toen zei het hoofd van de schenkers tegen de farao: Vandaag moet ik mijn zonden in herinnering brengen. 10De farao was indertijd erg kwaad op zijn dienaren en liet mij in hechtenis nemen in het huis van het hoofd van de lijfwacht, mij en het hoofd van de bakkers. 11In dezelfde nacht hadden wij [allebei] een droom, ik en hij; elk hadden wij onze [eigen] droom met zijn [eigen] betekenis. 12En er was daar een Hebreeuwse jongen bij ons, een slaaf van het hoofd van de lijfwacht. Wij vertelden ze hem, en hij legde onze dromen aan ons uit; aan ieder [van ons] legde hij zijn [eigen] droom uit. 13En zoals hij ze ons uitlegde, zo is het gebeurd: mij heeft [de farao] in mijn ambt hersteld en hem heeft hij opgehangen.

Als de farao wakker is geworden, wil hij weten wat de dromen betekenen. Hij vertelt ze aan “al de magiërs van Egypte en al zijn wijzen”, dus niemand uitgezonderd. Niet een van hen kan hem vertellen wat de dromen betekenen. Pas als gebleken is dat alle wijsheid van Egypte, al de wijsheid van de wereld, geen antwoord heeft op het probleem van de farao, wordt er aan Jozef gedacht. Om de gedachten van God te verstaan is iemand als Jozef nodig.

Zo is het ook met de Heer Jezus. Zonder Hem komt een mens geen stap verder met betrekking tot de vragen en problemen van het leven. Eerst moet de wijsheid van de wijzen tenietgedaan zijn, voordat Gods wijsheid in Christus door mensen wordt aanvaard (1Ko 1:19-20,3019Want er staat geschreven: ‘Ik zal de wijsheid van de wijzen doen vergaan, en het inzicht van de verstandigen tenietdoen’.20Waar is [de] wijze? Waar [de] schriftgeleerde? Waar [de] redetwister van deze eeuw? Heeft God niet de wijsheid van de wereld tot dwaasheid gemaakt?30Uit Hem toch bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is: wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing;). Pas als een mens totaal is stukgelopen op alles en iedereen, komt hij ertoe naar de Heer Jezus te gaan vragen (vgl. Lk 8:43-4443En een vrouw die twaalf jaar lang een bloedvloeiing had gehad, die <heel haar levensonderhoud aan artsen had uitgegeven, maar> door niemand kon worden genezen,44kwam van achteren naar Hem toe en raakte de zoom van Zijn kleed aan, en onmiddellijk hield haar bloedvloeiing op.).

Door de dromen van de farao wordt de schenker herinnerd aan zijn zonden en aan Jozef. We horen van de schenker een erkenning van zijn zonden. De schenker kan niet aan Jozef denken zonder aan zijn verleden te denken, waar hij Jozef heeft ontmoet en aan wat Jozef voor hem heeft gedaan.

Hij verhaalt wat er in de gevangenis is gebeurd, hoe Jozef de dromen heeft uitgelegd en hoe het precies is gegaan zoals Jozef heeft uitgelegd. Zo kunnen wij toch ook nooit aan de Heer Jezus denken, zonder eraan te denken wat en waar wij zijn geweest en wat Hij voor ons heeft gedaan, waardoor we nu in vrijheid leven?


Jozef uit de kerker

14Toen stuurde de farao [boden] en [liet] Jozef roepen. Zij haalden hem snel uit de kerker; men schoor hem, verwisselde zijn kleren, en hij kwam bij de farao. 15De farao zei tegen Jozef: Ik heb een droom gehad, en er is niemand die hem kan uitleggen, maar ik heb over u horen zeggen dat u, [als] u een droom hoort, hem kunt uitleggen. 16Jozef antwoordde de farao: Dat is niet aan mij, [maar] God zal antwoorden [wat] het welzijn van farao [dient].

