Genesis
1-6 De roeping van Abram 7 De HEERE verschijnt aan Abram 8 Abram: tent en altaar 9-20 Abram in Egypte
De roeping van Abram

1De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. 2Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn. 3Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. 4Toen ging Abram [op weg], zoals de HEERE tot hem gesproken had, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran vertrok. 5Abram nu nam Sarai, zijn vrouw, en Lot, de zoon van zijn broer, en al hun bezittingen die ze verworven hadden en de mensen die zij in Haran verkregen hadden; en zij gingen weg om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen in het land Kanaän. 6En Abram trok door dat land heen tot aan de [heilige] plaats [bij] Sichem, tot de eik van More. De Kanaänieten woonden toen in dat land.

De Statenvertaling vertaalt vers 11De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal. als volgt: “De HEERE nu had tot Abram gezegd.” Die vertaling heeft de voorkeur, want de HEERE spreekt tot Abram als hij nog in Ur van de Chaldeeën is (Hd 7:2-4a2En hij zei: Mannen broeders en vaders, hoort. De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij in Mesopotamië was, voordat hij woonde in Haran,3en zei tot hem: ‘Ga uit uw land en <uit> uw familie en kom in het land dat Ik u zal wijzen’.4Toen vertrok hij uit [het] land van [de] Chaldeeën en ging in Haran wonen. En nadat zijn vader was gestorven, bracht Hij hem vandaar over in dit land waarin u nu woont.). Daar zegt God tegen hem dat hij uit zijn land moet gaan, naar het land dat God hem zal wijzen. Hij moet uit zijn familie gaan, om een nieuwe familie te vormen. Hij moet zelfs uit het huis van zijn vader gaan, waarvan hij nog deel uitmaakt, om zelf tot een vader van veel volken te worden. Gods roeping is altijd persoonlijk. Gods weg is altijd met de enkeling. God roept Abram als eenling (Js 51:22Aanschouw Abraham, uw vader,
en Sara, [die] u gebaard heeft.
Want toen hij [nog] alleen was, riep Ik hem,
Ik zegende hem en maakte hem talrijk.
)
.

Deze roeping van Abram moet later aan Israël duidelijk maken dat hun bestaan als volk helemaal alleen Gods werk is en is begonnen met een man die in geloof gehoorzaam heeft gedaan wat God tegen hem heeft gezegd. Hierdoor moet Israël overtuigd worden van Abrams Goddelijke roeping en van de noodzaak van het geloof, wanneer het volk uit Egypte uittrekt om naar Kanaän te gaan.

Als God roept, verbindt Hij daaraan altijd beloften. Abram krijgt een zevenvoudige belofte (verzen 2-32Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.3Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.). Dat is genoeg om hem op weg te laten gaan. Hij gaat, zonder te weten waar hij terecht zal komen. Dat wil zeggen dat hij in geloof gaat. Zoals we aan het eind van het vorige hoofdstuk hebben gezien, kostte het Abram moeite en tijd om los te komen van het huis van zijn vader. Toch gaat hij. In Hebreeën 11 lezen we over zijn gehoorzaamheid (Hb 11:88Door [het] geloof gehoorzaamde Abraham toen hij geroepen werd, om uit te gaan naar [de] plaats die hij als erfdeel zou ontvangen; en hij ging uit zonder te weten waar hij komen zou.). God ziet de bereidwilligheid in zijn hart en heeft geduld met het overwinnen van de hindernissen.

Abram gehoorzaamt, in vertrouwen op het woord van de HEERE. Dit gehoorzamen in geloof maakt Abraham in de Schrift tot het grote voorbeeld van geloof: Zoals Abraham God geloofde en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Erkent dan, dat zij die op grond van geloof zijn, zonen van Abraham zijn. De Schrift nu, die voorzag dat God de volken op grond van geloof zou rechtvaardigen, verkondigde tevoren aan Abraham de blijde boodschap: ’In u zullen alle volken gezegend worden’. Zij die op grond van geloof zijn, worden dus met de gelovige Abraham gezegend” (Gl 3:6-96Zoals Abraham God geloofde en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.7Erkent dan, dat zij die op grond van geloof zijn, zonen van Abraham zijn.8De Schrift nu, die voorzag dat God de volken op grond van geloof zou rechtvaardigen, verkondigde tevoren aan Abraham de blijde boodschap: ‘In u zullen alle volken gezegend worden’.9Zij die op grond van geloof zijn, worden dus met de gelovige Abraham gezegend.). Het kenmerk daarvan is het opgeven van de zichtbare dingen voor een onzichtbaar doel (2Ko 4:1818daar wij ons oog niet richten op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig.).

