Genesis
1 De nakomelingen van Noach 2-5 De nakomelingen van Jafeth 6-20 De nakomelingen van Cham 21-31 De nakomelingen van Sem 32 Samenvatting
De nakomelingen van Noach

1Dit zijn de afstammelingen van de zonen van Noach, Sem, Cham en Jafeth. Bij hen werden na de vloed zonen geboren.

In dit hoofdstuk laat God ons de oorsprong van de volken van de wereld zien. De zonen van Noach worden hier in volgorde van belangrijkheid genoemd, niet naar geboorte. Jafeth is de oudste (vers 2121Ook bij Sem zijn zonen geboren; hij is de voorvader van alle zonen van Heber, [en] de broer van Jafeth, de oudste.). Daarna komen Sem en Cham.


De nakomelingen van Jafeth

2De zonen van Jafeth zijn: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras. 3De zonen van Gomer zijn: Askenaz, Rifath en Togarma. 4De zonen van Javan zijn: Elisa en Tarsis, de Kittiërs en de Dodanieten. 5Van hen [stammen de mensen af die] zich over de kustlanden van de volken verspreid hebben, in hun landen, elk overeenkomstig zijn taal, overeenkomstig hun geslachten, onder hun volken.

De nakomelingen van Jafeth komen het eerst aan bod. Er worden slechts vier verzen aan hem gewijd. Van de voorspelde uitbreiding (Gn 9:2727Laat God Jafeth uitbreiden en laat hij in de tenten van Sem wonen!
En laat Kanaän voor hem een dienaar zijn!
)
lijkt vooralsnog niet veel terecht te komen. Toch zal dat later wel zo zijn, vooral tijdens het vierde wereldrijk, dat is het Romeinse rijk.

De volken worden verdeeld over de aarde, gerekend vanuit Israël als middelpunt van de volken en rekening houdend met het aantal Israëlieten (Dt 32:88Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde,
toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde,
heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld
overeenkomstig het aantal Israëlieten.
; Ez 5:55Zo zegt de Heere HEERE: Dit is Jeruzalem: Ik heb het te midden van de heidenvolken gezet met landen eromheen.)
. De zonen van Jafeth vestigen zich ten noorden van Israël, er ver van verwijderd.


De nakomelingen van Cham

6De zonen van Cham zijn: Cusj, Mitsraïm, Put en Kanaän. 7De zonen van Cusj zijn: Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. De zonen van Raëma zijn: Sjeba en Dedan. 8En Cusj verwekte Nimrod; die begon een geweldenaar op de aarde te worden. 9Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE; daarom wordt gezegd: Als Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE. 10Het begin van zijn koninkrijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear. 11Uit dit land is Assur weggegaan en hij bouwde Ninevé, Rehoboth-Ir, Kalach 12en Resen, tussen Ninevé en Kalach; dat is de grote stad. 13Mitsraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, 14de Pathrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn – en de Kaftorieten. 15Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, Heth, 16en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet, 17de Heviet, de Arkiet, de Siniet, 18de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet; daarna zijn de geslachten van de Kanaänieten verspreid. 19En de grens van de Kanaänieten reikte van Sidon in de richting van Gerar tot aan Gaza, [en] in de richting van Sodom, Gomorra, Adama en Zeboïm, tot aan Lasa. 20Dit waren de zonen van Cham, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun talen, met hun landen en hun volken.

De nakomelingen van Cham vestigen zich ten oosten en ten zuiden van Israël. Ook bij de nakomelingen van Cham lijkt de profetie van Noach niet vervuld te worden. Van het dienen van zijn broers (Gn 9:25-2725Hij zei:
Vervloekt is Kanaän!
Laat hij voor zijn broers een dienaar van dienaren zijn!
26Ook zei hij:
Gezegend is de HEERE, de God van Sem!
Laat Kanaän een dienaar voor hem zijn!
27Laat God Jafeth uitbreiden en laat hij in de tenten van Sem wonen!
En laat Kanaän voor hem een dienaar zijn!
)
is nog geen sprake. Zijn nageslacht levert indrukwekkende personen. Zo is Nebukadnezar (de heerser van het eerste wereldrijk, het Babylonische) een nakomeling van Cham.