Vers 1414Toen stuurde de farao [boden] en [liet] Jozef roepen. Zij haalden hem snel uit de kerker; men schoor hem, verwisselde zijn kleren, en hij kwam bij de farao. geeft in het kort een schitterend beeld van wat we lezen in Filippenzen 2 over de verhoging van de Heer Jezus (Fp 2:99Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam geschonken die boven alle naam is,) na Zijn vernedering in de verzen ervoor (Fp 2:5-85<Want> laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,6Die in [de] gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn,7maar Zichzelf ontledigd heeft, [de] gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend.8En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot [de] dood, ja, [tot de] kruisdood.). Er wordt haast gemaakt om Jozef uit de gevangenis te halen. Wat aan de gevangenis herinnert, wordt weggedaan. Hier krijgt Jozef het derde kleed.

Zijn eerste kleed, het veelkleurige, hebben zijn broers van hem afgenomen en met bloed besmeurd (Gn 37:31-3331Toen namen zij het gewaad van Jozef, slachtten een geitenbok en dompelden het gewaad in het bloed.32Zij stuurden het veelkleurige gewaad naar hun vader en zeiden: Dit hebben wij gevonden. Kijk toch eens of dit het gewaad van uw zoon is of niet.33Hij herkende het en zei: Het is het gewaad van mijn zoon. Een wild dier heeft hem opgegeten. Jozef is ongetwijfeld verscheurd.). Zijn tweede kleed is zijn slavenkleed dat hij in de hand van de vrouw van Potifar achterliet toen zij hem bij zijn kleed pakte om hem tot overspel te dwingen (Gn 39:10-1810En het gebeurde, toen zij Jozef dag in dag uit aansprak en hij niet naar haar luisterde om met haar te slapen [en] bij haar te zijn,11toen gebeurde het op zekere dag, toen hij het huis binnenkwam om zijn werk te doen en niemand van de mensen van het huis daar in huis was,12dat zij hem bij zijn kleed pakte en zei: Slaap met me. Maar hij liet zijn kleed in haar hand achter, vluchtte en ging naar buiten.13En het gebeurde, toen zij zag dat hij zijn kleed in haar hand achtergelaten had en naar buiten gevlucht was,14dat zij de mensen van haar huis riep, en tegen hen zei: Zie, hij heeft een Hebreeuwse man bij ons in [huis] gebracht om de spot met ons te drijven. Hij is naar mij toe gekomen om met mij te slapen, maar ik heb met luide stem geroepen.15En het gebeurde, toen hij hoorde dat ik luid begon te roepen, dat hij zijn kleed bij mij achterliet, vluchtte en naar buiten ging.16Zij liet zijn kleed bij zich liggen, totdat zijn heer thuiskwam,17en zij sprak tot hem met dezelfde woorden: De Hebreeuwse slaaf die je bij ons [in huis] gebracht hebt, is bij mij gekomen om de spot met mij te drijven.18En het gebeurde, toen ik luid begon te roepen, dat hij zijn kleed bij mij achterliet en naar buiten vluchtte.). Dit kleed is mogelijk zijn gevangeniskleding. In elk geval spreken zijn slavenkleed en zijn gevangeniskleren van zijn vernedering. Zijn gevangeniskleren worden verwisseld voor kleren waarin hij bij de farao kan komen. Het zijn de kleren van zijn verhoging door en bij de farao.

Nadat zijn uiterlijk zo is veranderd dat het geschikt is om in de tegenwoordigheid van de farao te komen, wordt hij vanuit de kerker in het paleis gebracht. De farao verwacht van Jozef dat deze hem zonder meer zijn droom uitlegt, omdat dit van hem is gezegd. Jozef wijst echter elke verwachting af die op hem gericht is en geeft God de eer. Net zomin als de wijzen van Egypte is Jozef zelf in staat de droom uit te leggen. Tevens spreekt hij er vooraf, nog voordat hij de dromen heeft gehoord, over dat God door de droom aan de farao bekendmaakt wat tot zijn welzijn dient.


