Ezechiël
Inleiding 1-7 Nieuwe verdeling van het noorden 8-14 Het hefoffer voor de HEERE 15-19 De stad en haar gebied 20-22 Het heilige hefoffer 23-29 Nieuwe verdeling van het zuiden 30-34 De poorten van de stad 35 De naam van de stad
Inleiding

Nu de grenzen van het beloofde land zijn vastgelegd, kan de profeet gaan spreken over de verdeling van het land onder de twaalf stammen. Net zoals er een nieuwe uittocht (Ez 20:32-3832Wat in uw geest opgekomen is, zal zeker niet gebeuren, [namelijk] dat u zegt: Laten wij als de heidenvolken en als de volksstammen worden door hout en steen te dienen!33[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid zal Ik over u regeren!34Ik zal u uit de volken leiden en u bijeenbrengen uit de landen waaronder u verspreid bent, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid.35Vervolgens zal Ik u brengen in de woestijn van de volken en daar van aangezicht tot aangezicht een rechtszaak met u voeren.36Zoals Ik met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte een rechtszaak gevoerd heb, zo zal Ik een rechtszaak met u voeren, spreekt de Heere HEERE.37Ik zal u onder de [herders]stok doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond.38Ik zal van u uitzuiveren wie in opstand komen en wie tegen Mij overtreden. Ik zal hen leiden uit het land waar zij vreemdeling zijn, maar zij zullen op het grondgebied van Israël niet komen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.) en een nieuw verbond (Ez 34:23-3023Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn.24En Ik, de HEERE, zal een God voor ze zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in hun midden. Ík, de HEERE, heb gesproken.25Ik zal een verbond van vrede met ze sluiten en de wilde dieren uit het land wegdoen. Ze zullen onbezorgd wonen in de woestijn en slapen in de wouden.26Ik zal hun en [het gebied] rond Mijn heuvel een zegen geven, en Ik zal de regen op zijn tijd doen neerdalen. Regens van zegen zullen er zijn.27De bomen op het veld zullen hun vrucht geven, het land zal zijn opbrengst geven, en ze zullen onbezorgd in hun land [wonen]. Dan zullen ze weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik de stangen van hun juk breek en ze red uit de hand van hen die zich door hen lieten dienen.28Ze zullen niet meer tot een prooi zijn voor de heidenvolken, en de wilde dieren van de aarde zullen ze niet [meer] verslinden, maar ze zullen onbezorgd wonen en niemand zal [ze] schrik aanjagen.29Ik zal een Plant van naam voor ze doen opkomen. Dan zullen ze niet langer weggenomen worden door honger in het land, en de smaad van de heidenvolken zullen ze niet langer dragen.30Dan zullen ze weten dat Ik, de HEERE, hun God, met ze ben, en dat ze Mijn volk zijn, het huis van Israël, spreekt de Heere HEERE.; 37:21-2821En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.22Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.23Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke [afgoden] en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn.24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.25Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.26Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.27Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.28Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.) zullen zijn, zo zullen er een nieuwe verdeling en toewijzing van het land aan de verschillende stammen zijn. Het volk zal met grote vreugde erkennen dat de HEERE die verdeling en toewijzing Zelf doet: Hij kiest voor ons ons erfelijk bezit uit: de trots van Jakob, die Hij heeft liefgehad” (Ps 47:55Hij kiest voor ons ons erfelijk bezit uit:
de glorie van Jakob, die Hij heeft liefgehad. /Sela/
)
.

Bij de verdeling van het land zien we drie grote delen:
1. een noordelijk deel voor zeven stammen,
2. een middendeel als offer voor de HEERE,
3. een zuidelijk deel voor vijf stammen.

In het middendeel ligt een gebied van 25.000 x 25.000 el met daarin
1. een noordelijk deel voor de priesters en de tempel,
2. een middendeel voor de Levieten,
3. een zuidelijk deel voor de stad en voor hen die de stad dienen,
4./5. links en rechts van dit driedelig gebied een gebied voor de vorst.


Nieuwe verdeling van het noorden

1Dit zijn de namen van de stammen: Van het uiterste noorden, langs de weg van Hethlon, Lebo-Hamath [en] Hazar-Enon, de grens van Damascus, naar het noorden langs Hamath, dat zal [Dan van] de oostzijde [tot] de west[zijde] toebehoren: Dan één [gebied]. 2En [grenzend] aan het gebied van Dan, van de oostzijde tot de westzijde: Aser één [gebied]. 3En [grenzend] aan het gebied van Aser, van de oostzijde tot de westzijde: Naftali één [gebied]. 4En [grenzend] aan het gebied van Naftali, van de oostzijde tot de westzijde: Manasse één [gebied]. 5En [grenzend] aan het gebied van Manasse, van de oostzijde tot de westzijde: Efraïm één [gebied]. 6En [grenzend] aan het gebied van Efraïm, van de oostzijde tot de westzijde: Ruben één [gebied]. 7En [grenzend] aan het gebied van Ruben, van de oostzijde tot de westzijde: Juda één [gebied].

In de verzen 1-71Dit zijn de namen van de stammen: Van het uiterste noorden, langs de weg van Hethlon, Lebo-Hamath [en] Hazar-Enon, de grens van Damascus, naar het noorden langs Hamath, dat zal [Dan van] de oostzijde [tot] de west[zijde] toebehoren: Dan één [gebied].2En [grenzend] aan het gebied van Dan, van de oostzijde tot de westzijde: Aser één [gebied].3En [grenzend] aan het gebied van Aser, van de oostzijde tot de westzijde: Naftali één [gebied].4En [grenzend] aan het gebied van Naftali, van de oostzijde tot de westzijde: Manasse één [gebied].5En [grenzend] aan het gebied van Manasse, van de oostzijde tot de westzijde: Efraïm één [gebied].6En [grenzend] aan het gebied van Efraïm, van de oostzijde tot de westzijde: Ruben één [gebied].7En [grenzend] aan het gebied van Ruben, van de oostzijde tot de westzijde: Juda één [gebied]. worden zeven stammen genoemd die allemaal ten noorden van het heilige gebied liggen. Het gebied van de stammen bestaat uit een rechte strook land die over de hele breedte van het land van oost naar west loopt. De stammen van de noordelijke helft worden in volgorde van noord naar zuid genoemd.

Juda is de zuidelijkste stam van het noorden en Benjamin de noordelijkste stam van het zuiden (vers 2323Vervolgens de overige stammen, van de oostzijde tot de westzijde: Benjamin één [gebied].). Deze twee stammen liggen centraal in het land.


Het hefoffer voor de HEERE

8En [grenzend] aan het gebied van Juda, van de oostzijde tot de westzijde, moet het hefoffer liggen dat u moet brengen: vijfentwintigduizend [el] breed en even lang als een van de [andere] delen, van de oostzijde tot de westzijde. Het heiligdom moet in het midden ervan liggen. 9Het hefoffer dat u de HEERE moet brengen, moet vijfentwintigduizend [el] lang en tienduizend breed zijn. 10Voor de volgende [personen] is het heilige hefoffer bestemd: Voor de priesters: naar het noorden [een lengte van] vijfentwintigduizend [el], naar het westen een breedte van tienduizend [el], naar het oosten een breedte van tienduizend [el] en naar het zuiden een lengte van vijfentwintigduizend [el]. En het heiligdom van de HEERE moet in het midden ervan liggen. 11Het zal bestemd zijn voor de priesters die geheiligd zijn uit de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mij vervuld hebben, die niet afgedwaald zijn toen de Israëlieten afdwaalden, zoals de [andere] Levieten afgedwaald zijn. 12De heffing van het hefoffer van het land zal voor hen allerheiligst zijn, tegen het gebied van de Levieten aan. 13De Levieten zullen, evenwijdig aan het gebied van de priesters, een lengte van vijfentwintigduizend [el] en een breedte van tienduizend [el] krijgen. De totale lengte zal vijfentwintigduizend [el] zijn en de breedte tienduizend [el]. 14Zij mogen er niets van verkopen, niets omruilen en het beste deel van het land mogen zij niet [aan anderen] overdragen, want het is heilig voor de HEERE.

In de verzen 8-148En [grenzend] aan het gebied van Juda, van de oostzijde tot de westzijde, moet het hefoffer liggen dat u moet brengen: vijfentwintigduizend [el] breed en even lang als een van de [andere] delen, van de oostzijde tot de westzijde. Het heiligdom moet in het midden ervan liggen.9Het hefoffer dat u de HEERE moet brengen, moet vijfentwintigduizend [el] lang en tienduizend breed zijn.10Voor de volgende [personen] is het heilige hefoffer bestemd: Voor de priesters: naar het noorden [een lengte van] vijfentwintigduizend [el], naar het westen een breedte van tienduizend [el], naar het oosten een breedte van tienduizend [el] en naar het zuiden een lengte van vijfentwintigduizend [el]. En het heiligdom van de HEERE moet in het midden ervan liggen.11Het zal bestemd zijn voor de priesters die geheiligd zijn uit de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mij vervuld hebben, die niet afgedwaald zijn toen de Israëlieten afdwaalden, zoals de [andere] Levieten afgedwaald zijn.12De heffing van het hefoffer van het land zal voor hen allerheiligst zijn, tegen het gebied van de Levieten aan.13De Levieten zullen, evenwijdig aan het gebied van de priesters, een lengte van vijfentwintigduizend [el] en een breedte van tienduizend [el] krijgen. De totale lengte zal vijfentwintigduizend [el] zijn en de breedte tienduizend [el].14Zij mogen er niets van verkopen, niets omruilen en het beste deel van het land mogen zij niet [aan anderen] overdragen, want het is heilig voor de HEERE. wordt herhaald wat ook in al bij de beschrijving van de tempel is gezegd (Ez 45:1-61Wanneer u het land als erfelijk bezit toewijst, moet u de HEERE een heilig [deel] van het land [als] hefoffer brengen: de lengte moet vijfentwintigduizend [el] zijn en de breedte tienduizend. Dat zal, heel het gebied rond, heilig zijn.2Hiervan zal voor het heiligdom vijfhonderd bij vijfhonderd [el] bestemd zijn, rondom vierkant, en vijftig el weidegrond eromheen.3En met deze maat moet u een lengte van vijfentwintigduizend [el] en een breedte van tienduizend [el] afmeten. Daarin moet dan het heiligdom, het heilige der heiligen, zich bevinden.4Dat zal een heilig [deel] van het land zijn. Het zal bestemd zijn voor de priesters, die [in] het heiligdom dienstdoen, die naderen om de HEERE te dienen. Het zal voor hen dan een plaats zijn voor [woon]huizen en een heilige plaats voor het heiligdom.5En [een deel] van vijfentwintigduizend lang en tienduizend breed zal bestemd zijn voor de Levieten, die dienstdoen [in] het huis. Het zal voor hen als bezit zijn, [bestemd voor] twintig kamers.6U moet [als] bezit van de stad een [deel] van vijfduizend breed en van vijfentwintigduizend lang geven, dicht bij het heilige hefoffer. Het zal bestemd zijn voor heel het huis van Israël.). Hier gebeurt het in verbinding met de verdeling van het land onder de twaalf stammen. De HEERE laat zien dat Hij ook bij de verdeling van het land Zijn recht op het land laat gelden. Als Schepper behoort de hele aarde Hem toe (Ps 24:1-21Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
2Want Híj heeft haar gegrondvest op de zeeën
en haar vastgezet op de rivieren.
)
. Hij zegt ook uitdrukkelijk in de wet dat het land Hem toebehoort (Lv 25:2323Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.). Hij heeft een deel van het land als hefoffer voor Zichzelf bestemd. Dat deel wordt in de eerste plaats toebedeeld aan de priesters (vers 1010Voor de volgende [personen] is het heilige hefoffer bestemd: Voor de priesters: naar het noorden [een lengte van] vijfentwintigduizend [el], naar het westen een breedte van tienduizend [el], naar het oosten een breedte van tienduizend [el] en naar het zuiden een lengte van vijfentwintigduizend [el]. En het heiligdom van de HEERE moet in het midden ervan liggen.). De reden daarvoor is dat zij in directe verbinding met het heiligdom staan waar zij hun dienst verrichten in de tegenwoordigheid van de HEERE.

