Ezechiël
Inleiding 1-4 Ezechiël in een visioen naar Jeruzalem 5 De buitenste muur 6-16 De buitenste oostpoort 17-19 Plaveisel en dertig kamers 20-23 De buitenste noorderpoort 24-27 De buitenste zuiderpoort 28-31 De zuiderpoort van de binnenste voorhof 32-34 De oostpoort van de binnenste voorhof 35-37 De noorderpoort van de binnenste voorhof 38-43 Voorwerpen voor de offerdienst 44-47 Kamers voor de zangers en de priesters 48-49 De voorhal
Inleiding

Met Ezechiël 40 begint het laatste gedeelte van het boek. Na het herstel van Israël in zijn land (Ezechiël 36-37) en de vernietiging van de laatste vijanden (Ezechiël 38-39) kan het vrederijk in al zijn glorie gevestigd worden. Terwijl bijna alle andere profeten niet verder gaan dan het vermelden van het vrederijk, soms ook met een korte beschrijving van die vrede, gaat Ezechiël in deze laatste hoofdstukken (Ezechiël 40-48) uitvoerig in op de nieuwe tempel, de nieuwe priesterdienst en de nieuwe indeling van het land in het vrederijk.

Na alle strijd is er eindelijk overal op aarde volledig rust. Het centrum van die rust is het heiligdom – dat al even in Ezechiël 37 is genoemd (Ez 37:26,2826Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.28Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.) – waar de HEERE woont en wordt gediend.

Ezechiël 40-48 kan als volgt worden onderverdeeld:
1. Eerst geeft Ezechiël een beschrijving van het heiligdom (Ezechiël 40:1-42:20), waarin de heerlijkheid van de HEERE terugkeert.
2. Vervolgens beschrijft hij het altaar en de inwijding ervan en de priesterdienst die in het heiligdom plaatsvindt (Ezechiël 43:1-47:12). Hij kan die beschrijving geven omdat de HEERE hem in een visioen een beeld van het heiligdom en zijn verordeningen geeft.
3. In het laatste gedeelte (Ezechiël 47:13-48:35) zien we de nieuwe bewoners van het land en de verdeling van het land onder de twaalf stammen.

De bespreking van dit laatste gedeelte van het boek Ezechiël is niet altijd eenvoudig. Uitleggers hebben op de volgende problemen voor de uitleg en de toepassing ervan gewezen:
1. De beschrijving is niet volledig.
2. Er zijn verschillen in de Hebreeuwse handschriften, waarbij soms ook onderscheid is tussen wat er staat en wat er gelezen wordt.
3. De tekst van de Septuaginta (LXX) is in een aantal gevallen duidelijker dan de Hebreeuwse tekst (en soms door vertalers stilzwijgend overgenomen).
4. De specifieke bouwkundige termen die worden gebruikt, waarvan de betekenis al in de tijd van de LXX onbekend is.

Zoals zojuist is gezegd, is de beschrijving van het heiligdom die Ezechiël in het visioen ziet, niet volledig. Zo ontbreken bijvoorbeeld de meeste hoogtematen. Verder ontbreekt meestal de vermelding van de materialen die bij de bouw van het heiligdom nodig zijn. Bij de bouw van de tabernakel door Mozes en bij de bouw van de tempel door Salomo zijn die materialen wel genoemd.

Het ontbreken van de opsomming van de materialen lijkt te betekenen dat het in deze beschrijving vooral gaat om de aanwezigheid en het gebruik van de tempel, het bestaan en het doel ervan. Wel wordt elders vermeld dat de materialen door koningen van diverse landen zullen worden geleverd (Ps 68:3030Omwille van Uw tempel in Jeruzalem
zullen koningen U geschenken brengen.
)
, waarvandaan ook mensen komen om mee te helpen bij de bouw (Zc 6:15a15Men zal van verre komen en bouwen aan de tempel van de HEERE. Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten mij tot u gezonden heeft. Dit zal gebeuren als u aandachtig zult luisteren naar de stem van de HEERE, uw God.).

De beschrijving van de tabernakel is ook niet tot in detail gegeven. Maar wat ontbreekt in die beschrijving is bij de bouw en de oprichting ervan door Mozes geen onoverkomelijk gemis. Mozes heeft namelijk het voorbeeld van de tabernakel op de berg gezien (Ex 25:9,409Volgens alles wat Ik u zal tonen, een ontwerp van de tabernakel en een ontwerp van al zijn voorwerpen, zó moet u [het] maken.40Zie dan [erop] toe dat u het maakt naar zijn ontwerp, dat u op de berg getoond is.; Hb 8:55Dezen dienen een zinnebeeld en schaduw van de hemelse dingen, zoals Mozes een Goddelijke aanwijzing ontving toen hij de tabernakel zou vervaardigen; want: ‘Zie erop toe’, zegt Hij, ‘dat u alles maakt naar het voorbeeld dat u op de berg getoond is’.). Voor de tempel van Salomo geldt iets vergelijkbaars, want Salomo heeft het ontwerp van de tempel van zijn vader David op schrift gekregen (1Kr 28:1919Dit alles is mij, [zei David,] in een geschrift te verstaan gegeven door de hand van de HEERE: alle werken van dit ontwerp.).

De tempel die Ezechiël ziet, zal door de Messias Zelf, de Heer Jezus, worden gebouwd (Zc 6:1212en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.
)
. Wij hebben misschien voor ons idee nu een incomplete beschrijving van die tempel, onvoldoende om hem tot in detail na te bouwen. De Heer Jezus als de Bouwmeester is de garantie dat die tempel tot in detail volmaakt zal zijn. Er zal niets aan ontbreken. Elk onderdeel en elke ruimte zullen op de juiste plaats staan en van de juiste afmetingen zijn. Ze zullen in volkomen harmonie met en in de juiste verhouding tot alle andere onderdelen en ruimten zijn.

De vrij droge opsomming van afmetingen doet nogal technisch aan. De beschrijving lijkt daardoor – net als bij de tabernakel – weinig voedsel voor het hart te geven. Maar allen die hebben geleerd dat God elk woord in Zijn Woord heeft laten neerschrijven omdat Hij dat voor ons van belang acht, zullen ernaar verlangen te weten wat Hij ons ook door deze beschrijving heeft te zeggen. Want “alle Schrift is door God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in [de] gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust” (2Tm 3:16-1716Alle Schrift is door God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in [de] gerechtigheid,17opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust.).