De farao vertelt zijn dromen

17Toen sprak de farao tot Jozef: Zie, in mijn droom stond ik aan de oever van de Nijl. 18En zie, uit de Nijl kwamen zeven koeien op, vet van vlees en mooi van gestalte, en ze graasden in het rietgras. 19Maar zie, na hen kwamen er zeven andere koeien op, zwak, zeer lelijk van gestalte en mager van vlees. Ik heb in heel het land Egypte [nog] nooit zoiets lelijks gezien. 20Die magere en lelijke koeien aten die zeven eerste, vette koeien op. 21Die kwamen in hun buik, maar het was niet te merken dat ze in hun buik waren gekomen, want hun uiterlijk was [even] lelijk als in het begin. Toen werd ik wakker. 22Vervolgens zag ik in mijn droom, en zie, zeven aren kwamen op in één halm, vol en mooi. 23En zie, daarna kwamen er zeven dorre, dunne, door de oostenwind verschroeide aren op. 24En de zeven dunne aren verslonden die zeven mooie aren. Dit heb ik ook tegen de magiërs gezegd, maar er was niemand die mij [de betekenis] kon vertellen.

In de weergave van de droom zegt de farao er iets bij wat in het eerste verslag (verzen 1-71En het gebeurde, na verloop van twee volle jaren, dat de farao droomde, en zie, hij stond aan de Nijl.2En zie, uit de Nijl kwamen zeven koeien op, mooi van uiterlijk en vet van vlees, en ze graasden in het rietgras.3Maar zie, na hen kwamen uit de Nijl zeven [andere] koeien op, lelijk van uiterlijk en mager van vlees, en ze gingen bij de [andere] koeien aan de oever van de Nijl staan.4En de koeien [die] lelijk van uiterlijk en mager van vlees [waren], aten de zeven koeien [die] mooi van uiterlijk en vet [waren] op. Toen werd de farao wakker.5Daarna sliep hij [weer] in en droomde voor de tweede maal. En zie, zeven aren kwamen op in één halm, dik en mooi.6En zie, daarna kwamen er zeven dunne en door de oostenwind verschroeide aren op.7De dunne aren verslonden de zeven dikke en volle aren. Toen werd de farao wakker, en zie, het was een droom!) niet vermeld is. Hij heeft opgemerkt, mogelijk na erover te hebben nagedacht, dat de magere koeien niet dikker zijn geworden, nadat ze de vette koeien hebben opgegeten. Ook is hij nagegaan of hij in zijn land wel eens zulke lelijke en magere koeien heeft gezien als in zijn droom. Hij zegt tegen Jozef dat hij dit alles aan zijn wijzen heeft verteld, maar dat zij hem de betekenis ervan niet kunnen vertellen.


Jozef legt de dromen uit

25Toen zei Jozef tegen de farao: De dromen van de farao zijn één. God heeft de farao bekendgemaakt wat Hij gaat doen. 26Die zeven mooie koeien betekenen zeven jaren, die zeven mooie aren betekenen ook zeven jaren; de dromen zijn één. 27Die zeven magere en lelijke koeien, die na hen opkwamen, zijn zeven jaren; die zeven lege, door de oostenwind verschroeide aren zullen zeven jaren van honger zijn. 28Dit is het woord dat ik [zojuist] tot de farao gesproken heb: God heeft aan de farao laten zien wat Hij gaat doen. 29Zie, de komende zeven jaren zal er in heel het land Egypte een grote overvloed zijn. 30Maar daarna zullen er zeven jaren van hongersnood aanbreken; dan zal al die overvloed in het land Egypte vergeten zijn, en de honger zal het land verwoesten. 31Ook zal er niets [meer] van de overvloed te merken zijn in het land, vanwege de honger die daarna zal komen, want die zal zeer zwaar zijn. 32Dat de farao deze droom twee keer gekregen heeft, is omdat de zaak bij God vaststaat en God Zich haast om die uit te voeren.

