Ezechiël
1-4 Hoofdhaar en baard afscheren en verdelen 5-10 De zonden van Jeruzalem 11-17 Betekenis van het verdelen van het haar
Hoofdhaar en baard afscheren en verdelen

1En u, mensenkind, neem u een scherp zwaard. U moet [dat] voor uzelf [als] kappersscheermes gebruiken, en dat over uw hoofd en over uw baard laten gaan. Daarna moet u voor uzelf een weegschaal nemen en de [haren] verdelen. 2Een derde [deel] moet u midden in de stad met vuur verbranden als de dagen van de belegering voorbij zijn, en een derde moet u nemen [en] met het zwaard daaromheen slaan, en een derde in de wind verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen trekken. 3Een klein aantal daarvan moet u dan nemen en in de punten van uw [mantel] binden. 4Dan moet u er nog [meer] van nemen en deze midden in het vuur werpen en die met vuur verbranden. Daaruit zal een vuur voortkomen tegen heel het huis van Israël.

Ezechiël wordt nog sterker persoonlijk betrokken bij de oordelen die hij moet aankondigen. Hij moet met een scherp zwaard zijn hoofdhaar en baard afscheren (vers 11En u, mensenkind, neem u een scherp zwaard. U moet [dat] voor uzelf [als] kappersscheermes gebruiken, en dat over uw hoofd en over uw baard laten gaan. Daarna moet u voor uzelf een weegschaal nemen en de [haren] verdelen.). Dat is een grote smaad voor hem (vgl. 2Sm 10:44Daarop nam Hanun de dienaren van David, schoor hun baard half af en sneed hun kleren halverwege af, tot aan hun billen, en liet hen gaan.; 1Kr 19:44Daarop nam Hanun de dienaren van David, schoor hen en sneed hun kleren halverwege af, tot aan de heupen, en liet hen gaan.; Ne 13:2525Ik had onenigheid met hen en ik vervloekte hen. En ik sloeg [sommige] mannen van hen en trok hun de haren uit. Ik liet hen zweren bij God: U zult uw dochters niet aan hun zonen geven en van hun dochters niemand voor uw zonen of voor uzelf nemen!) en is voor een priester zelfs verboden (Lv 21:55[Priesters] mogen op hun hoofd geen kale plek maken, de rand van hun baard niet afscheren en in hun lichaam geen inkervingen maken.; Ez 44:2020Zij mogen hun hoofd niet scheren, maar zij mogen [ook] de [haar]lokken niet vrij laten groeien. Zij moeten hun hoofd[haar] goed kortknippen.). Dat hij een scherp zwaard als scheermes moet gebruiken, laat zien dat het om een handeling gaat die symbolisch het oordeel van God voorstelt (Dt 32:4141Als Ik Mijn glinsterend zwaard wet,
Mijn hand [het] grijpt voor het oordeel,
zal Ik de wraak laten terugkomen op Mijn tegenstanders,
en het hun die Mij haten, vergelden.
; Js 7:2020Op die dag zal de Heere met een scheermes,
ingehuurd aan de overzijde van de rivier [de Eufraat, namelijk] de koning van Assyrië,
het hoofd- en het schaamhaar afscheren;
en het zal ook de baard wegnemen.
)
.

Dan moet hij een weegschaal nemen en de haren verdelen. Dat ziet op een zeer precieze afweging, want haren zijn zo licht, dat ze nauwelijks te wegen zijn. Die precieze afweging betekent dat ieder de straf krijgt die hij verdient, niet meer en niet minder. God straft volkomen rechtvaardig (Op 20:12-1312En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.13En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken.).