Wanneer Abram in het land komt, bevinden zich daar de Kanaänieten en zij zijn er de baas. Het land Kanaän is voor Israël letterlijk het beloofde land, waarin God volop zegen voor hen heeft klaarliggen. Voorwaarde is dat Israël trouw blijft aan de HEERE en in Zijn kracht strijd levert om de Kanaänieten eruit te verdrijven.

Voor de christen stelt het land Kanaän geestelijk de hemelse gewesten voor, waarin hij gezegend is met alle geestelijke zegen (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,). Maar ook voor de christen is die zegen alleen te genieten als hij bereid is daarvoor strijd te leveren. Daarover lezen we in Efeziërs 6. Gelukkig hoeven we niet in eigen kracht te strijden (Ef 6:1010Overigens, sterkt u in [de] Heer en in de kracht van Zijn sterkte.). God stelt Zijn eigen wapenrusting ter beschikking (Ef 6:11-1811Doet de hele wapenrusting van God aan, om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel.12Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].13Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.14Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,18terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,).


De HEERE verschijnt aan Abram

7Toen verscheen de HEERE aan Abram en zei: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar voor de HEERE, Die hem verschenen was.

Wanneer Abram eenmaal in Kanaän is aangekomen, verschijnt de HEERE aan hem. Dat heeft Hij niet in Haran kunnen doen. Abram krijgt, na zijn roeping en de belofte van zegen voor hem en zijn nageslacht, hier de belofte dat zijn nageslacht het land zal krijgen waarin hij nu is aangekomen. Naar aanleiding van deze mededeling bouwt Abram een altaar voor de HEERE. Zijn hart is zo vol dank, dat hij niet anders kan dan Hem aanbidden voor Zijn toezeggingen.

De HEERE is hem verschenen, hij heeft Hem gezien. De HEERE heeft tot hem gesproken, hij heeft Hem gehoord. Abram gelooft in Wie aan hem is verschenen en hij gelooft in wat de HEERE hem heeft beloofd. Dit is levend geloof.

Zo verschijnt de Heer ook aan ons als wij Zijn Woord lezen. Dan zien we Hem. En we horen Hem spreken. We mogen erop vertrouwen dat Hij doet wat Hij zegt. Als dat voor ons leeft, zullen we Hem aanbidden.


Abram: tent en altaar

8Vandaar brak hij op naar het bergland ten oosten van Bethel en zette zijn tent op tussen Bethel in het westen en Ai in het oosten. Daar bouwde hij voor de HEERE een altaar en riep de Naam van de HEERE aan.

Het leven van Abram wordt gekenmerkt door een tent en een altaar. Hij gaat naar het gebergte, hij zoekt het dicht bij God. Hij slaat zijn tent op tussen Bethel en Ai. Zijn tent staat symbool voor zijn pelgrimschap. Hij is onderweg, iemand die geen vaste woon- en verblijfplaats heeft. Hij zoekt geen plaats op aarde. Hij verwacht de stad van God (Hb 11:1010want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is.).

Zijn altaar staat symbool voor aanbidding. Een aanbidder is een pelgrim en een pelgrim is een aanbidder. Het altaar is voor de HEERE en daar roept hij Zijn Naam aan (vgl. Gn 21:3333En [Abraham] plantte een tamarisk in Berseba, en hij riep daar de Naam van de HEERE, de eeuwige God, aan.; 26:23-2523Hij vertrok vandaar naar Berseba.24De HEERE verscheen hem in die nacht en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader. Wees niet bevreesd, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen en uw nageslacht talrijk maken omwille van Abraham, Mijn dienaar.25Toen bouwde hij daar een altaar en riep de Naam van de HEERE aan. Hij zette daar zijn tent op en de dienaren van Izak groeven daar een put.). De Naam van de HEERE aanroepen wil zeggen Hem bij Zijn naam ‘Jahweh’ noemen en op grond daarvan tot Hem naderen in gebed en in aanbidding. Abram eert God voor Wie Hij is. Hij zal Hem aanbeden hebben voor de beloften die hij van Hem heeft gekregen en waarvan hij weet dat ze door Hem worden vervuld. Hierdoor heeft God te midden van de Kanaänieten, die in het land wonen, een getuige voor Zijn Naam.

“Bethel” betekent ‘huis van God’. Zo wordt in onze tijd, de tijd van het Nieuwe Testament, de gemeente genoemd (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.). “Ai” betekent ‘puinhoop’. Dat is de actuele situatie van het huis van God, de gemeente. De christen die een pelgrim is, leeft te midden van de puinhopen van het christelijk getuigenis van God op aarde, terwijl hij aan de andere kant Gods gedachten over Zijn gemeente probeert te verwerkelijken.