De priesters worden nader aangeduid als de zonen van Zadok (vers 1111Het zal bestemd zijn voor de priesters die geheiligd zijn uit de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mij vervuld hebben, die niet afgedwaald zijn toen de Israëlieten afdwaalden, zoals de [andere] Levieten afgedwaald zijn.). Zij krijgen deze voortreffelijke plaats vanwege hun uitmuntende trouw aan de HEERE in een tijd dat het hele volk, inclusief de Levieten, van Hem is afgedwaald. Zij krijgen de heffing van het land voor de HEERE toebedeeld dat voor hen “allerheiligst” zal zijn (vers 1212De heffing van het hefoffer van het land zal voor hen allerheiligst zijn, tegen het gebied van de Levieten aan.). Zij hebben zich die positie waardig gemaakt. Hun gebied grenst aan het gebied van de Levieten.

De Levieten krijgen na de priesters een deel van het gebied toegewezen dat als hefoffer aan de HEERE is gegeven (vers 1313De Levieten zullen, evenwijdig aan het gebied van de priesters, een lengte van vijfentwintigduizend [el] en een breedte van tienduizend [el] krijgen. De totale lengte zal vijfentwintigduizend [el] zijn en de breedte tienduizend [el].). Dat gebied loopt evenwijdig aan dat van de priesters. Hun gebied grenst aan het gebied van de priesters en loopt er parallel aan. Geestelijk toegepast wil dit zeggen dat het brengen van offers (priesterdienst) parellel loopt aan het onderwijs dat leraren van het Woord uit de Schrift geven (Levietendienst). Het sluit erop aan en is ermee in overeenstemming.

Aan de Levieten worden niet zozeer hun voorrechten voorgehouden, maar meer hun verantwoordelijkheden (vers 1414Zij mogen er niets van verkopen, niets omruilen en het beste deel van het land mogen zij niet [aan anderen] overdragen, want het is heilig voor de HEERE.). Ze mogen geen enkele actie ondernemen die erop uitloopt dat hun land in andere handen overgaat. Ze moeten zich goed bewust blijven dat hun land “heilig voor de HEERE” is, wat betekent dat ze alleen het vruchtgebruik ervan mogen genieten.


De stad en haar gebied

15Maar de vijfduizend [el] die in de breedte overblijft tegenover de vijfentwintigduizend, dat zal niet-heilig [gebied] zijn, bestemd voor de stad, om erin te wonen en als weidegrond. En de stad moet in het midden ervan liggen. 16Dit zijn de afmetingen ervan: aan de noordzijde vijfenveertighonderd [el], aan de zuidzijde vijfenveertighonderd, aan de oostzijde vijfenveertighonderd en aan de westzijde vijfenveertighonderd. 17En de stad zal weidegrond hebben van tweehonderdvijftig [el] naar het noorden, van tweehonderdvijftig naar het zuiden, van tweehonderdvijftig naar het oosten en van tweehonderdvijftig naar het westen. 18Wat overblijft in de lengte, evenwijdig aan het heilige hefoffer, zal tienduizend [el] naar het oosten en tienduizend naar het westen zijn. Het zal evenwijdig aan het heilige hefoffer zijn. De opbrengst ervan zal bestemd zijn als voedsel voor hen die de stad dienen. 19Wat hen betreft die de stad dienen: zij mogen die uit alle stammen van Israël dienen.

Ook in de verzen 15-1915Maar de vijfduizend [el] die in de breedte overblijft tegenover de vijfentwintigduizend, dat zal niet-heilig [gebied] zijn, bestemd voor de stad, om erin te wonen en als weidegrond. En de stad moet in het midden ervan liggen.16Dit zijn de afmetingen ervan: aan de noordzijde vijfenveertighonderd [el], aan de zuidzijde vijfenveertighonderd, aan de oostzijde vijfenveertighonderd en aan de westzijde vijfenveertighonderd.17En de stad zal weidegrond hebben van tweehonderdvijftig [el] naar het noorden, van tweehonderdvijftig naar het zuiden, van tweehonderdvijftig naar het oosten en van tweehonderdvijftig naar het westen.18Wat overblijft in de lengte, evenwijdig aan het heilige hefoffer, zal tienduizend [el] naar het oosten en tienduizend naar het westen zijn. Het zal evenwijdig aan het heilige hefoffer zijn. De opbrengst ervan zal bestemd zijn als voedsel voor hen die de stad dienen.19Wat hen betreft die de stad dienen: zij mogen die uit alle stammen van Israël dienen. wordt herhaald wat al is gezegd bij de beschrijving van de tempel (Ez 45:7-87En voor de vorst zal [het gebied bestemd] zijn aan de ene kant en aan de andere kant van het heilige hefoffer en van het bezit van de stad, vóór aan het heilige hefoffer en vóór aan het bezit van de stad, aan de westzijde naar het westen, en aan de oostzijde naar het oosten. De lengte komt overeen met een van de delen, van de westgrens tot de oostgrens.8[Dat deel] van het land zal voor hem bestemd zijn als [grond]bezit in Israël. Dan zullen Mijn vorsten Mijn volk niet meer uitbuiten, maar zij zullen het land aan het huis van Israël geven, aan hun stammen.), maar wordt het nu gezegd in verbinding met de verdeling van het land. De stad die in dit gedeelte van het hefoffer voor de HEERE ligt, behoort geen enkele stam speciaal toe, maar is van alle stammen (vers 1919Wat hen betreft die de stad dienen: zij mogen die uit alle stammen van Israël dienen.). Elke stam mag mensen sturen om de stad te dienen. Zo mag het ook in de gemeente zijn. Iedere gelovige mag zijn medegelovige dienen.

De afmetingen van de stad zijn vijfenveertighonderd el in het vierkant (vers 1616Dit zijn de afmetingen ervan: aan de noordzijde vijfenveertighonderd [el], aan de zuidzijde vijfenveertighonderd, aan de oostzijde vijfenveertighonderd en aan de westzijde vijfenveertighonderd.). Om de stad heen ligt een stuk weidegrond van tweehonderdvijftig el aan elke zijde (vers 1717En de stad zal weidegrond hebben van tweehonderdvijftig [el] naar het noorden, van tweehonderdvijftig naar het zuiden, van tweehonderdvijftig naar het oosten en van tweehonderdvijftig naar het westen.), wat het totaal op vijfduizend el (= 2,625 km) in het vierkant brengt (vers 1515Maar de vijfduizend [el] die in de breedte overblijft tegenover de vijfentwintigduizend, dat zal niet-heilig [gebied] zijn, bestemd voor de stad, om erin te wonen en als weidegrond. En de stad moet in het midden ervan liggen.).

Het hele gebied van de stad is vijfentwintigduizend el (= 13,125 km) breed: de stad vijfduizend el (= 2,625 km) met zowel naar het oosten als naar het westen nog een gebied van tienduizend el (= 2x5,25 km) (vers 1818Wat overblijft in de lengte, evenwijdig aan het heilige hefoffer, zal tienduizend [el] naar het oosten en tienduizend naar het westen zijn. Het zal evenwijdig aan het heilige hefoffer zijn. De opbrengst ervan zal bestemd zijn als voedsel voor hen die de stad dienen.). Er wordt de nadruk op gelegd dat het gebied “evenwijdig aan het heilige hefoffer” loopt.


Het heilige hefoffer

20Heel het hefoffer zal vijfentwintigduizend bij vijfentwintigduizend [el] zijn, een vierkant. U moet het heilige hefoffer brengen met inbegrip van het bezit van de stad. 21Wat dan overblijft, zal voor de vorst zijn: [het gebied] aan deze kant en aan de andere kant van het heilige hefoffer en van het bezit van de stad, langs de vijfentwintig duizend [el] van het hefoffer tot de oostgrens, en naar het westen langs de vijfentwintigduizend naar de westgrens, evenwijdig aan de [andere] delen, zal voor de vorst zijn. Het heilig hefoffer en het tempelheiligdom zullen in het midden ervan zijn. 22Afgezien van het bezit van de Levieten en het bezit van de stad, dat ligt te midden van dat wat van de vorst is, zal [het gebied] tussen de grens van Juda en de grens van Benjamin voor de vorst zijn.

Het gebied van het heilige vierkant van vijfentwintigduizend keer vijfentwintigduizend el bevat de in de vorige verzen genoemde drie stroken: voor de priesters (tienduizend el), voor de Levieten (tienduizend el) en voor de stad (vijfduizend el). Omdat van het gebied van de stad staat dat het “niet-heilig” gebied is (vers 1515Maar de vijfduizend [el] die in de breedte overblijft tegenover de vijfentwintigduizend, dat zal niet-heilig [gebied] zijn, bestemd voor de stad, om erin te wonen en als weidegrond. En de stad moet in het midden ervan liggen.; vgl. Ez 42:2020Aan de vier zijden mat Hij het [tempelterrein]. Er liep een muur, helemaal rondom, [met] een lengte van vijfhonderd [el] en een breedte van vijfhonderd [el], om onderscheid te maken tussen het heilige en het onheilige.), wordt hier nog nadrukkelijk gezegd dat de stad én het gebied van de stad wel bij het “heilige hefoffer” horen (vers 2020Heel het hefoffer zal vijfentwintigduizend bij vijfentwintigduizend [el] zijn, een vierkant. U moet het heilige hefoffer brengen met inbegrip van het bezit van de stad.).

Er is nog een gebied ten westen en een gebied ten oosten van het heilige vierkante gebied dat als hefoffer voor de HEERE bestemd is (vers 2121Wat dan overblijft, zal voor de vorst zijn: [het gebied] aan deze kant en aan de andere kant van het heilige hefoffer en van het bezit van de stad, langs de vijfentwintig duizend [el] van het hefoffer tot de oostgrens, en naar het westen langs de vijfentwintigduizend naar de westgrens, evenwijdig aan de [andere] delen, zal voor de vorst zijn. Het heilig hefoffer en het tempelheiligdom zullen in het midden ervan zijn.). Deze beide gebieden zijn voor de vorst. Het heilig hefoffer en het tempelheiligdom liggen tussen de beide gebieden van de vorst in, wat diens directe betrokkenheid aantoont.

Ook de locatie “van het bezit van de Levieten en het bezit van de stad” wordt aan het gebied van de vorst verbonden. Er wordt gezegd dat het “ligt te midden van dat wat van de vorst is” (vers 2222Afgezien van het bezit van de Levieten en het bezit van de stad, dat ligt te midden van dat wat van de vorst is, zal [het gebied] tussen de grens van Juda en de grens van Benjamin voor de vorst zijn.). Dit geeft aan dat er een nauwe verbinding is tussen het gebied van de vorst en dat van de Levieten en het volk.


Nieuwe verdeling van het zuiden

23Vervolgens de overige stammen, van de oostzijde tot de westzijde: Benjamin één [gebied]. 24En [grenzend] aan het gebied van Benjamin, van de oostzijde tot de westzijde: Simeon één [gebied]. 25En [grenzend] aan het gebied van Simeon, van de oostzijde tot de westzijde: Issaschar één [gebied]. 26En [grenzend] aan het gebied van Issaschar, van de oostzijde tot de westzijde: Zebulon één [gebied]. 27En [grenzend] aan het gebied van Zebulon, van de oostzijde tot de westzijde: Gad één [gebied]. 28En [grenzend] aan het gebied van Gad, aan de zuidzijde naar het zuiden, ligt dan het gebied van Tamar, [naar] het water van Meribath-Kades, [langs] het beekdal tot aan de Grote Zee. 29Dit is het land dat u de stammen van Israël als erfelijk bezit moet doen toevallen, en dit zal het land zijn dat hun toebedeeld is, spreekt de Heere HEERE.

In de verzen 23-2823Vervolgens de overige stammen, van de oostzijde tot de westzijde: Benjamin één [gebied].24En [grenzend] aan het gebied van Benjamin, van de oostzijde tot de westzijde: Simeon één [gebied].25En [grenzend] aan het gebied van Simeon, van de oostzijde tot de westzijde: Issaschar één [gebied].26En [grenzend] aan het gebied van Issaschar, van de oostzijde tot de westzijde: Zebulon één [gebied].27En [grenzend] aan het gebied van Zebulon, van de oostzijde tot de westzijde: Gad één [gebied].28En [grenzend] aan het gebied van Gad, aan de zuidzijde naar het zuiden, ligt dan het gebied van Tamar, [naar] het water van Meribath-Kades, [langs] het beekdal tot aan de Grote Zee. volgt nu de verdeling van het land van de overige vijf stammen. Deze stammen liggen ten zuiden van het heiligdom en het gebied dat als hefoffer voor de HEERE is. Evenals de stammen ten noorden ervan krijgen ook deze stammen een strook land over de hele breedte van het land, van oost naar west. Ook deze stammen worden genoemd in volgorde van noord naar zuid.

