Ezechiël
1-4 De Man met de schrijverskoker 5-7 Het oordeel begint bij het huis van God 8-11 Ezechiëls reactie – antwoord van de HEERE
De Man met de schrijverskoker

1Daarna riep Hij ten aanhoren van mij [met] luide stem: Kom naar voren, [u] die de stad gaat straffen, ieder met zijn verdelgingswapen in zijn hand. 2En zie, zes mannen kwamen vanuit de richting van de Bovenpoort, die naar het noorden gekeerd is, ieder met zijn vernietigingswapen in zijn hand. Eén Man in hun midden was gekleed in linnen met een schrijverskoker aan Zijn middel. Toen kwamen zij binnen en gingen naast het koperen altaar staan. 3De heerlijkheid van de God van Israël verhief zich van boven de cherub waarop Hij rustte, naar de drempel van het huis, en Hij riep naar de Man Die in linnen gekleed was, Die de schrijverskoker aan Zijn middel had. 4En de HEERE zei tegen Hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een merkteken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en kermen over al de gruweldaden die in het midden ervan gedaan worden.

Het visioen dat Ezechiël ziet, gaat hier verder. Nu hoort hij de HEERE roepen, niet tot hem, maar tot mannen die de stad moeten straffen (vers 11Daarna riep Hij ten aanhoren van mij [met] luide stem: Kom naar voren, [u] die de stad gaat straffen, ieder met zijn verdelgingswapen in zijn hand.). Deze mannen zijn engelen (vgl. Gn 18:22Hij sloeg zijn ogen op, en keek, en zie, er stonden drie mannen voor hem. Toen hij hen zag, liep hij hun snel uit de ingang van de tent tegemoet en boog zich ter aarde.; 19:1313Want wij gaan deze plaats te gronde richten, omdat de roep [van haar zonden] groot geworden is voor het aangezicht van de HEERE. Daarom heeft de HEERE ons gezonden om haar te gronde te richten.). Zij moeten naar voren komen omdat ze Zijn oordeel moeten gaan voltrekken dat Hij aan het einde van het vorige hoofdstuk heeft aangekondigd. Daarvoor moeten ze gewapend zijn met een verdelgingswapen dat ze in de hand moeten hebben, klaar voor direct gebruik. Het Hebreeuwse woord voor verdelgingswapen houdt in dat het een instrument is dat wordt gebruikt om iets te verderven.

Er komen zes mannen naar voren vanuit het noorden (vers 22En zie, zes mannen kwamen vanuit de richting van de Bovenpoort, die naar het noorden gekeerd is, ieder met zijn vernietigingswapen in zijn hand. Eén Man in hun midden was gekleed in linnen met een schrijverskoker aan Zijn middel. Toen kwamen zij binnen en gingen naast het koperen altaar staan.). Dat ze uit het noorden komen, laat zien uit welke richting het oordeel van God komt. De Babyloniërs zullen vanuit het noorden komen en Jeruzalem verwoesten.

Er is nog een zevende Man bij hen. Hij staat in hun midden en is in linnen gekleed. Linnen kleren zijn priesterkleren (Ex 28:4242Vervolgens moet u linnen broeken voor hen maken om de schaamdelen te bedekken; ze moeten van de heupen tot op de dijen reiken.; Lv 16:44Hij moet het heilige linnen onderkleed aantrekken en een linnen broek moet over zijn onderlichaam zijn. Hij moet een linnen gordel ombinden en een linnen tulband om wikkelen. Dit is heilige kleding. Hij mag die pas aantrekken, nadat hij zijn lichaam met het water gewassen heeft.; vgl. Dn 10:55Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man, gekleed in linnen, Zijn heupen omgord met het fijnste goud uit Ufaz.; 12:66De [één] zei tegen de Man, gekleed in linnen, Die Zich boven het water van de rivier bevond: Hoelang duurt het [nog] voordat er een einde [komt aan] deze wonderlijke dingen?) die de heiligheid van God symboliseren. Deze zevende Man heeft geen verdelgingswapen in de hand, maar een schrijverskoker aan Zijn middel. Hij moet niet verdelgen, maar beschermen tegen de verdelging. Hij is de Engel van de HEERE, in Wie we de Persoon van de Heer Jezus herkennen, “Die ons redt van de komende toorn” (1Th 1:1010en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Die Hij uit <de> doden heeft opgewekt, Jezus, Die ons redt van de komende toorn.).

