Genesis
1-8 De zonen van Bilha 9-13 De zonen van Zilpa 14-21 Lea ‘huurt’ Jakob 22-24 Rachel krijgt Jozef 25-36 Jakob verwerft zijn kudde 37-43 De truc van Jakob
De zonen van Bilha

1Toen Rachel merkte dat zij Jakob geen kinderen baarde, werd Rachel jaloers op haar zuster en zei tegen Jakob: Geef mij kinderen, en zo niet, dan sterf ik. 2Toen ontstak Jakob in woede tegen Rachel en hij zei: Neem ik soms de plaats in van God, Die jou de vrucht van de schoot onthouden heeft? 3Daarop zei ze: Zie, hier is mijn slavin Bilha; kom bij haar, zodat zij op mijn knieën zal baren en ook ik uit haar nageslacht zal krijgen. 4Zo gaf zij hem haar slavin Bilha tot vrouw, en Jakob kwam bij haar. 5En Bilha werd zwanger en baarde Jakob een zoon. 6Toen zei Rachel: God heeft mij recht verschaft. Ook heeft Hij naar mijn stem geluisterd en mij een zoon gegeven. Daarom gaf zij hem de naam Dan. 7En Bilha, Rachels slavin, werd opnieuw zwanger en baarde Jakob een tweede zoon. 8Toen zei Rachel: Ik heb een zware strijd met mijn zuster gevoerd, [en] ik heb ook gewonnen. Daarom gaf zij hem de naam Naftali.

Als Rachel ziet dat zij kinderloos blijft, wordt ze jaloers op Lea. Zij stelt Jakob een onmogelijk ultimatum. Zoiets gebeurt alleen als de Heer geen plaats in de moeilijkheden krijgt. Dan gaan mensen, echtgenoten, onredelijke dingen van elkaar vragen, ze verwachten dingen die buiten het vermogen van de ander liggen. De oorzaak is jaloersheid. Daardoor is al veel kwaad gesticht in de wereldgeschiedenis, in de maatschappij, in de gezinnen en in gemeenten (Jk 3:1616Want waar jaloersheid en twistzucht is, daar is wanorde en allerlei kwade praktijk.). Uit jaloersheid heeft Kaïn Abel gedood, hebben de broers Jozef verkocht, heeft Saul David achtervolgd en hebben de overpriesters de Heer Jezus overgeleverd.

In plaats van het voorbeeld van zijn vader te volgen (Gn 25:2121Izak bad vurig tot de HEERE in het bijzijn van zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar. En de HEERE liet Zich door hem verbidden, zodat Rebekka, zijn vrouw, zwanger werd.) en met Rachel naar de HEERE te gaan – hij was zelf een kind van het gebed –, barst Jakob tegen haar los. Hij neemt niet de plaats van God in (vgl. 2Kn 5:77En het gebeurde, toen de koning van Israël de brief gelezen had, dat hij zijn kleren scheurde en zei: Ben ik dan God, om te doden en om levend te maken, dat deze [man iemand] naar mij toe stuurt om bij een man zijn melaatsheid weg te nemen? Want, voorwaar, besef toch en zie in dat hij een voorwendsel tegen mij zoekt.)! Wat hij zegt, is waar, maar waarom hij dit zegt en de manier waarop, maken duidelijk dat hij deze waarheid alleen maar gebruikt om Rachel het zwijgen op te leggen. Hij neemt geen tijd om met haar te bidden, en neemt ook geen tijd om met haar te praten.

