Ezechiël
Inleiding 1-5 De heerlijkheid van de HEERE keert terug 6-12 De HEERE te midden van Zijn volk 13-17 Het altaar 18-27 De inwijding van het altaar
Inleiding

Ezechiël heeft in de beide vorige hoofdstukken de nieuwe tempel gezien. In dit hoofdstuk neemt de Eigenaar en Bewoner er Zijn intrek in. Die Eigenaar en Bewoner is de HEERE in Zijn heerlijkheid, Die eerder Zijn door mensen ontwijde tempel heeft moeten verlaten. Aan Zijn terugkeer wordt een duidelijke boodschap voor het volk verbonden. Ezechiël krijgt die boodschap te horen met de opdracht die aan het volk door te geven. De bedoeling is dat zij door deze woorden in hun geweten worden geraakt en met berouw in hun hart over hun ontrouw terugkeren tot God. Verder wordt de wet voor het huis gegeven, worden de afmetingen van het brandofferaltaar vermeld en wordt gezegd hoe het moet worden ingewijd.


De heerlijkheid van de HEERE keert terug

1Daarop leidde Hij mij naar de poort, de poort die naar het oosten gekeerd was. 2En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten, en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid. 3En de aanblik van het visioen dat ik zag, was als het visioen dat ik gezien had, toen ik kwam om de stad te gronde te richten. Het waren visioenen als het visioen dat ik aan de rivier de Kebar gezien had. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde]. 4En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag. 5Toen hief de Geest mij op en bracht mij in de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis vervuld.

De Man leidt Ezechiël weer naar de oostpoort, dat is een van de drie ingangen van het tempelcomplex die in Ezechiël 40 beschreven zijn (vers 11Daarop leidde Hij mij naar de poort, de poort die naar het oosten gekeerd was.). Ezechiël heeft gezien hoe de heerlijkheid van God uit de tempel van Salomo naar het oosten is weggegaan (Ez 9:33De heerlijkheid van de God van Israël verhief zich van boven de cherub waarop Hij rustte, naar de drempel van het huis, en Hij riep naar de Man Die in linnen gekleed was, Die de schrijverskoker aan Zijn middel had.; 10:4,18-194Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.18Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.19En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.; 11:22-2522Daarna hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen [verhieven zich] tegelijk met hen. En de heerlijkheid van de God van Israël was vanboven over hen.23Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.24Daarop hief de Geest mij op en bracht mij in een visioen door de Geest van God bij de ballingen in Chaldea. Toen steeg het visioen dat ik gezien had, op, bij mij vandaan.25Toen sprak ik tot de ballingen al de woorden van de HEERE die Hij mij had doen zien.). Die heerlijkheid is niet teruggekeerd in de tempel die Zerubbabel na de terugkeer uit ballingschap heeft herbouwd (vgl. Hg 2:44Wie is er onder u overgebleven
die dit huis gezien heeft
in zijn eerste heerlijkheid?
En hoe ziet u het nu?
Is het niet als niets in uw ogen?
)
. Nu ziet Ezechiël het adembenemende gezicht van “de heerlijkheid van de God van Israël”, waarschijnlijk met dezelfde troonwagen waarmee hij de heerlijkheid heeft zien verdwijnen. Hij is ooggetuige van de komst van Gods heerlijkheid “uit de richting van het oosten” (vers 22En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten, en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid.).

Gods heerlijkheid keert terug om te gaan wonen in Zijn tempel. Het geluid dat die terugkeer begeleidt, doet denken aan “het bruisen van machtige wateren”. Dat herinnert aan het krachtige en majestueuze geluid van de vleugels van de cherubs, wat de gedachte aan de troonwagen versterkt (vgl. Ez 1:2424Ik hoorde, toen zij gingen, het geruis van hun vleugels. [Het klonk] als het bruisen van machtige wateren, als de stem van de Almachtige, [als] het geluid van een gedruis, als het geluid van een leger. Als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen.; Op 1:1515en Zijn voeten aan blinkend koper gelijk, als gloeiden zij in een oven, en Zijn stem als een gedruis van vele wateren.; 14:22En ik hoorde een stem uit de hemel als een stem van vele wateren en als een stem van een zware donderslag. En de stem die ik hoorde, was als van harpspelers die op hun harpen spelen.). De heerlijkheid van de HEERE werpt haar glans op de aarde die daardoor verlicht wordt (vgl. Ez 1:4,274Toen zag ik, en zie, een stormwind kwam uit het noorden, een grote wolk, flitsend vuur en een lichtglans eromheen. En uit het midden ervan [kwam] iets als de schittering van edelmetaal, uit het midden van het vuur.27Toen zag ik [iets] als de schittering van edelmetaal, rondom van binnen als het uiterlijk van vuur. Vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar boven, en vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden, zag ik [iets] als het uiterlijk van vuur met een lichtglans eromheen.; Dt 33:22Hij zei:
De HEERE is van Sinaï gekomen,
[als de zon] kwam Hij uit Seïr op.
Hij verscheen blinkend vanaf het gebergte Paran,
Hij kwam met tienduizenden heiligen,
aan Zijn rechterhand was een vurige wet voor hen.
; Js 60:1-31Sta op, word verlicht, want uw licht komt
en de heerlijkheid van de HEERE gaat over u op.
2Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken
en donkere [wolken] de volken,
maar over u zal de HEERE opgaan
en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.
3En heidenvolken zullen naar uw licht gaan
en koningen naar de glans van uw dageraad.
; Hk 3:44Er was een glans als van het zonlicht;
lichtstralen kwamen uit Zijn hand,
daarin ging Zijn macht schuil.
; Op 18:11Hierna zag ik een andere engel uit de hemel neerdalen, die grote macht had; en de aarde werd verlicht door zijn heerlijkheid.)
.

De heerlijkheid van de God van Israël komt uit het oosten. In die richting heeft Ezechiël achttien jaar eerder die heerlijkheid in een visioen uit de tempel zien verdwijnen (vers 33En de aanblik van het visioen dat ik zag, was als het visioen dat ik gezien had, toen ik kwam om de stad te gronde te richten. Het waren visioenen als het visioen dat ik aan de rivier de Kebar gezien had. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde].; vers 11Daarop leidde Hij mij naar de poort, de poort die naar het oosten gekeerd was.). Bij die gelegenheid heeft hij de verwoesting van de stad aangekondigd.

Hij noemt de verwoesting van de stad hier een daad die hij heeft verricht door het woord dat hij over de stad heeft gesproken, terwijl de stad in feite door de Babyloniërs is verwoest. De Babyloniërs hebben daarmee Gods oordeel uitgevoerd, zodat het in werkelijkheid God is Die de stad heeft verwoest. Dat de Heilige Geest de verwoesting hier als een daad van Ezechiël voorstelt, toont de grootheid van het profetisch bewustzijn van Ezechiël door de Geest aan. Zijn woorden zijn de woorden van God, wat bewezen wordt in de uitwerking ervan.

