Ezechiël
1-7 Oordeel over de bergen van Israël 8-10 Een overblijfsel 11-14 Oordeel door zwaard, honger en pest
Oordeel over de bergen van Israël

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Mensenkind, richt uw blik op de bergen van Israël, en profeteer ertegen. 3Zeg: Bergen van Israël, luister naar het woord van de Heere HEERE! Zo zegt de Heere HEERE tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de [water]stromen en tegen de dalen: Zie, Ík ga het zwaard over u brengen en zal uw hoogten vernielen. 4Uw altaren zullen verwoest worden en uw wierookaltaren in stukken gebroken. Ik zal uw dodelijk gewonden doen vallen vóór uw stinkgoden. 5Ik zal de dode lichamen van de Israëlieten vóór hun stinkgoden leggen en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren verstrooien. 6In al uw woongebieden zullen de steden verwoest worden en de hoogten een wildernis worden, zodat uw altaren verwoest en verlaten zijn, uw stinkgoden in stukken gebroken en weggedaan worden, uw wierookaltaren stukgebroken worden en uw werken verdelgd. 7In uw midden zullen de gesneuvelden liggen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij, “mensenkind”, moet “zijn blik op de bergen van Israël richten” (vgl. Ez 4:33En u, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Houd dan uw blik er vast op gericht: zo raakt zij in belegering en zult u haar belegeren. Dit is een teken voor het huis van Israël.) en ertegen profeteren (vers 22Mensenkind, richt uw blik op de bergen van Israël, en profeteer ertegen.). De uitdrukking “bergen van Israël” komt alleen in Ezechiël voor (Ez 6:2,32Mensenkind, richt uw blik op de bergen van Israël, en profeteer ertegen.3Zeg: Bergen van Israël, luister naar het woord van de Heere HEERE! Zo zegt de Heere HEERE tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de [water]stromen en tegen de dalen: Zie, Ík ga het zwaard over u brengen en zal uw hoogten vernielen.; 19:99Zij zetten hem met haken [vast] in een kooi,
zodat zij hem naar de koning van Babel konden brengen.
Zij brachten hem in vestingen,
zodat zijn stem niet meer gehoord werd
op de bergen van Israël.
; 33:2828Ik zal van het land een verlaten woestenij maken en zijn sterke trots doen ophouden. De bergen van Israël zullen verwoest zijn, zodat niemand erdoorheen trekt.; 34:13,1413Ik zal ze uitleiden uit de volken, ze bijeenbrengen uit de landen en ze brengen naar hun land. Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de [water]stromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land.14In goede weide zal Ik ze weiden en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Ze zullen daar neerliggen in een goede weideplaats en ze zullen grazen [in] de voortreffelijkste weide op de bergen van Israël.; 35:1212Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, al uw beledigingen gehoord heb, die u tegen de bergen van Israël gesproken hebt: Ze zijn verwoest, ons tot voedsel gegeven.; 36:1,4,81En u, mensenkind, profeteer tegen de bergen van Israël, en zeg: Bergen van Israël, hoor het woord van de HEERE!4– luister daarom, bergen van Israël, naar het woord van de Heere HEERE. Zo zegt de Heere HEERE tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de [water]stromen en tegen de dalen, tegen de verwoeste puinhopen en tegen de verlaten steden, die tot buit en tot een voorwerp van spot geworden zijn voor het overblijfsel van de heidenvolken die rondom [u] zijn –8En u, bergen van Israël, u zult uw takken [weer] voortbrengen en uw vruchten voor Mijn volk Israël dragen, want zij komen naderbij.; 37:2222Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.; 38:88Na vele dagen zult u gestraft worden. Aan het einde van de jaren zult u komen in een land dat hersteld is van het zwaard, bijeengebracht uit vele volken op de bergen van Israël, die tot een blijvende verwoesting waren geworden. Als zij uitgeleid zijn uit de volken, zullen zij allen onbezorgd wonen.; 39:2,4,172Ik zal u omkeren, u meeslepen, u doen optrekken uit het uiterste noorden en u op de bergen van Israël brengen,4Op de bergen van Israël zult u vallen, u en al uw troepen, en de volken die met u zijn. Ik heb u aan allerlei soorten roofvogels en aan de dieren van het veld tot voedsel gegeven.17En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Zeg tegen alle soorten vogels en tegen alle dieren van het veld: Verzamel u en kom, kom van rondom bijeen, bij Mijn offer, dat Ik breng, een groot offer voor u op de bergen van Israël, en eet vlees en drink bloed.)
. De bergen van Israël is een bergketen die in het hart van Israël ligt en zich uitstrekt over een lengte van ongeveer 250 km van de vlakte van Jizreël, net ten noorden van Nabloes of Sichem, tot aan het zuidelijke einde van de Dode Zee. In die bergen liggen onder andere Jeruzalem, Bethel, Ai, Sichem, Bethanië en Hebron. Daar zijn Abraham, Sarah, Izak, Rebekka, Lea, Jakob, Jozua, Jozef en David begraven. Ze vormen het grootste deel van wat nu de Westelijke Jordaanoever of Westbank wordt genoemd.