Jozef legt uit – en onderstreept daarmee wat hij eerder heeft gezegd (verzen 16,2816Jozef antwoordde de farao: Dat is niet aan mij, [maar] God zal antwoorden [wat] het welzijn van farao [dient].28Dit is het woord dat ik [zojuist] tot de farao gesproken heb: God heeft aan de farao laten zien wat Hij gaat doen.) – dat God aan de farao door de dromen heeft bekendgemaakt wat Hij gaat doen. Er is geen enkele twijfel bij Jozef aanwezig over de uitleg die hij geeft. Twijfel wordt vandaag verheerlijkt, maar in wie de Geest van God werkzaam is (vers 3838Daarom zei de farao tegen zijn dienaren: Zouden wij [ooit] iemand kunnen vinden als deze [man], in wie de Geest van God is?) en wie met God leeft, beoordeelt alle dingen (1Ko 2:1515Maar wie geestelijk is, beoordeelt alle dingen, maar hijzelf wordt door niemand beoordeeld.).

Zo kunnen ook wij met zekerheid spreken over wat God gaat doen in en met de wereld waarin wij leven. Het boek Openbaring bijvoorbeeld maakt dat duidelijk. Om het te begrijpen en door te geven moeten we slaven van Jezus Christus zijn (Op 1:11Openbaring van Jezus Christus, die God Hem heeft gegeven om Zijn slaven te tonen wat spoedig moet gebeuren; en Hij heeft die door Zijn engel gezonden en aan Zijn slaaf Johannes te kennen gegeven.). De gezindheid van een slaaf – dat is gehoorzamen en dienen – is voorwaarde om Gods gedachten te leren kennen.

Eerst zullen er zeven jaren van overvloed komen en daarna zeven jaren van hongersnood. De hongersnood zal zo groot zijn, dat alle overvloed wordt opgemaakt. De mensen van de wereld hebben ook hun toekomstvisie. Op grond daarvan stellen zij hun beleid vast. Ze houden echter geen rekening met God, terwijl alleen God kan bekendmaken hoe het zal gaan. Net als in Openbaring 1:1 betreft het een zaak die spoedig of met “haast” (vers 3232Dat de farao deze droom twee keer gekregen heeft, is omdat de zaak bij God vaststaat en God Zich haast om die uit te voeren.) door God zal worden uitgevoerd.


Advies van Jozef

33Nu dan, laat de farao naar een verstandige en wijze man uitzien en die over het land Egypte aanstellen. 34Laat de farao [het volgende] doen: Laat hij opzichters over het land aanstellen en tijdens de zeven jaren van overvloed het vijfde deel van [de opbrengst van] het land Egypte opeisen. 35Laten zij alle voedsel van de komende goede jaren bijeenbrengen en op last van de farao [het] koren opslaan, als voedsel in de steden, en dat bewaren. 36Dan zal dat voedsel als voorraad dienen voor het land in de zeven jaren van honger die in het land Egypte zullen komen, zodat het land niet van honger omkomt.

Ongevraagd, maar met waardigheid, geeft de slaaf Jozef advies aan de machtige farao. Er is bij hem niets van wraakgevoelens te bespeuren over het geleden onrecht. We zien dat hij een helpende hand biedt. Zijn advies is om één man over Egypte aan te stellen met het oog op de komende dingen. Dat moet “een verstandige en wijze man” zijn die moet kunnen beschikken over opzichters die de overvloed op de goede manier kunnen beheren met het oog op de komende hongersnood.

Niet door parlementen, kabinetten of ministers of andere aardse hoogwaardigheidsbekleders zal God regeren, maar door één Man, Die verstandig en wijs is: Jezus Christus (Js 11:22Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
)
.