Hij ziet de heerlijkheid van de HEERE “het huis” via de oostpoort binnengaan (vers 44En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag.; vgl. Ex 40:34-3534Toen overdekte de wolk de tent van ontmoeting, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde de tabernakel,35zodat Mozes de tent van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de HEERE de tabernakel vervulde.; 2Kr 7:1,31Toen Salomo geëindigd had [dit gebed] te bidden, kwam het vuur uit de hemel neer en verteerde het brandoffer en de slachtoffers, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde het huis.3Toen alle Israëlieten het vuur en de heerlijkheid van de HEERE over het huis zagen neerkomen, knielden zij met [hun] gezichten ter aarde, op de vloer, bogen zich neer en loofden de HEERE dat Hij goed is, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.). Dit visioen is misschien wel het hoogtepunt van zijn dienst. Dat hij mag zien en doorgeven dat de heerlijkheid van de HEERE terugkeert in Zijn huis, kan door niets worden overtroffen. Als we daarbij bedenken dat Ezechiël ‘van huis uit’ priester is, zal hem dit ongetwijfeld alle eerdere gemis om als priester dienst te kunnen doen, doen vergeten. Bij deze aanblik valt hij in aanbidding neer op de grond (vgl. Ez 44:44Vervolgens bracht Hij mij via de noorderpoort tot vóór het huis. Ik zag, en zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde].). Uit de terugkeer van de heerlijkheid van de HEERE spreekt een grote genade.

Na het zien van de heerlijkheid heft de Geest Ezechiël op (vgl. Ez 3:1212Toen hief de Geest mij op en ik hoorde achter mij een geluid van een groot gedreun: Geloofd zij de heerlijkheid van de HEERE vanuit Zijn plaats!) en brengt hem naar de binnenste voorhof, naar de tempelingang (vers 55Toen hief de Geest mij op en bracht mij in de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis vervuld.). Daar kan hij zien dat de heerlijkheid van de HEERE het huis heeft vervuld. De heerlijkheid van de HEERE vervult ook de tabernakel en de tempel als de zijn gebouwd (Ex 40:34-3534Toen overdekte de wolk de tent van ontmoeting, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde de tabernakel,35zodat Mozes de tent van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de HEERE de tabernakel vervulde.; 1Kn 8:10-1110En het gebeurde, toen de priesters uit het heiligdom gingen, dat de wolk het huis van de HEERE vervulde.11Vanwege de wolk konden de priesters niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld.).


De HEERE te midden van Zijn volk

6Daarop hoorde ik Iemand uit het huis met mij spreken, terwijl de Man naast mij bleef staan, 7en Hij zei tegen mij: Mensenkind, [dit] is de plaats van Mijn troon en de plaats van Mijn voetzolen, waar Ik voor eeuwig wonen zal onder de Israëlieten. Zij die van het huis van Israël zijn, zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij en hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen [op] hun [offer]hoogten. 8Terwijl zij hun drempel bij Mijn drempel plaatsten en hun deurpost naast Mijn deurpost, zodat er [alleen] een muur tussen Mij en hen was, verontreinigden zij Mijn heilige Naam met hun gruweldaden, die zij deden, zodat Ik hen ombracht in Mijn toorn. 9Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen van hun koningen ver van Mij houden, zodat Ik voor eeuwig onder hen wonen zal. 10U, mensenkind, breng het huis van Israël de boodschap van dit huis, zodat zij zich schamen vanwege hun ongerechtigheden, en laten zij het ontwerp meten. 11Als zij zich dan schamen vanwege alles wat zij gedaan hebben, maak hun [dan] bekend de vorm van het huis, de inrichting ervan, de uitgangen ervan en de ingangen ervan, ja, alle vormen ervan, met alle bijbehorende verordeningen, alle bijbehorende vormen en alle bijbehorende wetten, en schrijf [dat] voor hun ogen op, zodat zij heel de vorm ervan met alle bijbehorende verordeningen in acht nemen en die houden. 12Dit is de wet voor het huis; op de top van de berg is heel het gebied ervan helemaal rondom allerheiligst. Zie, dit is de wet van het huis.

Ezechiël hoort vervolgens “Iemand”, dat is de HEERE, “uit het huis” met hem spreken (vers 66Daarop hoorde ik Iemand uit het huis met mij spreken, terwijl de Man naast mij bleef staan,). Het is wel wonderlijk dat de HEERE met Ezechiël spreekt “terwijl de Man” – dat is de Zoon van God Die wij kennen als de Heer Jezus, Die ook de HEERE is – naast hem staat. Dat de HEERE met Ezechiël gaat “spreken”, bepaalt ons erbij dat Hij door Zijn Woord Zijn plannen meedeelt.

De HEERE vertelt Ezechiël dat Hij hier, op deze plaats, Zijn “troon” heeft gevestigd (vers 77en Hij zei tegen mij: Mensenkind, [dit] is de plaats van Mijn troon en de plaats van Mijn voetzolen, waar Ik voor eeuwig wonen zal onder de Israëlieten. Zij die van het huis van Israël zijn, zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij en hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen [op] hun [offer]hoogten.). Vanaf deze plaats regeert Hij. Het is ook de plaats van Zijn “voetzolen”, wat betekent dat Hij er recht op heeft en dat recht ook laat gelden (vgl. Js 66:11Zo zegt de HEERE:
De hemel is Mijn troon
en de aarde de voetbank van Mijn voeten.
Waar zou [dan] het huis zijn dat u voor Mij zou willen bouwen
en waar de plaats van Mijn rust?
; Hd 7:4949‘De hemel is Mij een troon en de aarde een voetbank voor Mijn voeten. Wat voor huis zult u Mij bouwen, zegt [de] Heer, of wat is [de] plaats van Mijn rust?; Jz 1:33Elke plaats die uw voetzool betreedt, heb Ik u gegeven, overeenkomstig wat Ik tot Mozes gesproken heb.)
. Het is de plaats van Zijn rust, waarin allen mogen delen die in het vrederijk zijn. Dit is de plaats waar Hij eeuwig, dat is gedurende het vrederijk, onder de Israëlieten, Zijn volk, zal wonen (vgl. Ex 29:45-4645Ik zal dan te midden van de Israëlieten wonen, en Ik zal hun tot een God zijn.46En zij zullen weten dat Ik de HEERE, hun God, ben, Die hen uit het land Egypte geleid heeft, opdat Ik in hun midden zal wonen; Ik ben de HEERE, hun God.; Ps 132:13-1413Want de HEERE heeft Sion verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
14Dit is, [zei Hij,] Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
)
.

De tempel heeft drie aspecten. In de eerste plaats is de tempel een leerboek over de heiligheid van God. In de tweede plaats is de tempel de woonplaats van God, een heilige woonplaats die niet meer kan worden verontreinigd. De tempel is in de derde plaats een plaats van eredienst en samenkomst. Deze aspecten komen ook tot uitdrukking in de gemeente, de geestelijke tempel in de tijd waarin wij leven. In de samenkomsten van de gemeente mogen we Zijn tegenwoordigheid beleven in heiligheid en we mogen Hem daar aanbidden. Dat is voor ons niet aan een geografische plaats gebonden (Jh 4:2121Jezus zei tot haar: Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat u noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.).