Dan komen ze allen binnen en gaan naast het koperen altaar staan. Het koperen altaar is een beeld van het kruis en de offerdood van de Heer Jezus. De dood van Christus is het middel waardoor God genade kan bewijzen aan berouwvolle zondaars. Wie die redding weigert, zal zelf Gods oordeel moeten ondergaan en omkomen. Hun plaats naast het koperen altaar wijst erop dat het oordeel dat over Jeruzalem zal worden uitgeoefend, in volkomen overeenstemming is met de gerechtigheid van Gods oordeel dat de Heer Jezus op het kruis heeft getroffen.

Als de mannen die het oordeel moeten uitvoeren samen met de Man met de schrijverskoker zijn binnengekomen, verheft “de heerlijkheid van de God van Israël” zich van boven de cherubs (vers 33De heerlijkheid van de God van Israël verhief zich van boven de cherub waarop Hij rustte, naar de drempel van het huis, en Hij riep naar de Man Die in linnen gekleed was, Die de schrijverskoker aan Zijn middel had.). Hij verplaatst Zich van de cherubs naar de drempel van de tempel en begeeft zich als het ware op de weg naar buiten. Hier zien we de eerste aanwijzing dat God bezig is de tempel, Zijn huis, te verlaten.

Wat had de heerlijkheid van God op de drempel moeten aantreffen? De poortwachters. Maar geen trouwe poortwachter is opgekomen voor de eer van God toen de vier vormen van afgoderij die in het vorige hoofdstuk zijn beschreven, de tempel zijn binnen gevoerd en daar zijn bedreven. Er is geen Pinehas opgestaan om deze gruwelen te verwijderen (Nm 25:6-96En zie, een man uit de Israëlieten kwam en bracht een Midianitische [vrouw] bij zijn broeders, voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de Israëlieten, terwijl zij huilden [bij] de ingang van de tent van ontmoeting.7Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, [dat] zag, stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.9[Het aantal van] hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend.).

Als Gods heerlijkheid op de drempel staat, roept Hij naar de Man Die in linnen is gekleed en Die de schrijverskoker aan Zijn middel heeft. Hij geeft de Man de opdracht om midden door de stad te trekken en een merkteken te zetten op de hoofden van hen die zuchten en kermen vanwege de gruwelen die in het midden van de stad worden gedaan (vers 44En de HEERE zei tegen Hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een merkteken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en kermen over al de gruweldaden die in het midden ervan gedaan worden.).

De hele stad is vol afgoderij, maar er is een rest die daaraan niet meedoet. Niet alleen doen zij er niet aan mee, maar zij lijden er ook onder. Ze lijden innerlijk, ze “zuchten”, en geven daaraan luid uiting, ze “kermen”. Voor hen geldt het woord van de Heer: “Gelukkig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden” (Mt 5:44Gelukkig zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.). Lijden wij bij het zien van alle gruwelen die om ons heen gebeuren en houden wij ons daar ver vandaan?

De HEERE kent hen, zoals de Heer Jezus in alle tijden van verval de enkelingen kent die de Zijnen zijn (2Tm 2:19-2219Evenwel, het vaste fundament van God staat en heeft dit zegel: [De] Heer kent hen die de Zijnen zijn; en: Laat ieder die de Naam van [de] Heer noemt, zich onttrekken aan ongerechtigheid.20In een groot huis nu zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden; en sommige wel tot eer, maar andere tot oneer.21Als dan iemand zich van deze [vaten] reinigt, zal hij een vat zijn tot eer, geheiligd, bruikbaar voor de Meester, tot alle goed werk toebereid.22Maar ontvlucht de begeerten van de jeugd en jaag naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart.). De Heer Jezus – Hij is de Man met de schrijverskoker – moet op de voorhoofden van hen die treuren een merkteken zetten. Dat merkteken zal hen beschermen tegen het verdelgingswapen van de zes mannen die na Hem de stad zullen doortrekken om te verdelgen. Het is geen teken van bloed aan de deurposten van hun huizen, zoals bij het Pascha (Ex 12:7,137En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.13En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf [teweegbrengt], als Ik het land Egypte zal treffen.), maar een persoonlijk teken van het kruis aan hun voorhoofd.