De opsomming van de namen van de volken wordt onderbroken door het invoegen van de geschiedenis van Nimrod. Hij is de oorsprong van het Babylonische rijk en is “een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE”. Dit is tot een spreekwoord geworden voor mensen die in zijn voetstappen koninkrijken hebben gevestigd ten koste van het bloed van vele mensen.

“Voor het aangezicht van de HEERE” wil in dit verband zeggen dat hij met zijn gedrag en daden de HEERE in het aangezicht tart. Hij stoort zich niet aan Hem en onderwerpt zich niet aan Hem, maar onderwerpt anderen aan zich. Hij is de stichter van de vroegste macht van een wereldrijk. Hij sticht het koninkrijk Babel (vers 1010Het begin van zijn koninkrijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.).

Nimrod is een jager. Een jager vergiet bloed. Nimrod, de geweldenaar, vergiet eerst bloed van dieren. Hij zal voor de vestiging van zijn rijk ook over lijken van mensen gaan.

Mensen die Gods koninkrijk willen bouwen, zijn altijd schaapherders. Zij geven hun eigen leven voor dat van hen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Voorbeelden van schaapherders zijn: Abel, Jakob, Mozes, David. Het grootste voorbeeld is de Heer Jezus, “de goede Herder” (Jh 10:11,1411Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijne en de Mijne kennen Mij,).


De nakomelingen van Sem

21Ook bij Sem zijn zonen geboren; hij is de voorvader van alle zonen van Heber, [en] de broer van Jafeth, de oudste. 22Sems zonen waren: Elam, Assur, Arfachsad, Lud en Aram. 23De zonen van Aram waren: Uz, Hul, Gether en Mas. 24Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber. 25Bij Heber werden twee zonen geboren; de naam van de ene was Peleg, omdat in zijn dagen de aarde verdeeld is, en de naam van zijn broer was Joktan. 26Joktan verwekte Almodad, Selef, Hazarmavet, Jerah, 27Hadoram, Uzal, Dikla, 28Obal, Abimaël, Sjeba, 29Ofir, Havila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan. 30Hun woongebied reikte van Mesja tot in de richting van Sefar, het bergland in het oosten. 31Dit waren de zonen van Sem, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun talen, met hun landen en hun volken.

Als bijzonder kenmerk van Sem wordt genoemd dat hij de “voorvader van alle zonen van Heber” is. “Heber” betekent ‘doortrekker’, dat wil zeggen als een pelgrim door de wereld trekken. Abraham is zo’n Hebreeër (Gn 14:1313Toen kwam er iemand die ontkomen was en vertelde het aan Abram, de Hebreeër; die woonde bij de eiken van de Amoriet Mamre, de broer van Eskol en Aner. Zij waren bondgenoten van Abram.), dat is een zoon van Heber.

In de dagen van Peleg, een van de zonen van Heber, wordt de aarde, dat wil zeggen de aardbevolking, verdeeld. Deze verdeling is het gevolg van Gods oordeel over de torenbouw van Babel, waarover het volgende hoofdstuk ons bericht. Heber, de pelgrim, zal het eenheidsstreven hebben veroordeeld. In de naam van zijn zoon komt het gebeuren tot uiting. “Peleg” betekent ‘verdeling’.


Samenvatting

32Dit waren de geslachten van de zonen van Noach, [ingedeeld] naar hun afstamming, met hun volken; van hen [stammen] de volken [af die] zich na de vloed over de aarde hebben verspreid.

De opsomming van de volken eindigt met de herinnering dat alle geslachten van Noach afstammen en dat de geslachten zich tot volken hebben gevormd. Na de vloed hebben de volken die uit de zonen van Noach zijn voortgekomen zich over de aarde verspreid.

De verdeling in de dagen van Peleg is het gevolg van de torenbouw van Babel die in het volgende hoofdstuk wordt beschreven. Met dit streven naar eenheid keren de mensen zich tegen de eerdere opdracht van God om zich over de aarde te verspreiden en die te bevolken.


Lees verder