De HEERE kan in het midden van Zijn volk wonen omdat Zijn volk Zijn heilige Naam niet meer zal verontreinigen, zij niet en hun koningen ook niet. Het zal voorgoed afgelopen zijn met hun hoererij, dat is hun afgoderij, evenals het afgelopen zal zijn met de verontreiniging door de lijken van hun koningen in de buurt van Zijn huis (Jr 16:1818Ik zal eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben: zij hebben Mijn eigendom met de dode lichamen van hun afschuwelijke [afgoden] en hun gruweldaden vervuld.; Zc 13:22Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE van de legermachten, dat Ik uit het land de namen van de afgoden zal uitroeien, zodat aan hen niet meer gedacht zal worden. Ja, ook de profeten en de onreine geest zal Ik uit het land wegdoen.). Deze verontreiniging is een gevolg van hun eerdere afgoderij die zij in hun eigen huizen hebben gepleegd (“hun drempel” en “hun deurpost”), waarmee zij de HEERE hebben opzijgezet en vervangen (vers 88Terwijl zij hun drempel bij Mijn drempel plaatsten en hun deurpost naast Mijn deurpost, zodat er [alleen] een muur tussen Mij en hen was, verontreinigden zij Mijn heilige Naam met hun gruweldaden, die zij deden, zodat Ik hen ombracht in Mijn toorn.).

Wie over de drempel is, is in het huis. In de ‘drempel’ kunnen we een bepaalde voorwaarde zien waaraan moet worden voldaan om binnen te komen. Gods volk heeft eigen voorwaarden gemaakt, naast de voorwaarde die God hanteert, om Zijn huis te kunnen betreden. Voor God is het voldoende dat iemand gelooft om tot Zijn huis te kunnen behoren. Mensen hebben daarnaast het lidmaatschap van een kerk of het instemmen met een door mensen opgestelde belijdenis tot bijkomende voorwaarde gemaakt. Die door mensen gemaakte drempels zullen er in het vrederijk niet meer zijn en mogen ook in wat nu Gods huis is geen plaats hebben.

Het plaatsen van hun deurpost naast Zijn deurpost herkennen we in het aanbrengen van menselijke verordeningen in het huis van God naast de verordeningen die Hij voor Zijn huis heeft gegeven. We kunnen bijvoorbeeld denken aan het invoeren van vormen van eredienst die de mens centraal stellen. Als de aanbidding maar een goed gevoel geeft, dan zal God er ook wel mee tevreden zijn.

Ook het leren van geboden van mensen die het Woord van God krachteloos maken, kunnen we zien als het plaatsen van een eigen deurpost naast die van God. Dit zien we overal waar de traditie maatstaf is voor het dienen van God en niet Zijn Woord. De rooms-katholieke kerk is daarvan het toonbeeld. Wat het vandaag ook goed doet, is het aanpassen van de liturgie aan de smaak van de gemeente. Een samenkomst moet vooral leuk zijn. Marketingprincipes zijn leidend, en niet de verordeningen van God. Zo wordt er een eigen deurpost naast de deurpost van God geplaatst.

De muur om de tempel die het volk moet tegenhouden om zo maar in de tempel tot God te naderen, is slechts een uiterlijke scheiding. In hun hart en in hun huizen hebben ze de afgoden aangehangen. Zo hebben zij de heilige Naam van de HEERE verontreinigd en heeft Hij hen in Zijn toorn moeten ombrengen. Al die onreinheid is uitgezuiverd en voorgoed verleden tijd (vers 99Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen van hun koningen ver van Mij houden, zodat Ik voor eeuwig onder hen wonen zal.). Hij kan voor eeuwig onder hen wonen.

Ezechiël, weer aangesproken als “mensenkind”, krijgt de opdracht om zijn volksgenoten “de boodschap van dit huis” te brengen (vers 1010U, mensenkind, breng het huis van Israël de boodschap van dit huis, zodat zij zich schamen vanwege hun ongerechtigheden, en laten zij het ontwerp meten.). De bedoeling daarvan is, dat zij zich zullen schamen vanwege al hun ongerechtigheden. Zij moeten het ontwerp van het huis meten, dat wil zeggen zich er intensief mee bezighouden hoe de HEERE het heeft ontworpen.

Die overdenking zal hun gedachten over Zijn huis corrigeren en in overeenstemming brengen met hoe Hij erover denkt. Ze zullen de standaard van Gods heiligheid leren kennen die duidelijk uit het ontwerp en de bouw van de tempel blijkt. Die overdenking zal hun ook duidelijk maken hoezeer ze de eerste tempel, die van Salomo, hebben verontreinigd en op welke punten zij zijn afgeweken van de voorschriften die de HEERE heeft gegeven. Als ze dit zien, zullen ze zich schamen over wat zij met de eerste tempel hebben gedaan.

Als wij Gods gedachten over de gemeente als Zijn huis willen weten, moeten we kijken naar het huis in Zijn eerste glorie of naar het huis in Zijn laatste, uiteindelijke glorie. In het boek Handelingen zien we het huis in Zijn eerste glorie. Dan is alles nog fris en krachtig. Gods Geest werkt machtig in de gemeente. Door de ontrouw van de gelovigen is er al snel bederf binnengekomen en is de gemeente in verval geraakt. Als de Heer Jezus de gemeente tot Zich heeft opgenomen, zal zij aan Gods doel beantwoorden. Dat zien we in het boek Openbaring.

Het ontstaan van Gods huis, de gemeente (Hd 2:1-41En toen de dag van het Pinksterfeest werd vervuld, waren zij allen gemeenschappelijk bijeen.2En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.3En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen.4En zij werden allen vervuld met [de] Heilige Geest en ze begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.), en de voltooiing ervan wanneer de Heer Jezus de gemeente komt halen (1Th 4:14-1814Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en opgestaan, evenzeer zal God ook de door Jezus ontslapenen met Hem brengen.15(Want dit zeggen wij u door [het] woord van [de] Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan.16Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met [de] stem van een aartsengel en met [de] bazuin van God neerdalen van [de] hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan;17daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in [de] lucht; en zó zullen wij altijd met [de] Heer zijn.18Vertroost daarom elkaar met deze woorden.)), tonen Gods plan met de gemeente. Tussen het ontstaan en de voltooiing zien we de bouw van de gemeente op aarde als een verantwoordelijkheid die aan ons is toevertrouwd (1Ko 3:10-1510Naar de genade <van God> die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester [het] fundament gelegd en een ander bouwt erop. Maar laat ieder uitkijken hoe hij erop bouwt.11Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt, dat is Jezus Christus.12Als nu iemand op het fundament bouwt: goud, zilver, kostbare stenen, hout, hooi, stro, –13ieders werk zal openbaar worden. Want de dag zal het aan het licht brengen, omdat deze in vuur geopenbaard wordt, en hoe ieders werk is, <dat> zal het vuur beproeven.14Als iemands werk dat hij daarop gebouwd heeft, zal blijven, zal hij loon ontvangen;15als iemands werk zal verbranden, zal hij schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, maar zo als door vuur heen.). Als we ons werk in het bouwen van de gemeente als een huis waarin God kan wonen, vergelijken met Gods plan, zien we hoe groot het verschil is. Als het verschil goed tot ons doordringt, zullen we ons schamen over wat wij van Gods huis hebben gemaakt.