Het Hebreeuwse woord dat met “merkteken” is vertaald, is tav. Dat is ook de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Deze letter komt overeen met onze letter ‘t’. In de tijd van Ezechiël werd deze letter in de vorm van een kruis geschreven, zoals we ook herkennen in onze letter ‘t’. We kunnen er wel de toepassing in zien dat de gelovigen in Jeruzalem voor het oordeel worden bewaard door het teken van het kruis dat door de Man in linnen kleren op hun voorhoofden is aangebracht.

In de toekomst, in de tijd van de grote verdrukking, zullen de gelovigen een soortgelijk teken op hun voorhoofd krijgen (Op 7:33en hij zei: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofden hebben verzegeld.; Op 9:44En hun werd gezegd dat zij geen schade mochten toebrengen aan het gras van de aarde, noch aan enig groen, noch aan enige boom, behalve aan de mensen die het zegel van God niet aan hun voorhoofden hebben.; 14:11En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met hem honderdvierenveertigduizend, die Zijn Naam en de Naam van Zijn Vader hadden, geschreven op hun voorhoofden.). In tegenstelling daarmee zullen de afvalligen het merkteken van het beest op hun voorhoofd dragen (Op 13:16-1716En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;17<en> dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam.; Op 14:99En een andere, een derde engel volgde hen en zei met luider stem: Als iemand het beest en zijn beeld aanbidt en op zijn voorhoofd of zijn hand [het] merkteken ontvangt,; 20:44En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven; en [ik zag] de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren.). Een geestelijke toepassing van het kruis op het voorhoofd voor ons is dat wij in zelfoordeel leven en niet meer de dingen bedenken van het vlees, van de mens, maar die van God.


Het oordeel begint bij het huis van God

5Maar tegen die [andere mannen] zei Hij ten aanhoren van mij: Trek achter Hem aan door de stad, en dood! Ontzie niemand en heb geen medelijden. 6Dood ouderen, jongemannen en meisjes, kleine kinderen en vrouwen, om hen te gronde te richten. Raak echter niemand aan op wie het merkteken is. Begin vanuit Mijn heiligdom. Toen begonnen zij bij de oudere mannen die zich vóór het huis bevonden. 7Hij zei tegen hen: Verontreinig het huis, vul de voorhoven met gesneuvelden, ga naar buiten. Toen gingen zij naar buiten en zij sloegen toe in de stad.

De voltrekkers van het oordeel krijgen de opdracht achter de Man in linnen aan te trekken (vers 55Maar tegen die [andere mannen] zei Hij ten aanhoren van mij: Trek achter Hem aan door de stad, en dood! Ontzie niemand en heb geen medelijden.). Ze moeten zonder iemand te ontzien en zonder enig medelijden voor wie dan ook door de stad trekken en doden. Het oordeel is zonder aanzien des persoons, er wordt niet gelet op leeftijd en geslacht (vers 66Dood ouderen, jongemannen en meisjes, kleine kinderen en vrouwen, om hen te gronde te richten. Raak echter niemand aan op wie het merkteken is. Begin vanuit Mijn heiligdom. Toen begonnen zij bij de oudere mannen die zich vóór het huis bevonden.; vgl. 2Kr 36:1717Toen deed Hij de koning van de Chaldeeën tegen hen optrekken, die hun jongemannen in het huis van hun heiligdom met het zwaard doodde. Hij spaarde de jongemannen, de meisjes, de ouderen en de stokouden niet. [God] gaf hen allen in zijn hand.). Ze mogen echter niemand zelfs maar aanraken die het merkteken heeft dat door de Man in linnen is aangebracht. Het teken is de zekere bescherming tegen het oordeel, omdat Hij het heeft aangebracht.

De HEERE zegt ook waar de zes mannen moeten beginnen. Naar het Goddelijk beginsel moeten ze daar beginnen waar de ergste zonden zijn gebeurd en dat is op de plaats waar de grootste voorrechten zijn gegeven. Juist op die plaats heeft Zijn volk die versmaad en vervangen door de grootste gruwelen. Het is een illustratie van het gezegde: het verderf van het beste is het ergste verderf. Daarom moeten ze bij het huis van God beginnen. Zij die in de nauwste relatie tot God staan en in Zijn huis dienen, zijn het meest verantwoordelijk in overeenstemming met dit grote voorrecht te leven. Als dat niet gebeurt, zijn zij het meest schuldig.

