Ezechiël
Inleiding
Inleiding

Vooraf

Het boek Ezechiël geeft op een bijzondere wijze inzicht in de heerlijkheid van de God van Israël. Ezechiël valt enkele keren op zijn gezicht neer bij het zien van die heerlijkheid. Dat is ook de uitwerking bij ons als wij ons voor de werking van Gods Geest openstellen bij het lezen van dit boek.

Het meeste van wat in dit commentaar aan de lezer wordt doorgegeven, is niet origineel. Ik heb dankbaar gebruikgemaakt van wat anderen van de Heer aan inzicht over dit boek hebben gekregen. Ik heb er wel veel nieuwe ontdekkingen door gedaan en ben daardoor nog weer meer onder de indruk gekomen van de rijkdom van Gods Woord.

Het is niet mijn gewoonte om namen te noemen van hen van wie ik hulp heb gekregen – in schriftelijke of gesproken vorm – bij het schrijven van een commentaar. Het lijkt mij duidelijk dat het niet mogelijk is een commentaar te schrijven zonder hulp van anderen. Het kan iemand zijn die een omvangrijke uitleg heeft gegeven, het kan ook iemand zijn die op een detail heeft gewezen met een suggestie voor een verbetering. De Heer heeft het in de gemeente ook zo geregeld, dat de leden elkaar nodig hebben om de taak te verrichten die Hij ieder lid heeft gegeven. Hij zal ieder die een bijdrage aan dit boek heeft gegeven, daarvoor belonen. Ik zou zomaar iemand kunnen vergeten, maar Hij vergeet er niet één.

Ik maak nu een uitzondering door te vermelden dat ik de Heer bijzonder dankbaar ben voor de hulp die ik van Ron Vellekoop uit Zoetermeer heb gekregen. Het gaat dan ook om een bijzondere vorm van samenwerking aan dit boek. We hebben intensief over vele passages overlegd. Zijn bijdrage heeft talloze inhoudelijke en taalkundige verbeteringen tot gevolg gehad.

In een van zijn eerste bijdragen schrijft hij: ‘Ik ben diep onder de indruk dat Hij Die op de troon is gezeten, is afgedaald en in een kribbe heeft gelegen. Gewikkeld in doeken. En dat Hij Die daar heeft gelegen, nu weer op die troon zit. Met de tekenen van lijden en sterven in Zijn handen en in Zijn zijde …’

Dit is wat wij de lezer toewensen: diep onder de indruk raken van de Heer Jezus Christus. Om Zijn heerlijkheid gaat het in het boek Ezechiël en in dit commentaar.

Ger de Koning

Middelburg, september 2017

De persoon Ezechiël

Van de persoonlijke geschiedenis van Ezechiël weten we alleen wat we van hem in dit boek vinden en wat bekend is van de tijd waarin hij leeft. Enkele dingen die we van hem weten:

1. Zijn naam (Ez 1:33kwam het woord van de HEERE uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar, en de hand van de HEERE was daar op hem.). Ezechiël betekent ‘God maakt sterk’ of ‘Moge God sterken’.
2. Tijdens de regering van Jojachin is hij in ballingschap gevoerd (Ez 1:22Op de vijfde van de maand – het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin –).
3. In het vijfde jaar van zijn ballingschap wordt hij tot profeet geroepen (Ez 1-3).
4. De naam van zijn vader en dat hij tot een priestergeslacht behoort (Ez 1:33kwam het woord van de HEERE uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar, en de hand van de HEERE was daar op hem.).
5. Hij is getrouwd geweest. Zijn vrouw sterft tijdens zijn dienst, maar God verbiedt hem nadrukkelijk om te rouwen (Ez 24:16-1816Mensenkind, zie, Ik ga [haar die] de lust van uw ogen is, door een [plotselinge] slag van u wegnemen. Toch mag u geen rouw bedrijven, u mag niet huilen en geen traan laten.17Kerm in stilte, u mag geen rouw over de dode bedrijven. Bind uw tulband om en doe uw schoenen aan uw voeten; u mag uw baard en snor niet bedekken en van het brood dat mensen [u brengen], mag u niet eten.18's Morgens sprak ik tot het volk en 's avonds stierf mijn vrouw. De [volgende] morgen deed ik zoals mij geboden was.).
6. Hij heeft een eigen woning (Ez 8:11Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Heere HEERE op mij viel.). De oudsten van Israël komen daar naar hem toe om hem om raad te vragen.
7. Hij is ongeveer tweeëntwintig jaar als profeet actief geweest, van 593 v.Chr. tot 571 v.Chr. (Ez 1:22Op de vijfde van de maand – het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin –; 29:1717Verder gebeurde het in het zevenentwintigste jaar, in de eerste [maand], op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:).