Ook al weten we van sommige details niet de precieze betekenis of plaats, wel wordt duidelijk dat God ordelijk, volgens een vast omlijnd plan, te werk gaat. Dit doet denken aan de orde die Hij ook in de gemeente, Zijn huis in deze tijd, gehandhaafd wenst te zien (1Ko 14:4040Maar laat alles welvoeglijk en met orde gebeuren.; Ko 2:55Want al ben ik ook naar het lichaam afwezig, toch ben ik in de geest bij u en verblijd mij bij het zien van uw orde en de vastheid van uw geloof in Christus.). Als het gaat om de dienst van de aanbidding van God – en daarop ligt bij dit heiligdom de nadruk –, geeft Hij uitvoerig en nauwkeurig aan hoe Hij wil dat Zijn volk die dienst verricht. Dat geldt ook voor ons in deze tijd, zoals de Heer Jezus zegt: Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden. God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid” (Jh 4:23-2423Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.).

In het Oude Testament worden vier woningen van God beschreven. De eerste is de tabernakel. Dit is de (verplaatsbare) woonplaats van God bij Zijn volk in de woestijn. De tweede is de tempel, de vaste woonplaats van God in het land. Die is door Salomo gebouwd en door Nebukadrezar verwoest. Dit is de eerste tempel. De derde woonplaats van God is de tempel die door Zerubbabel is gebouwd na de terugkeer in het land van een overblijfsel uit de Babylonische ballingschap. Deze tempel is later door Herodes vergroot en in het jaar 70 door de Romeinen verwoest. Dit is de tweede tempel. De tempel die Ezechiël ziet en voor ons beschrijft, is de derde tempel, die van het vrederijk.

Nu is het van belang dat deze vier woonplaatsen van God allemaal in feite een en dezelfde woonplaats vormen. De Schrift maakt dat duidelijk. Om te beginnen zien we dat wat voor de tabernakel geldt ook voor de tempel geldt. De schrijver van de brief aan de Hebreeën spreekt over de tabernakel, terwijl het over de dienst in de tempel gaat (Hb 9:1-71<Ook> het eerste [verbond] had dus dienstvoorschriften en het wereldlijk heiligdom.2Want een tabernakel was ingericht, de eerste, waarin de kandelaar was en de tafel en de toonbroden; deze wordt [het] heilige genoemd.3En achter het tweede voorhangsel was een tabernakel, [het] heilige der heiligen geheten,4die een gouden wierookvat bevatte en de ark van het verbond, rondom geheel met goud overdekt, waarin een gouden kruik was die het manna bevatte, en de staf van Aaron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond;5en daarboven de cherubs van [de] heerlijkheid die het verzoendeksel overschaduwden; het is niet mogelijk hierover nu in bijzonderheden te spreken.6Waar deze dingen nu zo ingericht zijn, gaan de priesters wel steeds in de eerste tabernakel om de diensten te volbrengen,7maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offert voor zichzelf en voor de afdwalingen van het volk.). De inrichting van en de dienst in de tabernakel is om zo te zeggen uitwisselbaar met de inrichting van en de dienst in de tempel.

Deze vereenzelviging zet zich voort in de drie tempels. Dat leren we van de profeet Haggaï. Haggaï spreekt tot het volk dat uit de ballingschap in het land van God is teruggekeerd en de tempel heeft herbouwd. Hij zegt over het zojuist herbouwde huis van God tegen allen die daarbij staan: “Wie is er onder u overgebleven die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft? En hoe ziet u het nu? Is het niet als niets in uw ogen?” (Hg 2:44Wie is er onder u overgebleven
die dit huis gezien heeft
in zijn eerste heerlijkheid?
En hoe ziet u het nu?
Is het niet als niets in uw ogen?
)
. Hij spreekt nadrukkelijk over ‘dit huis in zijn eerste heerlijkheid’. Daarmee verwijst hij naar de tempel die Salomo heeft gebouwd. Ze hebben dat huis – “dit huis” –herbouwd, hoewel zonder de glans die dat huis heeft gehad.

Haggaï profeteert ook van de toekomstige tempel, die van Ezechiël. Ook dat is geen nieuwe woonplaats van God, maar een vernieuwing en vergroting van de oorspronkelijke heerlijkheid ervan. God zegt: “Ik zal dit huis vullen met heerlijkheid” (Hg 2:88Ik zal alle heidenvolken doen beven.
Zij zullen komen [naar] het verlangen van alle heidenvolken
en Ik zal dit huis vullen met heerlijkheid,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
. Weer “dit huis”! Hij zegt erbij, zoals er letterlijk staat: “De laatste heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de eerste” (Hg 2:1010De heerlijkheid van dit toekomstige huis zal groter zijn
dan die van het eerste,
zegt de HEERE van de legermachten.
In deze plaats zal Ik vrede geven,
spreekt de HEERE van de legermachten.
)
.

In Ezechiël 40-42 hebben we de eigenlijke beschrijving van het huis. De profeet loopt in een visioen met een Man mee Die hem een rondleiding door de hele tempel geeft. Die rondleiding gebeurt, op enkele onderbrekingen na, stilzwijgend. Allerlei bouwkundige aspecten komen onder de aandacht. Terwijl Ezechiël zwijgend toeziet, verricht de Man ook allerlei metingen.

