Ezechiël
1-4 Het oordeel is totaal 5-9 Het oordeel staat voor de deur 10-13 De ondergang voltrekt zich 14-27 Reactie op het oordeel
Het oordeel is totaal

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE over het land van Israël:
Het einde is gekomen, het einde
over de vier hoeken van het land.
3Nu is het einde er voor u,
Ik zal Mijn toorn op u afsturen,
u oordelen overeenkomstig uw wegen,
u al uw gruweldaden vergelden.
4Ik zal u niet ontzien,
Ik zal geen medelijden hebben,
want Ik zal u uw wegen vergelden,
en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.
Dan zult u weten, dat Ik de HEERE ben.

“Het woord van de HEERE” komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij, “mensenkind”, moet namens “de Heere HEERE” het woord spreken “over het land van Israël” (vers 22En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE over het land van Israël:
Het einde is gekomen, het einde
over de vier hoeken van het land.
)
. Het oordeel blijft niet beperkt tot de bergen en heuvels, het centrum van het land, waarover het vorige hoofdstuk handelt. Het einde komt “over de vier hoeken van het land”, dus over het hele land, tot in alle hoeken ervan (vgl. Js 11:1212Hij zal een banier omhoogheffen onder de heidenvolken
en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen
en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen
van de vier hoeken van de aarde.
)
.

Het woord “einde” wordt in de verzen 2-32En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE over het land van Israël:
Het einde is gekomen, het einde
over de vier hoeken van het land.
3Nu is het einde er voor u,
Ik zal Mijn toorn op u afsturen,
u oordelen overeenkomstig uw wegen,
u al uw gruweldaden vergelden.
drie keer vermeld en krijgt daardoor nadruk. Het wordt ook nog twee keer in vers 66Een einde is gekomen,
het einde is gekomen, het ontwaakt tegen u! Zie, het komt eraan.
vermeld; zie ook Amos 8 (Am 8:22Toen zei Hij: Wat ziet u, Amos? Ik zei: Een korf met zomervruchten. Daarop zei de HEERE tegen mij:
Het einde is gekomen voor Mijn volk Israël:
Ik zal het niet langer voorbijgaan.
)
. Het einde is er voor het land omdat de HEERE Zijn toorn erop afstuurt (vers 33Nu is het einde er voor u,
Ik zal Mijn toorn op u afsturen,
u oordelen overeenkomstig uw wegen,
u al uw gruweldaden vergelden.
)
. Dat is een angstaanjagende boodschap. Die moet tot het volk worden gebracht.

De HEERE moet Zijn oordeel laten komen over de slechte wegen die het land is gegaan. Zijn oordelen zijn daarmee in overeenstemming. Ook zal Hij hun al hun gruweldaden vergelden. De ongerechtigheid is zo groot en hun tergen van de HEERE zo grievend, dat Hij het land niet zal ontzien en geen medelijden zal hebben (vers 44Ik zal u niet ontzien,
Ik zal geen medelijden hebben,
want Ik zal u uw wegen vergelden,
en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.
Dan zult u weten, dat Ik de HEERE ben.
)
.

Wanneer Hij zo met het land zal handelen, zullen ze weten dat Hij de HEERE is. Dit refrein staat ook in vers 99Ik zal niets ontzien,
en geen medelijden hebben,
Ik zal u overeenkomstig uw wegen vergelden,
en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.
Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, het ben Die slaat.
en vers 2727De koning zal rouw bedrijven, de vorst zal zich in wanhoop hullen,
en de handen van de bevolking van het land zullen verlamd zijn van schrik.
Ik zal met hen doen overeenkomstig hun [eigen] weg,
en volgens hun [eigen] bepalingen zal Ik hen oordelen.
Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.
, waardoor dit hoofdstuk in drie delen kan worden verdeeld. Alle leed dat de HEERE over Zijn land zal brengen, heeft tot doel om het schuldige volk tot erkenning van Zijn recht en majesteit te brengen.