Chronologie

De tijd waarin hij leeft, kunnen we het best begrijpen aan de hand van een overzicht van enkele voorafgaande gebeurtenissen:

1. De tien stammen zijn in 722 v.Chr. door de Assyriërs weggevoerd.
2. De twee stammen maken daarna nog een opwekking mee. Die opwekking vindt onder Josia plaats, die van 640/639-609 v.Chr. koning over Juda is (2Kn 21:24-23:3024De bevolking van het land doodde echter allen die tegen koning Amon samengespannen hadden, en de bevolking van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.; 2Kr 33:25-35:2725De bevolking van het land doodde echter allen die tegen koning Amon samengespannen hadden, en de bevolking van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.). De opwekking is echter maar tijdelijk.
3. Josia wordt opgevolgd door zijn zoon Joahaz, ook Sallum genoemd. Joahaz is in het jaar 609 v.Chr. slechts drie maanden koning (2Kn 23:30-3430Zijn dienaren vervoerden hem – gestorven – uit Megiddo; zij brachten hem naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf. De bevolking van het land nam Joahaz, de zoon van Josia, zalfde hem en maakte hem koning in de plaats van zijn vader.31Joahaz was drieëntwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna.32Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vaderen gedaan hadden.33Farao Necho zette hem in Ribla gevangen, in het land van Hamath, zodat hij niet in Jeruzalem kon regeren, en hij legde het land een boete op van honderd talent zilver en een talent goud.34Bovendien maakte farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning in de plaats van zijn vader Josia en veranderde zijn naam in Jojakim. Joahaz nam hij echter mee, [en] toen die in Egypte aankwam, stierf hij daar.; 2Kr 36:1-41Toen nam de bevolking van het land Joahaz, de zoon van Josia, en maakte hem koning in de plaats van zijn vader in Jeruzalem.2Joahaz was drieëntwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem.3De koning van Egypte zette hem in Jeruzalem af en legde het land een boete op van honderd talent zilver en een talent goud.4Verder maakte de koning van Egypte zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jojakim. Zijn broer Joahaz echter nam Necho mee en bracht hem in Egypte.).
4. Daarna komt een andere zoon van Josia op de troon, Jojakim, ook Eljakim genoemd (2Kn 23:34-24:634Bovendien maakte farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning in de plaats van zijn vader Josia en veranderde zijn naam in Jojakim. Joahaz nam hij echter mee, [en] toen die in Egypte aankwam, stierf hij daar.; 2Kr 36:4-84Verder maakte de koning van Egypte zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jojakim. Zijn broer Joahaz echter nam Necho mee en bracht hem in Egypte.5Jojakim was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zijn God.6Nebukadnezar, de koning van Babel, trok tegen hem op, en hij bond hem met twee bronzen ketenen om hem weg te voeren naar Babel.7Nebukadnezar bracht ook [een deel] van de voorwerpen van het huis van de HEERE naar Babel, en plaatste ze in zijn tempel te Babel.8Het overige nu van de geschiedenis van Jojakim, en zijn gruweldaden, die hij gedaan heeft, en wat bij hem aangetroffen werd, zie, dat is beschreven in het boek van de koningen van Israël en Juda. En zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats.; Jr 36; Dn 1:1-21In het derde regeringsjaar van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en belegerde het.2En de Heere gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de voorwerpen van het huis van God. Hij bracht die naar het land Sinear, [naar] het huis van zijn god. Hij bracht de voorwerpen naar de schatkamer van zijn god.). Hij regeert van 609-598 v.Chr. Tijdens zijn regering komt, rond het jaar 606 v.Chr., Nebukadrezar naar Jeruzalem en belegert de stad. De HEERE geeft Jojakim en een deel van het tempelgerei in zijn hand (2Kr 36:5-85Jojakim was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zijn God.6Nebukadnezar, de koning van Babel, trok tegen hem op, en hij bond hem met twee bronzen ketenen om hem weg te voeren naar Babel.7Nebukadnezar bracht ook [een deel] van de voorwerpen van het huis van de HEERE naar Babel, en plaatste ze in zijn tempel te Babel.8Het overige nu van de geschiedenis van Jojakim, en zijn gruweldaden, die hij gedaan heeft, en wat bij hem aangetroffen werd, zie, dat is beschreven in het boek van de koningen van Israël en Juda. En zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats.; Dn 1:1-21In het derde regeringsjaar van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en belegerde het.2En de Heere gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de voorwerpen van het huis van God. Hij bracht die naar het land Sinear, [naar] het huis van zijn god. Hij