De Man verbreekt het zwijgen enkele keren om iets aan Ezechiël te verklaren (Ez 40:4,454Toen sprak die Man tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen, luister met uw oren, en neem alles wat Ik u zal laten zien, ter harte. U bent namelijk hierheen gebracht, opdat Ik u [dit] zou laten zien. Maak alles wat u ziet, aan het huis van Israël bekend.45Hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan de voorkant op het zuiden uitziet, is bestemd voor de priesters die [hun] taak ten behoeve van het huis vervullen.; 41:4,224Verder mat Hij de lengte ervan: twintig el, en de breedte: twintig el vóór de tempel. Toen zei Hij tegen mij: Dit is het heilige der heiligen.22De hoogte van het houten altaar was drie el en de lengte ervan twee el. En de hoeken eraan, de lengte ervan en de zijwanden ervan, waren van hout. Toen sprak Hij tot mij: Dit is de tafel die voor het aangezicht van de HEERE zal zijn.; 42:1313Toen zei Hij tegen mij: De kamers van het noorden [en] de kamers van het zuiden, die vóór het afgezette gedeelte liggen, dat zijn heilige kamers, waar de priesters die tot de HEERE naderen, de allerheiligste [offergaven] zullen eten. Daar moeten zij de allerheiligste [offergaven] neerleggen, het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer, want die plaats is heilig.; 43:1818Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Dit zijn de verordeningen voor het altaar. Op de dag dat het vervaardigd is om er brandoffers op te brengen en om er bloed op te sprenkelen,). Later spreekt Hij nog een enkele keer (Ez 46:2020Hij zei tegen mij: Dit is de plaats waar de priesters het schuldoffer en het zondoffer moeten koken, waar zij het graanoffer moeten bakken, zodat zij het niet naar buiten hoeven te brengen naar de buitenste voorhof, waardoor zij het volk zouden heiligen.; 47:6,86Hij zei tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Toen leidde Hij mij en bracht mij terug naar de oever van de beek.8Hij zei tegen mij: Dit water stroomt weg naar het oostelijke gebied en stroomt in de Vlakte naar beneden en komt in de zee. In de zee uitgestort, wordt het water gezond.). De HEERE spreekt Zelf ook, als Zijn heerlijkheid naar de tempel terugkeert en Hij Ezechiël de opdracht geeft de boodschap door te geven van het huis dat hij heeft gezien (Ez 43:6-126Daarop hoorde ik Iemand uit het huis met mij spreken, terwijl de Man naast mij bleef staan,7en Hij zei tegen mij: Mensenkind, [dit] is de plaats van Mijn troon en de plaats van Mijn voetzolen, waar Ik voor eeuwig wonen zal onder de Israëlieten. Zij die van het huis van Israël zijn, zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij en hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen [op] hun [offer]hoogten.8Terwijl zij hun drempel bij Mijn drempel plaatsten en hun deurpost naast Mijn deurpost, zodat er [alleen] een muur tussen Mij en hen was, verontreinigden zij Mijn heilige Naam met hun gruweldaden, die zij deden, zodat Ik hen ombracht in Mijn toorn.9Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen van hun koningen ver van Mij houden, zodat Ik voor eeuwig onder hen wonen zal.10U, mensenkind, breng het huis van Israël de boodschap van dit huis, zodat zij zich schamen vanwege hun ongerechtigheden, en laten zij het ontwerp meten.11Als zij zich dan schamen vanwege alles wat zij gedaan hebben, maak hun [dan] bekend de vorm van het huis, de inrichting ervan, de uitgangen ervan en de ingangen ervan, ja, alle vormen ervan, met alle bijbehorende verordeningen, alle bijbehorende vormen en alle bijbehorende wetten, en schrijf [dat] voor hun ogen op, zodat zij heel de vorm ervan met alle bijbehorende verordeningen in acht nemen en die houden.12Dit is de wet voor het huis; op de top van de berg is heel het gebied ervan helemaal rondom allerheiligst. Zie, dit is de wet van het huis.).


Ezechiël in een visioen naar Jeruzalem

1In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, aan het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad was verslagen, op diezelfde dag was de hand van de HEERE op mij en bracht Hij mij erheen. 2In visioenen van God bracht Hij mij naar het land van Israël. Hij zette mij op een zeer hoge berg, met daarop aan de zuidzijde iets als het bouwsel van een stad. 3Hij bracht mij erheen, en zie, een Man. Zijn uiterlijk was als het uiterlijk van koper en in Zijn hand was een linnen koord en een meetlat. En Hij stond in de poort. 4Toen sprak die Man tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen, luister met uw oren, en neem alles wat Ik u zal laten zien, ter harte. U bent namelijk hierheen gebracht, opdat Ik u [dit] zou laten zien. Maak alles wat u ziet, aan het huis van Israël bekend.

Ezechiël krijgt het visioen van de nieuwe tempel te zien als hij vijfentwintig jaar in ballingschap is (vers 11In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, aan het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad was verslagen, op diezelfde dag was de hand van de HEERE op mij en bracht Hij mij erheen.), dat is in het jaar 573 v.Chr. Hij spreekt niet over ‘mijn ballingschap’, maar over “onze ballingschap” (vgl. Ez 33:2121Het gebeurde in het twaalfde jaar van onze ballingschap, in de tiende [maand], op de vijfde van de maand, [dat] er iemand die uit Jeruzalem ontkomen was, naar mij toe kwam en zei: De stad is verslagen.), waarmee hij aangeeft dat hij zich niet buiten of boven het volk plaatst dat in ballingschap is gevoerd, maar er deel van uitmaakt. Hij lijdt als een rechtvaardige met de onrechtvaardigen.

De datum wordt nader aangegeven. Het is “aan het begin van het jaar, op de tiende van de maand”. Met “de tiende van de maand” wordt de tiende van de maand Abib (Ex 13:44Vandaag vertrekt u, in de maand Abib.) bedoeld, de eerste maand van de godsdienstige kalender. De tiende dag van die maand is de dag waarop het paaslam voor het Pascha gekozen moest worden (Ex 12:2-32Deze maand zal voor u het begin van de maanden zijn. Hij zal voor u de eerste zijn van de maanden van het jaar.3Spreek tot heel de gemeenschap van Israël: Op de tiende [dag] van deze maand moet ieder voor zich een lam per familie nemen, een lam per gezin.). Het is dus de dag dat men zich nauwgezet met het paaslam moest bezighouden met het oog op de bevrijding van het volk en de beveiliging van de eerstgeborene achter het bloed van het lam.

Het feit dat de HEERE juist op deze dag het tempelvisioen geeft, verbindt de bevrijding van het volk uit de slavernij van Egypte met de toekomstige bevrijding en de veiligheid van het volk onder de bescherming van de HEERE op grond van het bloed van het ware Paaslam, de Heer Jezus (1Ko 5:7b7Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht.). Zoals God toen Zijn volk heeft bevrijd om bij hen te wonen, zo zal Hij dat in de (nu nabije) toekomst weer doen.

Dit is ook een vertroostende gedachte met betrekking tot de val van Jeruzalem, die ook in de datering wordt genoemd. Het is “het veertiende jaar nadat de stad was verslagen”. De stad zal herrijzen als de stad van de grote Koning, Die als het Paaslam Zelf het fundament ervoor heeft gelegd. Hij zal dan in het midden van Zijn volk in Zijn tempel wonen.

“Op diezelfde dag”, nauwkeurig met datum aangegeven en met vermelding van de niet voor mogelijk gehouden val van de stad, komt “de hand van de HEERE” op Ezechiël. Daarmee wordt bedoeld dat de Geest over hem komt en beslag op hem legt. “In visioenen van God” wordt hij “naar het land van Israël” gebracht, waar hij door Hem “op een zeer hoge berg” wordt gezet (vers 22In visioenen van God bracht Hij mij naar het land van Israël. Hij zette mij op een zeer hoge berg, met daarop aan de zuidzijde iets als het bouwsel van een stad.; vgl. Op 21:9-109En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam en sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam tonen.10En hij voerde mij weg in [de] Geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, die uit de hemel neerdaalde van God). Het woord “erheen” is in het Hebreeuws shamma, Met dit woord shamma eindigt het boek ook. Het is daar vertaald met “daar” (Ez 48:35).

Geleid door de hand van de HEERE komt Ezechiël aan de zuidzijde van de berg bij iets waarvan hij zegt dat het er uitziet “als het bouwsel van een stad”, dat is het tempelcomplex. Hij drukt zich op dezelfde vage wijze uit als in Ezechiël 1. Die vaagheid zal steeds meer verdwijnen, want hij krijgt alles van heel dichtbij te zien.