Het oordeel staat voor de deur

5Zo zegt de Heere HEERE:
Onheil op onheil! Zie, het komt eraan.
6Een einde is gekomen,
het einde is gekomen, het ontwaakt tegen u! Zie, het komt eraan.
7De ondergang is over u gekomen, inwoner van het land,
de tijd is gekomen,
de dag van verwarring is nabij, en geen vreugdekreet [weerklinkt] van de bergen.
8Nu zal Ik binnenkort Mijn grimmigheid over u uitstorten,
Mijn toorn tegen u ten uitvoer brengen,
Ik zal u oordelen overeenkomstig uw wegen,
en u al uw gruweldaden vergelden.
9Ik zal niets ontzien,
en geen medelijden hebben,
Ik zal u overeenkomstig uw wegen vergelden,
en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.
Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, het ben Die slaat.

De Heere HEERE (Adonai Jahweh) laat Ezechiël – en door hem het volk – weten dat de tijd van Zijn geduld voorbij is (vers 55Zo zegt de Heere HEERE:
Onheil op onheil! Zie, het komt eraan.
)
. Zijn geduld met hen is op. Het ene onheil zal het andere onheil in rap tempo opvolgen en het komt eraan! Deze onheilen kondigen het einde aan (vers 66Een einde is gekomen,
het einde is gekomen, het ontwaakt tegen u! Zie, het komt eraan.
)
. “Het einde” wordt voorgesteld als een persoon die ontwaakt, zich in beweging zet en tot actie overgaat.

Wanneer het einde er aankomt, betekent dat de ondergang van “de inwoner van het land” (vers 77De ondergang is over u gekomen, inwoner van het land,
de tijd is gekomen,
de dag van verwarring is nabij, en geen vreugdekreet [weerklinkt] van de bergen.
)
. Dan is “de dag” gekomen dat de verwarring de overhand krijgt en de vreugde verstomt. Voor hen die denken dat die dag hun vreugde zal brengen, is het een desillusie, want die dag brengt oordeel, schrik en ontsteltenis (Am 5:16-2016Daarom, zo zegt de HEERE,
de God van de legermachten, de Heere:
Op alle pleinen zal er rouwklacht zijn,
op alle straten zullen ze zeggen: Ach! Ach!
Akkerbouwers roept men op tot rouwbetoon,
en de klaagzangers tot rouwklacht.17En in alle wijngaarden zal er rouwklacht zijn,
want Ik zal door uw midden trekken, zegt de HEERE.18Wee hun die verlangend uitzien
naar de dag van de HEERE!
Wat zal voor u die dag van de HEERE zijn?
Duisternis zal hij zijn en geen licht!19[Het is] zoals iemand die vlucht
voor een leeuw,
en een beer tegenkomt,
of die, [als hij] thuiskomt
en met zijn hand tegen de muur leunt,
door een slang wordt gebeten.
20Zal de dag van de HEERE niet duisternis zijn,
en geen licht;
donkerte – zonder lichtglans erover?
)
. “De dag” is de dag van de HEERE, de dag dat Hij openlijk zal oordelen en Zich niet langer verborgen zal houden.

“Binnenkort” zal dat gebeuren, dan stort de HEERE Zijn grimmigheid over het land uit (vers 88Nu zal Ik binnenkort Mijn grimmigheid over u uitstorten,
Mijn toorn tegen u ten uitvoer brengen,
Ik zal u oordelen overeenkomstig uw wegen,
en u al uw gruweldaden vergelden.
)
. Hij zal Zijn toorn niet meer inhouden, maar ten uitvoer brengen en het land oordelen in overeenstemming met de zondige wegen die het is gegaan. Zijn toorn is volkomen gerechtvaardigd. Hij zal het land al zijn gruweldaden vergelden.