bracht de voorwerpen naar de schatkamer van zijn god.). Ook wordt op bevel van Nebukadrezar een aantal “Israëlieten … uit het koninklijk geslacht en uit de edelen” naar Babel getransporteerd, onder wie “uit de Judeeërs: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja” (Dn 1:1-61In het derde regeringsjaar van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem en belegerde het.2En de Heere gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de voorwerpen van het huis van God. Hij bracht die naar het land Sinear, [naar] het huis van zijn god. Hij bracht de voorwerpen naar de schatkamer van zijn god.3Toen beval de koning aan Aspenaz, het hoofd van zijn hovelingen, dat hij [enigen] van de Israëlieten moest laten komen, namelijk uit het koninklijk geslacht en uit de edelen,4jongemannen zonder enig gebrek, knap van uiterlijk, bedreven in alle wijsheid, ervaren in wetenschap, helder van verstand, en die in staat waren om dienst te doen in het paleis van de koning, en dat men hen moest onderwijzen in de geschriften en de taal van de Chaldeeën.5De koning nu stelde een dagelijkse hoeveelheid voor hen vast van de gerechten van de koning en van de wijn die hij dronk, om hen in drie jaar zo op te voeden, dat zij aan het einde daarvan in dienst konden treden bij de koning.6Onder hen waren uit de Judeeërs: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja.). Hiermee gaat de profetie van Jesaja aan Hizkia (Js 39:5-75Toen zei Jesaja tegen Hizkia: Hoor het woord van de HEERE van de legermachten.6Zie, er komen dagen dat alles wat er in uw huis is en wat uw vaderen tot op deze dag hebben opgeslagen, naar Babel zal worden weggevoerd. Er zal niets overblijven, zegt de HEERE.7[Bovendien] zullen zij [een aantal] van uw zonen meenemen, die uit u zullen voortkomen, die u verwekken zult; zij zullen hovelingen worden in het paleis van de koning van Babel.; 2Kn 20:16-1816Toen zei Jesaja tegen Hizkia: Hoor het woord van de HEERE.17Zie, er komen dagen dat alles wat er in uw huis is en wat uw vaderen tot op deze dag hebben opgeslagen, naar Babel zal worden weggevoerd. Er zal niets overblijven, zegt de HEERE.18[Bovendien] zullen zij [een aantal] van uw zonen meenemen, die uit u zullen voortkomen, die u verwekken zult; zij zullen hovelingen worden in het paleis van de koning van Babel.) in vervulling.
5. Na de dood van Jojakim komt de zoon van Jojakim, Jojachin (Jechonia, Chonia), een kleinzoon van Josia, op de troon (2Kn 24:6-176Jojakim ging te ruste bij zijn vaderen, en zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats.7De koning van Egypte trok voortaan niet meer uit zijn land, want de koning van Babel had alles ingenomen wat de koning van Egypte toebehoord had, vanaf de Beek van Egypte tot aan de rivier de Eufraat.8Jojachin was achttien jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Nehusta, de dochter van Elnathan, uit Jeruzalem.9Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vader gedaan had.10In die tijd trokken de dienaren van Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem, en de stad werd belegerd.11Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam [zelf] naar de stad, toen zijn dienaren die belegerden.12Toen ging Jojachin, de koning van Juda, [de stad] uit naar de koning van Babel, hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en zijn hovelingen. De koning van Babel nam hem [gevangen] in het achtste jaar van zijn regering.13En hij voerde vandaar alle schatten van het huis van de HEERE weg, en [ook] de schatten van het huis van de koning. Hij haalde alle gouden voorwerpen weg die Salomo, de koning van Israël, in de tempel van de HEERE gemaakt had, zoals de HEERE gesproken had.14Hij voerde heel Jeruzalem in ballingschap: al de vorsten, alle strijdbare helden, tienduizend gevangenen, en alle ambachtslieden en smeden. Niemand werd overgelaten behalve de arme bevolking van het land.15Hij voerde Jojachin weg naar Babel. Ook de moeder van de koning, de vrouwen van de koning, zijn hovelingen en de heersers van het land voerde hij in ballingschap uit Jeruzalem naar Babel.16Ook alle strijdbare mannen, zevenduizend [in aantal], en de ambachtslieden en smeden, duizend [in aantal, en] alle helden die geoefend waren in de strijd. De koning van Babel voerde hen in ballingschap naar Babel.17En de koning van Babel maakte Mattanja, de oom van [Jojachin], koning in zijn plaats en veranderde zijn naam in Zedekia.; 2Kr 36:9-109Jojachin was acht jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.10Bij het aanbreken van het nieuwe jaar stuurde koning Nebukadnezar [een leger] en liet hem naar Babel brengen met de kostbare voorwerpen van het huis van de HEERE. En hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.). Hij regeert van 