Hij moet de haren in drie hopen verdelen (vers 22Een derde [deel] moet u midden in de stad met vuur verbranden als de dagen van de belegering voorbij zijn, en een derde moet u nemen [en] met het zwaard daaromheen slaan, en een derde in de wind verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen trekken.). Met elk van die hopen moet hij iets doen:
1. Een derde deel van het haar moet hij “midden in de stad” – dat is midden op de tekening die hij op de kleitafel heeft gemaakt (Ez 4:11En u, mensenkind, neem u een tegel, leg die vóór u neer en teken daarop een stad, Jeruzalem.) – leggen en met vuur verbranden. De HEERE zegt erbij dat hij dat moet doen “als de dagen van de belegering voorbij zijn”.
2. Een volgende derde deel haren moet hij nemen en “met het zwaard daaromheen slaan”.
3. Het laatste derde deel moet hij “in de wind verstrooien”. Die haren worden overal heengevoerd.

Het oordeel komt niet over al het haar (vers 33Een klein aantal daarvan moet u dan nemen en in de punten van uw [mantel] binden.). Ezechiël moet een paar haren nemen, “een klein aantal”, en die in de punten van zijn mantel binden. Er zijn ook haren die Ezechiël direct in het vuur moet werpen om ze met vuur te verbranden (vers 44Dan moet u er nog [meer] van nemen en deze midden in het vuur werpen en die met vuur verbranden. Daaruit zal een vuur voortkomen tegen heel het huis van Israël.). Die worden niet pas na de dagen van de belegering verbrand. Uit dit deel “zal een vuur voortkomen tegen heel het huis van Israël”, dat wil zeggen dat het alles wat er dan nog van over is, zal verbranden.


De zonden van Jeruzalem

5Zo zegt de Heere HEERE: Dit is Jeruzalem: Ik heb het te midden van de heidenvolken gezet met landen eromheen. 6Maar het was ongehoorzaam aan Mijn bepalingen, tot goddeloosheid toe, meer dan de heidenvolken, en aan Mijn verordeningen, meer dan de landen die eromheen zijn, want zij hebben Mijn bepalingen verworpen en in Mijn verordeningen zijn zij niet gegaan. 7Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw rumoer dat van de heidenvolken die rondom u zijn, [nog] heeft overtroffen, u in Mijn verordeningen niet gegaan bent, Mijn bepalingen niet gedaan hebt, zelfs niet gedaan hebt overeenkomstig de bepalingen van de heidenvolken die rondom u zijn, 8daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, ja Ik! Ik zal in uw midden oordelen voltrekken voor de ogen van de heidenvolken. 9Ik zal onder u doen wat Ik niet [eerder] gedaan heb en zoals Ik [ook] niet meer doen zal, vanwege al uw gruweldaden. 10Daarom zullen in uw midden vaders [hun] kinderen opeten, en kinderen zullen hun vaders opeten. Ik zal strafgerichten over u voltrekken en zal al wat van u overblijft, naar alle wind[streken] verstrooien.

De Heere HEERE (Adonai Jahweh) verklaart Ezechiël de betekenis van de symbolische handelingen, die hij op zijn beurt aan Gods volk moet doorgeven. De handelingen betreffen Jeruzalem dat door de HEERE als middelpunt van alle volken, als de navel van de aarde (Ez 38:1212om roof te plegen, om buit te roven, om u tegen de [nu] bewoonde puinhopen te keren en tegen een volk dat uit de heidenvolken verzameld is, dat vee en bezit verworven heeft, dat in het midden van het land woont.; vgl. Dt 32:88Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde,
toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde,
heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld
overeenkomstig het aantal Israëlieten.
)
, is gesteld (vers 55Zo zegt de Heere HEERE: Dit is Jeruzalem: Ik heb het te midden van de heidenvolken gezet met landen eromheen.). Globaal gezien kunnen we zeggen dat Israël het geografisch centrum van drie werelddelen is: Europa, Azië en Afrika. Tevens is Jeruzalem het geestelijk centrum van de wereld, waar de troon van de HEERE zal staan en vanwaar Hij Zijn Woord uit laat gaan tot onderwijzing van alle volken (Js 2:2-42Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
4Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
; Mi 4:1-31Het zal echter in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE
vast zal staan als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat de volken ernaartoe zullen stromen.2Vele heidenvolken zullen op weg gaan
en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.3Hij zal oordelen tussen vele volken
en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
)
.