De verdeling van het erfelijk bezit van de stammen van Israël besluit met de opmerking dat elke stam zijn gebied toevalt en toebedeeld wordt (vers 2929Dit is het land dat u de stammen van Israël als erfelijk bezit moet doen toevallen, en dit zal het land zijn dat hun toebedeeld is, spreekt de Heere HEERE.). Op welke wijze het doen toevallen van het erfelijk bezit gebeurt, wordt niet vermeld.

Voor ons is het ook belangrijk het deel te aanvaarden dat ons is toebedeeld door de Heer en Zijn Geest en daarbij vervolgens ook te blijven (Rm 12:33Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik aan ieder die onder u is, dat hij [van zichzelf] niet hoger moet denken dan het behoort, maar dat hij bescheiden moet denken, zoals God aan ieder een maat van geloof heeft toebedeeld.; 1Ko 12:14,18-20,2714Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid maar uit vele [leden].18Maar nu heeft God de leden, elk van hen, in het lichaam gesteld zoals Hij heeft gewild.19Waren zij alle één lid, waar zou het lichaam zijn?20Maar nu zijn er vele leden, maar het lichaam is één.27En u bent [het] lichaam van Christus en ieder afzonderlijk leden.; 2Ko 10:12-1812Want wij durven ons niet rekenen tot of vergelijken met sommigen van hen die zichzelf aanbevelen; maar dezen, terwijl zij zichzelf naar zichzelf afmeten en zichzelf met zichzelf vergelijken, zijn onverstandig.13Maar wij zullen niet roemen buiten de maat; maar naar de maat van het arbeidsterrein dat God ons als maat heeft toebedeeld, om ook u te bereiken.14Want wij strekken onszelf niet te ver uit, alsof wij u niet bereikten (want wij zijn ook tot aan u gekomen in het evangelie van Christus);15terwijl wij niet roemen buiten de maat op [de] arbeid van anderen, maar hopen dat, naarmate uw geloof toeneemt, wij onder u meer aanzien zullen krijgen in overeenstemming met ons arbeidsterrein, om nog overvloediger,16in de [streken] verder dan u, het evangelie te verkondigen; niet om te roemen in [het] arbeidsterrein van een ander over wat bereikt is.17Maar ‘wie roemt, laat hij roemen in [de] Heer’.18Want niet wie zichzelf aanbeveelt, maar die de Heer aanbeveelt, die is beproefd [bevonden].; Ef 4:77Maar aan ieder van ons is de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus.). Wanneer wij ons houden aan wat wij aan geestelijke gaven hebben ontvangen, wat de Heer ons heeft toebedeeld, zal ons dat enerzijds voor laksheid en anderzijds voor heersen over anderen bewaren. Het houdt in dat we anderen respecteren in wat hun gegeven is. We mogen dienen met wat we zelf hebben gekregen en we mogen ons laten dienen door wat anderen hebben gekregen.


De poorten van de stad

30Dit zijn de uitgangen van de stad: aan de noordzijde is de maat vijfenveertighonderd [el]. 31De poorten van de stad zullen overeenkomstig de namen zijn van de stammen van Israël: drie poorten naar het noorden: één de Rubenpoort, één de Judapoort [en] één de Levipoort. 32En aan de oostzijde is [de maat] vijfenveertighonderd [el], met drie poorten: namelijk één de Jozefpoort, één de Benjaminpoort [en] één de Danpoort. 33De zuidzijde: de maat is vijfenveertighonderd [el], met drie poorten: één de Simeonpoort, één de Issascharpoort [en] één de Zebulonpoort. 34De westzijde: vijfenveertighonderd [el, met] drie bijbehorende poorten: één de Gadpoort, één de Aserpoort [en] één de Naftalipoort.

De beschrijving van de tempel en het land in het vrederijk besluit met een beschrijving van “de uitgangen van de stad” en de vermelding dat “aan de noordzijde … de maat vijfenveertighonderd” el lang is (vers 3030Dit zijn de uitgangen van de stad: aan de noordzijde is de maat vijfenveertighonderd [el].). Deze lengte geldt vervolgens ook voor de oostzijde (vers 3232En aan de oostzijde is [de maat] vijfenveertighonderd [el], met drie poorten: namelijk één de Jozefpoort, één de Benjaminpoort [en] één de Danpoort.), de zuidzijde (vers 3333De zuidzijde: de maat is vijfenveertighonderd [el], met drie poorten: één de Simeonpoort, één de Issascharpoort [en] één de Zebulonpoort.) en de westzijde (vers 3434De westzijde: vijfenveertighonderd [el, met] drie bijbehorende poorten: één de Gadpoort, één de Aserpoort [en] één de Naftalipoort.). Op de uitgangen, die vervolgens “poorten” worden genoemd, staan “de namen … van de stammen van Israël”, dat wil zeggen van alle twaalf stammen (vers 31a31De poorten van de stad zullen overeenkomstig de namen zijn van de stammen van Israël: drie poorten naar het noorden: één de Rubenpoort, één de Judapoort [en] één de Levipoort.; vgl. Op 21:1212Zij had een grote en hoge muur, zij had twaalf poorten en aan de poorten twaalf engelen en daarop namen geschreven, welke <de namen> van de twaalf stammen van [de] zonen van Israël zijn.). Dat geeft aan dat de stad het eigendom is van alle twaalf stammen. Het is de stad van het ware volk van God. De stad is de hoofdstad van alle stammen. Dat er sprake is van “uitgangen”, bepaalt ons erbij dat de stad het centrum van zegen is van waaruit naar elke stam zegen gaat.

De opsomming van de uitgangen (verzen 30-3430Dit zijn de uitgangen van de stad: aan de noordzijde is de maat vijfenveertighonderd [el].31De poorten van de stad zullen overeenkomstig de namen zijn van de stammen van Israël: drie poorten naar het noorden: één de Rubenpoort, één de Judapoort [en] één de Levipoort.32En aan de oostzijde is [de maat] vijfenveertighonderd [el], met drie poorten: namelijk één de Jozefpoort, één de Benjaminpoort [en] één de Danpoort.33De zuidzijde: de maat is vijfenveertighonderd [el], met drie poorten: één de Simeonpoort, één de Issascharpoort [en] één de Zebulonpoort.34De westzijde: vijfenveertighonderd [el, met] drie bijbehorende poorten: één de Gadpoort, één de Aserpoort [en] één de Naftalipoort.) begint met de noordzijde, net zoals dat gebeurt met de stammen van het land (verzen 1-71Dit zijn de namen van de stammen: Van het uiterste noorden, langs de weg van Hethlon, Lebo-Hamath [en] Hazar-Enon, de grens van Damascus, naar het noorden langs Hamath, dat zal [Dan van] de oostzijde [tot] de west[zijde] toebehoren: Dan één [gebied].2En [grenzend] aan het gebied van Dan, van de oostzijde tot de westzijde: Aser één [gebied].3En [grenzend] aan het gebied van Aser, van de oostzijde tot de westzijde: Naftali één [gebied].4En [grenzend] aan het gebied van Naftali, van de oostzijde tot de westzijde: Manasse één [gebied].5En [grenzend] aan het gebied van Manasse, van de oostzijde tot de westzijde: Efraïm één [gebied].6En [grenzend] aan het gebied van Efraïm, van de oostzijde tot de westzijde: Ruben één [gebied].7En [grenzend] aan het gebied van Ruben, van de oostzijde tot de westzijde: Juda één [gebied].). Elk van de vier zijden van de stad heeft drie uitgangen, zodat de hele stad er twaalf heeft. Opmerkelijk is dat er sprake is van “de Levipoort” (vers 3131De poorten van de stad zullen overeenkomstig de namen zijn van de stammen van Israël: drie poorten naar het noorden: één de Rubenpoort, één de Judapoort [en] één de Levipoort.). Dat kan, omdat er ook een “Jozefpoort” is (vers 3232En aan de oostzijde is [de maat] vijfenveertighonderd [el], met drie poorten: namelijk één de Jozefpoort, één de Benjaminpoort [en] één de Danpoort.), waarin de stammen Efraïm en Manasse, de zonen van Jozef, samengevoegd zijn.

De opsomming begint met de “drie poorten naar het noorden: één de Rubenpoort, één de Judapoort [en] één de Levipoort” (vers 31b31De poorten van de stad zullen overeenkomstig de namen zijn van de stammen van Israël: drie poorten naar het noorden: één de Rubenpoort, één de Judapoort [en] één de Levipoort.). De namen die worden genoemd, zijn die van de zonen van Lea. Zij worden in de zegen van Mozes ook het eerst genoemd (Dt 33:6-86Moge Ruben leven en niet sterven,
en mogen zijn mannen [groot] in aantal zijn!7Dit betreft Juda; hij zei:
Luister, HEERE, naar de stem van Juda!
Breng hem terug bij zijn volk,
laten zijn handen [sterk] genoeg voor hem zijn,
en wees [hem] een hulp tegen zijn tegenstanders!8Over Levi zei hij:
Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling;
U stelde hem op de proef in Massa,
U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba.
)
. Ruben is de eerstgeborene in leeftijd, Juda is de koningsstam en Levi is door God gekozen om Hem te dienen in plaats van de eerstgeborenen.

Dan volgen de poorten aan de oostzijde: “één de Jozefpoort, één de Benjaminpoort [en] één de Danpoort” (vers 3232En aan de oostzijde is [de maat] vijfenveertighonderd [el], met drie poorten: namelijk één de Jozefpoort, één de Benjaminpoort [en] één de Danpoort.). Jozef en Benjamin zijn de twee zonen van Rachel. Dan is de oudste zoon van de slavin van Rachel.

Vervolgens worden de namen van de poorten aan de zuidzijde genoemd: “één de Simeonpoort, één de Issascharpoort [en] één de Zebulonpoort” (vers 3333De zuidzijde: de maat is vijfenveertighonderd [el], met drie poorten: één de Simeonpoort, één de Issascharpoort [en] één de Zebulonpoort.). Dit zijn de namen van de drie andere zonen van Lea.

Als laatste krijgen we de namen van de poorten aan de westzijde: “één de Gadpoort, één de Aserpoort [en] één de Naftalipoort”. Dit zijn de namen van de drie andere zonen van de twee slavinnen.


De naam van de stad

35Achttienduizend [el] rondom. En de naam van de stad zal vanaf [die] dag zijn: DE HEERE IS DAAR.

Nadat de namen van de poorten van de stad, die van heel Israël is, zijn genoemd, krijgt de stad ten slotte zelf een naam. Door die naam wordt de stad verheven tot de hoogste staat, de staat van de stad van God. In de laatste woorden van dit boek wordt in de naam van de stad het doel dat Gods met Israël en met de mensheid heeft, prachtig samengevat.

Zoals God in het midden van het verzamelde en vernieuwde Israël zal wonen, zo zal het ook in de eeuwigheid zijn. Dan zal God bij de mensen op de nieuwe aarde wonen (Op 21:33En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.). In de tijd van de gemeente op aarde, dat is nu, woont God door Zijn Geest in Zijn verlosten (Rm 8:1111En als de Geest van Hem Die Jezus uit [de] doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij Die Christus uit [de] doden heeft opgewekt, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door Zijn Geest Die in u woont.) en in Zijn gemeente (Ef 2:2222in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.).

Opmerkelijk is nog dat in Ezechiël 40-48 de naam Jeruzalem niet wordt genoemd. Er wordt gesproken over “de stad”. Het is Jeruzalem in het vrederijk, een Jeruzalem zonder muren, want de HEERE Zelf zal een muur van vuur rondom haar zijn (Zc 2:4-54En Hij zei tegen hem: Loop snel, spreek tot die jongeman en zeg:
Jeruzalem zal niet ommuurd blijven,
vanwege de veelheid aan mensen en dieren in haar midden.5En Ík zal voor haar zijn, spreekt de HEERE,
een muur van vuur rondom,
en Ik zal in haar midden tot heerlijkheid zijn.
)
. De stad doet denken aan de stad die Abraham in het geloof verwachtte: “De stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is” (Hb 11:1010want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is.). De naam van de stad lezen we hier: “DE HEERE IS DAAR”. Zijn Naam is voor altijd aan die stad verbonden.