7 december 598 tot 16 maart 597 v.Chr., dat is slechts drie maanden en tien dagen (2Kr 36:99Jojachin was acht jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.). Wanneer Nebukadrezar in 597 v.Chr. Jeruzalem belegert, gaan Jojachin en een aantal anderen de stad uit naar de koning van Babel, die hen gevangenneemt (2Kn 24:1212Toen ging Jojachin, de koning van Juda, [de stad] uit naar de koning van Babel, hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en zijn hovelingen. De koning van Babel nam hem [gevangen] in het achtste jaar van zijn regering.). Van deze wegvoering maakt Ezechiël deel uit (2Kn 24:14-1614Hij voerde heel Jeruzalem in ballingschap: al de vorsten, alle strijdbare helden, tienduizend gevangenen, en alle ambachtslieden en smeden. Niemand werd overgelaten behalve de arme bevolking van het land.15Hij voerde Jojachin weg naar Babel. Ook de moeder van de koning, de vrouwen van de koning, zijn hovelingen en de heersers van het land voerde hij in ballingschap uit Jeruzalem naar Babel.16Ook alle strijdbare mannen, zevenduizend [in aantal], en de ambachtslieden en smeden, duizend [in aantal, en] alle helden die geoefend waren in de strijd. De koning van Babel voerde hen in ballingschap naar Babel.; Ez 1:1-21In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het [dat] de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien.2Op de vijfde van de maand – het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin –). Hij is dan vijfentwintig jaar oud.
6. Zedekia (Mattanja), een derde zoon van Josia, is de laatste koning van Juda (2Kn 24:17-2017En de koning van Babel maakte Mattanja, de oom van [Jojachin], koning in zijn plaats en veranderde zijn naam in Zedekia.18Zedekia was eenentwintig jaar oud, toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna.19Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat Jojakim gedaan had.20Want het gebeurde, vanwege de toorn van de HEERE tegen Jeruzalem en tegen Juda, dat Hij hen verwierp van voor Zijn aangezicht. En Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel.; 25:1-71Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden [de stad] en bouwden er rondom schansen tegenaan.2Zo werd de stad belegerd, tot het elfde jaar van koning Zedekia.3Op de negende van de [vierde] maand, toen de hongersnood in de stad zo sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had,4werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen [vluchtten en trokken] ‘s nachts [de stad uit] via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En [de koning] ging in de richting van de Vlakte.5Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning en zij haalden hem in op de vlakten van Jericho. Heel zijn leger werd van hem [gescheiden] en verspreid.6Toen grepen zij de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla. En zij spraken het vonnis over hem uit.7Zij slachtten de zonen van Zedekia voor diens ogen af. Verder maakte men de ogen van Zedekia blind en men bond hem met twee bronzen ketenen en bracht hem naar Babel.; 2Kr 36:10-1410Bij het aanbreken van het nieuwe jaar stuurde koning Nebukadnezar [een leger] en liet hem naar Babel brengen met de kostbare voorwerpen van het huis van de HEERE. En hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.11Zedekia was eenentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem.12Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zijn God, en hij vernederde zich niet voor [de ogen van] de profeet Jeremia, [die sprak] op bevel van de HEERE.13Bovendien kwam hij in opstand tegen koning Nebukadnezar, die hem een eed had laten afleggen bij God. Hij was halsstarrig, en verstokte zijn hart, zodat hij zich niet bekeerde tot de HEERE, de God van Israël.14Verder pleegden alle leiders van de priesters en het volk op grote schaal trouwbreuk, overeenkomstig alle gruweldaden van de heidenvolken. Zij verontreinigden het huis van de HEERE, dat Hij geheiligd had in Jeruzalem.). Hij wordt door Nebukadrezar aangesteld in de plaats van Jojachin en regeert van 597-587 v.Chr.
7. Zedekia komt aan zijn einde omdat hij in opstand komt tegen Nebukadrezar. Hij trekt tegen Jeruzalem op en verwoest de stad in 586 v.Chr. en voert nog een aantal van de bevolking in ballingschap (2Kn 25:1111De rest van het volk dat in de stad was overgebleven, de overlopers die naar de koning van Babel waren overgelopen, en de rest van de menigte voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap.).
8. Ten slotte vindt rond 582 v.Chr. de laatste wegvoering plaats (Jr 52:3030In het drieëntwintigste [regerings]jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, van de Judeeërs zevenhonderdvijfenveertig personen in ballingschap. Alle personen [bij elkaar]: vierduizend zeshonderd.).