Nog eens wordt opgemerkt dat Ezechiël “erheen”, shamma, wordt gebracht (vers 33Hij bracht mij erheen, en zie, een Man. Zijn uiterlijk was als het uiterlijk van koper en in Zijn hand was een linnen koord en een meetlat. En Hij stond in de poort.; vers 22In visioenen van God bracht Hij mij naar het land van Israël. Hij zette mij op een zeer hoge berg, met daarop aan de zuidzijde iets als het bouwsel van een stad.). Hij ziet daar een Man. Die Man zal hem het heiligdom in al zijn bijzonderheden laten zien. Deze Man is wel de Engel van de HEERE ofwel een verschijning van de Zoon van God (vgl. Jz 5:1313Het gebeurde toen Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg en zag, en zie, er stond een Man voor hem met een getrokken zwaard in Zijn hand. Jozua ging naar Hem toe en zei tegen Hem: Hoort U bij ons of bij onze tegenstanders?; Zc 1:88Ik zag 's nachts, en zie, een Man Die op een rood paard reed en Hij stond tussen de mirten die zich in de diepte bevonden, en achter Hem waren er rode, bruine en witte paarden.; 2:11[Opnieuw] sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man met een meetsnoer in Zijn hand.; 6:1212en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.
)
. Dat blijkt uit het uiterlijk van de Man, dat is “als het uiterlijk van koper”. Koper is het beeld van de gerechtigheid van God die stand houdt in het vuur van Gods oordeel (Nm 16:35-4035En vuur kwam bij de HEERE vandaan en verteerde de tweehonderdvijftig mannen die het reukwerk aangeboden hadden.36En de HEERE sprak tot Mozes:37Zeg tegen Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dat hij de vuurschalen uit de vlammen moet halen en het vuur weg moet strooien, ver weg; want ze zijn heilig,38[te weten] de vuurschalen van deze [mensen] die ten koste van hun leven gezondigd hebben. En maak er platgeslagen platen van, als een beslag voor het altaar. Zij hebben ze immers voor het aangezicht van de HEERE gebracht, daarom zijn ze heilig. Zo zullen ze voor de Israëlieten tot een teken zijn.39Eleazar, de priester, nam de koperen vuurschalen waarmee zij die verbrand waren, geofferd hadden, en zij pletten ze [om] als beslag van het altaar [te dienen],40ter gedachtenis voor de Israëlieten, opdat geen onbevoegde man, die niet uit het nageslacht van Aäron is, naar voren zal komen om reukwerk voor het aangezicht van de HEERE in rook te laten opgaan, en het hem zal vergaan als Korach en zijn aanhang, zoals de HEERE door de hand van Mozes tot hem gesproken had.). De Man beantwoordt volkomen aan de gerechtigheid van God.

Hij heeft twee meetinstrumenten in Zijn hand: “een linnen koord en een meetlat”. Met het linnen koord kunnen grote afstanden en ronde vormen worden gemeten (Ez 47:33Toen de Man [naar] het oosten naar buiten ging, was er een meetlint in Zijn hand. Hij mat duizend el en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de enkels.).De meetlat is praktisch om de hoogte van iets te meten en voor het meten van vlakke oppervlakten, bijvoorbeeld een muur. Deze meetinstrumenten zijn de gewone instrumenten die een bouwmeester bij zich draagt. Dat Hij meet, betekent dat Hij de Eigenaar is (vgl. 2Sm 8:22Ook versloeg hij Moab. Hij mat hen af met een meetsnoer, waarbij hij hen op de grond deed neerliggen. Hij mat met twee snoeren om te doden en met één snoer in zijn volle lengte om in leven te laten. Zo werden de Moabieten Davids dienaren [en] zij moesten schatting afdragen.; Ps 16:66De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke [plaatsen] gevallen,
ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.
; 78:5555Hij verdreef de heidenvolken voor hun [ogen],
verdeelde [hun] erfelijk bezit door een meetsnoer
en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.
; Zc 2:11[Opnieuw] sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man met een meetsnoer in Zijn hand.)
. Het is Zijn huis en Hij bepaalt hoe het eruit komt te zien. Hij is ook de Bouwmeester (Hb 11:1010want hij verwachtte de stad die de fundamenten heeft, waarvan God Ontwerper en Bouwmeester is.). De Man staat in de poort. Vaak is de poort de plaats van de rechtspraak (Ru 4:1,111Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.11En heel het volk dat in de poort was en de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen. Moge de HEERE deze vrouw, die in uw huis komt, maken als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben. Doe krachtige daden in Efratha en maak uw naam beroemd in Bethlehem.; Am 5:10,12,1510Zij haten wie in de poort opkomt voor het recht,
zij hebben een afschuw van wie de waarheid spreekt.12Want Ik weet dat uw overtredingen veel zijn,
en uw zonden talrijk:
u drijft de rechtvaardige in het nauw, u neemt zwijggeld aan,
u duwt armen in de poort opzij.15Haat het kwade en heb het goede lief,
handhaaf het recht in de poort.
Misschien zal de HEERE, de God van de legermachten, genadig zijn
voor het overblijfsel van Jozef.
)
. Hier is aan de poort meer de gedachte van een beveiligde en gecontroleerde toegang tot de tempel verbonden.

De Man geeft Ezechiël de opdracht zijn ogen en oren goed open te houden voor alles wat Hij hem zal laten zien van de tempel (vers 44Toen sprak die Man tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen, luister met uw oren, en neem alles wat Ik u zal laten zien, ter harte. U bent namelijk hierheen gebracht, opdat Ik u [dit] zou laten zien. Maak alles wat u ziet, aan het huis van Israël bekend.). Vervolgens moet Ezechiël het onderwijs dat daaraan verbonden is, ter harte nemen, hij moet zijn hart, zijn aandacht, erop richten. Ten slotte zegt de HEERE tegen hem dat Hij hem daarheen heeft gebracht met de bedoeling hem dit allemaal te laten zien. Hij voegt er direct aan toe dat Ezechiël alles wat hij ziet, bekend moet maken aan “het huis van Israël”.

Er staan hier vier werkwoorden in de gebiedende wijs: “zie”, “luister”, “neem … ter harte”, “maak bekend”. Deze volgorde is belangrijk voor ieder die Gods Woord wil bestuderen. De volgorde is ook voor ons belangrijk als we met Ezechiël meelopen. Dan moeten we zien wat hij ziet en luisteren naar wat hij hoort en wat hij ziet in ons hart opnemen. Daarna kunnen we er ook anderen mee bekendmaken (vgl. Ea 7:1010Ezra had immers zijn hart erop gericht om de wet van de HEERE te onderzoeken, om die te doen en om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen.).