Summier overzicht toekomstige gebeurtenissen

Inleiding

Onderstaand overzicht is niet meer dan een poging aan de hand van een aantal Schriftgegevens een volgorde te ontdekken in de gebeurtenissen in de eindtijd. Het gaat om gebeurtenissen die direct voorafgaan aan en direct volgen op de grote gebeurtenis van de komst van de Heer Jezus. De plaatsen van handeling zijn Israël en de landen daaromheen ofwel het Midden-Oosten.

Het onderstaande overzicht pretendeert niet te zeggen dat de volgorde precies zo is als daarin wordt weergegeven. Soms vallen gebeurtenissen samen, soms liggen gebeurtenissen zo dicht bij elkaar, dat het moeilijk is om vast te stellen wat de juiste volgorde is. Wel is er een algemene lijn te ontdekken in “wat spoedig moet gebeuren” (Op 1:11Openbaring van Jezus Christus, die God Hem heeft gegeven om Zijn slaven te tonen wat spoedig moet gebeuren; en Hij heeft die door Zijn engel gezonden en aan Zijn slaaf Johannes te kennen gegeven.).

Voor een gezonde studie van de profetie geeft Petrus aan het slot van hoofdstuk 1 van zijn tweede brief nog een belangrijke aanwijzing: “Weet dit eerst, dat geen profetie van [de] Schrift een eigen uitlegging heeft.” Hij zegt hier dat we in de eerste plaats (“weet dit eerst”) een profetie niet op zichzelf moeten bekijken, maar altijd in verbinding met andere profetieën. Dit betekent dat we altijd Schrift met Schrift moeten vergelijken.

Als we dat niet doen, is het gevaar groot dat we het profetische woord gaan manipuleren en naar onze eigen hand gaan zetten. We gaan het dan verklaren zoals het ons het beste uitkomt. De vervulling van de profetieën gebeurt op de wijze die in het Woord wordt vermeld en niet volgens eigen opvattingen. Dat betekent ook dat we de tekstverwijzingen ook moeten zien in het verband van het bijbelboek waarin ze staan.

Het is dan ook zeer aan te bevelen om de teksten waarnaar na ieder punt wordt verwezen, na te lezen: “Zoek het na in het boek van de HEERE en lees” (Js 34:1616Zoek het na in het boek van de HEERE en lees:
niet één van hen zal er ontbreken,
zij zullen elkaar niet missen,
want Mijn mond heeft het zelf geboden
en Zijn Geest Zelf zal hen bijeenbrengen.
)
. In veel gevallen zijn er nog meer teksten die het betreffende punt kunnen verduidelijken, maar de genoemde teksten spreken m.i. het duidelijkst.

Het middelpunt van de profetie is een Persoon: de Messias. Het gaat om Zijn komst in de wereld. De Schrift laat ons twee komsten van de Messias zien. Zijn eerste komst ligt achter ons. Hij is gekomen als de lijdende Messias. Zijn tweede komst ligt voor ons. Hij komt als de heersende Messias. De sleutel voor het juist begrijpen van de profetieën is Christus en Zijn lijden en de heerlijkheid die komt, want “het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie” (Op 19:10b10En ik viel voor zijn voeten neer om hem te aanbidden; en hij zei tegen mij: Zie toe, [doe dit] niet; ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie.).