Een profeet van God in Babel

Zoals we hierboven in de chronologie zien, is Zedekia, een van de zonen van Josia, door Nebukadrezar als opvolger van Jojachin aangesteld om Juda te besturen. Tijdens zijn bestuur gebruikt God de profeet Jeremia om in Juda en Jeruzalem het volk en zijn slechte koning Zedekia te waarschuwen. We vinden zijn dienst terug in het naar zijn naam genoemde bijbelboek Jeremia. Ook onder de ballingen gebruikt God een profeet om het deel van Zijn volk dat in ballingschap is te waarschuwen: Ezechiël. Zowel Jeremia als Ezechiël profeteert over de val, maar ook over het herstel van Jeruzalem en Juda. Dat herstel wordt verbonden met de komst, dat wil zeggen de wederkomst, van de Messias.

Profeten zijn altijd in het beloofde land tot profeet geroepen. Ezechiël vormt daarop, samen met Daniël, een uitzondering. We zien in het boek Ezechiël – en ook in het boek Daniël – dat Gods tegenwoordigheid niet begrensd is tot de tempel in Jeruzalem, wat veel Joden hebben gemeend. Zelfs David heeft in die richting gedacht. We beluisteren dat in wat hij zegt als hij door Saul verjaagd is uit zijn erfdeel (1Sm 26:19-2019En nu, laat mijn heer de koning toch luisteren naar de woorden van zijn dienaar. Als de HEERE u tegen mij opzet, laat Hem dan [de geur van] een graanoffer° ruiken. Maar als het mensenkinderen zijn, dan zijn zij vervloekt voor het aangezicht van de HEERE, omdat zij mij deze dag verstoten, zodat ik mij niet bij het eigendom van de HEERE kan voegen, [en ze] zeggen: Ga heen, dien andere goden.20Nu dan, laat mijn bloed niet op de aarde vallen, ver weg van het aangezicht van de HEERE. Want de koning van Israël is eropuit getrokken om enkel een vlo te zoeken, zoals men in de bergen op een patrijs jaagt.). Zo voelen ook de Joden die in ballingschap zijn gevoerd zich ver van de tegenwoordigheid van God. Het is voorstelbaar dat het voor Ezechiël een grote verrassing is wanneer de heerlijkheid van God hem in Babel verschijnt. Hij zal daar niet op hebben gerekend.

Waarom roept God een profeet in Babel? Hij heeft Zijn handen toch van de ballingen in Babel afgetrokken? Zij die in Juda zijn, zijn toch op de plaats waar God is? Het is echter precies andersom. Dat heeft Jeremia keer op keer in zijn prediking naar voren gebracht. Zij die naar Babel zijn weggevoerd, zijn op de plaats waar God hen wil hebben. Wie in Jeruzalem en Juda zijn achtergebleven, bekeren zich niet en blijven ongehoorzaam aan God. Daarom zullen ook zij uit het land verwijderd worden.

In Babel wordt het volk als geheel niet gehoorzaam aan God. Er zijn zelfs valse profeten werkzaam die de zaken omkeren door het volk voor te houden dat ze snel weer in Juda terug zullen zijn. In Zijn genade geeft God daarom in Babel ook een man die Zijn volk vertelt dat ze geen valse hoop moeten koesteren op een spoedig herstel, maar dat erkenning van Gods oordeel de weg van zegen opent.