Jozef onderkoning

37Deze woorden waren goed in de ogen van de farao en in de ogen van al zijn dienaren. 38Daarom zei de farao tegen zijn dienaren: Zouden wij [ooit] iemand kunnen vinden als deze [man], in wie de Geest van God is? 39Daarop zei de farao tegen Jozef: Aangezien God u dit alles heeft bekendgemaakt, is er niemand zo verstandig en wijs als u. 40U zult zelf over mijn huis gaan en heel mijn volk zal uw bevel eerbiedigen; alleen wat de troon betreft, zal ik meer aanzien hebben dan u. 41Verder zei de farao tegen Jozef: Zie, ik stel u [hierbij] aan over heel het land Egypte. 42Toen nam de farao zijn ring van zijn hand en deed hem aan Jozefs hand; hij liet hem kleren van fijn linnen aantrekken en hing een gouden keten om zijn hals. 43Hij liet hem rijden op de tweede wagen die hij had, en ze riepen voor hem uit: Kniel! Zo stelde hij hem aan over heel het land Egypte. 44De farao zei tegen Jozef: Ik ben de farao, maar zonder uw [goedvinden] zal in heel het land Egypte niemand zijn hand of zijn voet optillen.

Er is maar één man die aan het geschetste ‘profiel’ voldoet en dat is Jozef. De farao erkent dat God aan Jozef alles heeft bekendgemaakt en dat Jozef aan God zijn verstand en wijsheid te danken heeft. Daarom plaatst hij Jozef over alles wat hij heeft. Hierin is de farao een beeld van God Die alle dingen onderwerpt aan de voeten van de Heer Jezus (1Ko 15:2727Want ‘Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen’. Wanneer Hij nu zegt dat alles [Hem] onderworpen is, is het duidelijk dat Hij wordt uitgezonderd Die Hem alles onderworpen heeft.) en oproept om Hem te eren.

Jozef ontvangt zijn vierde kleed (vers 4242Toen nam de farao zijn ring van zijn hand en deed hem aan Jozefs hand; hij liet hem kleren van fijn linnen aantrekken en hing een gouden keten om zijn hals.). Dit kleed staat in verbinding met de openbare heerlijkheid die hij heeft als heerser over alles wat van de farao is. Hierin is hij een beeld van de Heer Jezus in de heerlijkheid die Hij heeft als de Koning van de koningen en Heer van de heren. Die heerlijkheid straalt van Hem af als Hij Zijn openlijke heerschappij over alle dingen in de hemel en op de aarde aanvaardt (Ef 1:1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;).


Een naam en een vrouw voor Jozef

45De farao gaf Jozef de naam Zafnath Paäneah en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, een priester uit On, tot vrouw. En Jozef vertrok [en reisde] het land Egypte door.

De naam die de farao Jozef geeft, “Zafnath Paäneah”, betekent ‘openbaarder van verborgenheden’ of ‘redder van de wereld’. De farao geeft hem niet alleen een naam, maar ook een vrouw. Zij is een beeld van de bruid die de Heer Jezus heeft gekregen na Zijn verhoging: de gemeente uit de volken.


Jozef aan het werk

46En Jozef was dertig jaar oud, toen hij bij de farao, de koning van Egypte, in dienst trad. Toen ging Jozef bij de farao weg en trok heel het land Egypte door. 47Het land bracht in de zeven jaren van overvloed bij handen vol op, 48en hij bracht al het voedsel van de zeven jaren dat in het land Egypte was, bijeen en sloeg het voedsel op in de steden; het voedsel van de akkers van elke stad, die eromheen lagen, sloeg hij binnen die [stad] op. 49Jozef sloeg koren op als het zand van de zee, zeer veel, totdat men ophield met tellen, want er was geen tellen [meer] aan.

Toen Jozef zeventien jaar was, begon de weg naar beneden. Nu hij dertig jaar is, is hij door de farao tot onderkoning gemaakt. De weg naar de heerlijkheid gaat altijd door lijden heen. De Heer Jezus is nu in de heerlijkheid. De wereld maakt nu nog als het ware een tijd van overvloed mee, een overvloed aan genade. Helaas heeft de wereld er geen weet van, men beseft het niet.