Overzicht

1. Hoewel het nu geen toekomstige gebeurtenis meer is, is de oprichting van de staat Israël, in 1948, dat lange tijd wel geweest. Er wordt door de profeten over geschreven. De oprichting, in ongeloof, maar door de voorzienigheid van God, is een bewijs van de waarheid van het profetische Woord (Js 18:1-81Wee het land van vleugelgegons,
dat aan de overkant van de rivieren van Cusj is,2dat gezanten zendt over de zee,
en in boten van biezen over het water.
Ga, snelle boden,
naar een volk, getrokken en geplukt,
een volk, gevreesd van toen af en daarna,
een volk van regel op regel en van vertrapping,
bij wie rivieren zijn land beroven.3Alle inwoners van de wereld
en bewoners van de aarde,
wanneer men de banier omhoogheft op de bergen, zult u het zien;
en wanneer men [op] de bazuin blaast, zult u het horen!4Ja, zo heeft de HEERE tegen mij gezegd:
Ik zal rustig toezien vanuit Mijn [woon]plaats,
als de zinderende hitte bij [zon]licht,
als een nevel van dauw in de hitte van de oogst[tijd].5Ja, vóór de oogst, als de bloei voorbij is
en de bloesem een rijpende druif wordt,
zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden
en de takken wegnemen [en] afkappen.
6Ze zullen tezamen overgelaten worden aan de roofvogels van de bergen
en aan de dieren op de aarde.
De roofvogels zullen er de zomer doorbrengen,
en alle dieren op de aarde de winter.7In die tijd zullen aan de HEERE van de legermachten geschenken worden gebracht door een volk, getrokken en geplukt, een volk, gevreesd van toen af en daarna, een volk van regel op regel en van vertrapping – rivieren beroven zijn land – naar de plaats van de Naam van de HEERE van de legermachten, de berg Sion.
; Ez 37:1-141De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet [het]!4Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.5Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.6Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.7Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, [elk] been bij het bijbehorende been.8En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.9Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier wind[streken] en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.10Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.11Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden!12Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land van Israël.13Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven open en als Ik u uit uw graven doe oprijzen, Mijn volk.14Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, [dit] gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.)
.
NB Voordat de hierna genoemde gebeurtenissen zullen plaatsvinden, wordt eerst de gemeente opgenomen. Deze gebeurtenis wordt nergens in de profetieën genoemd. De opname van de gemeente, waarin geen onderscheid is tussen Jood en heiden (Ef 2:1414Want Hij is onze vrede, Die die beiden een gemaakt en de scheidsmuur van de omheining weggebroken heeft,; Ko 3:1111Daarin is niet Griek en Jood, besnijdenis en onbesnedenheid, barbaar, Scyth, slaaf, vrije; maar Christus is alles en in allen.), is in het Oude Testament een verborgenheid (1Th 4:14-1814Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en opgestaan, evenzeer zal God ook de door Jezus ontslapenen met Hem brengen.15(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.18Vertroost daarom elkaar met deze woorden.); 1Ko 15:51-5451Zie, ik zeg u een verborgenheid. Wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,52in een ondeelbaar [ogenblik], in een oogwenk, bij de laatste bazuin; want de bazuin zal klinken, en de doden zullen onvergankelijk worden opgewekt en wij zullen veranderd worden.53Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen.54En wanneer dit vergankelijke onvergankelijkheid zal aandoen, en dit sterfelijke onsterfelijkheid zal aandoen, dan zal het woord uitkomen dat geschreven staat: ‘De dood is verslonden tot overwinning’.).
2. Een afvallig staatshoofd, de antichrist, krijgt de macht in Israël (Jh 5:4343Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen.; Dn 11:36-3936Die koning zal handelen naar eigen goeddunken. Hij zal zich verheffen en zich groot maken boven elke god. Hij zal tegen de God der goden wonderlijke dingen spreken. Hij zal voorspoedig zijn tot de gramschap voltrokken is. Want wat vast besloten is, zal gebeuren.37En hij zal op de goden van zijn vaderen zijn aandacht niet richten, ook niet op het verlangen van de vrouwen. Hij zal ook zijn aandacht op geen enkele god richten, maar zichzelf boven alles groot maken.38En hij zal de god van de vestingen in zijn standplaats eren. Hij zal namelijk de god die zijn vaderen niet gekend hebben, eren met goud, met zilver, met edelgesteente en met kostbaarheden.39Hij zal versterkte vestingen maken met een vreemde god. Hen die hij zal kennen, zal hij in aanzien laten toenemen en hen laten heersen over velen en hij zal het land uitdelen als beloning.; Js 30:3333Want de verbrandingsplaats is al eerder gereedgemaakt,
ook voor de koning is hij in gereedheid gebracht. Hij heeft hem diep gemaakt en wijd.
Voor zijn brandstapel is er vuur en hout in overvloed.
De adem van de HEERE zal hem aansteken als een zwavelstroom.
; Zc 11:15-1715De HEERE zei tegen mij: Neem u nogmaals de uitrusting van een dwaze herder.16Want zie, Ik zal een herder in het land doen opstaan: naar wat [dreigt] uitgeroeid te worden, zal hij niet omzien, de jonge [dieren] zal hij niet gaan zoeken, wat gebroken is, zal hij niet genezen, wat [nog] overeind staat, zal hij niet verzorgen, maar hij zal het vlees van de vette [dieren] eten en hun hoeven zal hij afrukken.
17Wee de herder van niets,
die de kudde in de steek laat!
Het zwaard zal zijn arm [treffen]
en zijn rechteroog.
Zijn arm zal helemaal verstijven,
zijn rechteroog zal helemaal dof worden.
; 1Jh 2:18,2218Kinderen, het is [het] laatste uur; en zoals u hebt gehoord dat [de] antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het [het] laatste uur is.22Wie is de leugenaar dan hij die loochent dat Jezus de Christus is? Deze is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent.)
.
3. De antichrist sluit een beschermend verbond met de Europese Unie (Dn 9:2727Hij zal voor velen het verbond versterken,
één week [lang].
Halverwege de week
zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.
; Js 28:14-1514Daarom, hoor het woord van de HEERE,
[u,] spotters,
[u,] heersers over dit volk
dat in Jeruzalem is!
15Omdat u zegt: Wij hebben
een verbond gesloten met de dood,
en met het rijk van de dood
zijn wij een verdrag aangegaan,
wanneer de [alles] wegspoelende gesel voorbijtrekt,
komt hij niet bij ons,
want van de leugen hebben wij ons toevluchtsoord gemaakt
en in het bedrog hebben wij ons verborgen,
; 57:9-119U reist met olie naar de koning
en u vermeerdert uw welriekende zalven.
U zendt uw gezanten ver weg
en vernedert u tot de hel toe.10Door uw grote reis bent u afgemat,
[maar] u zegt niet: Er is geen hoop [meer].
U hebt [nieuwe] levenskracht gevonden,
daarom bent u niet verzwakt.
11Maar voor wie bent u beducht of bevreesd geweest?
U hebt immers gelogen
en hebt aan Mij niet gedacht,
[Ik] ben u niet ter harte gegaan.
Is het niet [om]dat Ik heb gezwegen, en dat van oude tijden af,
dat u Mij niet vreest?
; Op 13:11-1311En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.13En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.)
.
4. De dictator van West-Europa wordt in Israël tot een afgod gemaakt (Mt 24:1515Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan in [de] heilige plaats, – laat hij die het leest, erop letten! –; 2Th 2:44die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.; Op 13:11-1811En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.13En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel laat neerdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen.14En het misleidt hen die op de aarde wonen, door de tekenen die hem gegeven zijn te doen in tegenwoordigheid van het beest, en het zegt tegen hen die op de aarde wonen, dat zij voor het beest dat de wond van het zwaard had en [weer] leefde, een beeld moesten maken.15En het werd hem gegeven aan het beeld van het beest adem te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken en maken dat allen die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood zouden worden.16En het maakt dat men aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd;17<en> dat niemand kan kopen of verkopen dan wie het merkteken heeft: de naam van het beest of het getal van zijn naam.18Hier is de wijsheid. Wie verstand heeft, laat die het getal van het beest berekenen, want het is [het] getal van een mens, en zijn getal is zeshonderdzesenzestig.).
5. De koning van het zuiden (Egypte) trekt tegen Israël op (Dn 11:4040Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.).
6. De Assyriërs overspoelen Israël. God gebruikt hen als Zijn roede om Zijn afvallige volk te tuchtigen; ze worden daarbij gesteund door Gog (Rusland) (Js 8:5-85De HEERE sprak opnieuw tot mij:
6Omdat dit volk versmaadt
de zacht stromende wateren van Siloah,
en er vreugde is bij Rezin en de zoon van Remalia,
7daarom, zie, doet de Heere over hen opkomen
de machtige, geweldige wateren van de rivier [de Eufraat],
[namelijk] de koning van Assyrië met al zijn luister.
Deze zal buiten al zijn stroom[beddingen] treden,
en over al zijn oevers heenstromen.
8Hij dringt door tot in Juda, overspoelt het, trekt [er] doorheen,
hij reikt tot aan de hals,
en zijn uitgebreide vleugels
zullen de volle breedte van Uw land innemen, Immanuel!
; 10:5,28-325Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
28Hij komt naar Ajath,
trekt Migron door,
te Michmas legt hij zijn uitrusting af.
29Dan trekken zij de bergpas door:
Geba is ons nachtkwartier!
Rama beeft;
Gibea, [de stad] van Saul, slaat op de vlucht.
30Gil het uit, dochter van Gallim!
Laïs, sla er acht op!
Arm Anathoth!
31Madmena vlucht,
de inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid.
32Vandaag nog staat hij in Nob
[en] zwaait met zijn vuist tegen de berg van de dochter van Sion,
de heuvel van Jeruzalem.
; 28:2,14-192Zie, de Heere heeft iemand die sterk en machtig is
als een hagelstorm, een storm van verderf.
Zoals een vloed van geweldige, [alles] wegspoelende wateren
werpt hij ze hardhandig ter aarde.
14Daarom, hoor het woord van de HEERE,
[u,] spotters,
[u,] heersers over dit volk
dat in Jeruzalem is!
15Omdat u zegt: Wij hebben
een verbond gesloten met de dood,
en met het rijk van de dood
zijn wij een verdrag aangegaan,
wanneer de [alles] wegspoelende gesel voorbijtrekt,
komt hij niet bij ons,
want van de leugen hebben wij ons toevluchtsoord gemaakt
en in het bedrog hebben wij ons verborgen,
16daarom, zo zegt
de Heere HEERE:
Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag,
een beproefde steen,
een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is.
Wie gelooft, zal zich niet [weg]haasten.
17Ik stel het recht tot meetlint,
en de gerechtigheid tot paslood.
De hagel zal het toevluchtsoord van de leugen wegvagen,
het water zal de schuilplaats overspoelen.
18Dan zal uw verbond met de dood tenietgedaan worden,
uw verdrag met het rijk van de dood zal geen stand houden.
Trekt de [alles] wegspoelende gesel voorbij,
dan zult u door hem afgeranseld worden.
19Zo dikwijls als hij voorbijtrekt,
zal hij u grijpen;
ja, ochtend na ochtend zal hij voorbijtrekken,
bij dag en bij nacht.
Het zal gebeuren dat het begrijpen van het bericht
slechts beroering teweeg zal brengen.
; Dn 9:2727Hij zal voor velen het verbond versterken,
één week [lang].
Halverwege de week
zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.
; Zc 14:1-21Zie, er komt een dag voor de HEERE waarop de buit, [op] u [behaald], in uw midden zal worden verdeeld.2Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad.; Dn 8:2424Zijn kracht zal machtig worden, maar niet door eigen kracht.
Op wonderlijke wijze zal hij verderf aanrichten,
het zal [hem] lukken, hij zal [het] doen.
Machtigen zal hij te gronde richten,
ook het heilige volk.
)
.
7.De Assyriërs nemen Jeruzalem in en ook Egypte wordt overrompeld (Js 10:2424Daarom, zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Wees niet bevreesd, Mijn volk dat in Sion woont, voor Assyrië, wanneer het u met de staf zal slaan of zijn stok tegen u zal opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed., 32; 28:14-1914Daarom, hoor het woord van de HEERE,
[u,] spotters,
[u,] heersers over dit volk
dat in Jeruzalem is!
15Omdat u zegt: Wij hebben
een verbond gesloten met de dood,
en met het rijk van de dood
zijn wij een verdrag aangegaan,
wanneer de [alles] wegspoelende gesel voorbijtrekt,
komt hij niet bij ons,
want van de leugen hebben wij ons toevluchtsoord gemaakt
en in het bedrog hebben wij ons verborgen,
16daarom, zo zegt
de Heere HEERE:
Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag,
een beproefde steen,
een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is.
Wie gelooft, zal zich niet [weg]haasten.
17Ik stel het recht tot meetlint,
en de gerechtigheid tot paslood.
De hagel zal het toevluchtsoord van de leugen wegvagen,
het water zal de schuilplaats overspoelen.
18Dan zal uw verbond met de dood tenietgedaan worden,
uw verdrag met het rijk van de dood zal geen stand houden.
Trekt de [alles] wegspoelende gesel voorbij,
dan zult u door hem afgeranseld worden.
19Zo dikwijls als hij voorbijtrekt,
zal hij u grijpen;
ja, ochtend na ochtend zal hij voorbijtrekken,
bij dag en bij nacht.
Het zal gebeuren dat het begrijpen van het bericht
slechts beroering teweeg zal brengen.
; Dn 11:40-4340Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].; Zc 14:1-41Zie, er komt een dag voor de HEERE waarop de buit, [op] u [behaald], in uw midden zal worden verdeeld.2Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad.3Dan zal de HEERE uittrekken en tegen die heidenvolken strijden, zoals de dag dat Hij streed, op de dag van de strijd.4Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.)
.