Dan volgt het “maar” van God ten aanzien van de stad (vers 66Maar het was ongehoorzaam aan Mijn bepalingen, tot goddeloosheid toe, meer dan de heidenvolken, en aan Mijn verordeningen, meer dan de landen die eromheen zijn, want zij hebben Mijn bepalingen verworpen en in Mijn verordeningen zijn zij niet gegaan.). Jeruzalem heeft op afschuwelijke wijze tegen Hem gezondigd. Ze is ongehoorzaam geweest aan Zijn bepalingen. De zonde van Jeruzalem is zelfs groter dan die van alle heidenvolken om haar heen. Terwijl zij de kennis van God hebben ontvangen, hebben de inwoners van Jeruzalem Zijn bepalingen verworpen en Zijn verordeningen naast zich neergelegd. Wat is dat een grote belediging voor Hem, Die hen zo heeft verzorgd met goede bepalingen en verordeningen.

Zelfs naar heidense normen gerekend hebben de inwoners van Jeruzalem het gruwelijk verdorven (vers 77Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw rumoer dat van de heidenvolken die rondom u zijn, [nog] heeft overtroffen, u in Mijn verordeningen niet gegaan bent, Mijn bepalingen niet gedaan hebt, zelfs niet gedaan hebt overeenkomstig de bepalingen van de heidenvolken die rondom u zijn,). Heidenen blijven trouw aan hun afgoden, hoewel die geen goden zijn, maar de inwoners van Jeruzalem hebben de ware God verloochend en zijn de afgoden gaan dienen. Dit is een dramatische ontwikkeling. Hun rumoer is daardoor in de oren van God groter dan dat van de afgodische heidenen.

Daarom zál de HEERE Jeruzalem (vers 88daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, ja Ik! Ik zal in uw midden oordelen voltrekken voor de ogen van de heidenvolken.), dat wil zeggen dat Hij Jeruzalem zal straffen (vgl. Na 2:1313Zie, Ik zál u,
spreekt de HEERE van de legermachten:
Ik zal haar strijdwagens in rook doen [opgaan] en verbranden,
en het zwaard zal uw jonge leeuwen verteren.
Ik zal uw prooi uitroeien van de aarde,
en de stem van uw gezanten zal niet meer gehoord worden.
; 3:55Zie, Ik zál u, spreekt de HEERE van de legermachten:
Ik zal de zomen van uw [kleding] optillen boven uw gezicht;
Ik zal de heidenvolken uw naaktheid laten zien,
de koninkrijken uw schande.
; Jr 23:3131Zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die hun tong gebruiken en spreken: Hij spreekt.)
. Hij zegt het met grote nadruk: “Ik … ja Ik!” Hij zal Jeruzalem oordelen voor de ogen van de heidenvolken, in overeenstemming met de ontrouw tegenover Hem die Jeruzalem ook voor de ogen van de heidenvolken heeft begaan.