Als Hij Zijn oordelen over het land brengt, zal Hij daarbij niets ontzien en geen medelijden hebben (vers 99Ik zal niets ontzien,
en geen medelijden hebben,
Ik zal u overeenkomstig uw wegen vergelden,
en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.
Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, het ben Die slaat.
)
. Als Hij ramp op ramp over het land brengt, zullen de Israëlieten weten dat Hij de HEERE is (verzen 4,274Ik zal u niet ontzien,
Ik zal geen medelijden hebben,
want Ik zal u uw wegen vergelden,
en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.
Dan zult u weten, dat Ik de HEERE ben.27De koning zal rouw bedrijven, de vorst zal zich in wanhoop hullen,
en de handen van de bevolking van het land zullen verlamd zijn van schrik.
Ik zal met hen doen overeenkomstig hun [eigen] weg,
en volgens hun [eigen] bepalingen zal Ik hen oordelen.
Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.
)
.

Het handelen van de HEERE wordt in de voorgaande verzen in korte zinnen weergegeven. De verzen 5-95Zo zegt de Heere HEERE:
Onheil op onheil! Zie, het komt eraan.
6Een einde is gekomen,
het einde is gekomen, het ontwaakt tegen u! Zie, het komt eraan.
7De ondergang is over u gekomen, inwoner van het land,
de tijd is gekomen,
de dag van verwarring is nabij, en geen vreugdekreet [weerklinkt] van de bergen.
8Nu zal Ik binnenkort Mijn grimmigheid over u uitstorten,
Mijn toorn tegen u ten uitvoer brengen,
Ik zal u oordelen overeenkomstig uw wegen,
en u al uw gruweldaden vergelden.
9Ik zal niets ontzien,
en geen medelijden hebben,
Ik zal u overeenkomstig uw wegen vergelden,
en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.
Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, het ben Die slaat.
zijn voor een groot deel een herhaling van de verzen 1-41Het woord van de HEERE kwam tot mij:2En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE over het land van Israël:
Het einde is gekomen, het einde
over de vier hoeken van het land.
3Nu is het einde er voor u,
Ik zal Mijn toorn op u afsturen,
u oordelen overeenkomstig uw wegen,
u al uw gruweldaden vergelden.
4Ik zal u niet ontzien,
Ik zal geen medelijden hebben,
want Ik zal u uw wegen vergelden,
en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.
Dan zult u weten, dat Ik de HEERE ben.
. Het is een dubbel getuigenis en het zijn als het ware uitroepen die in grote bewogenheid worden gedaan. Ze moeten het volk onder de indruk brengen van de verschrikkingen van de komende oordelen die met grote snelheid en onafwendbaar naderen.


De ondergang voltrekt zich

10Zie, de dag!
Zie, het komt eraan,
de ondergang voltrekt zich.
De staf geeft bloesem,
de overmoed staat in bloei.
11Het geweld is opgerezen tot een staf van goddeloosheid,
niets [blijft er] van hen [over], niets van hun rumoer, niets van hun geraas en niets van hun praal.
12De tijd is gekomen,
de dag is genaderd.
Laat de koper niet blij zijn,
en laat de verkoper geen rouw bedrijven,
want een brandende [toorn] ligt op heel de menigte van het [land].
13Ja, de verkoper zal naar het verkochte niet terugkeren,
ook al zouden beiden nog in leven zijn,
want het visioen over heel de menigte [van het land] zal niet herroepen worden,
en vanwege zijn ongerechtigheid zal niemand zijn leven behouden.

De aankondiging van de dag van de HEERE klinkt opnieuw (vers 1010Zie, de dag!
Zie, het komt eraan,
de ondergang voltrekt zich.
De staf geeft bloesem,
de overmoed staat in bloei.
)
. De vele herhalingen van de aankondiging van het oordeel leggen grote en ernstige nadruk op de onveranderlijkheid ervan. “Zie, het komt eraan”, wordt ook meerdere keren gezegd (verzen 5,6,105Zo zegt de Heere HEERE:
Onheil op onheil! Zie, het komt eraan.
6Een einde is gekomen,
het einde is gekomen, het ontwaakt tegen u! Zie, het komt eraan.
10Zie, de dag!
Zie, het komt eraan,
de ondergang voltrekt zich.
De staf geeft bloesem,
de overmoed staat in bloei.
)
. De waarschuwing klinkt keer op keer. Het moet voor ons een aansporing zijn de mensen om ons heen te waarschuwen voor het oordeel dat komt, want “de Rechter staat voor de deur” (Jk 5:9b9Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet geoordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur.).