De heerlijkheid van Christus

We zien in dit boek van begin tot eind de soevereiniteit en heerlijkheid van de HEERE. Hij is soeverein in alles wat Israël en alle volken betreft, hoe het er soms ook op lijkt dat de mens Hem dwarsboomt. Ezechiël is een boek waarin vaak over de Geest van God wordt gesproken. De Geest wordt negentien keer genoemd, soms twee keer in één vers (Ez 1:12,20,2112Zij gingen ieder recht voor zich uit. Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen.20Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij, [zij gingen] waar de Geest heen wilde gaan. De wielen werden tegelijk met hen opgeheven, want de Geest van de levende wezens was in die wielen.21Wanneer zij gingen, gingen die [ook]. Wanneer zij stilstonden, stonden die [ook] stil. Wanneer zij van de aarde werden opgeheven, werden de wielen tegelijk met hen opgeheven, want de Geest van de levende wezens was in die wielen.; 2:22Terwijl Hij tot mij sprak, kwam de Geest in mij. Hij deed mij op mijn voeten staan en ik luisterde naar Hem Die tot mij sprak.; 3:12,14,2412Toen hief de Geest mij op en ik hoorde achter mij een geluid van een groot gedreun: Geloofd zij de heerlijkheid van de HEERE vanuit Zijn plaats!14Toen hief de Geest mij op en voerde mij weg en ik ging weg, bitter bedroefd en hevig ontdaan, en de hand van de HEERE was zwaar op mij.24Toen kwam de Geest in mij en deed mij op mijn voeten staan. Hij sprak met mij en zei tegen mij: Ga naar binnen, sluit u op binnen in uw huis.; 8:33Hij strekte [iets] uit [met] de vorm van een hand en pakte mij bij mijn hoofdhaar. Toen hief de Geest mij op tussen de aarde en de hemel en in visioenen van God bracht Hij mij naar Jeruzalem, naar de ingang van de poort van de binnenste [voorhof] die naar het noorden gekeerd is, waar zich de zetel van het afgodsbeeld van de na-ijver bevond, dat na-ijver oproept.; 10:1717Wanneer zij stilstonden, stonden die [ook] stil, en wanneer zij verheven werden, verhieven die zich [ook], want de geest van de levende wezens was in hen.; 11:1,5,241Toen hief de Geest mij op en bracht mij bij de Oostpoort van het huis van de HEERE, die naar het oosten gekeerd is. En zie, bij de ingang van de poort waren vijfentwintig mannen, en in hun midden zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, met Pelatja, de zoon van Benaja, leiders van het volk.5Toen viel de Geest van de HEERE op mij en Hij zei tegen mij: Zeg: Zo zegt de HEERE: Dit hebt u gezegd, huis van Israël. Wat in uw geest opkomt, weet Ik.24Daarop hief de Geest mij op en bracht mij in een visioen door de Geest van God bij de ballingen in Chaldea. Toen steeg het visioen dat ik gezien had, op, bij mij vandaan.; 36:2727Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en [dat] u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.; 37:1,141De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.14Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, [dit] gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.; 39:2929Ik zal Mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis van Israël heb uitgestort, spreekt de Heere HEERE.; 43:55Toen hief de Geest mij op en bracht mij in de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis vervuld.). Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat in dit boek wel tot achttien keer de “heerlijkheid” van de HEERE of van God wordt genoemd, soms ook twee keer in één vers (Ez 1:2828Zoals het uiterlijk van de regenboog, die in de wolken [verschijnt] op de dag van de regen, zo was het uiterlijk van de lichtglans rondom. Het was de verschijning van de gedaante van de heerlijkheid van de HEERE. Toen ik dat zag, wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde], en ik hoorde de stem van Iemand Die sprak.; 3:12,2312Toen hief de Geest mij op en ik hoorde achter mij een geluid van een groot gedreun: Geloofd zij de heerlijkheid van de HEERE vanuit Zijn plaats!23Ik stond op en vertrok naar de vallei, en zie, daar stond de heerlijkheid van de HEERE, zoals de heerlijkheid die ik gezien had bij de rivier de Kebar. En ik wierp mij met mijn gezicht [ter aarde].; 8:44En zie, daar was de heerlijkheid van de God van Israël, overeenkomstig de verschijning die ik in de vallei gezien had.; 9:33De heerlijkheid van de God van Israël verhief zich van boven de cherub waarop Hij rustte, naar de drempel van het huis, en Hij riep naar de Man Die in linnen gekleed was, Die de schrijverskoker aan Zijn middel had.; 10:4,18,194Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.18Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.19En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.; 11:22,2322Daarna hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen [verhieven zich] tegelijk met hen. En de heerlijkheid van de God van Israël was vanboven over hen.23Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.; 39:2121Ik zal Mijn heerlijkheid onder de heidenvolken laten blijken. Alle heidenvolken zullen Mijn oordeel zien dat Ik geveld heb, en Mijn hand, die Ik op hen gelegd heb.; 43:2,4,52En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten, en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid.4En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag.5Toen hief de Geest mij op en bracht mij in de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis vervuld.; 44:44Vervolgens bracht Hij mij via de noorderpoort tot vóór het huis. Ik zag, en zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde].). De Heilige Geest doet immers niets anders dan de Heer Jezus verheerlijken (Jh 16:1414Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen en het u verkondigen.), want om Hem gaat het als er over de heerlijkheid van de HEERE of van God wordt gesproken (Jh 12:37-4237Maar hoewel Hij zoveel tekenen in hun bijzijn had gedaan, geloofden zij niet in Hem;38opdat het woord van de profeet Jesaja werd vervuld, dat hij heeft gezegd: ‘Heer, wie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm van [de] Heer geopenbaard?’39Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw heeft gezegd:40‘Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, opdat zij niet met hun ogen zien en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en Ik hen gezond maak’.41Dit zei Jesaja omdat hij Zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak.42Toch geloofden ook zelfs velen van de oversten in Hem; maar om de farizeeën beleden zij [Hem] niet, opdat zij niet uit [de] synagoge werden gebannen;).