Op dat gebied moet Ezechiël zijn blik richten omdat de Israëlieten daar hun afgodenaltaren hebben opgericht om hun afgoden te dienen. In het aanspreken van de bergen wordt alles en iedereen aangesproken die bij deze afgoderij betrokken is. Deze afgoderij gaat vaak samen met gewijde prostitutie en allerlei andere liederlijkheden.

Ezechiël moet tegen deze bergen, en ook de lagere “heuvels”, het woord van de Heere HEERE ten oordeel prediken (vers 33Zeg: Bergen van Israël, luister naar het woord van de Heere HEERE! Zo zegt de Heere HEERE tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de [water]stromen en tegen de dalen: Zie, Ík ga het zwaard over u brengen en zal uw hoogten vernielen.). De HEERE zal het zwaard erover brengen, over de afgodendienaars en de afgodshoogten en alles wat er in de directe omgeving van is, zoals de waterstromen en de dalen. Met waterstromen en dalen worden mogelijk de verkwikkingen en vruchtbare grond bedoeld die zij als zegen aan hun afgoden toeschrijven.

We kunnen van de gehoorzaamheid van Ezechiël veel leren. God geeft hem niet alleen de woorden die hij moet spreken, maar bepaalt ook tegen wie ze gesproken moeten worden. En Ezechiël gehoorzaamt. Hij vraagt niet of het zin heeft tegen Jeruzalem te profeteren dat op duizend kilometer afstand ligt (Ez 4:3,73En u, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Houd dan uw blik er vast op gericht: zo raakt zij in belegering en zult u haar belegeren. Dit is een teken voor het huis van Israël.7En u zult uw blik richten op de belegering van Jeruzalem, terwijl u er met uw ontblote arm tegen profeteert.). Hij vraagt ook niet of de bergen en heuvels van Israël het geluid van zijn stem wel zullen horen. Hij doet eenvoudig wat van hem wordt gevraagd.

De plaatsen van aanbidding van de afgoden zullen in stukken worden gebroken (vers 44Uw altaren zullen verwoest worden en uw wierookaltaren in stukken gebroken. Ik zal uw dodelijk gewonden doen vallen vóór uw stinkgoden.). De afgodendienaars zullen vóór hun stinkgoden dodelijk gewond neerliggen (vgl. Lv 26:3030Ik zal uw [offer]hoogten wegvagen en uw wierookaltaren uitroeien. Ik zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw stinkgoden werpen en Mijn ziel zal van u walgen.). Het is het toonbeeld van de waanzin van hun afgodendienst. Met de grootste verachting noemt God hun afgoden “stinkgoden” (Statenvertaling: “drekgoden”). Onder het ‘toeziend’ oog van deze stinkgoden zal Hij hun dodelijk gewonden doen vallen. Dan zal duidelijk zijn dat deze stinkgoden geen hand uitsteken om het onheil af te weren. De dode lichamen liggen daar, vóór de stinkgoden (vers 55Ik zal de dode lichamen van de Israëlieten vóór hun stinkgoden leggen en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren verstrooien.). Iemand die zulke goden aanbidt, heeft werkelijk zijn verstand verloren. Wat een dwaasheid is het toch om dode materie te aanbidden en daar zijn heil van te verwachten!