8. De Europese legers snellen Israël te hulp vanwege het verbond tussen de dictator van Europa en de antichrist(Op 16:13-1613En ik zag uit de mond van de draak en uit de mond van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten [komen] als kikkers;14want het zijn geesten van demonen die tekenen doen [en] die uitgaan naar de koningen van het hele aardrijk, om hen te verzamelen tot de oorlog van de grote dag van God de Almachtige.15Zie, Ik kom als een dief. Gelukkig hij die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandelt en men zijn schaamte niet ziet.16En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.; 17:7-147En de engel zei tegen mij: Waarom hebt u zich verwonderd? Ik zal u de verborgenheid van de vrouw zeggen en van het beest, dat haar draagt, dat de zeven koppen en de tien horens heeft.8Het beest dat u gezien hebt, was en is niet en zal uit de afgrond opstijgen en ten verderve gaan; en zij die op de aarde wonen, van wie de naam van [de] grondlegging van [de] wereld af niet geschreven is in het boek van het leven, zullen zich verwonderen als zij het beest zien, dat het was en niet is en zal zijn.9Hier is het verstand dat wijsheid heeft: de zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw zit.10Ook zijn het zeven koningen: vijf zijn gevallen, de ene is er, de andere is nog niet gekomen, en wanneer hij komt, moet hij een korte tijd blijven.11En het beest dat was en niet is, is ook zelf [de] achtste, en het is uit de zeven en gaat ten verderve.12En de tien horens die u hebt gezien, zijn tien koningen, die nog geen koninkrijk ontvangen hebben, maar één uur gezag als koningen ontvangen met het beest.13Dezen hebben enerlei bedoeling en geven hun macht en gezag aan het beest.14Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, en het Lam zal hen overwinnen – want Hij is Heer van [de] heren en Koning van [de] koningen – en zij die met Hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen.; 19:1919En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.).
9. De Heer Jezus daalt neer op de Olijfberg en trekt als een Held tegen Zijn vijanden ten strijde; dit is het begin van Zijn Davids regering (Zc 14:3-73Dan zal de HEERE uittrekken en tegen die heidenvolken strijden, zoals de dag dat Hij streed, op de dag van de strijd.4Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.5Dan zult u vluchten [door] het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevlucht bent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de HEERE, mijn God, komen: al de heiligen met U!6Op die dag zal het geschieden
dat het kostbare licht er niet zal zijn,
[evenmin] de dikke duisternis.
7Maar er zal één dag zijn,
die de HEERE bekend zal zijn,
geen dag en geen nacht.
Het zal geschieden ten tijde van de avond
dat het licht blijft.
; Hd 1:1111die ook zeiden: Galilese mannen, wat staat u naar de hemel te kijken? Deze Jezus Die van u is opgenomen naar de hemel, zal zó komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.; Ko 3:44Wanneer Christus, uw leven, geopenbaard wordt, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.)
.
10. De Europese legers worden in het noorden van Israël, in Harmagedon, door Christus vernietigd (Op 17:1414Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam, en het Lam zal hen overwinnen – want Hij is Heer van [de] heren en Koning van [de] koningen – en zij die met Hem zijn, geroepenen en uitverkorenen en getrouwen.; 19:11-1911En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.12En Zijn ogen zijn <als> een vuurvlam en op Zijn hoofd zijn vele diademen en Hij heeft een geschreven Naam, die niemand kent dan Hijzelf.13En Hij is bekleed met een in bloed gedoopt kleed, en Zijn Naam wordt genoemd: het Woord van God.14En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen.15En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn heup een geschreven naam: Koning van [de] koningen en Heer van [de] heren.17En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.19En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.; Dn 2:3434[Dit] zag u totdat er, niet door [mensen]handen, een steen werd afgehouwen. Die trof dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en verbrijzelde die., 35, 44, 45; 7:7-147Daarna zag ik in de nachtvisioenen, en zie, het vierde dier was schrikwekkend, gruwelijk, en uitzonderlijk sterk. Het had grote ijzeren tanden. Het at en verbrijzelde, en de rest vertrapte het met zijn poten. Het verschilde van al de dieren die ervoor geweest waren. En het had tien horens.8Terwijl ik op de horens lette, zie, een andere, kleine, horen rees daartussen op. Drie van de eerdere horens werden voor hem uitgerukt. En zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.9Ik bleef kijken,
totdat er tronen werden geplaatst,
en de Oude van dagen Zich neerzette.
Zijn kleed was wit als sneeuw
en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol.
Zijn troon waren vuurvlammen
en de wielen ervan waren laaiend vuur.
10Een rivier van vuur stroomde
en ging voor Zijn aangezicht uit.
Duizendmaal duizenden dienden Hem
en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Zijn aangezicht.
Het gerechtshof hield zitting
en de boeken werden geopend.
11Toen bleef ik kijken vanwege het geluid van de grote woorden die de horen sprak. Ik bleef kijken totdat het dier gedood werd en zijn lichaam vernietigd werd, en aan het laaiend vuur werd prijsgegeven.12Ook de rest van de dieren ontnam men hun heerschappij, want verlenging van het leven was hun gegeven tot een [bepaald] tijdstip en een [bepaalde] tijd.13[Verder] zag ik in de nachtvisioenen,
en zie, er kwam met de wolken van de hemel Iemand
als een Mensenzoon.
Hij kwam tot de Oude van dagen
en men deed Hem voor Zijn aangezicht naderbijkomen.
14Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap,
en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren.
Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die [Hem] niet ontnomen zal worden,
en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.
)
.
11. De leiders van de opstand, het beest en de valse profeet, worden in de hel geworpen (Op 19:20-2120En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet die de tekenen in diens tegenwoordigheid had gedaan, waardoor hij hen misleidde die het merkteken van het beest ontvingen en die zijn beeld aanbaden. Levend werden deze twee geworpen in de poel van vuur die van zwavel brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard dat kwam uit de mond van Hem Die op het paard zat, en alle vogels werden verzadigd van hun vlees.).
12. Het teruggekeerde overblijfsel uit de twee stammen dat was gevlucht, verdrijft samen met de in Jeruzalem achtergebleven getrouwen de bezettingsmacht van de Assyriërs uit het land (Mi 5:4-54Hij zal Vrede zijn.
Wanneer Assur in ons land zal komen
en wanneer hij onze paleizen zal betreden,
zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan
en acht vorsten uit de mensen.5Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard,
het land van Nimrod met getrokken zwaarden.
Zo zal Hij [ons] redden van Assur,
wanneer die in ons land zal komen
en wanneer die ons gebied zal betreden.
)
.
13. Door geruchten uit het oosten en noorden keert de hoofdmacht van de Assyriërs met de koning van het noorden uit Egypte terug naar Jeruzalem (Dn 11:44-4544Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.45En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.; Js 29:1-41Wee Ariël, Ariël,
de stad waar David zich gelegerd heeft!
Voeg jaar bij jaar,
laat de feesten hun kringloop hebben,
2toch zal Ik Ariël in het nauw drijven,
er zal geklag en geklaag zijn,
zij zal Mij als een ariël zijn.
3Want Ik zal u rondom belegeren,
Ik zal u insluiten met bolwerken
en versterkingen tegen u opwerpen.
4Dan zult u vernederd worden, spreken vanuit de aarde
en gedempt zullen uw woorden klinken uit het stof.
Uw stem vanuit de aarde zal zijn als die van een dodenbezweerder;
en uw woorden klinken piepend uit het stof.
)
.
14. Christus vernietigt in Edom, de grootste hater van Zijn volk, de heidenvolken die in Edom zijn verzameld (Js 63:1-61Wie is Deze Die uit Edom komt,
in helrode kleding uit Bozra,
Die luisterrijk is in Zijn gewaad,
Die voorttrekt in Zijn grote kracht?
Ik ben het, Die spreek in gerechtigheid,
Die machtig ben om te verlossen.
2Waarom is dat rood aan Uw gewaad,
en is Uw kleding als [die] van iemand die de wijnpers treedt?
3Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
4Want de dag van de wraak was in Mijn hart,
het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
5Ik keek rond, maar er was niemand die hielp;
Ik ontzette Mij, want er was niemand die ondersteunde.
Daarom heeft Mijn arm Mij heil verschaft,
en Mijn grimmigheid, die heeft Mij ondersteund.
6Ik heb de volken vertrapt in Mijn toorn,
Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid,
Ik heb hun bloed ter aarde doen neerdalen.
)
.
15. De Heer Jezus komt uit Edom (Js 63:11Wie is Deze Die uit Edom komt,
in helrode kleding uit Bozra,
Die luisterrijk is in Zijn gewaad,
Die voorttrekt in Zijn grote kracht?
Ik ben het, Die spreek in gerechtigheid,
Die machtig ben om te verlossen.
)
naar Jeruzalem en vernietigt de Assyriërs en de koning van het noorden bij Jeruzalem (Js 10:5-275Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
8Want hij zegt:
Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
9Is het Kalno niet [vergaan] als Karchemis,
Hamath als Arpad,
Samaria als Damascus?
10Zoals mijn hand wist te vinden
de koninkrijken van de afgoden,
hoewel hun beelden [die] van Jeruzalem en [die] van Samaria overtroffen;
11zoals ik gedaan heb
met Samaria en zijn afgoden –
zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?12Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
13Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
15Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.16Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,
zijn welgedane vorsten doen uitteren.
Onder zijn rijkdom zal Hij een brand laten woeden,
als een brand van [verzengend] vuur.
17Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur,
zijn Heilige tot een vlam,
en die zal zijn distels en zijn dorens
verbranden en verteren, in één dag.
18Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden
vernietigen met [alles] wat [daar] leeft.
En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.
19En het overblijfsel van de bomen in zijn bos zal te tellen zijn,
een jongen zou [het aantal] kunnen opschrijven.20Op die dag zal het gebeuren dat de rest van Israël en wie van het huis van Jakob ontkomen zijn, niet langer zullen steunen op hem die hen geslagen heeft, maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige van Israël, in trouw.21[Die] rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God.22Want, Israël, al is uw volk als het zand van de zee, [toch] zal [maar] een rest daarvan terugkeren; [tot] verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid.23Ja, een [vernietigend] einde – en dat is vast besloten – gaat de Heere, de HEERE van de legermachten, in het midden van heel het land ten uitvoer brengen.24Daarom, zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Wees niet bevreesd, Mijn volk dat in Sion woont, voor Assyrië, wanneer het u met de staf zal slaan of zijn stok tegen u zal opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.25Want nog een klein moment – en dan is de gramschap voorbij en [zal] Mijn toorn [zich richten] op hún vernietiging.26Dan zal de HEERE van de legermachten over hem de gesel zwaaien, zoals [eens] Midian is geslagen bij de rots Oreb. Zijn staf zal over de zee zijn en Hij zal hem opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.27Op die dag zal het gebeuren
dat zijn last van uw schouder zal afglijden
en zijn juk van uw hals; en [dat] juk zal te gronde gericht worden
omwille van de Gezalfde.
; 29:1-81Wee Ariël, Ariël,
de stad waar David zich gelegerd heeft!
Voeg jaar bij jaar,
laat de feesten hun kringloop hebben,
2toch zal Ik Ariël in het nauw drijven,
er zal geklag en geklaag zijn,
zij zal Mij als een ariël zijn.
3Want Ik zal u rondom belegeren,
Ik zal u insluiten met bolwerken
en versterkingen tegen u opwerpen.
4Dan zult u vernederd worden, spreken vanuit de aarde
en gedempt zullen uw woorden klinken uit het stof.
Uw stem vanuit de aarde zal zijn als die van een dodenbezweerder;
en uw woorden klinken piepend uit het stof.5Dan zal de menigte van hen die u vreemd zijn, worden als fijn stof,
en de menigte van geweldplegers als voorbijvliegend kaf.
In een ogenblik zal het gebeuren, plotseling.
6Door de HEERE van de legermachten zult u gestraft worden
met donder, aardbeving en groot geluid,
wervelwind, storm en de vlam van een verterend vuur.
7Als een droom, een nachtelijk visioen
zal de menigte van al de volken worden die strijden tegen Ariël,
ja, allen die strijden tegen hem en zijn vestingen, en die hem in het nauw drijven.
8Het zal zijn zoals wanneer een hongerige droomt, en zie, hij eet,
maar als hij ontwaakt, is hij [nog] onverzadigd;
of zoals wanneer een dorstige droomt, en zie, hij drinkt,
maar als hij ontwaakt, zie, hij is uitgeput en [nog] versmacht hij:
zó zal het met de menigte van alle heidenvolken zijn
die strijden tegen de berg Sion.
; 30:27-3327Zie, de Naam van de HEERE komt van ver,
Zijn toorn brandt – [de] last is zwaar –
Zijn lippen zijn vol gramschap,
Zijn tong is als verterend vuur.
28Zijn adem is als een overstromende beek,
[die] reikt tot de hals,
om de heidenvolken te wannen met de wan van nutteloosheid;
en een toom die doet dwalen, ligt op de kaken van de volken.
29Er zal een lied bij u zijn,
als in de nacht waarin men zich heiligt voor een feest;
en blijdschap van hart, als [bij] iemand die met fluit[spel] voortgaat
om te komen tot de berg van de HEERE, tot de Rots van Israël.
30De HEERE zal Zijn majestueuze stem doen horen,
Hij zal het neerkomen van zijn arm doen zien
in grimmige toorn: een vlam van verterend vuur,
slagregens, een vloed, hagelstenen.
31Want door de stem van de HEERE zal Assyrië verpletterd worden,
hij [die] met de roede sloeg.
32En [over]al waar de [door God] beschikte staf voorbij is getrokken,
[overal] waarop de HEERE die heeft doen rusten,
zullen er tamboerijnen en harpen zijn,
want met [alles] in beroering brengende strijdhandelingen zal Hij hen bestrijden.33Want de verbrandingsplaats is al eerder gereedgemaakt,
ook voor de koning is hij in gereedheid gebracht. Hij heeft hem diep gemaakt en wijd.
Voor zijn brandstapel is er vuur en hout in overvloed.
De adem van de HEERE zal hem aansteken als een zwavelstroom.
; 31:4-84Want zo heeft de HEERE tegen mij gezegd:
Zoals een leeuw
of een jonge leeuw gromt boven zijn prooi
– al wordt tegen hem
een menigte herders samengeroepen,
hij ontstelt niet door hun stemgeluid
en hij krimpt niet ineen voor hun menigte –
zo zal de HEERE van de legermachten neerdalen
om te strijden om de berg Sion en zijn heuvel.
5Zoals vogels [boven hun nest] vliegen,
zo zal de HEERE van de legermachten Jeruzalem beschermen,
Hij zal het beschermen en redden,
Hij zal het voorbijgaan en bevrijden.
6Bekeer u tot [Hem] van Wie de Israëlieten diep afvallig geworden zijn,
7want op die dag zal ieder verwerpen
zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,
die uw [eigen] handen voor uzelf hebben gemaakt, [tot] zonde.8Assyrië zal vallen door het zwaard, [maar] niet [door dat van] een man;