De opdracht die Ezechiël krijgt, maakt duidelijk dat de beschrijving van de tempel een boodschap van God voor het volk Israël is, die zij met hun ogen, oren en hart moeten opnemen (Ez 44:55De HEERE zei tegen mij: Mensenkind, sla er acht op, zie met uw ogen en hoor met uw oren alles wat Ik met u spreken zal aangaande alle verordeningen van het huis van de HEERE en aangaande alle wetten ervan. Sla acht op hen die het huis binnengaan, [en] op al wie van het heiligdom uitgesloten wordt,). Wij mogen dat op onszelf toepassen als het gaat om de geestelijke tempel in onze tijd, de nieuwtestamentische gemeente. De toekomstige tempel die Ezechiël ziet, zal – net als de tabernakel en de eerste tempel (van Salomo) en de tweede tempel (van Zerubbabel) – een beeld zijn van de ware tempel van God in de hemel (Op 11:1919En de tempel van God in de hemel werd geopend en de ark van Zijn verbond werd gezien in Zijn tempel, en er kwamen bliksemstralen, stemmen, donderslagen, aardbeving en grote hagel.). De tempel verwijst in alle details naar de Heer Jezus, de Messias. Hij is als Mens de volkomen vervulling van de tempel, Hij is de ware woonplaats van God (Ko 1:1919Want het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen; 2:99Want in Hem woont de hele volheid van de Godheid lichamelijk,; Jh 2:19-2219Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt dit tempelhuis af en in drie dagen zal Ik het oprichten.20De Joden zeiden dan: In zesenveertig jaar is dit tempelhuis gebouwd, en U zult het in drie dagen oprichten?21Maar Hij sprak over het tempelhuis van Zijn lichaam.22Toen Hij dan uit [de] doden was opgewekt, herinnerden Zijn discipelen zich dat Hij dit gezegd had; en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had.).

In de beschrijving van de tempel in Ezechiël ligt de nadruk in het bijzonder op de heiligheid van het huis. Ook de tabernakel en de tempel zijn heilige gebouwen en een beeld van de gemeente als een heilig huis. Maar bij de tempel die Ezechiël beschrijft, valt de nadruk wel sterk op de heiligheid van het huis. Daar komt bij dat ook het gebied om de tempel heen een allerheiligst gebied is omdat de heerlijkheid van de HEERE haar intrek in het huis heeft genomen (Ez 43:4-5,124En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag.5Toen hief de Geest mij op en bracht mij in de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis vervuld.12Dit is de wet voor het huis; op de top van de berg is heel het gebied ervan helemaal rondom allerheiligst. Zie, dit is de wet van het huis.). Zo is op de Pinksterdag de heerlijkheid van God in de gemeente komen wonen als de Heilige Geest wordt uitgestort. Hij vult zowel het hele huis waar de gelovigen bijeen zijn als de individuele gelovigen (Hd 2:1-41En toen de dag van het Pinksterfeest werd vervuld, waren zij allen gemeenschappelijk bijeen.2En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.3En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen.4En zij werden allen vervuld met [de] Heilige Geest en ze begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.).

Deze toekomstige, letterlijke, materiële tempel verwijst in type of voorbeeld dan ook naar de gemeente, die in deze tijd van genade de tempel van God is (1Ko 3:16-1716Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?17Als iemand de tempel van God verderft, God zal hem verderven. Want de tempel van God is heilig, en dat bent u.; 2Ko 6:1616En welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? Want wij zijn [de] tempel van [de] levende God, zoals God gezegd heeft: ‘Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn’.; Ef 2:19-2219Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,20opgebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus Zelf hoeksteen is,21in Wie [het] hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer;22in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.). Zoals Ezechiël het plan van de tempel en de dienst daarin grondig moet bestuderen en daarvan moet spreken, zo is het voor ons ook belangrijk ons bezig te houden met Gods plan voor het geestelijk huis en ons in overeenstemming daarmee te gedragen (1Tm 3:1515Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.; 1Ko 14:33,4033Want God is niet [een God] van verwarring maar van vrede, zoals in alle gemeenten van de heiligen.40Maar laat alles welvoeglijk en met orde gebeuren.). Het is ook van belang dat alle verlosten door onderwijs deze dingen te horen krijgen.

De tempel is ook een beeld van het lichaam van de gelovige in deze genadetijd (1Ko 6:1919Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest Die in u is, Die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?). Daarom zijn er ook voor de individuele gelovige belangrijke geestelijke lessen te leren uit de beschrijving van de tempel van Ezechiël.


De buitenste muur

5En zie, er was een muur aan de buitenzijde van het huis, [die er] helemaal omheen [liep]. Nu was er in de hand van die Man een meetlat van zes el, per el [een el] en een handbreedte [lang]. Hij mat de breedte van het bouwwerk: één lat, en de hoogte: één lat.

Het eerste wat Ezechiël ziet, is “een muur aan de buitenzijde van het huis” (vers 55En zie, er was een muur aan de buitenzijde van het huis, [die er] helemaal omheen [liep]. Nu was er in de hand van die Man een meetlat van zes el, per el [een el] en een handbreedte [lang]. Hij mat de breedte van het bouwwerk: één lat, en de hoogte: één lat.). Daarmee begint hij de beschrijving. Deze muur loopt om het hele tempelcomplex heen, inclusief de beide voorhoven. De Man meet de muur met “een meetlat” die Hij in Zijn hand heeft. De lengte van de meetlat is “zes el”. Deze ‘el’ is niet de gebruikelijke el van zes handbreedten, dat is 45 cm, maar een “el en een handbreedte” (dus zeven handbreedten), die ook wel ‘de koninklijke el’ wordt genoemd. Deze el is de standaard lengtemaat voor deze tempel.

Volgens diverse uitleggers moet voor deze el ca. 52,5 cm worden gerekend (waarbij wordt uitgegaan van een handbreedte van 7,5 cm). De meetlat (“één lat”) in de hand van de Man is zes el en is in deze berekening 3,15 m (= 6 x 52,5 cm). De muur is dus 3,15 m breed en 3,15 m hoog.

Dat er met het meten van de muur wordt begonnen, wijst erop dat alles binnen de muur een speciaal voor God afgezonderde plaats heeft ten opzichte van het gebied buiten de muur. Wat binnen de muur is, is afgezonderd voor of toegewijd aan God. Het is te vergelijken met het heiligen van de zevende dag als een dag die God heeft afgezonderd van de zes andere dagen om speciaal voor Hem te zijn (Gn 2:33En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken.). We zien dat ook bij de muur rondom Jeruzalem (Ne 12:2727Bij de inwijding van de muur van Jeruzalem zochten zij de Levieten uit al hun [woon]plaatsen om hen naar Jeruzalem te brengen, om met blijdschap de inwijding te verrichten, met dank[zegging] en met gezang, [met] cimbalen, luiten en harpen.). Tevens zorgt de muur ervoor dat het kwaad, de zonde, geen toegang krijgt. De muur maakt scheiding tussen het heilige en onheilige (Ez 42:2020Aan de vier zijden mat Hij het [tempelterrein]. Er liep een muur, helemaal rondom, [met] een lengte van vijfhonderd [el] en een breedte van vijfhonderd [el], om onderscheid te maken tussen het heilige en het onheilige.).