Deze goden verspreiden geen aangename geur, maar stank, de stank van de dodelijk gewonden die vóór hen liggen. God voert de smaad tot een toppunt door de beenderen van de gedoden rond hun altaren te verstrooien. Deze straf heeft een dubbel effect. Aan de overtreders wordt de eer van een begrafenis onthouden – een begrafenis wordt op hoge prijs gesteld – en tegelijk worden de door hen als heilig beschouwde plaatsen verontreinigd.

Het oordeel van God zal alles verwoesten wat onder de invloed van de stinkgoden is gekomen (vers 66In al uw woongebieden zullen de steden verwoest worden en de hoogten een wildernis worden, zodat uw altaren verwoest en verlaten zijn, uw stinkgoden in stukken gebroken en weggedaan worden, uw wierookaltaren stukgebroken worden en uw werken verdelgd.). In alle woongebieden zal Hij door middel van de vijand de steden verwoesten. De hoogten waarop ze hun afgoderij hebben gepleegd, zullen een wildernis worden. Het oordeel zal grondig zijn en niets overlaten van de altaren, de stinkgoden, de wierookaltaren en de werken van de afgodendienaars. De Heilige Geest gebruikt een veelvoud aan woorden om de verwoesting zo indrukwekkend mogelijk te beschrijven: “verwoest”, “wildernis”, “verwoest en verlaten”, “in stukken gebroken en weggedaan”, “stukgebroken”, “verdelgd”.

Te midden van al deze puinhopen liggen de gesneuvelden (vers 77In uw midden zullen de gesneuvelden liggen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.). Het hele gebied is een open massagraf vol met lijken en verwoeste woonplaatsen. Dan zullen ze eindelijk weten dat Hij de HEERE is. De erkenning daarvan zal voor hen geen leven betekenen. Ze hebben de kans voorbij laten gaan, elke keer dat de HEERE hen tot bekering heeft opgeroepen.

De uitdrukking “dan zult u weten dat Ik de HEERE ben” of een bijna identieke uitdrukking, komt vaak voor in dit boek. Deze uitdrukking ontbreekt echter opmerkelijk genoeg in Ezechiël 40-48. Tegelijk is dat begrijpelijk, want in dat gedeelte van het boek gaat het over het vrederijk en daar zullen ze allen de HEERE kennen en weten dat Hij de HEERE is (Jr 31:3434Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.).


Een overblijfsel

8Maar Ik zal [er onder u] laten overblijven, omdat er onder u zullen zijn die aan het zwaard ontkomen onder de heidenvolken, wanneer u over de landen verstrooid wordt. 9Dan zullen diegenen van u die ontkomen, aan Mij denken onder de heidenvolken waar zij gevangengenomen zijn, omdat Ik gebroken ben door hun hart, dat hoererij bedrijft, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die in hoererij achter hun stinkgoden aan gaan. Dan zullen zij van zichzelf walgen om de slechte daden die zij door al hun gruweldaden gedaan hebben. 10Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben. Ik heb niet zonder reden gesproken dat Ik hun dit kwaad zou aandoen.