We lezen niet dat de Egyptenaren zelf zorgen voor een voorraad. Het is Jozef die daarvoor zorgt. Het is belangrijk dat ook wij in de jaren van geestelijke overvloed voedsel voor onze zielen verzamelen. We kunnen dat doen door samenkomsten te bezoeken waar het Woord wordt gepredikt en uitgelegd en ook door persoonlijke bijbelstudie. Zo kunnen wij de schatkamers van ons hart en onze gedachten vullen. Vooral als we jong zijn, is dit van belang. “Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd” (Pr 12:11Denk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd,
voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen
waarvan u zeggen zult:
Ik vind er geen vreugde in;
)
.


De zonen van Jozef

50[Nog] voor er een jaar van honger kwam, werden bij Jozef twee zonen geboren, die Asnath, de dochter van Potifera, een priester uit On, hem baarde. 51Jozef gaf de eerstgeborene de naam Manasse. Want, [zei hij,] God heeft mij al mijn moeite en heel mijn familie doen vergeten. 52De tweede gaf hij de naam Efraïm. Want, zei hij, God heeft mij vruchtbaar doen worden in het land van mijn verdrukking.

In de tijd van overvloed worden de twee zonen van Jozef geboren. De betekenis van de namen is veelzeggend. “Manasse” betekent ‘vergeten’, “Efraïm” betekent ‘dubbele vruchtbaarheid’. Verworpen door zijn broers is Jozef in een positie dat hij alle leed, dat hem is aangedaan, kan ‘vergeten’ (Jb 11:1616Voorzeker, jíj zult de moeite vergeten,
je zult er [net zo min] aan denken als aan water dat langsgestroomd is.
)
, terwijl hij ten aanzien van anderen voor ‘veel vrucht’ zorgt.

Zo is het in zeker opzicht ook met de Heer Jezus. Verworpen door Zijn aardse volk, Zijn broeders, is Hij nu in de heerlijkheid en heeft de gemeente als bruid gekregen, waardoor Hij de smaad, die Hem is aangedaan, kan vergeten. Vanuit de heerlijkheid zorgt Hij ervoor dat zij die Hem kennen, die met Hem in verbinding staan, vrucht dragen.


De hongersnood begint

53Toen eindigden de zeven jaren van overvloed die er in het land Egypte geweest waren, 54en begonnen de zeven jaren van hongersnood te komen, zoals Jozef gezegd had. Er was honger in alle landen, maar in heel het land Egypte was brood. 55Toen ook heel het land Egypte honger kreeg, schreeuwde het volk bij de farao om brood, en de farao zei tegen alle Egyptenaren: Ga naar Jozef [en] doe wat hij u zegt. 56Toen er honger in heel het land was, opende Jozef alle [korenschuren] en verkocht koren aan de Egyptenaren, want de honger werd sterk in het land Egypte. 57[Uit] alle landen kwamen [ze] in Egypte bij Jozef koren kopen, want de honger was in alle landen sterk.

Er komt een einde aan de jaren van overvloed. De jaren van hongersnood beginnen. In die tijd handelt Jozef met Egypte en met zijn broers. Het is de tijd die is te vergelijken met “het uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op de aarde wonen (Op 3:1010Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, dat over het hele aardrijk zal komen, om te verzoeken hen die op de aarde wonen.) en over Israël in het bijzonder (Jr 30:77Wee!
Want die dag is groot,
er is er geen als hij.
Het is een tijd van benauwdheid voor Jakob,
toch zal hij daaruit verlost worden.
)
. Gedurende de jaren van overvloed horen we niets van de broers. Dat gaat nu gebeuren.

Als de honger begint en het land om brood roept, zegt de farao: “Ga naar Jozef en doe wat hij u zegt.” Ook dit is weer een prachtig beeld van het evangelie. God zegt tegen mensen die in nood zijn over hun zonden en tot Hem roepen: ‘Ga naar Jezus, doe wat Hij u zegt’ (vgl. Jh 2:55Zijn moeder zei tot de dienstknechten: Wat Hij u ook zegt, doet dat.).


Lees verder