Jakob lijkt geen sterke persoonlijkheid te zijn. Rachel buit dat uit. Jakob gaat zonder tegenwerping op haar voorstel in dat hij maar tot haar slavin moet ingaan. Ook dit is een herhaling van een niet zo fraaie geschiedenis (Gn 16:1-41Maar Sarai, de vrouw van Abram, had hem geen kinderen geschonken. Nu had zij een Egyptische slavin, van wie de naam Hagar was.2Daarom zei Sarai tegen Abram: Zie toch, de HEERE heeft [mijn baarmoeder] gesloten, zodat ik geen kinderen kan krijgen. Kom toch bij mijn slavin; misschien zal ik uit haar nageslacht krijgen. En Abram luisterde naar de stem van Sarai.3Toen nam Sarai, de vrouw van Abram, Hagar, de Egyptische, haar slavin, nadat Abram tien jaar in het land Kanaän gewoond had, en gaf haar aan Abram, haar man, als vrouw voor hem.4Hij kwam bij Hagar en zij werd zwanger. Toen zij nu zag dat zij zwanger geworden was, was haar meesteres in haar ogen verachtelijk.). Het voorstel van Rachel heeft succes. Ze geeft het kind de naam “Dan”, dat betekent ‘richten’. Ze geeft daarmee aan dat God haar recht heeft verschaft.

Het is de manier van mensen die een eigen weg gaan en de zegen die ze daarop aantreffen, zien als een rechtvaardiging die God geeft voor de eigenzinnige weg die ze gaan. Misschien is het ook wel eens onze manier geweest om iets verkeerds goed te praten.

Bilha krijgt een tweede zoon. Rachel noemt hem “Naftali”. Daarmee verwoordt ze de worstelingen – Naftali betekent ‘mijn worsteling’ – die ze innerlijk heeft met de zegen die haar zuster heeft gehad. Ze vindt ook dat ze daar als overwinnaar uit tevoorschijn is gekomen. Ze heeft gestreefd naar haar recht en meent dat ze dit nu heeft gekregen. Zij wil boven Lea staan en roemt erin dat haar dat nu is gelukt. Later blijkt dat het de holle vreugde van het moment is. In werkelijkheid heeft ze dan ook verloren. In de naam die ze het kind zelf geeft, zal ze er voortdurend aan worden herinnerd.

Het is een belangrijke les dat wij onze kinderen geen ‘Naftali’ noemen, dat onze kinderen niet worden opgescheept met de worstelingen die wij kunnen hebben met onze man of vrouw, of met onze broeders en zusters.

Bij al het verkeerde zien we bij Lea en Rachel wel het verlangen naar kinderen (Ps 127:33Zie, kinderen zijn het eigendom van de HEERE,
de vrucht van de schoot is [Zijn] beloning.
)
. Dat ligt vandaag bij de moderne vrouw wel eens anders.


De zonen van Zilpa

9Toen Lea merkte dat zij ophield met [kinderen] baren, nam zij haar slavin Zilpa en gaf haar aan Jakob tot vrouw. 10En Zilpa, de slavin van Lea, baarde Jakob een zoon. 11Toen zei Lea: Het geluk is gekomen! En zij gaf hem de naam Gad. 12Vervolgens baarde Zilpa, de slavin van Lea, Jakob een tweede zoon. 13Toen zei Lea: [Wat] ben ik gelukkig! Want de vrouwen zullen mij gelukkig prijzen. En zij gaf hem de naam Aser.

De verhouding tussen Rachel en Lea wordt gekenmerkt door rivaliteit. Dat is het resultaat als men ingaat tegen Gods huwelijksinstelling van één man met één vrouw. Dat gevaar van rivaliteit is altijd groot als we gaan vergelijken en menen dat de ander meer heeft dan wij. Dat kan in materieel opzicht zijn, het kan ook zo zijn in geestelijk opzicht.

Lea heeft het allemaal aangezien en neemt haar toevlucht tot dezelfde lage praktijk als Rachel. Het lijkt erop dat ze succes heeft. Ze ervaart in elk geval dat het tij is gekeerd en dat het geluk in haar leven is gekomen. Dat geeft ze aan in de namen die ze de beide kinderen geeft die haar slavin Zilpa baart: “Gad” betekent ‘geluk’ en “Aser” betekent ‘gelukkige’.