en het zwaard, [maar] niet [van] een mens, zal hem verslinden.
Hij zal vluchten voor het zwaard
en zijn jongemannen zullen herendienst verrichten.
; Dn 8:20-2620De ram met de twee horens die u gezien hebt, [dat] zijn de koningen van Medië en Perzië.21En de harige bok is de koning van Griekenland, en de grote hoorn die tussen zijn ogen zat, dat is de eerste koning.22En dat die afbrak en er vier voor in de plaats kwamen: vier koninkrijken zullen uit [dat] volk ontstaan, maar zonder de kracht ervan.
23In het laatst van hun koningschap,
wanneer de afvalligen [de maat] hebben volgemaakt,
zal er een meedogenloze koning opstaan,
bedreven in slinkse streken.
24Zijn kracht zal machtig worden, maar niet door eigen kracht.
Op wonderlijke wijze zal hij verderf aanrichten,
het zal [hem] lukken, hij zal [het] doen.
Machtigen zal hij te gronde richten,
ook het heilige volk.
25Door zijn sluwheid
zal hij het bedrog onder zijn hand doen slagen.
Hij zal zich in zijn hart verheffen.
In [hun] zorgeloze rust zal hij velen te gronde richten.
Ja, tegen de Vorst der vorsten zal hij opstaan,
maar zonder [mensen]hand zal hij gebroken worden.26Wat betreft het visioen van de avond en de morgen,
wat gezegd is, dat is de waarheid.
En u, houd het visioen geheim,
want er liggen [nog] vele dagen vóór.
; 11:44-4544Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.45En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.)
.
16. De rest van de goddeloze Joden wordt omgebracht (Js 17:4-64Op die dag zal het gebeuren
dat de luister van Jakob zal wegteren,
en het vet van zijn vlees zal wegslinken.
5Het zal hem vergaan zoals [wanneer] een maaier het staande koren bij elkaar pakt,
en met zijn arm de aren oogst.
Ja, het zal hem vergaan zoals [wanneer] iemand aren verzamelt
in het dal Refaïm.
6Maar een nalezing zal daarvan overblijven, zoals bij het afschudden van een olijfboom:
twee, drie vruchten aan het eind van de bovenste tak,
vier, vijf aan de vruchtdragende takken,
spreekt de HEERE, de God van Israël.
; Zf 3:11,1511Op die dag zult u niet beschaamd zijn over al uw daden
waarmee u tegen Mij in opstand kwam,
want dan zal Ik hen uit uw midden wegdoen
die uitgelaten zijn over uw hoogmoed.
Voortaan zult u zich niet meer verheffen
omwille van Mijn heilige berg.15De HEERE heeft uw oordelen weggenomen,
Hij heeft uw vijand weggevaagd.
De Koning van Israël, de HEERE, is in uw midden:
u zult geen kwaad meer zien.
; Zc 13:8-98Het zal gebeuren, spreekt de HEERE, dat in heel het land
twee [derde] ervan uitgeroeid zal worden [en] de geest zal geven,
en een derde ervan zal overblijven.
9Ik zal dat derde [deel] in het vuur brengen
en het louteren, zoals men zilver loutert.
Ik zal het beproeven, zoals men goud beproeft.
Het zal Mijn Naam aanroepen
en Ík zal het verhoren.
Ik zal zeggen: Dit is Mijn volk;
en zij zullen zeggen: De HEERE is mijn God.
; 14:1-151Zie, er komt een dag voor de HEERE waarop de buit, [op] u [behaald], in uw midden zal worden verdeeld.2Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad.3Dan zal de HEERE uittrekken en tegen die heidenvolken strijden, zoals de dag dat Hij streed, op de dag van de strijd.4Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.5Dan zult u vluchten [door] het dal van Mijn bergen, want het dal tussen de bergen zal reiken tot Azal. Ja, u zult vluchten, zoals u gevlucht bent voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. Dan zal de HEERE, mijn God, komen: al de heiligen met U!6Op die dag zal het geschieden
dat het kostbare licht er niet zal zijn,
[evenmin] de dikke duisternis.
7Maar er zal één dag zijn,
die de HEERE bekend zal zijn,
geen dag en geen nacht.
Het zal geschieden ten tijde van de avond
dat het licht blijft.8Op die dag zal het geschieden
dat er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen,
de [ene] helft ervan naar de zee in het oosten
en de [andere] helft ervan naar de zee in het westen:
's zomers en 's winters zal het plaatsvinden.
9De HEERE zal Koning worden over heel de aarde.
Op die dag zal de HEERE de Enige zijn
en Zijn Naam de enige.
10Heel het land zal als de Vlakte worden, van Geba tot Rimmon, ten zuiden van Jeruzalem. Maar [Jeruzalem] zal verheven worden en op zijn plaats bewoond blijven, van de poort van Benjamin af tot de plaats van de vroegere poort toe, tot aan de Hoekpoort, en [van] de Hananeëltoren [af] tot aan de perskuipen van de koning.11Zij zullen erin wonen, een ban[vloek] zal er niet meer zijn: Jeruzalem zal onbezorgd wonen.12En dit zal de plaag zijn waarmee de HEERE al de volken zal treffen die tegen Jeruzalem hebben gestreden: Hij zal ieders vlees, terwijl hij [nog] op zijn voeten staat, doen wegteren; de ogen van allen zullen wegteren in hun kassen en de tong van allen zal wegteren in hun mond.
13Op die dag zal het geschieden
dat er een grote, door de HEERE [bewerkte], verwarring onder hen zal ontstaan,
zodat zij elkaars hand zullen vastgrijpen
en tegen elkaar de hand zullen opheffen.
14Ook zal Juda in Jeruzalem strijden,
zodat het vermogen van alle heidenvolken rondom verzameld wordt:
goud, zilver en kleding in zeer grote hoeveelheden.
15En zo zal de plaag die de paarden, de muildieren, de kamelen, de ezels en al de dieren die zich in die legerkampen bevinden, [zal treffen,] dezelfde zijn als die plaag.
)
.
17. Het gelovig overblijfsel van de Joden wordt verlost (Js 10:20-2720Op die dag zal het gebeuren dat de rest van Israël en wie van het huis van Jakob ontkomen zijn, niet langer zullen steunen op hem die hen geslagen heeft, maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige van Israël, in trouw.21[Die] rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God.22Want, Israël, al is uw volk als het zand van de zee, [toch] zal [maar] een rest daarvan terugkeren; [tot] verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid.23Ja, een [vernietigend] einde – en dat is vast besloten – gaat de Heere, de HEERE van de legermachten, in het midden van heel het land ten uitvoer brengen.24Daarom, zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Wees niet bevreesd, Mijn volk dat in Sion woont, voor Assyrië, wanneer het u met de staf zal slaan of zijn stok tegen u zal opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.25Want nog een klein moment – en dan is de gramschap voorbij en [zal] Mijn toorn [zich richten] op hún vernietiging.26Dan zal de HEERE van de legermachten over hem de gesel zwaaien, zoals [eens] Midian is geslagen bij de rots Oreb. Zijn staf zal over de zee zijn en Hij zal hem opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.27Op die dag zal het gebeuren
dat zijn last van uw schouder zal afglijden
en zijn juk van uw hals; en [dat] juk zal te gronde gericht worden
omwille van de Gezalfde.
; 28:1616daarom, zo zegt
de Heere HEERE:
Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag,
een beproefde steen,
een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is.
Wie gelooft, zal zich niet [weg]haasten.
; 29:1-81Wee Ariël, Ariël,
de stad waar David zich gelegerd heeft!
Voeg jaar bij jaar,
laat de feesten hun kringloop hebben,
2toch zal Ik Ariël in het nauw drijven,
er zal geklag en geklaag zijn,
zij zal Mij als een ariël zijn.
3Want Ik zal u rondom belegeren,
Ik zal u insluiten met bolwerken
en versterkingen tegen u opwerpen.
4Dan zult u vernederd worden, spreken vanuit de aarde
en gedempt zullen uw woorden klinken uit het stof.
Uw stem vanuit de aarde zal zijn als die van een dodenbezweerder;
en uw woorden klinken piepend uit het stof.5Dan zal de menigte van hen die u vreemd zijn, worden als fijn stof,
en de menigte van geweldplegers als voorbijvliegend kaf.
In een ogenblik zal het gebeuren, plotseling.
6Door de HEERE van de legermachten zult u gestraft worden
met donder, aardbeving en groot geluid,
wervelwind, storm en de vlam van een verterend vuur.
7Als een droom, een nachtelijk visioen
zal de menigte van al de volken worden die strijden tegen Ariël,
ja, allen die strijden tegen hem en zijn vestingen, en die hem in het nauw drijven.
8Het zal zijn zoals wanneer een hongerige droomt, en zie, hij eet,
maar als hij ontwaakt, is hij [nog] onverzadigd;
of zoals wanneer een dorstige droomt, en zie, hij drinkt,
maar als hij ontwaakt, zie, hij is uitgeput en [nog] versmacht hij:
zó zal het met de menigte van alle heidenvolken zijn
die strijden tegen de berg Sion.
; 30:18-2618En daarom wacht de HEERE, opdat Hij u genadig zal zijn;
en daarom zal Hij Zich verheffen om Zich over u te ontfermen.
Voorzeker, de HEERE is een God van recht.
Welzalig zijn allen die Hem verwachten.
19Want op Sion zal het volk wonen, in Jeruzalem,
u hoeft nooit meer te wenen.
Hij zal u zeker genadig zijn op uw luide roepen:
zodra Hij dat hoort, zal Hij u antwoorden.
20De Heere zal u wel geven
brood van benauwdheid en water van verdrukking,
maar uw leraren zullen zich niet langer verbergen:
uw ogen zullen uw leraren zien.
21Met uw [eigen] oren zult u een woord van achter u horen:
Dit is de weg, bewandel die.
[Dit] voor het geval u naar rechts of naar links zou gaan.
22Dan zult u voor onrein houden uw met zilver bedekte gesneden beelden
en uw met goud overtrokken gegoten beelden.
U zult ze wegwerpen als een menstruatiedoek;
u zult ervan zeggen: Weg [ermee]!23Dan zal Hij regen geven over uw zaad
waarmee u het land ingezaaid hebt,
en brood[koren] als opbrengst van het land;
het zal vol en overvloedig zijn.
Op die dag zal uw vee grazen
op wijde weidegronden.
24De koeien en ezels die het land bewerken,
zullen gezouten voer eten,
dat geschud is met schep en zeef.
25Er zullen op elke hoge berg
en elke verheven heuvel
beken zijn [en] waterstromen,
op de dag van de grote slachting,
wanneer de torens zullen vallen.
26Dan zal het licht van de volle maan zijn als het licht van de gloeiende zon,
en het licht van de zon zal zevenmaal [sterker] zijn, net als het licht van zeven dagen,
op de dag dat de HEERE de breuk van Zijn volk zal verbinden
en de wond die het is toegebracht, zal genezen.
; Mi 5:1-81En u, Bethlehem-Efratha,
[al] bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,
uit u zal Mij voortkomen
Die een Heerser zal zijn in Israël.
Zijn oorsprongen zijn van oudsher,
van eeuwige dagen af.2Daarom zal Hij hen overgeven
tot de tijd dat zij die baren zal, gebaard heeft.
Dan zal de rest van Zijn broeders zich bekeren,
met de Israëlieten.3Hij zal staan en [hen] weiden in de kracht van de HEERE,
in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God.
Zij zullen [veilig] wonen, want nu zal Hij groot zijn
tot aan de einden van de aarde.4Hij zal Vrede zijn.
Wanneer Assur in ons land zal komen
en wanneer hij onze paleizen zal betreden,
zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan
en acht vorsten uit de mensen.5Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard,
het land van Nimrod met getrokken zwaarden.
Zo zal Hij [ons] redden van Assur,
wanneer die in ons land zal komen
en wanneer die ons gebied zal betreden.6Het overblijfsel van Jakob zal zijn
te midden van vele volken
als dauw van de HEERE,
als regendruppels op het gewas,
dat niet uitziet naar iemand
en niet hoopt op mensenkinderen.7Ja, het overblijfsel van Jakob zal onder de heidenvolken zijn,
te midden van veel volken,
als een leeuw onder de dieren van het woud,
als een jonge leeuw onder de schaapskudden,
die, wanneer hij erdoorheen trekt, vertrapt en verscheurt,
en er is niemand die redt.8Uw hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders
en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
; Zf 3:12-2012Maar Ik zal in uw midden doen overblijven
een ellendig en arm volk.
Zij zullen op de Naam van de HEERE vertrouwen.
13Het overblijfsel van Israël zal geen onrecht doen
en geen leugen spreken,
en in hun mond zal niet gevonden worden
een tong die bedriegt.
Ja, zij zullen weiden en neerliggen,
en niemand zal [hun] schrik aanjagen.14Zing vrolijk, dochter van Sion!
Juich, Israël!
Wees blij en spring op van vreugde met heel [uw] hart,
dochter van Jeruzalem!
15De HEERE heeft uw oordelen weggenomen,
Hij heeft uw vijand weggevaagd.
De Koning van Israël, de HEERE, is in uw midden:
u zult geen kwaad meer zien.16Op die dag zal tegen Jeruzalem gezegd worden:
Wees niet bevreesd;
Sion, verlies de moed niet!
17De HEERE, uw God, is in uw midden,
een Held, [Die] verlossen zal.
Hij zal Zich over u verheugen met blijdschap.
Hij zal zwijgen in Zijn liefde.
Hij zal Zich over u verblijden met gejuich.18Wie bedroefd zijn vanwege de samenkomst
zal Ik verzamelen, zij zijn uit u;
de smaad [drukt als] een last op hen.19Zie, in die tijd ga Ik optreden
tegen al uw verdrukkers.
Ik zal verlossen wie mank gaat,
bijeenbrengen wie verdreven is.
Ik zal hen maken tot lof en tot een naam
in heel het land waar zij beschaamd waren.
20In die tijd zal Ik u [hierheen] brengen,
namelijk in de tijd dat Ik u zal bijeenbrengen.
Voorzeker, Ik zal u maken tot een naam en tot lof
onder alle volken van de aarde,
wanneer Ik voor uw ogen een omkeer in uw gevangenschap breng,
zegt de HEERE.
)
.
18. Zij oordelen Jordanië, Arabië, de Palestijnen e.a. (Js 11:11-1611En het zal op die dag gebeuren
dat de Heere opnieuw, voor de tweede keer, met Zijn hand
het overblijfsel van Zijn volk zal verwerven,
dat overgebleven zal zijn in Assyrië en in Egypte,
in Pathros, Cusj, Elam,
en in Sinear, Hamath en op de eilanden in de zee.
12Hij zal een banier omhoogheffen onder de heidenvolken
en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen
en hen die vanuit Juda overal verspreid zijn, bijeenbrengen
van de vier hoeken van de aarde.
13Dan zal de afgunst van Efraïm verdwijnen,
en wie Juda in het nauw drijven, zullen uitgeroeid worden.
Efraïm zal niet [langer] jaloers zijn op Juda,
en Juda zal Efraïm niet [meer] in het nauw drijven.
14Zij zullen op de schouder van de Filistijnen neerstrijken in het westen,
samen zullen zij de mensen van het oosten uitplunderen.
Zij zullen hun hand uitstrekken tegen Edom en Moab,
en de Ammonieten zullen hun gehoorzaam zijn.15Dan zal de HEERE de inham van de zee van Egypte met de ban slaan,
en Hij zal Zijn hand opheffen tegen de rivier [de Eufraat] door Zijn sterke wind.
Hij zal haar uiteenslaan in zeven stromen,
en maken dat men er met [zijn] schoenen doorheen kan gaan.
16Er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk,
die overgebleven zal zijn in Assyrië,
zoals het met Israël gebeurde
op de dag dat het wegtrok uit het land Egypte.
; Jl 3:4-84En ook,
wat wilt u van Mij, Tyrus en Sidon,
en alle gebieden van Filistea?
Wilt u Mij [Mijn] handelwijze vergelden?
Als u Mij dat wilt aandoen,
zal Ik snel en onmiddellijk
uw vergelding op uw hoofd doen terugkeren,5omdat u Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen,