In die gezindheid van schaamte en belijdenis is Gods volk in staat nadere mededelingen over het huis van de HEERE te ontvangen (vers 1111Als zij zich dan schamen vanwege alles wat zij gedaan hebben, maak hun [dan] bekend de vorm van het huis, de inrichting ervan, de uitgangen ervan en de ingangen ervan, ja, alle vormen ervan, met alle bijbehorende verordeningen, alle bijbehorende vormen en alle bijbehorende wetten, en schrijf [dat] voor hun ogen op, zodat zij heel de vorm ervan met alle bijbehorende verordeningen in acht nemen en die houden.). De profeet zal het volk dan een plattegrond van de tempel laten zien en die nader toelichten. Bij “de vorm van het huis” kunnen we denken aan het algemene beeld ervan, het aanzicht van het geheel. We kunnen dat toepassen op de wereldwijde gemeente (Ef 2:21-2221in Wie [het] hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer;22in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.; 1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.). De gemeente kent geen landsgrenzen en geen denominaties. Er is maar één gemeente. Plaatselijke gemeenten behoren van die wereldwijde gemeente een weergave in het klein te zijn (vgl. 1Ko 12:2727En u bent [het] lichaam van Christus en ieder afzonderlijk leden.).

“De inrichting ervan” betreft de verschillende gebouwen en kamers. We kunnen dit toepassen op de plaatselijke gemeenten. De gemeente in Korinthe is anders dan die in Efeze en weer anders dan die in Kolosse. Maar alle plaatselijke gemeenten moeten handelen naar het onderwijs dat Paulus “overal in elke gemeente” heeft geleerd (1Ko 4:1717Daarom <juist> heb ik Timotheüs naar u toe gezonden, die mijn geliefd en trouw kind in [de] Heer is; die zal u mijn wegen, die in Christus <Jezus> zijn, in herinnering brengen, zoals ik overal in elke gemeente leer.; 1Ko 7:1717Maar zoals de Heer aan ieder heeft toebedeeld, zoals God ieder geroepen heeft, zo moet hij wandelen. En zo verorden ik in alle gemeenten.; vgl. Op 2:7,11,17,297Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik te eten geven van de boom van het leven die in het paradijs van God is.11Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, zal geenszins van de tweede dood schade lijden.17Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan hij die hem ontvangt.29Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.; 3:6,13,226Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.13Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.22Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.).

“De uitgangen ervan en de ingangen ervan” geven aan dat er leven en vrijheid is (vgl. Jh 10:99Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.). De uitgangen worden eerst genoemd, vóór de ingangen (vgl. Ps 121:88De HEERE zal uw uitgaan en uw ingaan bewaren,
van nu aan tot in eeuwigheid.
)
. In het licht van de heiligheid van die plaats lijkt dat te benadrukken dat wie daar vóór de HEERE verschijnt, ook weer levend uit Zijn tegenwoordigheid naar buiten komt (vgl. Ex 24:9-119Vervolgens klommen Mozes en Aäron naar boven, [en ook] Nadab en Abihu met zeventig van de oudsten van Israël.10En zij zagen de God van Israël. Onder Zijn voeten was [er iets] als plaveisel van saffier, zo helder als de hemel zelf.11Hij strekte Zijn hand niet uit naar de aanzienlijken van de Israëlieten. Nadat zij God gezien hadden, aten en dronken zij.). Voor wie geschikt gemaakt is om in Zijn tegenwoordigheid te zijn, is die plaats niet afschrikwekkend (vgl. Gn 28:16-1716Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zei hij: De HEERE is werkelijk op deze plaats, en ik heb het niet geweten.17Daarom was hij bevreesd en zei hij: Hoe ontzagwekkend is deze plaats! Dit is niets anders dan het huis van God en de poort van de hemel.). Hij of zij gaat vol vertrouwen naar binnen en komt vol vreugde en kracht naar buiten.

De gemeente is een plaats of organisme waaraan mensen, nadat ze in het geloof de Heer Jezus hebben aangenomen, zijn toegevoegd. Ze zijn er, om zo te zeggen ‘binnengegaan’ en mogen daar God aanbidden (1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.). Het leven van de gelovige speelt zich ook af in de wereld. Ze gaan uit – zonder uiteraard de gemeente te verlaten, want dat kan niet – om daar in hun dagelijkse bezigheden te laten zien wie God is (1Pt 2:99U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht,). Ze laten zien dat ze zich van hun zonden en afgoden hebben bekeerd en nu leven voor Hem Die voor hen is gestorven en opgestaan en dat ze Hem uit de hemel verwachten (1Th 1:9-109want zelf vertellen zij van ons welke ingang wij bij u hadden, en hoe u zich van de afgoden tot God hebt bekeerd om [de] levende en waarachtige God te dienen10en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Die Hij uit <de> doden heeft opgewekt, Jezus, Die ons redt van de komende toorn.).

“Ja, alle vormen ervan” is alles wat tot versiering dient, zoals van de cherubs en de dadelpalmen. “Alle bijbehorende verordeningen, alle bijbehorende vormen en alle bijbehorende wetten” betreft alles wat in acht moet worden genomen bij een dienst in de tempel. Het moet er allemaal aan bijdragen dat “heel de vorm ervan” duidelijker voor de aandacht wordt gesteld. In de toepassing voor de gemeente kunnen we denken aan de samenkomsten waar de gemeente bij elkaar komt om het avondmaal te vieren of om te bidden (Hd 2:4242Zij nu bleven volharden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden.). We kunnen ook denken aan het gebod om elkaar lief te hebben (Jh 13:34-3534Een nieuw gebod geef Ik u: dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u heb liefgehad, dat ook u elkaar liefhebt.35Hieraan zullen allen weten dat u Mijn discipelen bent, als u liefde onder elkaar hebt.) en ook om de heiligheid van Gods huis te handhaven (1Ko 5:13b13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.). Van “heel de vorm ervan” zal een getuigenis uitgaan in de wereld.

Alles wat Ezechiël in de vorige hoofdstukken heeft gezien en wat hij in de volgende hoofdstukken nog te zien krijgt over de inrichting van en de voorschriften voor de dienst, moet hij aan zijn volksgenoten meedelen. Tevens moet hij het voor hun ogen opschrijven. Het is niet slechts bedoeld om over na te denken, maar ook dat hun gezindheid erdoor zal veranderen. Alles wat hij heeft gezegd en opgeschreven, moet in het geloof bewaard worden en in hun leven een uitwerking hebben, zodat hun leven tot eer van God wordt.

De toepassing van het voorgaande is niet moeilijk te maken. God openbaart Zijn gedachten over Zijn huis, de gemeente, aan hen die in nederigheid met hun hele hart op Hem gericht zijn. Hij kan alle bijzonderheden over de waarheid van de gemeente bekendmaken aan gelovigen die zich van onreinheid hebben gereinigd en zich erover schamen dat ze zo ontrouw zijn geweest. We moeten weer diep onder de indruk komen van de heiligheid van Gods woonplaats.