Hoewel het oordeel zo hevig is, belooft God dat er zullen “overblijven” (vers 88Maar Ik zal [er onder u] laten overblijven, omdat er onder u zullen zijn die aan het zwaard ontkomen onder de heidenvolken, wanneer u over de landen verstrooid wordt.). Hier is te midden van alle ontrouw en waarschuwingen een eerste verwijzing naar een overblijfsel en daarmee naar herstel. Dit overblijfsel zal wel verstrooid worden, maar onder de heidenvolken waar ze dan zullen zijn, zullen ze tot bekering komen en aan de HEERE denken (vers 99Dan zullen diegenen van u die ontkomen, aan Mij denken onder de heidenvolken waar zij gevangengenomen zijn, omdat Ik gebroken ben door hun hart, dat hoererij bedrijft, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die in hoererij achter hun stinkgoden aan gaan. Dan zullen zij van zichzelf walgen om de slechte daden die zij door al hun gruweldaden gedaan hebben.; vgl. Jr 51:5050U die ontkomen bent aan het zwaard,
ga [op weg], blijf niet staan.
Denk vanuit verre [landen] aan de HEERE,
laat [de gedachte aan] Jeruzalem opkomen in uw hart.
; Zc 10:99Ik zal hen onder de volken uitzaaien
en zij zullen in verre streken aan Mij denken,
zij zullen leven met hun kinderen, en terugkeren.
)
. Hij heeft hen moeten verstrooien omdat zij Zijn hart hebben gebroken door de afdwalingen van hun hart waardoor hun ogen in hoererij achter hun stinkgoden aan zijn gegaan. De afgoderij van Israël wordt voorgesteld als hoererij, als ontrouw aan het huwelijksverbond tussen de HEERE en Zijn volk (vgl. Ex 34:1515anders sluit u [misschien] een verbond met de inwoners van het land. Wanneer zij immers als in hoererij achter hun goden aangaan en aan hun goden offers brengen, zou men u kunnen uitnodigen en zou u van hun offer eten.; Hs 1:22Het begin van het spreken van de HEERE door Hosea.
De HEERE zei tegen Hosea:
Ga! Neem voor u een vrouw van de hoererijen
en kinderen van de hoererijen,
want het land wendt zich in schandelijke hoererij
van de HEERE af.
)
.

Hun ogen spelen een grote rol in hun ontrouw aan God (Ez 18:12,1512de arme en de behoeftige uitbuit, roofgoed buitmaakt, een onderpand niet teruggeeft, en zijn ogen opslaat naar de stinkgoden [en] een gruweldaad doet,15hij eet geen [offermaaltijden] op de bergen, slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël, onteert de vrouw van zijn naaste niet,; 20:2424omdat zij Mijn bepalingen niet uitgevoerd hadden, Mijn verordeningen verworpen hadden en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, zodat hun ogen de stinkgoden van hun vaderen volgden.; vgl. Nm 15:3939Die zal voor u aan de kwastjes zitten, opdat u, wanneer u hem ziet, aan al de geboden van de HEERE denkt en die doet, zodat u niet uw [eigen] hart en uw [eigen] ogen zult onderzoeken, waar u als in hoererij achteraan gaat;). Door de ogen is de zonde in de wereld gekomen: Eva zag (Gn 3:66En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook [wat] aan haar man, die bij haar was, en hij at [ervan].). Als het volk door Gods werk in hen tot inkeer komt, zullen ze van zichzelf walgen om al hun gruweldaden, om al hun walgelijke afgodische praktijken. Dit walgen van zichzelf moeten ook wij kennen om werkelijk de Heer te kennen en lief te hebben.

Ook dit gedeelte eindigt met “dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben”, een wetenschap die hier niet door het oordeel komt, zoals in vers 77In uw midden zullen de gesneuvelden liggen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben., maar door de genade die hen tot bekering heeft gebracht (vers 1010Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben. Ik heb niet zonder reden gesproken dat Ik hun dit kwaad zou aandoen.). Ze zullen erkennen dat Hij volkomen rechtvaardig met hen heeft gehandeld. De volle vervulling hiervan zal door het overblijfsel in de eindtijd worden ervaren.