“De ondergang voltrekt zich”, want de koning van Babel staat op het punt naar het land te trekken. “De staf geeft bloesem” wil zeggen dat Gods tucht – gesymboliseerd door de staf – op het punt staat zich te laten gelden in de komst van de legers van Babel. “De overmoed staat in bloei” wil zeggen dat Babel in de overmoed van zijn hart zal handelen.

In plaats van de staf van Gods tucht te erkennen en zich daarvoor te buigen is het geweld opgerezen als een staf (vers 1111Het geweld is opgerezen tot een staf van goddeloosheid,
niets [blijft er] van hen [over], niets van hun rumoer, niets van hun geraas en niets van hun praal.
)
. De goddeloosheid van Gods volk heeft de staf doen rijzen. Ze steunen op geweld om zichzelf te handhaven. Hun staf is een staf van goddeloosheid. Daarom zal er door het oordeel dat God door middel van de koning van Babel over hen brengt niets van hen overblijven. Al hun lawaai, al hun zinloos woordengeraas, al hun pronkerigheid verdwijnt.

Nog eens wordt de waarschuwing herhaald dat de tijd van het oordeel gekomen is en dat de dag van het oordeel is genaderd (vers 1212De tijd is gekomen,
de dag is genaderd.
Laat de koper niet blij zijn,
en laat de verkoper geen rouw bedrijven,
want een brandende [toorn] ligt op heel de menigte van het [land].
)
. In zo’n tijd van dreiging willen mensen hun spullen wel verkopen, want dan hebben ze er niets meer aan. Mogelijk heeft Paulus aan dit gedeelte gedacht wanneer hij de Korinthiërs schrijft dat de tijd kort is en dat zij het kopen en het gebruik van middelen in dat licht moeten zien (1Ko 7:29-3129Dit nu zeg ik, broeders, de tijd is kort. Overigens, laten ook zij die vrouwen hebben, zijn als hadden zij ze niet;30en zij die wenen, als weenden zij niet; en zij die blij zijn, als waren zij niet blij; en zij die kopen, alsof ze niet bezaten;31en zij die de wereld gebruiken, als hadden ze die niet in eigendom; want het uiterlijk van deze wereld gaat voorbij.).

Opkopers maken graag gebruik van de ellende van anderen om tegen uiterst lage prijzen aan veel bezit te komen. Zij worden gewaarschuwd zich daar niet over te verheugen. Verrijking ten koste van de ellende van anderen wordt door God vergolden. Ook zij zullen niet aan het oordeel ontkomen dat de hele menigte treft. De verkoper moet zich ook maar niet druk maken over het verlies van zijn bezittingen. Hij doet er beter aan zich zorgen te maken over zijn ziel (Lk 12:13-2113Iemand nu uit de menigte zei tot Hem: Meester, zeg mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.14Hij echter zei tot hem: Mens, wie heeft Mij tot rechter of deler over u gesteld?15Hij nu zei tot hem: Let op en waakt voor alle hebzucht; want ook al heeft iemand overvloed, zijn leven behoort niet tot zijn bezittingen.16Hij nu sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk mens bracht veel op;17en hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.18En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en ik zal daar al mijn gewas en mijn goederen verzamelen;19en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.20God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?21Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.).