Dé wet voor het huis van God is: de heiligheid van het huis (vers 1212Dit is de wet voor het huis; op de top van de berg is heel het gebied ervan helemaal rondom allerheiligst. Zie, dit is de wet van het huis.). Gods huis is op “de top van de berg” (Js 2:2-32Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
3Vele volken zullen gaan en zeggen:
Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,
naar het huis van de God van Jakob;
dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,
en zullen wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan,
en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.
)
. Daardoor is het hele tempelgebied “allerheiligst” ofwel ‘hoogheilig’ wat de afzondering van het hele gebied ten opzichte van het hele land daaromheen benadrukt. De nieuwe tempel zal voor alle volken openstaan. Zonde en kwaad zullen er niet worden geduld. Daarom is heiligheid ook het kenmerk van deze tempel. Zo worden ook wij opgeroepen op alle terreinen van ons leven heilig te zijn (Hb 12:1414Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging zonder welke niemand de Heer zal zien,).


Het altaar

13Dit zijn de afmetingen van het altaar in ellen, [te weten] een el en een el en een handbreedte: de geul [eromheen] is een el [diep] en een el breed, en de opstaande rand ervan, [die] eromheen [loopt], is één span [hoog]. Dit is de verhoging van het altaar: 14van de geul [in] de grond tot de onderste omgang twee el en één el breed, en van de kleine omgang tot de grote omgang vier el en één el breed. 15Dan de vuurhaard van vier el; en uit de vuurhaard staken de vier horens naar boven. 16De vuurhaard is twaalf [el] lang en twaalf [el] breed, vierkant naar de vier zijden ervan. 17En de [grote] omgang is veertien [el] lang en veertien [el] breed, aan de vier zijden ervan, met de [opstaande] rand eromheen van een halve el [hoog], met een geul ervan van een el rondom. En de trappen ervan zijn gericht naar het oosten.

Het altaar (vers 1313Dit zijn de afmetingen van het altaar in ellen, [te weten] een el en een el en een handbreedte: de geul [eromheen] is een el [diep] en een el breed, en de opstaande rand ervan, [die] eromheen [loopt], is één span [hoog]. Dit is de verhoging van het altaar:) is het brandofferaltaar. Het altaar bevindt zich in de binnenste voorhof, voor het tempelhuis. Dit altaar is evenals het altaar in de vorige tempels het middelpunt van de eredienst. Rondom het altaar is een geul in de grond gegraven. Die dient om het bloed van de offerdieren op te vangen. Er is eerst een verhoging van één el en daarna is er nog een verhoging van twee el (vers 1414van de geul [in] de grond tot de onderste omgang twee el en één el breed, en van de kleine omgang tot de grote omgang vier el en één el breed.).

“De vuurhaard” is op vier el hoogte (vers 1515Dan de vuurhaard van vier el; en uit de vuurhaard staken de vier horens naar boven.). In directe verbinding met de vuurhaard wordt vermeld dat het altaar vier horens heeft (vgl. Ex 27:22U moet dan zijn horens op de vier hoeken ervan maken; zijn horens moeten er één geheel mee vormen en u moet het met koper overtrekken.; Ps 118:2727De HEERE is God, Hij heeft ons licht gegeven.
Bind het feest[offer] vast met touwen
tot aan de hoorns van het altaar.
)
. De vuurhaard wijst op het oordeel dat het offer treft. De vier horens wijzen op de kracht van het offer en het getal vier op de reikwijdte ervan: het resultaat van het offer wordt aan iedereen aangeboden, tot aan het einde van de aarde (Op 7:11Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, die de vier winden van de aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, noch over de zee, noch over enige boom.). Een van de namen van God is “Rots” (Ps 18:33De HEERE is mijn rots en mijn burcht en mijn Bevrijder,
mijn God, mijn rots, tot Wie ik de toevlucht neem,
mijn schild en de hoorn van mijn heil, mijn veilige vesting.
)
. Hij is de garantie dat wie het offer van Christus heeft aangenomen, de behoudenis nooit meer verliest. Het offer houdt altijd en onveranderlijk zijn waarde.

De vuurhaard is een vierkant van twaalf el lang en twaalf el breed (vers 1616De vuurhaard is twaalf [el] lang en twaalf [el] breed, vierkant naar de vier zijden ervan.). Om het altaar heen loopt een omgang van veertien el lang en veertien el breed (vers 1717En de [grote] omgang is veertien [el] lang en veertien [el] breed, aan de vier zijden ervan, met de [opstaande] rand eromheen van een halve el [hoog], met een geul ervan van een el rondom. En de trappen ervan zijn gericht naar het oosten.). Ten slotte is er een trap aan de oostkant van het altaar. De oostkant is de kant waar de zondaar naar toe is gegaan, bij God vandaan (Gn 4:1616Toen ging Kaïn weg van het aangezicht van de HEERE; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.; 11:22En het gebeurde toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen.). Van die kant komt hij als hij terugkeert naar God. God wordt vanuit het oosten benaderd. Als de priester boven op de trap staat, kijkt hij naar het westen, naar de tempel, wat betekent dat zijn blik gericht is op Gods woonplaats wanneer hij offert.

De trap is nodig om op dit grote altaar te kunnen offeren. Het altaar is als het ware een groot gebouw met drie vierkante verdiepingen. Elke hogere verdieping is twee el smaller dan de verdieping eronder, waardoor het altaar er uitziet als een toren. We kunnen het ook een monument noemen. Bovenop werken de priesters.

In het vrederijk symboliseert dit grote monument het werk van Christus. Dit werk wordt door dit altaar de hele duur van het vrederijk nadrukkelijk voor de aandacht gehouden. In beeld betekent dit dat er een voortdurende gedachtenis aan Golgotha zal blijven. Die gedachtenis wordt tot uiting gebracht in de dierlijke offers die tijdens het vrederijk weer worden gebracht.

Deze dierlijke offers zijn geen loochening van het werk van Christus, maar een terugwijzing naar Zijn grote offer. Ze worden gebracht ter gedachtenis aan het volbrachte werk. Deze dierlijke offers zijn te vergelijken met het avondmaal, dat ook een gedachtenismaal is. Wij brengen ook (geestelijke) offers, die terugwijzen naar Zijn werk. We doen het tot Zijn gedachtenis, we denken aan Hem, we denken terug aan wat Hij heeft gedaan.

Een gedachtenis is ook een gedenkteken, een monument dat zichtbaar maakt wat destijds is gebeurd. Het gedenkteken is behalve een gedachtenis ook een verkondiging. De vraag van de Heer Jezus ”doet dit tot Mijn gedachtenis” (1Ko 11:23-2623Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam;24en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.25Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.26Want zo dikwijls u dit brood eet en de drinkbeker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt.), houdt niet alleen de vraag in om aan Hem te denken, dat wij het nooit vergeten, maar betekent ook dat tegenover de wereld getuigenis afgelegd wordt van wat Hij heeft gedaan. De HEERE “heeft voor Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt” (Ps 111:44Hij heeft voor Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt, /zain/
de HEERE is genadig en barmhartig. /cheth/
)
.