Direct aan het begin van de beschrijving van de tempel zien wij van hoe groot belang deze beide aspecten – toewijding aan God en het weren van de zonde – zijn. Het zijn de voorwaarden waaraan moet worden voldaan, wil God te midden van Zijn volk kunnen wonen, want “de heiligheid is een sieraad voor Uw huis, HEERE, tot in lengte van dagen” (Ps 93:5b5Uw getuigenissen zijn zeer betrouwbaar;
de heiligheid is een sieraad voor Uw huis, HEERE,
tot in lengte van dagen.
)
.


De buitenste oostpoort

6Toen kwam Hij bij de poort die op het oosten uitzag. Hij beklom de treden ervan en mat de drempel van de poort: één lat breed. Ook [mat Hij] de andere drempel: één lat breed. 7En [elke] wachtruimte was één lat lang en één lat breed, en er zat vijf el tussen de wachtruimtes. Verder was de drempel van de poort aan de zijde van de voorhal van de poort aan de binnenzijde één lat [lang]. 8Vervolgens mat Hij de voorhal van de poort aan de binnenzijde: één lat. 9Toen mat Hij de [andere] voorhal van de poort: acht el, en de muurposten ervan waren twee el. De voorhal van de poort lag aan de binnenzijde. 10Wat betreft de wachtruimtes bij de poort in de richting van het oosten: er waren er drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. Alle drie hadden ze dezelfde afmetingen. De muurposten aan de ene kant en aan de andere kant hadden ook dezelfde afmetingen. 11Vervolgens mat Hij de breedte van de poortingang: tien el. De lengte van de poort was dertien el. 12Ook was er een ruimte vóór de wachtruimtes van één el [aan de ene kant] en een ruimte van één el aan de andere kant. Wat de wachtruimtes betreft: zes el aan de ene kant en zes el aan de andere kant. 13Toen mat Hij de poort, vanaf het dak van de [ene] wachtruimte tot aan het dak van de andere [wachtruimte]: een breedte van vijfentwintig el; ingang lag tegenover ingang. 14Zo deed Hij [ook met] de muurposten: zestig el. En bij een muurpost was de voorhof helemaal rondom de poort. 15En vanaf de voorzijde van de toegangspoort tot aan de voorzijde van de voorhal van de binnenste poort was het vijftig el. 16Verder waren er bij de wachtruimtes en bij de muurposten ervan vensters met traliewerk, helemaal rondom in de poort, naar binnen gericht. Hetzelfde gold voor de voorhallen. De vensters waren helemaal rondom naar binnen gericht, met dadelpalmen op de muurposten.

Na het meten van de muur komt de Man bij “de poort die op het oosten uitzag” (vers 66Toen kwam Hij bij de poort die op het oosten uitzag. Hij beklom de treden ervan en mat de drempel van de poort: één lat breed. Ook [mat Hij] de andere drempel: één lat breed.). In de muur, het symbool van afzondering, die ervoor zorgt dat de zonde buiten blijft, bevinden zich drie poorten. De poorten geven toegang tot de woonplaats van God. Ze spreken ervan dat God uitnodigt om bij Hem te komen. De beschrijving van de oostpoort – die ook voor de andere poorten geldt – laat zien wat God daarbij als voorwaarden stelt.

Omdat de hoofdingang van het tempelcomplex naar het oosten gericht is – net als bij tabernakel en de tempel van Salomo –, begint de beschrijving met die poort. Aan die beschrijving worden liefst elf verzen gewijd. De oostpoort is ook de poort waardoor de heerlijkheid van de HEERE is vertrokken (Ez 10:1919En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.; 11:2323Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.). Deze poort is speciaal vanwege het in- en uitgaan van de heerlijkheid van God (Ez 43:2,42En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten, en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid.4En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag.).

Het oosten is de kant van de opkomst van de zon en de kant vanwaar de Heer Jezus zal komen (Mt 24:2727Want zoals de bliksem uitgaat van [het] oosten en schijnt tot [het] westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn.). De beschrijving van de oostpoort wordt herhaald bij de beschrijving van de noorderpoort (verzen 20-2320Wat de poort betreft die op het noorden uitziet, op de buitenste voorhof, daarvan mat Hij de lengte en de breedte.21De wachtruimtes ervan, drie aan de ene kant en drie aan de andere kant, de muurposten ervan en de voorhallen ervan waren overeenkomstig de afmetingen van de eerste poort, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.22Verder waren de vensters ervan, de voorhal ervan en de dadelpalmen ervan overeenkomstig de afmetingen van de poort die op het oosten uitzag. Met zeven treden ging men daarover naar boven, en de voorhal ervan lag ervóór.23De poort van de binnenste voorhof lag tegenover de poort naar het noorden en [die] naar het oosten. Hij mat [de afstand] van poort tot poort: honderd el.) en de zuiderpoort (verzen 24-2724Vervolgens leidde Hij mij in de richting van het zuiden. En zie, er was een poort in de richting van het zuiden. Daarop mat Hij de muurposten ervan en de voorhal ervan: dezelfde afmetingen.25De poort en de voorhal hadden vensters, helemaal rondom, zoals die vensters, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.26Zeven treden leidden ernaartoe en de voorhal lag ervóór. Er waren dadelpalmen, één aan de ene kant en één aan de andere kant op de muurposten ervan.27De binnenste voorhof had een poort in de richting van het zuiden. Hij mat [de afstand] van poort tot poort in de richting van het zuiden: honderd el.). Elke poort is lang en lijkt wel op een korte tunnel of een soort passage. Tevens zijn er, zoals we direct zien, ook wachtruimtes, waardoor de poort ook wel op een klein huis lijkt.

De buitenpoort heeft een totale lengte van vijftig el (vers 1515En vanaf de voorzijde van de toegangspoort tot aan de voorzijde van de voorhal van de binnenste poort was het vijftig el.) en bestaat uit de volgende delen, die we nog nader zullen bekijken:

 

 

Tekst

Lengte

Breedte

1.

Drempel

40:6,11

6 el (= 1 lat)

10 el

2.

Eerste wachtruimte

40:7

6 el (= 1 lat)

6 el (= 1 lat)

3.

Tussenruimte / muur

40:7

5 el

 

4.