De verkoper zal zijn bezittingen nooit meer terugzien, ook al zou zowel hij als de koper nog in leven zijn (vers 1313Ja, de verkoper zal naar het verkochte niet terugkeren,
ook al zouden beiden nog in leven zijn,
want het visioen over heel de menigte [van het land] zal niet herroepen worden,
en vanwege zijn ongerechtigheid zal niemand zijn leven behouden.
)
. Het visioen van het oordeel van de ballingschap voor “heel de menigte [van het land] zal niet herroepen worden”, want het staat vast. Zowel de verkoper als de koper heeft in ongerechtigheid geleefd. Zij zullen hun leven niet kunnen behouden, maar omkomen.


Reactie op het oordeel

14Zij hebben op de trompet geblazen,
zij hebben alles gereedgemaakt, maar niemand trekt ten strijde,
want Mijn brandende [toorn] is over heel de menigte van het [land].
15Het zwaard buiten,
de pest en de honger binnen:
wie op het veld is,
zal door het zwaard sterven,
de honger en de pest zullen verteren
wie in de stad is.
16En wie van hen ontkomen, zullen [wel] ontkomen,
maar zullen op de bergen zijn
als duiven [uit] de dalen.
Zij allen kermen,
ieder om zijn ongerechtigheid.
17Alle handen zullen slap worden,
en water loopt [langs] alle knieën.
18Zij zullen zich omgorden met rouwgewaden,
huiver zal hen bedekken,
schaamte zal op alle gezichten zijn,
en kaalheid op al hun hoofden.
19Zij zullen hun zilver op de straten werpen,
en hun goud zal tot onreinheid zijn.
Hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen redden op de dag van de verbolgenheid van de HEERE.
Hun ziel zullen zij [er] niet [mee] verzadigen,
en hun ingewanden zullen zij [er] niet [mee] vullen,
want het is voor hen een struikelblok van ongerechtigheid geweest.
20De pracht van Zijn sieraad heeft Hij tot iets voortreffelijks gesteld,
maar zij hebben er beelden van hun gruweldaden [en] van hun afschuwelijke [afgoden] van gemaakt.
Daarom heb Ik dat voor hen tot [een voorwerp van] onreinheid gemaakt.
21Ik zal het als prooi in de hand van de vreemden geven,
en als buit aan de goddelozen van de aarde,
zodat zij het ontheiligen zullen.
22Ik zal Mijn aangezicht van hen afwenden,
en zij zullen Mijn verborgen [plaats] ontheiligen:
gewelddadigen zullen er binnenkomen
en die ontheiligen.
23Leg de ketting klaar,
want het land is vol bloedgerichten,
en de stad vol geweld.
24Ik zal de boosaardigste heidenvolken doen komen,
en zij zullen hun huizen in bezit nemen.
Ik zal de trots van de machtigen doen ophouden,
en zij die hen heiligen, zullen ontheiligd worden.
25Angst overvalt [hen].
Zij zullen vrede zoeken, maar die zal er niet zijn.
26Ramp op ramp zal er komen,
gerucht op gerucht zal er zijn.
Zij zullen bij een profeet een visioen zoeken,
bij de priester zal [onderwijs in] de wet verdwijnen,
raad bij de oudsten.
27De koning zal rouw bedrijven, de vorst zal zich in wanhoop hullen,
en de handen van de bevolking van het land zullen verlamd zijn van schrik.
Ik zal met hen doen overeenkomstig hun [eigen] weg,
en volgens hun [eigen] bepalingen zal Ik hen oordelen.
Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

In een wanhopige poging om het oordeel in de vorm van de aanstormende vijand te keren hebben ze op de trompet geblazen om de strijders te mobiliseren (vers 1414Zij hebben op de trompet geblazen,
zij hebben alles gereedgemaakt, maar niemand trekt ten strijde,
want Mijn brandende [toorn] is over heel de menigte van het [land].
)
. Maar niemand heeft de moed om ten strijde te trekken, ook al staan ze ervoor gereed. Ze zijn als verlamd. Dat is door de brandende toorn van de HEERE die op hen rust. De dood is overal (vers 1515Het zwaard buiten,
de pest en de honger binnen:
wie op het veld is,
zal door het zwaard sterven,
de honger en de pest zullen verteren
wie in de stad is.
)
. Buiten de stad, op het veld, maakt het oorlogsgeweld zijn slachtoffers. In de stad heersen dood en verderf door de pest en de honger.