Het oordeel dat Hij over Jeruzalem zal brengen, zal zonder weerga zijn (vers 99Ik zal onder u doen wat Ik niet [eerder] gedaan heb en zoals Ik [ook] niet meer doen zal, vanwege al uw gruweldaden.). Dat is vanwege al haar gruweldaden. Jeruzalem heeft het er zelf naar gemaakt. De oordelen zullen een verschrikkelijke hongersnood veroorzaken, zo groot, dat sommigen tijdens het beleg van Jeruzalem tot kannibalisme vervallen, waarbij zelfs vaders hun eigen kinderen en kinderen hun eigen vaders opeten (vers 1010Daarom zullen in uw midden vaders [hun] kinderen opeten, en kinderen zullen hun vaders opeten. Ik zal strafgerichten over u voltrekken en zal al wat van u overblijft, naar alle wind[streken] verstrooien.). Een diepere val van het moreel besef van de mens is niet mogelijk. Zo hevig zullen Gods strafgerichten van over Jeruzalem zijn (Lv 26:2929U zult dan het vlees van uw [eigen] zonen eten, en het vlees van uw [eigen] dochters zult u eten.; Dt 28:5353U zult de vrucht van uw schoot eten, het vlees van uw zonen en van uw dochters, die de HEERE, uw God, u gegeven zal hebben, tijdens de belegering en in de nood waarin uw vijanden u doen verkeren.; 2Kn 6:28-2928De koning zei verder tegen haar: Wat hebt u? Ze zei: Deze vrouw heeft tegen mij gezegd: Geef uw zoon, dan eten wij hem vandaag op. Dan zullen wij morgen mijn zoon eten.29Toen hebben wij mijn zoon gekookt en opgegeten, maar toen ik de volgende dag tegen haar zei: Geef uw zoon, dan zullen wij hém opeten, heeft zij haar zoon verborgen.; Jr 19:99Ik zal hun het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters te eten geven. Zij zullen ieder het vlees eten van zijn naaste tijdens de belegering en in de nood waarin hun vijanden en zij die hen naar het leven staan, hen doen verkeren.; Kl 2:2020Zie, HEERE, en aanschouw /resj/
aan wie U zo gedaan hebt!
 Moeten vrouwen hun [eigen] vrucht eten,
kleine kinderen die zij op handen droegen?
Moeten [dan] in het heiligdom van de Heere gedood worden
priester en profeet?
; 4:1010De handen van barmhartige vrouwen /jod/
hebben hun [eigen] kinderen gekookt.
Zij zijn hun tot voedsel geworden
bij de ondergang van de dochter van mijn volk.
)
.


Betekenis van het verdelen van het haar

11Daarom, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw afschuwelijke [afgoden] en met al uw gruweldaden, daarom zal Ik [u] ook kaalscheren, [u] niet ontzien en zal Ik ook geen medelijden hebben. 12Een derde [deel] van u zal door de pest sterven en door de honger in uw midden omkomen, en om u heen zal een derde door het zwaard vallen, een derde zal Ik naar alle wind[streken] verstrooien en Ik zal achter hen het zwaard trekken. 13Dan zal Mijn toorn ten uitvoer gebracht worden en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten en troost halen. Dan zullen zij weten dat Ík, de HEERE, in Mijn na-ijver heb gesproken, wanneer Ik Mijn grimmigheid tegen hen ten uitvoer gebracht heb. 14Ik zal u tot een puinhoop maken en tot smaad onder de heidenvolken die rondom u zijn, voor de ogen van ieder die voorbijgaat. 15Wanneer Ik over u strafgerichten voltrek in toorn, in grimmigheid en in grimmige bestraffingen, zullen de smaad en de hoon voor de heidenvolken die rondom u zijn, onderwijs en een [reden tot] ontzetting zijn. Ík, de HEERE, heb gesproken. 16Wanneer Ik de boosaardige pijlen van de honger, die tot verderf leiden en die Ik afschiet om u te gronde te richten, op hen afschiet, zal Ik de honger over u doen toenemen en het u aan brood laten ontbreken. 17Ik zal honger en [wilde] dieren, die u van kinderen beroven, over u zenden. Pest en bloed[vergieten] zullen onder u rondwaren. Ik zal het zwaard over u brengen. Ík, de HEERE, heb gesproken.