Lea ‘huurt’ Jakob

14In de dagen van de tarweoogst ging Ruben eropuit en hij vond liefdesappels in het veld, die hij bij zijn moeder Lea bracht. Toen zei Rachel tegen Lea: Geef mij toch [wat] van de liefdesappels van jouw zoon. 15En zij zei tegen haar: Is het niet genoeg dat je [me] mijn man afgenomen hebt? Moet je ook nog de liefdesappels van mijn zoon nemen? Toen zei Rachel: Daarvoor mag hij vannacht met jou slapen in ruil voor de liefdesappels van je zoon. 16Toen Jakob 's avonds van het veld kwam, ging Lea hem tegemoet en zei: Je moet bij mij komen, want ik heb je eerlijk gehuurd voor de liefdesappels van mijn zoon. Daarom sliep hij die nacht met haar. 17En God verhoorde Lea; zij werd zwanger en baarde Jakob een vijfde zoon. 18Toen zei Lea: God heeft mij beloond, omdat ik mijn slavin aan mijn man gegeven heb. En zij gaf hem de naam Issaschar. 19Lea werd opnieuw zwanger en zij baarde Jakob een zesde zoon. 20Lea zei toen: God heeft mij, [ja] mij, een mooi geschenk gegeven; ditmaal zal mijn man bij míj komen wonen, want ik heb hem zes zonen gebaard. En zij gaf hem de naam Zebulon. 21Daarna baarde zij een dochter en gaf haar de naam Dina.

Jakob, die toch wel een slap karakter schijnt te hebben, laat zich gewoon gebruiken als inzet van de ruzie tussen zijn beide vrouwen. Nergens lezen we van een krachtig optreden om hen tot de orde te roepen, hij zegt geen woord. Hij verwaarloost zijn positie als hoofd van het gezin. Hij gaat in deze hele onverkwikkelijke geschiedenis de problemen uit de weg. Wie Gods instelling niet serieus neemt, heeft ook geen oog voor andere verantwoordelijkheden.

De vrouwen en kinderen gaan niet naar Jakob met hun moeilijkheden. Ze doen alles zelf. Rachel past een nieuwe truc toe. Ze meent in haar bijgeloof dat de liefdesappels het door haar begeerde doel, kinderen krijgen, helpen bereiken. Daarmee komt Ruben, de zoon van Lea aanzetten. Mogelijk dat men heeft gemeend dat daardoor bepaalde erotische gevoelens worden opgewekt.

Wie heeft Ruben daarover voorgelicht, wat is hij ermee van plan? Geven wij onze kinderen voorlichting of krijgen ze die op straat? Laten we een open oor hebben voor waar onze kinderen mee thuis komen, met welke praat, en naar aanleiding daarvan hen voorlichten. Uit Genesis 35 is de voorzichtige conclusie te trekken dat Ruben met zijn seksuele gevoelens niet heeft weten om te gaan zoals God het wil (Gn 35:2222En het gebeurde, toen Israël in dat land woonde, dat Ruben ging en met Bilha sliep, de bijvrouw van zijn vader; en Israël kwam dat te weten. Jakob had twaalf zonen.). In het huis van zijn vader heeft hij daar ook niet de goede voorbeelden in gehad.

Rachel ‘koopt’ de liefdesappels van Lea met als ‘betaling’ dat Lea nog eens van Jakob ‘gebruik’ mag maken. Ze meent in bijgeloof dat deze liefdesappels haar van haar onvruchtbaarheid zullen verlossen. Lea handelt evengoed uit bijgeloof. Beide vrouwen zijn bezig met kunstgrepen om zegen te verwerven.

Als uit de door Lea ‘gehuurde’ gemeenschap met Jakob een zoon wordt geboren, redeneert ze krom dat God haar heeft beloond, want “Issaschar” betekent ‘loon’. Tegelijk staat God boven dit vleselijke handelen en volgt Zijn eigen weg van genade. God verhoort toch, niet vanwege haar handelwijze maar ondanks haar handelwijze. Als Lea nog een zoon krijgt, noemt ze die “Zebulon”, dat betekent ‘woning’, in de verwachting dat Jakob zich nu eindelijk gewonnen zal geven en bij haar zal komen wonen.