Sommigen zullen weten te ontkomen en menen in de bergen een veilig heenkomen te vinden (vers 1616En wie van hen ontkomen, zullen [wel] ontkomen,
maar zullen op de bergen zijn
als duiven [uit] de dalen.
Zij allen kermen,
ieder om zijn ongerechtigheid.
)
. Zij zijn als weerloze duiven, waarvan de dalen de natuurlijke verblijfplaats is, maar daaruit zijn weggevlucht uit angst voor de vijand om hun toevlucht in de bergen te zoeken, waar ze zich alleen en niet thuis voelen. Ze zullen daar ieder voor zich kermen om hun ongerechtigheid. Ze kunnen het oorlogsgeweld om zich heen misschien wel ontvluchten, maar de diepgewortelde angst voor de vijand en uiteindelijk voor de HEERE zal hen dag en nacht kwellen en rusteloos maken. Ze zullen beseffen dat zij door hun eigen zonden dit leed over zich hebben gehaald.

Ze zullen zonder kracht zijn, terwijl het water – hier een verzachtende uitdrukking voor urine – langs hun knieën loopt (vers 1717Alle handen zullen slap worden,
en water loopt [langs] alle knieën.
)
. Ze zijn volslagen gedemoraliseerd en machteloos tot verzet. Hun uiterlijk is het toonbeeld van rouw, huiver, schaamte en kaalheid (vers 1818Zij zullen zich omgorden met rouwgewaden,
huiver zal hen bedekken,
schaamte zal op alle gezichten zijn,
en kaalheid op al hun hoofden.
)
. Elke aantrekkelijkheid is verdwenen en vervangen door tekenen van rouw en ellende.

Het zilver en goud waar ze zo aan hangen en waarvan ze afgodsbeelden hebben gemaakt, zullen ze als onrein wegwerpen (vers 1919Zij zullen hun zilver op de straten werpen,
en hun goud zal tot onreinheid zijn.
Hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen redden op de dag van de verbolgenheid van de HEERE.
Hun ziel zullen zij [er] niet [mee] verzadigen,
en hun ingewanden zullen zij [er] niet [mee] vullen,
want het is voor hen een struikelblok van ongerechtigheid geweest.
; vgl. Js 2:2020Op die dag zal de mens
zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,
die hij voor zichzelf gemaakt had om zich [daarvoor] neer te buigen,
voor de ratten en de vleermuizen werpen.
)
. Ze zullen inzien hoe nutteloos die dingen zijn om hen te redden van de verbolgenheid van de HEERE (Sp 11:44Bezit baat niet op de dag van de verbolgenheid,
maar gerechtigheid redt van de dood.
; Zf 1:1818Ook hun zilver, ook hun goud zal hen niet kunnen redden
op de dag van de verbolgenheid van de HEERE.
Door het vuur van Zijn na-ijver zal heel dit land verteerd worden,
want Hij zal zeker [en] spoedig een vernietigend einde maken aan alle inwoners van het land.
)
. Al dit slijk van de aarde verzadigt de ziel niet en vult de buik niet. Goud en zilver stillen Gods toorn niet (vgl. Ps 49:8-108Niemand [van hen] kan [zijn] broeder metterdaad verlossen,
hij kan God zijn losgeld niet geven.
9De losprijs voor hun leven is immers te kostbaar
en zal voor eeuwig ontoereikend zijn.
10Hij zou dan voor altijd verder leven,
[en] het verderf niet zien.
; Sp 10:22Schatten aan goddeloosheid baten niet,
maar gerechtigheid redt van de dood.
)
. Hun zilver en goud hebben hen tot ongerechtigheid gebracht, zoals rijkdom dat ook vandaag zo vaak bij mensen doet.