De woorden “Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar”, zijn een eedzwering van de HEERE (vers 1111Daarom, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw afschuwelijke [afgoden] en met al uw gruweldaden, daarom zal Ik [u] ook kaalscheren, [u] niet ontzien en zal Ik ook geen medelijden hebben.). Hij spreekt Zich in dit boek meerdere keren zo uit (Ez 5:1111Daarom, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw afschuwelijke [afgoden] en met al uw gruweldaden, daarom zal Ik [u] ook kaalscheren, [u] niet ontzien en zal Ik ook geen medelijden hebben.; 14:16,18,2016[als] die drie mannen in het midden ervan waren, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zelfs zonen en dochters niet kunnen redden. Zíj zouden alleen zelf worden gered en het land zou een woestenij worden.18al zouden die drie mannen in het midden ervan zijn, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden geen zonen en dochters kunnen redden, maar alleen zíj zouden gered worden.20en al zouden Noach, Daniël en Job in het midden ervan zijn, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, geen zoon, geen dochter zouden zij kunnen redden, zíj zouden door hun gerechtigheid [alleen] hun [eigen] leven redden.; 16:4848[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Sodom, uw zuster, zij en haar dochters hebben niet zo gedaan als u en uw dochters gedaan hebben!; 17:1616[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, in de [woon]plaats van de koning die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij verachtte en wiens verbond hij verbrak, bij hem, midden in Babel, zal hij sterven!; 18:33[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, als u dit spreekwoord in Israël nog durft te gebruiken!; 20:31,3331Ja, door het opheffen van uw offergaven, door uw kinderen door het vuur te laten gaan, verontreinigt u zich met al uw stinkgoden tot op deze dag. En zou Ík Mij dan door u laten raadplegen, huis van Israël? [Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Ik zal Mij niet door u laten raadplegen!33[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid zal Ik over u regeren!; 33:1111Zeg tegen hen: [Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Ik vind geen vreugde in de dood van de goddeloze, maar daarin dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft! Bekeer u, bekeer u van uw slechte wegen, want waarom zou u sterven, huis van Israël?; 34:88[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat Mijn schapen tot een prooi geworden zijn en Mijn schapen voor alle dieren van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders niet naar Mijn schapen gevraagd hebben, maar de herders zichzelf geweid hebben, en Mijn schapen niet geweid hebben.; 35:6,116daarom, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Voorzeker, Ik zal u tot bloed maken en bloed zal u achtervolgen. Omdat u het bloed[vergieten] niet hebt gehaat, zal bloed u achtervolgen.11daarom, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Ik zal handelen overeenkomstig uw toorn en overeenkomstig uw afgunst, waarmee u uit uw haat jegens hen bent opgetreden. Ik zal Mij onder hen bekendmaken, wanneer Ik u oordelen zal.). Hij zweert bij Zijn eigen leven. Dat betekent dat Zijn beslissing absoluut is. Dat is altijd alles wat Hij zegt, maar Hij wil Jeruzalem van de zwaarte van Zijn beslissing onder de indruk brengen. Hij is ook uiterst verbolgen over haar zonden. Die zijn dan ook niet gering. Jeruzalem heeft Zijn heiligdom verontreinigd met haar afschuwelijkheden, dat zijn haar afgoden, en met haar gruweldaden, dat is haar afgoderij, de dingen die de inwoners van Jeruzalem doen voor hun afgoden.

Daarom zal de HEERE Jeruzalem “kaalscheren”, wat betekent dat Hij van Jeruzalem alle eer en sieraad zal afnemen. Daarbij zal Hij haar niet ontzien en Hij zal het doen zonder medelijden. Hij zal geen genade meer bewijzen, zoals Hij in het verleden zo vaak, telkens weer, wel heeft gedaan. Dat Hij geen medelijden met Jeruzalem heeft, laat niet een onbarmhartige God zien, maar een hardnekkige stad die niet wil breken met haar ongerechtigheden. Daarom moet Hij Jeruzalem oordelen en is er geen ontkoming voor de stad (vgl. Ps 130:33Als U, HEERE, op de ongerechtigheden let,
Heere, wie zal staande blijven?
)
.

Door de belegering van de stad zal een derde deel door de pest en de honger omkomen (vers 1212Een derde [deel] van u zal door de pest sterven en door de honger in uw midden omkomen, en om u heen zal een derde door het zwaard vallen, een derde zal Ik naar alle wind[streken] verstrooien en Ik zal achter hen het zwaard trekken.). Pest en honger horen bij elkaar. Pest is een gevolg van de honger. Zij die menen Gods tucht te kunnen ontlopen door te vluchten, zullen door het zwaard van de vijand worden gedood. Zij die gevangengenomen worden en overal heen worden verstrooid, zullen evengoed door het zwaard vallen.