In de samenkomsten van de gelovigen vieren we het avondmaal tot Zijn gedachtenis, waarbij het avondmaal ook als het ware een monument van Zijn dood is, waaraan we alles te danken hebben. Het is naar Gods wens dat er een gedenkteken is van het werk van Zijn Zoon, Die als de Opgestane en Levende in het midden van de gemeente is.


De inwijding van het altaar

18Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Dit zijn de verordeningen voor het altaar. Op de dag dat het vervaardigd is om er brandoffers op te brengen en om er bloed op te sprenkelen, 19moet u de Levitische priesters die van het nageslacht van Zadok zijn [en] die tot Mij naderen – spreekt de Heere HEERE – om Mij te dienen, een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer geven. 20U moet dan [een deel] van het bloed ervan nemen en [dat] op de vier horens ervan strijken, op de vier hoeken van de omgang en op de [opstaande] rand eromheen. Zo moet u het ontzondigen en er verzoening voor doen. 21Vervolgens moet u de jonge stier, het zondoffer, nemen. Dan moet men hem verbranden op de daartoe bestemde plaats van het huis, buiten het heiligdom. 22Op de tweede dag moet u een geitenbok zonder enig gebrek als zondoffer brengen. Zo moet men het altaar ontzondigen, zoals zij [het] ontzondigd hebben met de jonge stier. 23Wanneer u het ontzondigen voltooid hebt, moet u een jonge stier – het jong van een rund – zonder enig gebrek, en een ram uit het kleinvee zonder enig gebrek aanbieden. 24U moet ze voor het aangezicht van de HEERE aanbieden. De priesters moeten er zout op strooien en ze offeren als brandoffer voor de HEERE. 25Zeven dagen [lang] moet u elke dag een bok als zondoffer bereiden. Verder moet men een jonge stier – het jong van een rund – en een ram uit het kleinvee bereiden, zonder enig gebrek. 26Zeven dagen moet men voor het altaar verzoening doen, het reinigen en inwijden. 27Wanneer zij dan deze dagen voltooid hebben, zal het op de achtste dag en daarna gebeuren, dat de priesters op het altaar uw brandoffers en uw dankoffers zullen bereiden. Dan zal Ik een welgevallen aan u hebben, spreekt de Heere HEERE.

De Heere HEERE geeft Ezechiël speciale “verordeningen voor het altaar” (vers 1818Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Dit zijn de verordeningen voor het altaar. Op de dag dat het vervaardigd is om er brandoffers op te brengen en om er bloed op te sprenkelen,), dat wil zeggen over de wijze waarop het moet worden gebruikt, hoe daarop geofferd moet worden. Op de dag dat het altaar klaar is om er brandoffers op te offeren en bloed op te sprenkelen, moet Ezechiël “de Levitische priesters van het geslacht van Zadok” die tot de HEERE naderen om Hem te dienen, een zondoffer geven (vers 1919moet u de Levitische priesters die van het nageslacht van Zadok zijn [en] die tot Mij naderen – spreekt de Heere HEERE – om Mij te dienen, een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer geven.). Dat het een belangrijke opdracht is, blijkt uit de herhaling “spreekt de Heere HEERE”.

Hier komt Ezechiël tot een uitoefening van zijn dienst als priester, een dienst die hij nooit heeft kunnen uitoefenen. Het is wel opmerkelijk dat zijn dienst bestaat uit het geven van een offer aan de priesters. Hij offert niet zelf. Dat doet denken aan de dienst van Mozes die ook aan Aäron en zijn zonen geeft wat nodig is om hun dienst als priester te kunnen verrichten (Lv 8:2,142Neem Aäron en met hem zijn zonen, de kleding en de zalfolie, de jonge stier van het zondoffer, de twee rammen en de mand met de ongezuurde [broden],14Toen liet hij de jonge stier van het zondoffer naar voren brengen. En Aäron met zijn zonen legden hun handen op de kop van de jonge stier van het zondoffer,). Ezechiël zal in de opstanding dit werk mogen doen (vgl. Js 26:1919Uw doden zullen leven – [ook] mijn dood lichaam – zij zullen opstaan.
Ontwaak en juich, u die woont in het stof,
want Uw dauw zal zijn [als] dauw op jong, fris groen
en de aarde zal de gestorvenen baren.
; Dn 12:2-3,132En velen van hen die slapen
in het stof van de aarde, zullen ontwaken,
sommigen tot eeuwig leven,
anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen.3De verstandigen zullen blinken als de glans van het [hemel]gewelf,
en zij die er velen rechtvaardigen, als de sterren,
voor eeuwig en altijd.13Maar u, ga heen tot het einde, want u zult rusten, en u zult opstaan in uw bestemming, aan het einde van de dagen.
)
. Dit moet opnieuw een bijzondere bemoediging voor deze priester-profeet zijn geweest.

Ezechiël wordt aangesproken als “mensenkind”, waardoor we worden herinnerd aan de Heer Jezus als de Mensenzoon. De opstanding van de Heer Jezus geeft aan hen die Hij heeft verlost aanleiding om God te eren. Hij is als de Opgestane in het midden van de verlosten en geeft Zelf leiding aan het eren van God. We zien dat in Psalm 22, waar we Hem zien als het zondoffer. Nadat Hij het werk voor de zonde, dat in die psalm wordt beschreven (Ps 22:1-22a1Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De hinde van de dageraad’.2Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
[bent U] ver van mijn verlossing, [van] de woorden van mijn jammerklacht?
3Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet,
en 's nachts, maar ik vind geen stilte.
4Maar U bent heilig,
U troont [op] de lofzangen van Israël.
5Op U hebben onze vaderen vertrouwd,
zij hebben vertrouwd en U hebt hen bevrijd.
6Tot U hebben zij geroepen en zij zijn gered,
op U hebben zij vertrouwd en zij zijn niet beschaamd.7Maar ik ben een worm en geen man,
een smaad van mensen en veracht door het volk.
8Allen die mij zien, bespotten mij;
zij trekken de lippen op, zij schudden het hoofd [en zeggen]:
9Hij heeft [zijn zaak] op de HEERE gewenteld – laat Die hem bevrijden!
Laat Die hem redden, als Hij hem genegen is.
10U bent het toch Die mij uit de buik hebt getrokken,
Die mij vertrouwen gaf, toen ik aan mijn moeders borst lag.
11Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af,
vanaf de moederschoot bent U mijn God.12Blijf [dan] niet ver van mij, want de nood is nabij;
er is immers geen helper.
13Vele stieren hebben mij omringd,
sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld.
14Zij hebben hun muil tegen mij opengesperd
[als] een verscheurende en brullende leeuw.
15Als water ben ik uitgestort,
ontwricht zijn al mijn beenderen;
mijn hart is als was,
het is gesmolten diep in mijn binnenste.
16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
17Want honden hebben mij omsingeld,
een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven;
zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.
18Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen;
en zij, zij zien het aan, zij kijken naar mij.
19Zij verdelen mijn kleding onder elkaar
en werpen het lot om mijn gewaad.20Maar U, HEERE, blijf niet ver weg;
mijn sterkte, kom mij spoedig te hulp.
21Red mijn ziel van het zwaard,
mijn eenzame [ziel] van het geweld van de hond.
22Verlos mij uit de muil van de leeuw
en van de hoorns van de wilde ossen.
[Ja,] U hebt mij verhoord.
)
, heeft volbracht, roept Hij allen die God vrezen op God te loven en te vereren (Ps 22:23-2423Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen,
in het midden van de gemeente zal ik U loven.
24U die de HEERE vreest, loof Hem;
alle nakomelingen van Jakob, vereer Hem;
wees bevreesd voor Hem, alle nakomelingen van Israël.
)
. Zo stelt Hij (geestelijke) offers aan de Zijnen ter beschikking.