Tweede wachtruimte

40:10

6 el (= 1 lat)

6 el (= 1 lat)

5.

Tweede tussenruimte / muur

40:7,10

5 el

 

6.

Derde wachtruimte

40:10

6 el (= 1 lat)

6 el (= 1 lat)

7.

Tweede drempel / muur

40:6,7

6 el (= 1 lat)

 

8.

Voorhal van de poort aan de binnenzijde

40:9

8 el

6 el (= 1 lat)

9.

Muurpost van de voorhal

40:9

2 el

 

 

Totaal

40:15

50 el

 

Via een trap komt de Man – terwijl Ezechiël Hem op de voet volgt en wij als lezers met hem – in de voorhal van de poort die toegang geeft tot de buitenste voorhof. Hoeveel treden de trap heeft, staat er hier niet bij, maar wel bij de trappen voor de noorderpoort en de zuiderpoort (verzen 22,2622Verder waren de vensters ervan, de voorhal ervan en de dadelpalmen ervan overeenkomstig de afmetingen van de poort die op het oosten uitzag. Met zeven treden ging men daarover naar boven, en de voorhal ervan lag ervóór.26Zeven treden leidden ernaartoe en de voorhal lag ervóór. Er waren dadelpalmen, één aan de ene kant en één aan de andere kant op de muurposten ervan.). Dat er een trap beklommen moet worden, houdt in dat de buitenste voorhof waar men komt als men door de poort is gegaan, hoger ligt dan de grond vóór de poort buiten rondom de muur. De Man meet de breedte van de drempel van de poort. Die is één lat ofwel 3,15 m. Er is nog een tweede drempel, die even breed is.

In de poort zijn wachtruimtes van één lat lang en één lat breed, dat is 3,15 m in het vierkant (vers 77En [elke] wachtruimte was één lat lang en één lat breed, en er zat vijf el tussen de wachtruimtes. Verder was de drempel van de poort aan de zijde van de voorhal van de poort aan de binnenzijde één lat [lang].). Deze wachtruimtes zijn voor de poortwachters (vgl. Ez 44:1111toch moeten zij in Mijn heiligdom dienstdoen [en] de ambten bij de poorten van het huis [vervullen], en [ook] dienstdoen [in] het huis. Zij moeten zelf het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten en zij moeten zelf voor hen [ter beschikking] staan om hen te dienen.; 1Kn 14:2828En het gebeurde, telkens wanneer de koning naar het huis van de HEERE ging, dat de lijfwachten ze droegen en ze [daarna weer] terugbrachten naar de wachtruimte voor de lijfwachten.; 2Kr 12:1111En het gebeurde, zo dikwijls als de koning naar het huis van de HEERE ging, dat de lijfwachten kwamen en ze droegen en ze [daarna weer] terugbrachten naar de wachtruimte voor de lijfwachten.). Tussen de wachtruimtes is een afstand van vijf el. Aan de andere zijde van de poort, aan de zijde van de andere voorhal, de laatste ruimte voordat men uit de poort in de buitenste voorhof stapt, is een drempel van één lat lang.

Na de drempel meet Hij de voorhal aan de binnenzijde van de poort (vers 88Vervolgens mat Hij de voorhal van de poort aan de binnenzijde: één lat.). De voorhal is een extra ruimte na de wachtruimtes. Deze bevindt zich na de laatste wachtruimte en naast de opening aan het einde van de poort waardoor men in de buitenste voorhof komt. De breedte van de voorhal is één lat, dat is 3,15 m, dat is net zo breed als de wachtruimte. Vervolgens meet Hij de lengte van voorhal. Die bedraagt acht el (vers 99Toen mat Hij de [andere] voorhal van de poort: acht el, en de muurposten ervan waren twee el. De voorhal van de poort lag aan de binnenzijde.), dat is 4,20 m. De dikte van de muurposten van de opening is twee el, dat is 1,05 m. Dan wordt nog eens vermeld dat de voorhal van de poort aan de binnenzijde van de poort ligt.

Er zijn zes wachtruimtes in het poortgebouw (vers 1010Wat betreft de wachtruimtes bij de poort in de richting van het oosten: er waren er drie aan de ene kant en drie aan de andere kant. Alle drie hadden ze dezelfde afmetingen. De muurposten aan de ene kant en aan de andere kant hadden ook dezelfde afmetingen.). Daarvan zijn er drie aan de ene kant en drie aan de andere kant van de gang. Ze hebben allemaal dezelfde afmeting en dat geldt ook voor de muurposten. Een poort dient tot bescherming van de tempel. Iemand die erin wil, moet door de poort en langs de wachters. Zo is er voortdurende controle op wie de tempel binnenkomen en wie die verlaten. De poort is er om iemand erbij te bepalen dat hij via de poort heilige grond betreedt.

De drie wachtruimtes met poortwachters herinneren aan het beginsel dat we zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament tegenkomen, dat twee of drie getuigen nodig zijn om een aanvaardbaar getuigenis te kunnen afleggen (Dt 17:66Op de verklaring van twee of drie getuigen moet hij die dient te sterven, gedood worden; hij mag niet gedood worden op de verklaring van [slechts] één getuige.; 19:1515Eén enkele getuige mag tegen niemand opstaan met betrekking tot enige ongerechtigheid of tot enige zonde, bij elke zonde die men [ook] zou kunnen doen. Op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen staat de zaak vast.; Mt 18:1616als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen. Als hij echter niet luistert, neem nog één of twee met u mee, opdat door [de] mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.; 2Ko 13:11Dit is [de] derde keer dat ik naar u toe kom: in [de] mond van twee of drie getuigen zal elke zaak vaststaan.; 1Tm 5:1919Neem tegen een oudste geen beschuldiging aan, tenzij onder twee of drie getuigen.; 1Jh 5:7-87Want drie zijn er die getuigen:8de Geest en het water en het bloed, en deze drie zijn eenstemmig.). Ook nu gebeurt het ontvangen van een onbekende in een gemeente niet slechts op grond van diens eigen getuigenis, maar ook op grond van dat van andere gelovigen (Jh 5:3131Als Ik van Mijzelf getuig, is Mijn getuigenis niet waar.; Hd 9:26-2726Toen hij nu in Jeruzalem aankwam, probeerde hij zich bij de discipelen te voegen; en zij waren allen bang voor hem, daar zij niet geloofden dat hij een discipel was.27Barnabas echter nam hem mee en bracht hem bij de apostelen en vertelde hun, hoe hij onderweg de Heer had gezien, en dat Deze tot hem had gesproken en hoe hij in Damaskus vrijmoedig had gesproken in de Naam van Jezus.; 18:2727Toen hij nu naar Achaje wilde doorreizen, moedigden de broeders [hem] aan en schreven aan de discipelen hem te ontvangen. Daar aangekomen was deze door de genade de gelovigen tot grote steun,; Rm 16:11Ik nu beveel u Fébe aan, onze zuster, die <ook> een dienares is van de gemeente die in Kenchreeën is,; 2Ko 3:11Beginnen wij opnieuw onszelf aan te bevelen? Of hebben wij, zoals sommigen, aanbevelingsbrieven aan u of van u nodig?; Ko 4:1010U groet Aristarchus, mijn medegevangene, en Markus, de neef van Barnabas, over wie u bevelen ontvangen hebt (als hij bij u komt, ontvangt hem),).