Dat hebben de twee oudste zonen van Aäron ervaren. Zij zijn God in Zijn woonplaats genaderd op een eigenzinnige manier. Daarvoor heeft God hen moeten oordelen. Als reden voor dit oordeel spreekt Hij uit: “In hen die tot Mij naderen, wil Ik geheiligd worden” (Lv 10:33En Mozes zei tegen Aäron: Dit is wat de HEERE gesproken heeft: In hen die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor [de ogen van] heel het volk zal Ik geëerd worden. Maar Aäron zweeg.). Naar dit beginsel handelt God ook met Zijn nieuwtestamentische huis, de gemeente: Want het is nu <de> tijd dat het oordeel begint bij het huis van God” (1Pt 4:1717Want het is nu <de> tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; als het echter eerst bij ons [begint], wat zal het einde zijn van hen die het evangelie van God niet gehoorzamen?).

Wanneer de mannen beginnen te oordelen, beginnen ze ook bij de meest verantwoordelijken, “de oudere mannen”, de vijfentwintig die de zon aanbidden (Ez 8:1616Daarop bracht Hij mij naar de binnenste voorhof van het huis van de HEERE. En zie, [bij] de deur van de tempel van de HEERE, tussen de voorhal en het altaar, bevonden zich ongeveer vijfentwintig mannen, met hun rug naar de tempel van de HEERE en hun gezichten naar het oosten. Die bogen zich neer naar het oosten, voor de zon.). Ze krijgen de opdracht “het huis” – hier veelzeggend niet ‘Mijn huis’ genoemd – met de gesneuvelden te verontreinigen (vers 77Hij zei tegen hen: Verontreinig het huis, vul de voorhoven met gesneuvelden, ga naar buiten. Toen gingen zij naar buiten en zij sloegen toe in de stad.). Dat is niet anders dan zichtbaar maken wat de toestand van dat huis allang was. Zo maakt God de verborgen overtredingen zichtbaar.


Ezechiëls reactie – antwoord van de HEERE

8En het gebeurde terwijl zij toesloegen, dat ik [alleen] achterbleef. Toen wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde] en riep: Ach, Heere HEERE, gaat U heel het overblijfsel van Israël te gronde richten door Uw grimmigheid over Jeruzalem uit te storten? 9Toen zei Hij tegen mij: De ongerechtigheid van het huis van Israël en van Juda is buitengewoon groot. Het land is vol bloed, en de stad vol buiging van het recht, want zij zeggen: De HEERE heeft het land verlaten, en: De HEERE ziet [het] niet. 10Daarom zal Ik ook niemand ontzien, en Ik zal geen medelijden hebben. Ik zal hun weg op hun [eigen] hoofd doen neerkomen. 11En zie, de Man Die in linnen gekleed was, aan Wiens middel de [schrijvers]koker [hing], kwam verslag uitbrengen en zei: Ik heb gedaan, zoals U Mij geboden had.

Het lijkt erop dat Ezechiël zich zo nauw betrokken heeft gevoeld bij wat de HEERE tegen de zes mannen en de Man in linnen heeft gezegd, dat hij zich in hun midden waant. Als hij de mannen ziet weggaan om toe te slaan, voelt hij zich alleen achterblijven (vers 88En het gebeurde terwijl zij toesloegen, dat ik [alleen] achterbleef. Toen wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde] en riep: Ach, Heere HEERE, gaat U heel het overblijfsel van Israël te gronde richten door Uw grimmigheid over Jeruzalem uit te storten?).

Niet het aanbrengen van het merkteken door de Man in linnen maakt grote indruk op hem, maar het toeslaan van de mannen met hun verdelgingswapen. Hij heeft gezien welke gruwelen het volk heeft bedreven (Ez 8). Wanneer hij echter ziet hoe het oordeel zonder medelijden wordt voltrokken, werpt hij zich op zijn gezicht en doet voorbede. Deze liefde voor een goddeloos volk dat door God geoordeeld moet worden, zien we ook bij mensen als Mozes en Paulus.