De HEERE bepaalt welk dier als zondoffer zal dienen. Het zondoffer moet een jonge stier, het jong van een rund, zijn (vgl. Lv 4:33– [ook] als de priester, de gezalfde, gezondigd heeft, zodat het volk schuldig wordt –, dan moet hij voor zijn zonde, die hij begaan heeft, als zondoffer aan de HEERE een jonge stier aanbieden – het jong van een rund – zonder enig gebrek.; 4:1414en als de zonde die zij daartegen begaan hebben, bekend is geworden, dan moet de gemeente een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer aanbieden en die vóór de tent van ontmoeting brengen.; 16:33[Alleen] hiermee mag Aäron het heiligdom binnengaan: met een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer en een ram als brandoffer.; Nm 8:88Daarna moeten zij een jonge stier nemen, het jong van een rund, met het bijbehorende graanoffer van meelbloem gemengd met olie; en een tweede jonge stier, het jong van een rund, moet u als zondoffer nemen.; Ez 43:2525Zeven dagen [lang] moet u elke dag een bok als zondoffer bereiden. Verder moet men een jonge stier – het jong van een rund – en een ram uit het kleinvee bereiden, zonder enig gebrek.). Ezechiël moet het bloed van dat zondoffer op de vier horens van het altaar strijken (vgl. Ex 29:1212Vervolgens moet u [een deel] van het bloed van de jonge stier nemen, en [dat] met uw vinger op de horens van het altaar strijken. Al het [overige] bloed moet u dan aan de voet van het altaar uitgieten.; Lv 4:7,187En de priester moet [een deel] van het bloed strijken op de horens van het altaar voor het geurige reukwerk, dat in de tent van ontmoeting staat voor het aangezicht van de HEERE. En hij moet al het [overige] bloed van de jonge stier uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat [bij] de ingang van de tent van ontmoeting staat.18[Een deel] van het bloed moet hij dan op de horens van het altaar strijken dat voor het aangezicht van de HEERE is, in de tent van ontmoeting. En al het [overige] bloed moet hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat [bij] de ingang van de tent van ontmoeting staat.; 16:1818Daarna moet hij naar buiten gaan, naar het altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE is, en er verzoening over doen. Hij moet dan [een deel] van het bloed van de jonge stier en [een deel] van het bloed van de bok nemen en het rondom op de horens van het altaar strijken.) en ook op de rand om het altaar heen (vers 2020U moet dan [een deel] van het bloed ervan nemen en [dat] op de vier horens ervan strijken, op de vier hoeken van de omgang en op de [opstaande] rand eromheen. Zo moet u het ontzondigen en er verzoening voor doen.). Daardoor zal het altaar ontzondigd worden en zal er verzoening voor worden gedaan (vgl. Ex 29:3636U moet ook elke dag een jonge stier als zondoffer ter verzoening bereiden en het altaar van zonde reinigen door er verzoening voor te doen; u moet het dan zalven om het te heiligen.).

Om het bloed op de vier horens van het altaar aan te brengen moet Ezechiël bovenop het altaar staan en er een rondgang over maken. Zo ziet hij het altaar in zijn krachtige uitwerking naar alle kanten en dat die uitwerking er kan zijn op grond van het bloed van het zondoffer, de Heer Jezus. In geestelijk opzicht maken wij de rondgang om het altaar als wij nadenken over de veelzijdigheid van het werk van Christus en de reikwijdte van Zijn verzoeningswerk, wat Zijn werk betekent zowel voor God als voor de wereld (Ps 26:6-86Ik was mijn handen in onschuld;
ik ga rondom Uw altaar, HEERE,
7om een loflied te doen horen
en al Uw wonderen te vertellen.
8HEERE, ik heb lief het huis waar U woont
en de tabernakel, de [woon]plaats van Uw eer.
)
.

Na het aanbrengen van het bloed van het zondoffer moet Ezechiël het dier nemen om het door een van de priesters van de zonen van Zadok te laten verbranden “op de daartoe bestemde plaats van het huis, buiten het heiligdom” (vers 2121Vervolgens moet u de jonge stier, het zondoffer, nemen. Dan moet men hem verbranden op de daartoe bestemde plaats van het huis, buiten het heiligdom.; vgl. Lv 16:2727De jonge stier voor het zondoffer en de bok voor het zondoffer, waarvan het bloed in het heiligdom is binnengebracht om verzoening te doen, moet men tot buiten het kamp brengen. Hun huiden, hun vlees en hun mest moeten zij met vuur verbranden.; Ex 29:1414Maar het vlees van de jonge stier, zijn huid en zijn mest moet u buiten het kamp met vuur verbranden: het is een zondoffer.; Lv 4:1212dus heel de jonge stier, moet hij naar buiten brengen, tot buiten het kamp, naar een reine plaats, naar de stortplaats van de as. Dan moet hij hem op hout met vuur verbranden. Op de stortplaats van de as moet hij verbrand worden.; Hb 13:1313Laten wij daarom tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, terwijl wij Zijn smaad dragen.).

Daarmee is de wijding van het altaar nog niet voltooid. Op de tweede dag moet er “een geitenbok zonder enig gebrek als zondoffer” worden gebracht (vers 2222Op de tweede dag moet u een geitenbok zonder enig gebrek als zondoffer brengen. Zo moet men het altaar ontzondigen, zoals zij [het] ontzondigd hebben met de jonge stier.). Die dient, evenals de jonge stier, tot ontzondiging van het altaar. Daarmee is “het ontzondigen voltooid”, maar de inwijding nog niet (vers 2323Wanneer u het ontzondigen voltooid hebt, moet u een jonge stier – het jong van een rund – zonder enig gebrek, en een ram uit het kleinvee zonder enig gebrek aanbieden.). Er moeten nog een jonge stier en een ram uit het kleinvee, beide zonder gebrek, worden aangeboden. Ze moeten worden aangeboden “voor het aangezicht van de HEERE” (vers 2424U moet ze voor het aangezicht van de HEERE aanbieden. De priesters moeten er zout op strooien en ze offeren als brandoffer voor de HEERE.).