Wanneer God dit zware oordeel over Jeruzalem brengt en Zijn grimmigheid op haar inwoners rust, zal Hem dat troost geven (vers 1313Dan zal Mijn toorn ten uitvoer gebracht worden en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten en troost halen. Dan zullen zij weten dat Ík, de HEERE, in Mijn na-ijver heb gesproken, wanneer Ik Mijn grimmigheid tegen hen ten uitvoer gebracht heb.). Na alles wat Hij van de kant van Jeruzalem heeft moeten verdragen, wat ze Hem allemaal heeft aangedaan om Hem te krenken, zal Hij Zich vrij voelen van haar wanneer Hij Zich op deze manier aan haar heeft bekendgemaakt. Hij laat niet eindeloos met Zich spotten. Hij is een na-ijverig God en zal Zijn grimmigheid tegen de stad ten uitvoer brengen, omdat Jeruzalem Hem daartoe heeft gedwongen. Hij maakt een puinhoop van Jeruzalem (vers 1414Ik zal u tot een puinhoop maken en tot smaad onder de heidenvolken die rondom u zijn, voor de ogen van ieder die voorbijgaat.). De heidenvolken rondom de stad zullen van de smaad horen die Jeruzalem is aangedaan. De smadelijke ondergang van de stad zal door ieder worden gezien die er voorbijgaat.

De strafgerichten die God in Zijn toorn over de stad voltrekt, geven uiting aan Zijn grimmigheid (vers 1515Wanneer Ik over u strafgerichten voltrek in toorn, in grimmigheid en in grimmige bestraffingen, zullen de smaad en de hoon voor de heidenvolken die rondom u zijn, onderwijs en een [reden tot] ontzetting zijn. Ík, de HEERE, heb gesproken.). Het zijn grimmige bestraffingen. God laat door deze woorden Zijn diepe verontwaardiging horen. Wat Hij Jeruzalem in Zijn grimmige bestraffing heeft aangedaan, levert de heidenvolken rondom hen stof tot smaad en hoon. Maar dat niet alleen. Het levert ook onderwijs en reden tot ontzetting.

Er gaat eveneens een waarschuwende boodschap naar de heidenvolken van uit. Jeruzalem en de volken moeten zich goed realiseren dat Hij, de HEERE, het heeft gesproken. Het zijn geen woorden zonder betekenis, het is geen dreiging vanuit machteloze toorn die de kracht mist om zich te doen gelden. Wat God zegt, doet Hij.

Hij heeft honger aangezegd die in de stad zal komen (vers 1616Wanneer Ik de boosaardige pijlen van de honger, die tot verderf leiden en die Ik afschiet om u te gronde te richten, op hen afschiet, zal Ik de honger over u doen toenemen en het u aan brood laten ontbreken.). Dat is geen loos dreigement, maar Hij zal de honger in de stad laten komen als “boosaardige pijlen” die Hij Zelf afschiet. Die pijlen leiden tot verderf en richten hen te gronde. De honger zal werkelijk toenemen en het brood om de honger te stillen zal ontbreken. Hoe wanhopig ze ook zullen zoeken, het zal er niet zijn.

De honger zal door de HEERE gezonden worden en in het directe gevolg ervan komen ook de wilde dieren (vers 1717Ik zal honger en [wilde] dieren, die u van kinderen beroven, over u zenden. Pest en bloed[vergieten] zullen onder u rondwaren. Ik zal het zwaard over u brengen. Ík, de HEERE, heb gesproken.). Beide plagen zullen hen van hun kinderen beroven. Behalve deze twee plagen zijn er ook nog de pest en het zwaard. Die zullen onder hen rondwaren en hun slachtoffers maken. De combinatie van deze vier oordelen zal een complete verwoesting en uitroeiing tot gevolg hebben. Er valt niet aan te twijfelen dat het zo zal gaan, want “Ík (met nadruk), de HEERE, heb gesproken”.


Lees verder