Hij roept het uit tot de Heere HEERE (Adonai Jahweh) of Hij van plan is wat er nog in Jeruzalem van Israël over is door Zijn grimmigheid te gronde te richten. Dat kan toch niet waar zijn? Ezechiël is nog te zeer verbonden aan de stad om te kunnen geloven dat de stad verwoest zal worden. We zien later hetzelfde bij de discipelen van de Heer Jezus. Zij zijn onder de indruk van de tempel, terwijl daar voor de Heer geen plaats is. Hij zegt hun dan ook dat er geen steen op de andere zal worden gelaten (Mk 13:1-21En toen Hij uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, wat een grote stenen en wat een grote gebouwen!2En Jezus zei tot hem: Zie je deze grote gebouwen? Er zal <hier> geen enkele steen op [de andere] steen gelaten worden die niet zal worden afgebroken.).

God geeft Ezechiël antwoord en verantwoordt Zich (vers 99Toen zei Hij tegen mij: De ongerechtigheid van het huis van Israël en van Juda is buitengewoon groot. Het land is vol bloed, en de stad vol buiging van het recht, want zij zeggen: De HEERE heeft het land verlaten, en: De HEERE ziet [het] niet.). Israël en Juda hebben “buitengewoon” gezondigd. “Het land is vol bloed, en de stad vol buiging van het recht” (vgl. Ex 23:2b2U mag de meerderheid niet volgen in het kwaad, en u mag in een rechtszaak niet [zo] antwoorden dat u zich schikt naar de meerderheid om [zo het recht] te buigen.) Twee keer gebruikt God het woord “vol”. De maat van de ongerechtigheid is vol. Het kan niet erger. God is geduldig, maar als de maat vol is, moet Hij oordelen. Als Zijn volk geen oog meer voor Hem heeft, als het doet alsof Hij er niet is, terwijl Hij zo vaak Zijn goedheid en ook Zijn tucht heeft laten zien, is hun situatie onverbeterlijk en moet het oordeel zonder uitzondering en zonder medelijden komen (vers 1010Daarom zal Ik ook niemand ontzien, en Ik zal geen medelijden hebben. Ik zal hun weg op hun [eigen] hoofd doen neerkomen.). Ze krijgen niet meer dan ze verdienen, niets anders dan waar ze zelf om vragen. Hun eigenwillige weg komt op hun eigen hoofd.

Oordeel heeft echter niet het laatste woord. Op treffende wijze komt op dit moment de Man Die in linnen is gekleed met de schrijverskoker aan Zijn middel verslag uitbrengen (vers 1111En zie, de Man Die in linnen gekleed was, aan Wiens middel de [schrijvers]koker [hing], kwam verslag uitbrengen en zei: Ik heb gedaan, zoals U Mij geboden had.). Hij heeft gedaan wat Hem door God is geboden: Hij heeft het merkteken aangebracht op de voorhoofden van hen aan wie het oordeel voorbij zal gaan. Dit betekent dat niet heel het volk is verdelgd, maar dat er een overblijfsel is. God denkt aan de Zijnen wanneer ze in de grootste nood zijn en beschermt hen.

Een dergelijk verslag kan alleen de Heer Jezus uitbrengen. Alleen Hij kan zeggen: “Ik heb gedaan, zoals U Mij geboden had.” Geen ander mens heeft dat ooit voor God kunnen uitspreken of zal dat ooit kunnen uitspreken. Hij alleen heeft volmaakt gedaan wat Hem is opgedragen. Wat de Man hier zegt, herinnert op indrukwekkende wijze aan de woorden van de Heer Jezus tot Zijn Vader: “Ik heb U verheerlijkt op de aarde, terwijl Ik het werk heb voleindigd dat U Mij te doen hebt gegeven” (Jh 17:44Ik heb U verheerlijkt op de aarde, terwijl Ik het werk heb voleindigd dat U Mij te doen hebt gegeven;). Daarbij hoort ook dat Hij hen zou bewaken die de Vader Hem heeft gegeven, wat Hij ook volmaakt heeft gedaan (Jh 17:1212Toen Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam. Hen die U Mij hebt gegeven, heb Ik bewaakt en niemand van hen is verloren gegaan dan de zoon van het verderf, opdat de Schrift vervuld werd.; 18:8-98Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben; als u dan Mij zoekt, laat dezen heengaan;9opdat het woord vervuld werd dat Hij had gezegd: Uit hen die U Mij hebt gegeven, heb Ik helemaal niemand verloren.).


Lees verder