Voordat ze geofferd worden, moeten de priesters op de jonge stier en op de ram zout strooien. Dat wordt onder het oude verbond al geboden (Lv 2:13c13Elke offergave van uw graanoffers moet u met zout bereiden. Het zout van het verbond met uw God mag u aan uw graanoffer niet laten ontbreken. Bij al uw offergaven moet u zout aanbieden.). Het zout is het teken van het verbond (Nm 18:1919Alle hefoffers van de geheiligde [gaven] die de Israëlieten de HEERE moeten brengen, geef Ik u, en uw zonen, en uw dochters met u, als een eeuwige verordening. Het is een eeuwig, [met] zout [bekrachtigd] verbond, voor het aangezicht van de HEERE, voor u en voor uw nageslacht met u.; 2Kr 13:55Weet u niet dat de HEERE, de God van Israël, voor eeuwig het koningschap over Israël aan David gegeven heeft, aan hem en aan zijn zonen, [door een met] zout [bekrachtigd] verbond?). Zout is bewarend en bederfwerend en is daarom een gepast symbool, niet alleen van het oude, maar ook van het nieuwe verbond.

Het voorschrift voor de inwijding van het altaar wordt vervolgd met de opdracht dat er zeven dagen lang elke dag een bok als zondoffer moet worden klaargemaakt om te worden geofferd (vers 2525Zeven dagen [lang] moet u elke dag een bok als zondoffer bereiden. Verder moet men een jonge stier – het jong van een rund – en een ram uit het kleinvee bereiden, zonder enig gebrek.). Ook moeten een jonge stier en een ram uit het kleinvee, zonder enig gebrek, worden klaargemaakt om te worden geofferd. Zeven dagen lang – dat ziet op een volkomen periode – moet er voor het altaar verzoening worden gedaan, waardoor het wordt gereinigd en ingewijd voor gebruik (vers 2626Zeven dagen moet men voor het altaar verzoening doen, het reinigen en inwijden.; vgl. Ex 29:3535U moet dan met Aäron en zijn zonen precies zo doen overeenkomstig alles wat Ik u geboden heb; zeven dagen [lang] moet de wijding duren.; Lv 8:3333Ook mogen jullie zeven dagen lang niet van de ingang van de tent van ontmoeting weggaan, tot de dag dat de dagen van jullie wijdingsoffer voorbij zijn, want zeven dagen zal jullie wijding duren.).

Na afloop van de periode van zeven dagen volgt een achtste dag als begin van alle dagen die “daarna” volgen (vers 2727Wanneer zij dan deze dagen voltooid hebben, zal het op de achtste dag en daarna gebeuren, dat de priesters op het altaar uw brandoffers en uw dankoffers zullen bereiden. Dan zal Ik een welgevallen aan u hebben, spreekt de Heere HEERE.). Een achtste dag is het vervolg op een afgesloten periode van zeven dagen en is daarmee tevens het begin van een nieuwe periode, en wel een periode zonder einde, alle dagen “daarna”. De achtste dag ziet op de eeuwigheid. Op de achtste dag is het eindelijk zover dat het altaar de dienst gaat doen waarvoor het is gemaakt. Die dienst gaat tot in alle eeuwigheid door. In de hemel zullen we onze priesterdienst op volmaakte wijze en eindeloos voortzetten.

De priesters gaan hun brandoffers en dank- of vredeoffers op dit altaar brengen. Over zondoffers horen we niet meer. De brandoffers spreken van het werk van de Heer Jezus dat Hij volkomen voor God heeft verricht. De dank- of vredeoffers spreken van de gemeenschap die er, op grond van Zijn werk, is met de Vader en de Zoon en met elkaar. Beide offers spreken van het welgevallen dat God op grond van het offer van Zijn Zoon in de Zijnen heeft.

Zoals al is opgemerkt, is het feit dat er in het vrederijk weer letterlijke offers worden gebracht, niet in strijd met het eens voor altijd volbrachte werk van Christus. Voor onze tijd geldt dat alle oudtestamentische offers hun vervulling hebben gevonden in Christus en wat Hij heeft volbracht (zie de brief aan de Hebreeën). In de tijd van het vrederijk, als God de draad met Zijn aardse volk, Israël, weer heeft opgenomen, zullen die offers een herinnering zijn aan het eens voor altijd volbrachte werk van Christus. Het is vergelijkbaar met het avondmaal in onze tijd, dat ook een herinneringsmaaltijd is.

De Israëliet in het vrederijk zal volkomen zeker zijn van de vergeving van zijn zonden op grond van het eenmaal gestorte bloed van Christus (Hb 8:10-1210Want dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël zal maken, zegt [de] Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal ze in hun harten schrijven; en Ik zal hun tot een God en zij zullen Mij tot een volk zijn.11En zij zullen geenszins leren ieder zijn medeburger en ieder zijn broeder door te zeggen: ‘Ken de Heer’, want zij zullen Mij allen kennen, van [de] kleine tot [de] grote onder hen.12Want Ik zal jegens hun ongerechtigheden genadig zijn en hun zonden zal Ik geenszins meer gedenken’.). De offers zullen dan niet meer een steeds weer in herinnering brengen van zonden betekenen, zoals onder het oude verbond het geval is geweest (Hb 10:1-41Want daar de wet een schaduw heeft van de toekomstige goederen, niet het beeld van de dingen zelf, kan zij met dezelfde slachtoffers die men voortdurend elk jaar offert, hen die naderen nooit volmaken.2Zou anders het offeren daarvan niet opgehouden zijn, omdat zij die de dienst verrichten, eenmaal gereinigd geen enkel geweten van zonden meer zouden gehad hebben?3Maar in deze [offers] is elk jaar een in herinnering brengen van zonden.4Want het is onmogelijk dat bloed van stieren en bokken zonden wegneemt.).

Dit prachtige gedeelte over de inwijding van het altaar besluit met de woorden “dan zal Ik een welgevallen aan u hebben, spreekt de Heere HEERE”. Het offer van Christus zal altijd voor Gods aandacht staan. God ziet ons, die priesters zijn, in Hem aan. Daarom kan Hij een welgevallen aan ons hebben. Alles wat we zijn en alles wat we ontvangen, hebben we alleen aan Hem te danken op Wie Gods welgevallen rust. We zijn “aangenaam gemaakt … in de Geliefde” (Ef 1:66tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,). God heeft van Hem getuigd: “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen gevonden heb” (Mt 3:1717en zie, een stem uit de hemelen zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden.). Wij stemmen daarmee van harte in en offeren Hem de vrucht of stieren van onze lippen (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.; Hs 14:2-32Bekeer u, Israël,
tot de HEERE, uw God,
want u bent gestruikeld door uw ongerechtigheid.3Neem [deze] woorden met u mee,
bekeer u tot de HEERE.
Zeg tegen Hem:
Neem alle ongerechtigheid weg, neem het goede aan.
Dan zullen wij de offers van onze lippen nakomen.
)
door uit de grond van ons hart tegen de Vader te zeggen: ‘Hij is Uw geliefde Zoon, in Wie ook wij ons welbehagen hebben gevonden.’


Lees verder