In plaats van God te eren in “de pracht van Zijn sieraad”, dat is de tempel, en Hem daardoor te laten zien dat Hij voortreffelijk voor hen is, hebben ze van Zijn tempel een afgodstempel gemaakt en die verontreinigd (vers 2020De pracht van Zijn sieraad heeft Hij tot iets voortreffelijks gesteld,
maar zij hebben er beelden van hun gruweldaden [en] van hun afschuwelijke [afgoden] van gemaakt.
Daarom heb Ik dat voor hen tot [een voorwerp van] onreinheid gemaakt.
)
. Daarom geeft Hij die nu over in de handen van de vijand die hem verder zal ontwijden. Hij heeft Zijn tempel voor hen tot een voorwerp van onreinheid gemaakt. God verdraagt geen uiterlijke aanbidding die vergezeld gaat van afgoderij, want dat is een aantasting van het wezen van aanbidding. Alle aanbidding komt uitsluitend aan God toe. God verdraagt geen voorwerp van aanbidding buiten Hem Zelf (Mt 4:9-109en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.).

Hij zal hen “als prooi” overleveren “in de hand van de vreemden” en “als buit aan de goddelozen van de aarde”, dat zijn de Babyloniërs (vers 2121Ik zal het als prooi in de hand van de vreemden geven,
en als buit aan de goddelozen van de aarde,
zodat zij het ontheiligen zullen.
)
. Die zullen Gods sieraad, Zijn tempel, binnenkomen. Hun onheilige handelingen zullen de tempel ontheiligen en daardoor ontheiliging over hen brengen. Hij zal Zijn aangezicht van hen afwenden, wat wil zeggen dat Hij hen niet meer in gunst aanziet (vers 2222Ik zal Mijn aangezicht van hen afwenden,
en zij zullen Mijn verborgen [plaats] ontheiligen:
gewelddadigen zullen er binnenkomen
en die ontheiligen.
)
. Hij zal Zijn tempel, “Mijn verborgen [plaats]”, waarop zij zich zo beroemen (Jr 7:44Stel uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: De tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE, de tempel van de HEERE is dit!), overgeven aan de Babyloniërs. Die zullen er gewelddadig binnendringen en hem ontheiligen.

Ezechiël moet weer een symbolische handeling verrichten. Hij moet een ketting klaarleggen om daarmee aan te geven dat de overgeblevenen van Gods volk in ballingschap zullen worden weggevoerd (vers 2323Leg de ketting klaar,
want het land is vol bloedgerichten,
en de stad vol geweld.
; Jr 39:77Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden om hem naar Babel te brengen.; 40:11Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, nadat Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, hem uit Rama weg had laten gaan, toen hij hem [gevangen]genomen had, en hij in ketenen geboeid was te midden van alle ballingen uit Jeruzalem en Juda, die weggevoerd werden naar Babel.)
. God kan hen niet langer handhaven in Zijn land, want ze hebben het vol bloed gemaakt door onschuldigen te doden. De stad Jeruzalem is vol geweld van de een tegen de ander. Met de rechten van de ander wordt geen rekening gehouden.

God zal “de boosaardigste heidenvolken”, dat zijn Babel en de door hem onderworpen volken, naar Israël zenden (vers 2424Ik zal de boosaardigste heidenvolken doen komen,
en zij zullen hun huizen in bezit nemen.
Ik zal de trots van de machtigen doen ophouden,
en zij die hen heiligen, zullen ontheiligd worden.
)
. Die zullen hun huizen in bezit nemen en hen zo van alle geborgenheid beroven. De trots van de machtigen, dat zijn de vorsten, de leiders, zal ophouden. Ze zullen niets meer hebben om zich op te beroemen. Zij die hen heiligen, hun valse priesters, zullen geen invloed meer hebben. Ze zullen hun bijzondere status van heiligheid verliezen.