Abram in Egypte

9Daarna trok Abram gaandeweg verder naar het Zuiderland. 10Er kwam hongersnood in dat land. Daarom trok Abram naar Egypte om daar als vreemdeling te verblijven, omdat de hongersnood in het land zwaar was. 11En het gebeurde, toen hij op het punt stond om Egypte binnen te gaan, dat hij tegen zijn vrouw Sarai zei: Zie toch, ik weet dat je een vrouw bent [die] knap is om te zien. 12Als de Egyptenaren je zien, dan zullen ze zeggen: Dat is zijn vrouw! Dan zullen ze mij doden en jou in leven laten. 13Zeg toch dat je mijn zuster bent, zodat het mij omwille van jou goed zal gaan en ik omwille van jou blijf leven. 14En het gebeurde, zodra Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaren de vrouw zagen, dat ze bijzonder knap was. 15Ook de vorsten van de farao zagen haar en zij prezen haar aan bij de farao. Daarom werd de vrouw meegenomen naar het huis van de farao. 16Omwille van haar deed hij goed aan Abram, zodat hij kleinvee, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen kreeg. 17Maar de HEERE trof de farao en zijn huis met zware slagen, vanwege Sarai, de vrouw van Abram. 18Toen riep de farao Abram en zei: Wat hebt u mij aangedaan? Waarom hebt u mij niet verteld dat zij uw vrouw is? 19Waarom hebt u gezegd: Zij is mijn zuster, zodat ik haar tot vrouw genomen heb? Nu, hier is uw vrouw; neem [haar] mee en ga! 20En de farao gaf [enige] mannen opdracht met betrekking tot hem en zij begeleidden hem en zijn vrouw en alles wat hij had [het land] uit.

Met het vertrek uit Bethel begint voor Abram de afwijking. Hij zoekt een grensgebied op. Het is altijd gevaarlijk als een gelovige in een grensgebied gaat leven. Dat is het terrein waar het gevaar van een geestelijke val wordt getrotseerd. In dat gebied komt honger. In Bethel heeft Abram geen honger gehad.

Abram trekt nog verder weg. Hij gaat de grens over en trekt Egypte binnen. Daarvoor heeft hij geen opdracht van God ontvangen. Hij is overigens niet van plan er te gaan wonen, maar er als vreemdeling te verblijven, voor zolang hij dat nodig acht. Egypte is een beeld van de wereld. Als we dat gebied weer opzoeken, verliezen we God steeds meer uit het oog.

Het resultaat is dat Abram bang wordt dat hem iets zal gebeuren. Zijn vertrouwen op God is weg. Hij bedenkt een smoes om zichzelf veilig te stellen ten koste van zijn vrouw. Hier zien we waartoe de meest Godvrezende gelovige kan komen als hij de plaats verlaat die God hem heeft gegeven. Zijn egoïsme leidt hem ertoe dat hij zijn vrouw Sarai haar ware verhouding tot hem laat loochenen. Hij zet zijn vrouw aan tot leugen. Wat hij zegt, is gedeeltelijk waar (Gn 20:1212Zij is ook echt mijn zuster. Zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder, en zij is mij tot vrouw geworden.), maar hij zegt het met het doel om te misleiden.

Het pakt anders uit dan hij heeft gedacht. Hij wil door zijn leugen voorkomen dat hij Sarai kwijtraakt, maar door zijn list raakt hij haar juist kwijt. Ironisch genoeg wordt hem omwille van Sarai inderdaad goed gedaan, wat hij als motief voor zijn misleidende voorstel met betrekking tot hun verhouding heeft opgegeven (verzen 13,1613Zeg toch dat je mijn zuster bent, zodat het mij omwille van jou goed zal gaan en ik omwille van jou blijf leven.16Omwille van haar deed hij goed aan Abram, zodat hij kleinvee, runderen, ezels, slaven en slavinnen, ezelinnen en kamelen kreeg.). Alle cadeaus die hij krijgt, vergoeden echter niet dat hij Sarai kwijt is. Tevens is hij zijn altaar kwijt, evenals zijn plaats in het land waarheen God hem heeft laten optrekken. Hij is ook de zegen kwijt die aan zijn verblijf in het land voor hem is verbonden.

Wie eenmaal van de weg afdwaalt die God heeft getoond, verliest veel. Ook voor de wereld is iemand die afdwaalt geen zegen. Dat zien we hier ook. Door het gedrag van Abram moet God plagen brengen over de farao en zijn huis. Ten slotte wordt Abram door de farao, we kunnen zeggen de wereld, vermaand. Iets dergelijks zien we in de geschiedenis van Jona (Jn 1:66De kapitein kwam bij hem en zei tegen hem: Hoe kunt u zo diep in slaap zijn! Sta op, roep uw God aan! Misschien zal die God aan ons denken, zodat wij niet vergaan!).

Al met al is de situatie waarin Abram terecht is gekomen een zeer treurige. Het is een grote genade van God dat Hij Abram uit deze situatie redt. Dat is geen eer voor Abram, maar alle eer is aan God.


Lees verder