Ezechiël is in veel opzichten een type van Christus. Dat zien we vooral in de vaak voorkomende uitdrukking “mensenkind” die de HEERE gebruikt om hem aan te spreken. Deze uitdrukking komt ruim honderd keer in het Oude Testament voor, waarvan meer dan negentig keer in dit boek. ‘Mensenkind’ is de vertaling van het Hebreeuwse ben adam, dat ‘zoon [van] adam of mens’ of ‘mensenzoon’ betekent, wat een betere vertaling is dan ‘mensenkind’. De naam ‘mensenzoon’ is de naam die in de evangeliën en in het boek Openbaring voor de Heer Jezus wordt gebruikt. Hij is de ware Zoon des mensen. Het is de titel die zowel Zijn vernedering en verwerping als Zijn verhoging aanduidt (Mt 8:2020En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen en de vogels van de hemel nesten; maar de Zoon des mensen heeft geen [plaats] waar Hij Zijn hoofd kan neerleggen.; Lk 9:2222en zei: De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen worden door de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en op de derde dag worden opgewekt.; Op 14:1414En ik zag en zie, een witte wolk, en op de wolk zat [Iemand, de] Zoon des mensen gelijk, Die op Zijn hoofd een gouden kroon en in Zijn hand een scherpe sikkel had.).

Indeling van het boek

Het boek kan als volgt worden ingedeeld:

A. Inleiding (Ezechiël 1-3)
1. Het visioen van de heerlijkheid van de HEERE (Ezechiël 1)
2. De roeping van Ezechiël (Ezechiël 2-3)

B. De val van Jeruzalem (Ezechiël 4-24)
1. Aankondiging van het oordeel over Jeruzalem en het land (Ezechiël 4-7)
2. De heerlijkheid van de HEERE verlaat Jeruzalem (Ezechiël 8-11)
3. De zonden van de leiders aan de kaak gesteld (Ezechiël 12-17)
4. Verdediging van Gods rechtvaardigheid (Ezechiël 18-21)
5. De schuld en het einde van Jeruzalem (Ezechiël 22-24)

C. Oordeel over de volken (Ezechiël 25-32)
1. Ammon (Ezechiël 25:1-7)
2. Moab (Ezechiël 25:8-11)
3. Edom (Ezechiël 25:12-14)
4. Filistea (Ezechiël 25:15-17)
5. Tyrus (Ezechiël 26:1-28:19)
6. Sidon (Ezechiël 28:20-26)
7. Egypte (Ezechiël 29-32)

D. De toekomstige heerlijkheid van Israël (Ezechiël 33-39)
1. De trouwe wachter en de trouwe Herder (Ezechiël 33-34)
2. Een vernieuwd land (Ezechiël 35-36)
3. Een vernieuwd volk (Ezechiël 37)
4. Verdelging van de laatste vijand (Ezechiël 38-39)

E. De heerlijkheid van de HEERE in de nieuwe tempel (Ezechiël 40-48)
1. De nieuwe tempel (Ezechiël 40:1-43:12)
2. De nieuwe priesterdienst (Ezechiël 43:13-47:12)
3. De nieuwe indeling van het land (Ezechiël 47:13-48:35)


Lees verder