Angst zal hen overvallen en over hen heersen (vers 2525Angst overvalt [hen].
Zij zullen vrede zoeken, maar die zal er niet zijn.
)
. Wanhopig zullen ze naar vrede zoeken, maar die zal er niet zijn. Uiterlijke rampen zullen elkaar in snel tempo opvolgen (vers 2626Ramp op ramp zal er komen,
gerucht op gerucht zal er zijn.
Zij zullen bij een profeet een visioen zoeken,
bij de priester zal [onderwijs in] de wet verdwijnen,
raad bij de oudsten.
)
. Behalve wat ze meemaken, horen ze ook geruchten van nog meer onheil, waardoor ze innerlijk tot wanhoop gedreven zullen worden (vgl. Ez 21:77En het zal gebeuren als zij tegen u zeggen: Waarom zucht u? dat u zeggen moet: Om het bericht dat komt! Dan zal elk hart smelten, alle handen zullen slap worden, elke geest zal wanhopen en het water zal allen [langs] de knieën lopen. Zie, het komt en het zal gebeuren, spreekt de Heere HEERE.; Jr 51:4646Anders zal uw hart week worden en zult u bevreesd worden door het bericht dat in het land gehoord zal worden. Want er zal een bericht komen in het [ene] jaar en daarna een bericht in een [ander] jaar, en geweld in het land, heerser tegen heerser.
; Mt 24:66En u zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen; let op, wordt niet verschrikt, want dit <alles> moet gebeuren, maar het is nog niet het einde;)
. Op geruchten heb je geen grip.

De drie bronnen van kennis om aan de weet te komen wat ze moeten doen, zullen falen. De profeet krijgt geen visioen of openbaring meer, de priester geeft geen onderricht meer uit de wet en de oudsten hebben geen wijsheid meer om raad te geven. Niemand heeft een antwoord op de rampspoed die hen treft, omdat de verbinding met de hemel verbroken is (vgl. Mi 3:77De zieners zullen beschaamd worden
en de waarzeggers rood van schaamte,
zij zullen allen [hun] baard en snor bedekken,
want er komt geen antwoord van God.
)
. De stilte van het graf heerst.

De hoogste gezagsdrager, de koning (Zedekia), bedrijft rouw (vers 2727De koning zal rouw bedrijven, de vorst zal zich in wanhoop hullen,
en de handen van de bevolking van het land zullen verlamd zijn van schrik.
Ik zal met hen doen overeenkomstig hun [eigen] weg,
en volgens hun [eigen] bepalingen zal Ik hen oordelen.
Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.
)
. De vorst (hoge regeringsfunctionaris) is in wanhoop gehuld. Ze staan machteloos en kunnen geen uitkomst bieden. Het gevolg is dat het gewone volk van schrik verlamde handen heeft die tot niets meer in staat zijn.

God handelt met Zijn volk overeenkomstig hun eigen weg. Ze plukken de vruchten van hun zondige levenswandel. Hij oordeelt hen naar hun eigen bepalingen waarnaar zij hun leven hebben ingericht en geleefd. Er is in Zijn handelen geen enkele willekeur. Alles wat Hij over hen brengt, hebben ze zichzelf aangedaan. Door alles wat hen vanwege de HEERE overkomt, zullen ze weten dat Hij de HEERE is (verzen 4,94Ik zal u niet ontzien,
Ik zal geen medelijden hebben,
want Ik zal u uw wegen vergelden,
en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.
Dan zult u weten, dat Ik de HEERE ben.9Ik zal niets ontzien,
en geen medelijden hebben,
Ik zal u overeenkomstig uw wegen vergelden,
en uw gruweldaden zullen in uw midden zijn.
Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, het ben Die slaat.
)
. Ze hebben met Hem te doen, niet met Nebukadrezar.

Met het volgende hoofdstuk begint een nieuw deel, wat we kunnen opmaken uit de vermelding van een nieuwe datum en dat de hand van de HEERE op Ezechiël valt (Ez 8:11Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Heere HEERE op mij viel.).


Lees verder