het beste van Mijn kostbaarheden naar uw tempels hebt gebracht.6U hebt de Judeeërs en de inwoners van Jeruzalem
aan de Grieken verkocht,
om hen ver weg te voeren
uit hun [eigen] gebied.7Zie, Ik wek hen op uit de plaats
waarheen u hen verkocht hebt.
Ik zal uw vergelding op uw hoofd doen terugkeren.8Ik zal uw zonen en uw dochters verkopen
in de hand van de Judeeërs.
Zij zullen hen aan de inwoners van Sjeba verkopen,
aan een volk ver weg,
want de HEERE heeft [het] gesproken.
; Zf 2:4-5,8-9,12-134Want Gaza zal verlaten worden
en Askelon tot woestenij zijn;
Asdod, midden op de dag zal men het verdrijven,
en Ekron zal ontworteld worden.
5[Wee u,] bewoners van het gebied aan de zee,
volk van Kretenzers!
Het woord van de HEERE is tegen u,
Kanaän, land van de Filistijnen!
Ik zal u verdelgen, zodat er geen inwoner meer is.8Ik heb de smadelijke [woorden] van Moab gehoord
en de beschimping door de Ammonieten,
waarmee zij Mijn volk gesmaad hebben,
zich verheven hebben tegen hun gebied.
9Daarom, [zo waar] Ik leef, spreekt de HEERE van de legermachten,
de God van Israël:
Voorzeker, Moab zal als Sodom worden
en de Ammonieten als Gomorra:
een distelveld, een zoutgroeve
en een woestenij tot in eeuwigheid!
De rest van Mijn volk zal hen plunderen,
het overblijfsel van Mijn volk zal hen in erfelijk bezit nemen.
12Ook u, Cusjieten!
Gevallen door Mijn zwaard zijn zij!13Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het noorden
en Assyrië doen ondergaan.
Hij zal Ninevé tot een woestenij maken,
dor als een woestijn.
)
.
19. Het overblijfsel van de tien stammen keert uit alle volken terug naar Israël (Mt 24:3131En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken, van [de] uitersten van [de] hemelen tot <de> [andere] uitersten daarvan.).
20. Israël woont als één volk onder één Koning in vrede en veiligheid in het land (Ez 37:15-2815Het woord van de HEERE kwam tot mij:16En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen.17Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.18Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor u [betekenen]?19Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden.20Die stukken hout, die u beschreven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn.21En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.22Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.23Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke [afgoden] en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn.24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.25Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.26Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.27Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.28Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.).
21. De Russische machten met in hun gelederen de Perzen, Cusjieten en Puteeërs rukken tegen Israël op en worden op de bergen van Israël vernietigd (Ez 38:18-2318Op die dag zal het gebeuren, op de dag dat Gog over het land van Israël komt, spreekt de Heere HEERE, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opstijgen.19Want in Mijn na-ijver, in het vuur van Mijn verbolgenheid, heb Ik gesproken: Voorwaar, op die dag zal een zware aardbeving het land van Israël treffen!20De vissen in de zee, de vogels in de lucht, de dieren van het veld, al de kruipende dieren die op de aardbodem kruipen, en alle mensen die op de aardbodem zijn, zullen voor Mijn aangezicht beven. De bergen zullen omvergehaald worden, de bergwanden zullen instorten en alle muren zullen op de grond neervallen.21Op al Mijn bergen zal Ik een zwaard tegen hem oproepen, spreekt de Heere HEERE. Ieders zwaard zal tegen zijn broeder zijn.22Ik zal met hem een rechtszaak voeren door pest en door bloed. Ik zal een [alles] wegspoelende regen, en hagelstenen, vuur en zwavel op hem doen regenen, op zijn troepen en op de vele volken die met hem zijn.23Zo zal Ik Mijn grootheid tonen en Mij heiligen en voor de ogen van vele heidenvolken bekend worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.; 39:1-81En u, mensenkind, profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal!2Ik zal u omkeren, u meeslepen, u doen optrekken uit het uiterste noorden en u op de bergen van Israël brengen,3maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.4Op de bergen van Israël zult u vallen, u en al uw troepen, en de volken die met u zijn. Ik heb u aan allerlei soorten roofvogels en aan de dieren van het veld tot voedsel gegeven.5Op het open veld zult u vallen, want Ík heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.6Ik zal vuur zenden in Magog en onder hen die onbezorgd de kustlanden bewonen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.7Ik zal Mijn heilige Naam te midden van Mijn volk Israël bekendmaken en Mijn heilige Naam niet langer laten ontheiligen. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israël.8Zie, het komt en zal gebeuren, spreekt de Heere HEERE. Dit is de dag waarover Ik gesproken heb.).
22. Satan wordt voor duizend jaren gebonden (Op 20:1-31En ik zag een engel neerdalen uit de hemel, die de sleutel van de afgrond en een grote keten in zijn hand had.2En hij greep de draak, de oude slang, dat is [de] duivel en de satan, en bond hem duizend jaren;3en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de naties niet meer zou misleiden voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moet hij een korte tijd worden losgelaten.).
23. Toelichting: Het is m.i. niet eenvoudig om vast te stellen op welk moment de satan wordt gebonden. Het is m.i. het meest waarschijnlijk dat het op dit moment is, omdat met de verdelging van deze laatste vijandige machten het met zijn heerschappij over de wereld is afgelopen.
24. De Heer Jezus, gezeten op de troon van Zijn heerlijkheid op aarde, oordeelt de levende volken; begin van Zijn Salomo’s regering (Mt 25:31-4631Wanneer nu de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en alle engelen met Hem, dan zal Hij zitten op [de] troon van Zijn heerlijkheid;32en vóór Hem zullen alle volken worden verzameld, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt;33en Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linker.34Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand zijn: Komt, gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af;35want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen;36naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in [de] gevangenis en u bent bij Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig en hebben U gevoed, of dorstig en hebben U te drinken gegeven?38En wanneer zagen wij U als vreemdeling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed?39En wanneer zagen wij U ziek of in [de] gevangenis en zijn bij U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het hebt gedaan aan een van de geringsten van deze broeders van Mij, hebt u het Mij gedaan.41Dan zal Hij ook zeggen tot hen die aan Zijn linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat voor de duivel en zijn engelen is bereid;42want Ik had honger en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij niet te drinken gegeven;43Ik was een vreemdeling en u hebt Mij niet opgenomen; naakt en u hebt Mij niet gekleed; ziek en in [de] gevangenis en u hebt Mij niet bezocht.44Dan zullen ook dezen antwoorden en zeggen: Heer, wanneer zagen wij U hongerig of dorstig of als vreemdeling of naakt of ziek of in [de] gevangenis, en hebben U niet gediend?45Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u: voor zoveel u het aan een van deze geringsten niet hebt gedaan, hebt u het Mij ook niet gedaan.46En dezen zullen gaan in [de] eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in [het] eeuwige leven.).
25. Duurzame vrede, Jeruzalem het centrum van de aarde (Js 2:1-51Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
2Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
4Hij zal oordelen tussen de heidenvolken
en veel volken vonnissen.
En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen
en hun speren tot snoeimessen.
Geen volk zal tegen een [ander] volk het zwaard opheffen.
Oorlog [voeren] zullen zij niet meer leren.
5Huis van Jakob, kom, laten wij wandelen in het licht van de HEERE.
; 11:1-101Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
2Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:
de Geest van wijsheid en inzicht,
de Geest van raad en sterkte,
de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.
3Zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEEREN.
Hij zal niet oordelen naar wat Zijn ogen zien
en Hij zal niet vonnissen naar wat Zijn oren horen.
4Hij zal de armen recht doen in gerechtigheid
en de zachtmoedigen van het land zal Hij met rechtvaardigheid vonnissen.
Maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond
en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.
5Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn,
en de waarheid de gordel om Zijn middel.6Een wolf zal bij een lam verblijven,
een luipaard bij een geitenbok neerliggen,
een kalf, een jonge leeuw en gemest [vee] zullen bij elkaar zijn,
een kleine jongen zal ze drijven.
7Koe en berin zullen [samen] weiden,
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.
Een leeuw zal stro eten als het rund.
8Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder,
en in het nest van een gifslang
zal een peuter zijn hand steken.
9Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water [de bodem] van de zee bedekt.
10Want op die dag zal de Wortel van Isaï er zijn,
Die zal staan als banier voor de volken.
Naar Hém zullen de heidenvolken vragen.
Zijn rustplaats zal heerlijk zijn.
; 35:1-101De woestijn en de dorre plaatsen zullen vrolijk zijn,
de wildernis zal zich verheugen en in bloei staan
als een roos.
2Zij zal welig in bloei staan en zich verheugen,
ja, zij zal zich verheugen en juichen.
De luister van de Libanon is haar gegeven,
de glorie van de Karmel en de Saron.
Ze zullen zien de heerlijkheid van de HEERE,
de glorie van onze God.
3Versterk de slappe handen,
verstevig de wankele knieën;
4zeg tegen onbedachtzamen van hart:
Wees sterk, wees niet bevreesd!
Zie, uw God!
De wraak zal komen,
de vergelding van God;
Híj zal komen en u verlossen.
5Dan zullen de ogen van de blinden worden opengedaan,
de oren van de doven zullen worden geopend.
6Dan zal de kreupele springen als een hert,
de tong van de stomme zal juichen.
Want in de woestijn zullen wateren zich een weg banen
en beken in de wildernis.
7Het dorre land zal tot een [water]poel worden,
het dorstige land tot waterbronnen;
op de woonplaats van jakhalzen, [waar] hun rustplaats was,
zal gras zijn, met riet en biezen.8Daar zal zijn een effen baan, een weg;
de heilige weg zal hij genoemd worden.
Een onreine zal er niet over gaan,
want hij zal [alleen] voor hen zijn. Wie [deze] weg ook gaat,
zelfs dwazen zullen niet dwalen.
9Daar zal geen leeuw zijn,
geen verscheurend dier zal erop komen;
ze zullen daar niet aangetroffen worden,
maar de verlosten zullen [die] bewandelen.10Want wie door de HEERE zijn vrijgekocht, zullen terugkeren;
zij zullen Sion binnenkomen met gejuich.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn,
vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen,
verdriet en gezucht zullen wegvluchten.
; Jr 30-31; Op 20:4-64En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven; en [ik zag] de zielen van hen die om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God onthoofd waren, en die het beest of zijn beeld niet hadden aangebeden en niet het merkteken aan hun voorhoofd en aan hun hand ontvangen hadden; en zij werden levend en regeerden met Christus duizend jaren.5De overigen van de doden werden niet levend voordat de duizend jaren voleindigd waren. Dit is de eerste opstanding.6Gelukkig en heilig is hij die aan de eerste opstanding deel heeft; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en met Hem <de> duizend jaren regeren.)
.
26. Ook herstel voor Assyrië, Egypte, Jordanië en Perzië (Js 19:16-2516Op die dag zullen de Egyptenaren zijn als vrouwen. Zij zullen beven en angstig zijn voor de dreigend heen en weer bewegende hand van de HEERE van de legermachten, die Hij dreigend tegen hen heen en weer beweegt.17Het land Juda zal voor de Egyptenaren tot een schrikbeeld zijn. Zo dikwijls iemand hen daaraan zal herinneren, zullen zij [weer] angstig zijn voor het raadsbesluit van de HEERE van de legermachten dat Hij tegen hen genomen heeft.18Op die dag zullen er vijf steden in het land Egypte zijn die de taal van Kanaän spreken en die zweren bij de HEERE van de legermachten. Een [ervan] zal genoemd worden: Stad van de zon.19Op die dag zal de HEERE een altaar hebben midden in het land Egypte, en aan zijn grens zal er een gedenkteken voor de HEERE staan.20Dit zal zijn tot een teken en getuigenis voor de HEERE van de legermachten, in het land Egypte. Wanneer zij tot de HEERE zullen roepen vanwege [hun] onderdrukkers, zal Hij tot hen een Heiland en Meester zenden; Die zal hen redden.21Dan zal de HEERE aan de Egyptenaren bekend worden en de Egyptenaren zullen de HEERE kennen op die dag. Zij zullen [Hem] dienen [met] slachtoffer en graanoffer, en de HEERE gelofte doen en [die] nakomen.22Zo zal de HEERE de Egyptenaren geducht treffen en genezen. Zij zullen zich tot de HEERE bekeren en Hij zal Zich door hen laten verbidden; en Hij zal hen genezen.23Op die dag zal er een gebaande weg zijn van Egypte naar Assyrië. De Assyriërs zullen in Egypte komen en de Egyptenaren in Assyrië. De Egyptenaren zullen [samen] met de Assyriërs [de HEERE] dienen.24Op die dag zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assyrië, een zegen in het midden van de aarde.25Want de HEERE van de legermachten zal hen zegenen met de woorden: Gezegend zij Mijn volk Egypte, het werk van Mijn handen Assyrië, en Mijn eigendom Israël!; Jr 46:26-2726Ik zal hen geven in de hand van hen die hen naar het leven staan, zowel in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, als in de hand van zijn dienaren. Maar daarna zal zij bewoond worden als [in] de dagen van weleer, spreekt de HEERE.27U dan, wees niet bevreesd, Mijn dienaar Jakob,
wees niet ontsteld, Israël!
Want zie, Ik ga u verlossen uit verre [landen],
uw nageslacht uit het land van hun gevangenschap.
Jakob zal terugkeren, rust hebben en zonder zorgen zijn,
en niemand zal [hem] schrik aanjagen.
; 48:4747In later tijd echter, spreekt de HEERE,
zal ik een omkeer brengen in de gevangenschap van Moab.
Tot zover het oordeel over Moab.
; 49:6,396Maar daarna zal Ik een omkeer brengen in de gevangenschap van de Ammonieten, spreekt de HEERE.39Maar het zal in later tijd gebeuren dat Ik een omkeer zal brengen
in de gevangenschap van Elam, spreekt de HEERE.
)
.