Na zes zonen krijgt Lea als zevende kind een dochter. Ze noemt haar “Dina”, wat ‘recht’ betekent. Over Dina horen we niet veel. Ze komt alleen nog voor in Genesis 34, waarin zij een hoofdrol speelt. In de zegen van Jakob komt zij niet voor.


Rachel krijgt Jozef

22God dacht ook aan Rachel en God verhoorde haar. Hij opende haar baarmoeder 23en zij werd zwanger en baarde een zoon. Toen zei ze: God heeft mijn schande weggenomen! 24Zij gaf hem de naam Jozef en zei: Moge de HEERE mij nog een zoon geven!

Ook Rachel krijgt uiteindelijk het door haar zo lang verwachte en begeerde kind. Dat is niet het resultaat van de door haar ‘gekochte’ liefdesappels, maar van een werk van God. Dat beseft Rachel ook en ze geeft daarvoor God dan ook de eer. Ze zegt: Hij heeft mijn schande weggenomen, God heeft dat gedaan.

De zoon die geboren wordt, noemt zij “Jozef”, dat betekent ‘Hij zal toevoegen’. Hij is ook een kind van gebed, want God “verhoorde” Rachel. Deze zoon neemt een speciale plaats in. In veel opzichten is hij een prachtig beeld van de Heer Jezus. Dat zullen we later zien.


Jakob verwerft zijn kudde

25En het gebeurde, nadat Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tegen Laban zei: Laat mij vertrekken, dan kan ik naar mijn woonplaats en mijn land gaan. 26Geef mijn vrouwen en mijn kinderen, voor wie ik u gediend heb, zodat ik kan gaan. U weet immers van het werk waar ik u mee gediend heb. 27Toen zei Laban tegen hem: Laat mij toch genade vinden in jouw ogen; ik heb waargenomen dat de HEERE mij omwille van jou gezegend heeft. 28Hij zei: Bepaal wat je loon bij mij moet zijn, dan zal ik het je geven. 29Toen zei hij tegen hem: Ú weet hoe ik u gediend heb en hoe uw vee onder mijn hoede geweest is. 30Het weinige dat u voor mijn [komst] had, heeft zich immers tot een menigte uitgebreid. De HEERE heeft u sinds mijn komst gezegend. Nu dan, wanneer zal ik ook voor mijn [eigen] huis kunnen werken? 31Daarop zei hij: Wat moet ik je geven? Toen zei Jakob: U hoeft mij helemaal niets te geven; als u het volgende voor mij wilt doen, zal ik opnieuw uw kleinvee hoeden en beschermen. 32Ik zal vandaag al uw kleinvee langsgaan en daaruit elk gespikkeld of gevlekt dier afzonderen, elk zwart dier onder de schapen en [alles] wat gevlekt en gespikkeld is onder de geiten; en dat zal mijn loon zijn. 33Mijn gerechtigheid zal morgen voor mij getuigen, als u komen zult om mijn loon in ogenschouw te nemen; alles wat niet gespikkeld en gevlekt is onder de geiten en [wat niet] zwart [is] onder de schapen, [mag] als door mij gestolen [beschouwd worden]. 34Toen zei Laban: Zie, laat het maar overeenkomstig jouw woord gebeuren. 35Maar op diezelfde dag zonderde hij de gestreepte en gevlekte bokken af en al de gespikkelde en gevlekte geiten, alles waar iets wits aan was en alles wat zwart was onder de schapen; en hij stelde die onder de hoede van zijn zonen. 36Hij bepaalde [een afstand van] drie dagreizen tussen hem en Jakob; en Jakob hoedde de rest van het kleinvee van Laban.

Als Jozef geboren is, wil Jakob terug naar zijn land. Geestelijk is het ook zo in het leven van de gelovige: als de Heer Jezus – van Wie Jozef een prachtig beeld is – in hem gaat leven, wenst hij de zegeningen van het hemelse land te genieten. Jakob ervaart het kind dat Rachel krijgt als een bijzondere zegen.

Laban erkent dat God hem heeft welgedaan ter wille van Jakob. In profetisch opzicht is dat ook zo: wie Israël, Gods volk, goed behandelt, zal daar van Godswege de zegen van ondervinden.