Oordeel door zwaard, honger en pest

11Zo zegt de Heere HEERE: Sla uzelf in uw hand, stamp met uw voet en zeg ‘ach’ over alle gruwelijke slechte daden van het huis van Israël, want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pest vallen. 12Wie ver weg is, zal door de pest sterven, wie dichtbij is, zal door het zwaard vallen en wie overgebleven en gespaard is, zal door de honger sterven. Zo zal Ik Mijn grimmigheid tegen hen ten uitvoer brengen. 13Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als hun gesneuvelden te midden van hun stinkgoden rondom hun altaren liggen, op elke hoge heuvel, op alle bergtoppen, onder elke bladerrijke boom en onder elke dicht[bebladerde] eik, [op] de plaats waar zij voor al hun stinkgoden een aangename geur hebben bereid. 14Zo zal Ik Mijn hand tegen hen uitstrekken, en Ik zal van het land een woestenij maken, ja, woester dan de woestijn van Dibla, in al hun woongebieden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

Ezechiël krijgt de opdracht om zichzelf in de hand te slaan, met zijn voet te stampen en ‘ach’ te zeggen, als een uiting van afkeer over “alle gruwelijke slechte daden van het huis van Israël” (vers 1111Zo zegt de Heere HEERE: Sla uzelf in uw hand, stamp met uw voet en zeg ‘ach’ over alle gruwelijke slechte daden van het huis van Israël, want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pest vallen.). Hij wordt zo weer persoonlijk betrokken bij het oordeel dat God over Zijn volk brengt. De aankondiging van oordeel is geen gevoelloze zaak. Het bewerkt een emotionele reactie bij ieder die dit moet doen.

Het oordeel zal over Jeruzalem komen door het zwaard van de vijand, door de honger vanwege de belegering en door de pest die als gevolg van de verhongering zal komen. Het volk heeft hier niet de keus om een van deze plagen te kiezen, zoals eens David (2Sm 24:13-1413Zo kwam Gad bij David. Hij maakte hem dit bekend en zei tegen hem: Zal er zeven jaar hongersnood over u komen in uw land? Of [wilt] u drie maanden vluchten voor uw vijanden, terwijl die u achtervolgen? Of zal er drie dagen pest in uw land zijn? Welnu, overweeg [dit] en zie wat voor antwoord ik Hem Die mij gezonden heeft, moet brengen.14Toen zei David tegen Gad: Het benauwt mij zeer. Laten wij toch in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheid is groot. Laat mij echter niet in de hand van mensen vallen.), maar zal door elke plaag worden getroffen.

De pest die door het land waart, zal allen treffen die verder weg in het land wonen (vers 1212Wie ver weg is, zal door de pest sterven, wie dichtbij is, zal door het zwaard vallen en wie overgebleven en gespaard is, zal door de honger sterven. Zo zal Ik Mijn grimmigheid tegen hen ten uitvoer brengen.). Het zwaard treft hen die in en om de stad zijn, omsingeld door de vijanden. Wie zich heeft kunnen verbergen en voor het zwaard gespaard is gebleven, zal de langzame hongerdood sterven. Op deze wijze zal God Zijn grimmigheid ten uitvoer brengen. Hij kondigt duidelijk aan wat Hij zal doen.

Als de gesneuvelden op al die plaatsen liggen waar zij hun stinkgoden eer hebben bewezen, zullen ze weten dat Hij de HEERE is (vers 1313Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als hun gesneuvelden te midden van hun stinkgoden rondom hun altaren liggen, op elke hoge heuvel, op alle bergtoppen, onder elke bladerrijke boom en onder elke dicht[bebladerde] eik, [op] de plaats waar zij voor al hun stinkgoden een aangename geur hebben bereid.). Hier hebben we weer die kennis van de HEERE door en na het oordeel. Het is vreselijk God te leren kennen in het oordeel (Hb 10:3131Vreselijk is het te vallen in [de] handen van [de] levende God!). Die kennis zullen ze ook opdoen door Gods oordeel over hun land dat Hij tot een woestenij zal maken die erger is dan de woestijn van Dibla (vers 1414Zo zal Ik Mijn hand tegen hen uitstrekken, en Ik zal van het land een woestenij maken, ja, woester dan de woestijn van Dibla, in al hun woongebieden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). De woestijn van Dibla ligt vermoedelijk ten oosten van Moab (zie Nm 33:4646Zij braken op van Dibon-Gad en sloegen hun kamp op in Almon-Diblathaïm.
Almon-Diblathaïm en Jr 48:2222over Dibon, over Nebo en over Beth-Diblathaïm, Beth-Diblathaïm).


Lees verder