Als Jakob te kennen heeft gegeven dat hij wil vertrekken, vraagt Laban aan Jakob wat hij als loon wil hebben. Hij doet dit om Jakob nog wat langer aan zich te binden. Iemand die zo’n zegen voor je is, laat je niet zomaar gaan. Jakob wil nog wel een tijd blijven werken. Als loon daarvoor vraagt hij vee. Hij bepaalt welk soort vee van hem zal zijn. Daarmee stemt Laban in.

Laban is echter listig en treft maatregelen om het door Jakob gevraagde vee voor zichzelf veilig te stellen. Hij neemt alle gestreepte en gevlekte bokken en alle gespikkelde en gevlekte geiten en alle zwarte schapen, die Jakob als zijn loon heeft bedongen, en stelt die onder de hoede van zijn zonen.

Ook bouwt hij tussen zich en Jakob een veiligheidszone van drie dagreizen in. Daardoor voorkomt hij dat er een kruising kan zijn tussen het door hem afgezonderde vee en dat wat onder de hoede van Jakob is. Zo zal er geen kans zijn dat er in de kudde van Jakob een gestreepte en gevlekte bok of geit of een zwart schaap geboren wordt, wat hij dan kwijt zou zijn.


De truc van Jakob

37Toen nam Jakob voor zichzelf jonge takken van populieren, amandelbomen en platanen, en schilde daarin witte strepen door het wit in die takken te ontbloten. 38Hij legde de takken die hij geschild had in de troggen en waterdrinkbakken waaruit het kleinvee kwam drinken, vlak voor het kleinvee; en ze werden bronstig als zij kwamen om te drinken. 39En als het kleinvee bronstig werd bij die takken, wierp het kleinvee gestreepte, gespikkelde, en gevlekte [jongen]. 40Toen scheidde Jakob de schapen af en keerde de koppen van het kleinvee naar het gestreepte en naar al het zwarte onder Labans kleinvee, en vormde zo kudden voor zichzelf; hij zette ze niet bij het kleinvee van Laban. 41En het gebeurde, telkens wanneer het sterkste kleinvee bronstig werd, dat Jakob de takken voor de ogen van het kleinvee in de troggen legde, zodat zij bronstig zouden worden bij de takken. 42Maar als het zwakke kleinvee bronstig werd, legde hij ze er niet in, zodat de zwakke dieren voor Laban en de sterke dieren voor Jakob waren. 43Zo breidde [het bezit van] deze man zich zeer sterk uit; hij had veel kleinvee, slavinnen, slaven, kamelen en ezels.

Als de onderhandelingen zijn afgerond, komt de oude Jakob weer naar boven. Hij gaat met list te werk om toch zoveel mogelijk van het vee van Laban in zijn bezit te krijgen. Jakob is in een bepaalde zin wel eerlijk, want hij steelt niet. In een andere zin is hij niet oprecht. Hij meent dat geschilde takken een middel zijn om zijn kudde uit te breiden.

God laat hem echter in een droom zien op welke manier hij werkelijk aan zijn kudde is gekomen (Gn 31:10-1210Het gebeurde [eens] in de tijd dat het kleinvee bronstig was dat ik mijn ogen opsloeg en in een droom zag dat, zie, de bokken die het kleinvee besprongen, gestreept, gestippeld en gevlekt waren.11De Engel van God zei tegen mij in die droom: Jakob! Ik zei: Zie, [hier] ben ik!12Hij zei: Sla toch uw ogen op en zie: al de bokken die het kleinvee bespringen, zijn gestreept, gespikkeld en gevlekt. Voorzeker, Ik heb alles gezien wat Laban u aandoet!). Niet de takken, maar de bokken werden door God gebruikt. Het bijgeloof van Jakob heeft zijn kudde geen enkel stuk kleinvee doen groeien. God is met Jakob, maar Jakob is nog niet met God. God is op weg met Jakob om hem naar dat doel te brengen.


Lees verder