De Man meet dan de breedte van de poortingang (vers 1111Vervolgens mat Hij de breedte van de poortingang: tien el. De lengte van de poort was dertien el.). Die is tien el ofwel 5,25 m. Dat is ook de breedte van de hele passage. De lengte van de poort is dertien el. Vóór de wachtruimtes is nog een extra ruimte van één el (vers 1212Ook was er een ruimte vóór de wachtruimtes van één el [aan de ene kant] en een ruimte van één el aan de andere kant. Wat de wachtruimtes betreft: zes el aan de ene kant en zes el aan de andere kant.), mogelijk als een soort ‘veiligheidsgebied’ omdat de wachtruimtes geen deur hebben. De wachtruimtes zijn zes el lang en zes el breed.

Ook het dak wordt gemeten (vers 1313Toen mat Hij de poort, vanaf het dak van de [ene] wachtruimte tot aan het dak van de andere [wachtruimte]: een breedte van vijfentwintig el; ingang lag tegenover ingang.). De meting wordt verricht in verbinding met de wachtruimtes eronder. Het dak is vijfentwintig el breed. Een dak biedt bescherming tegen weersinvloeden van boven. In de geestelijke toepassing biedt het dak bescherming tegen boze machten in de hemelse gewesten. Opgemerkt wordt nog dat de ingangen van de wachtruimtes recht tegenover elkaar liggen. De ene ingang is niet breder of smaller dan de andere. Gods maatstaven zijn altijd gelijk als het erom gaat Zijn volk in Zijn huis te ontvangen. Hij verandert niet naarmate de tijd verandert en past Zich niet aan naarmate de mensen veranderen.

De muurposten (in sommige vertalingen vertaald met ‘torens’) meet Hij ook (vers 1414Zo deed Hij [ook met] de muurposten: zestig el. En bij een muurpost was de voorhof helemaal rondom de poort.). Ze zijn “zestig el”. Het lijkt hier te gaan om de hoogte van de muurposten of torens die als een versterkend deel aan de poort zijn toegevoegd. Dat eraan wordt toegevoegd “en bij een muurpost was de voorhof helemaal rondom de poort”, lijkt erop te wijzen dat de muurposten of torens als voorste deel van poort niet vóór, maar als enige onderdeel van de poort óp de voorhof staan. De lengte van de poort, vanaf de toegangspoort tot de opening van de voorhal die aan kant van de buitenste voorhof is, is vijftig el (vers 1515En vanaf de voorzijde van de toegangspoort tot aan de voorzijde van de voorhal van de binnenste poort was het vijftig el.), dat is twee keer de breedte ervan (vers 1313Toen mat Hij de poort, vanaf het dak van de [ene] wachtruimte tot aan het dak van de andere [wachtruimte]: een breedte van vijfentwintig el; ingang lag tegenover ingang.).

In de poort, waar de wachtruimtes zijn, en bij de muurposten, zijn vensters met traliewerk (vers 1616Verder waren er bij de wachtruimtes en bij de muurposten ervan vensters met traliewerk, helemaal rondom in de poort, naar binnen gericht. Hetzelfde gold voor de voorhallen. De vensters waren helemaal rondom naar binnen gericht, met dadelpalmen op de muurposten.). De vensters zijn naar binnen gericht, dat wil zeggen dat ze aan de buitenzijde smal en aan de binnenzijde, dus in de wachtruimte zelf, breed zijn. De vensters verlichten de wachtruimtes met zonlicht dat naar binnen schijnt en zorgen voor frisse lucht. In de muurposten van de voorhallen aan de voor- en achterzijde van de poort zijn ook vensters.

In de geestelijke toepassing zien we dat de nieuwtestamentische poortwachters, zoals opzieners of herders, gelovigen met een toezichthoudende taak, voor een goede uitoefening van hun functie geen licht in zichzelf hebben, maar dat dit licht ‘van buiten’ moet komen, van Gods Woord en Gods Geest. In dat licht kunnen ze zien wie wel en wie niet toegang tot de gemeente hebben.

Op de muurposten zijn “dadelpalmen” aangebracht. Ze worden in één adem met de vensters genoemd. Een palmboom spreekt onder andere van koningschap en overwinning (Jh 12:1313namen zij de takken van de palmbomen en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend Hij Die komt in [de] Naam van [de] Heer, <en:> De Koning van Israël!; Op 7:99Daarna zag ik en zie, een grote menigte die niemand kon tellen, uit elke natie en [alle] geslachten en volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met lange witte kleren en [met] palmtakken in hun handen.). Een dadelpalm geeft aan dat er aan de overwinning vrucht verbonden is. Het verband met de vensters brengt tot de gedachte dat vrucht en overwinning het resultaat zijn van het licht.

We zien die verbinding in wat Paulus tegen de Efeziërs zegt: “De vrucht van het licht [bestaat] in alle goedheid en gerechtigheid en waarheid” (Ef 5:99(want de vrucht van het licht [bestaat] in alle goedheid en gerechtigheid en waarheid),). Het zichtbaar worden van deze vrucht in het leven van een gelovige betekent dat er geloofsoverwinningen zijn behaald over de duisternis. De gemeente is een plaats voor mensen die weten wat het is om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd en in die strijd ook zegevieren (Jd 1:33Geliefden, terwijl ik alle bereidwilligheid had u te schrijven over onze gemeenschappelijke behoudenis, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de vermaning om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.).

Wat we in Psalm 118 lezen over de poorten, sluit hierop mooi aan. Deze psalm is een ‘dankzegging na overwinning’, zoals het opschrift in de HSV luidt. We lezen in deze psalm het volgende over de poorten in verbinding met rechtvaardigen: Doe de poorten van de gerechtigheid voor mij open, daardoor zal ik binnengaan, ik zal de HEERE loven. Dit is de poort van de HEERE, daar zullen de rechtvaardigen door binnengaan” (Ps 118:19-2019Doe de poorten van de gerechtigheid voor mij open,
daardoor zal ik binnengaan, ik zal de HEERE loven.
20Dit is de poort van de HEERE,
daar zullen de rechtvaardigen door binnengaan.
)
. Wat in dit verband ook nog mooi is om op te wijzen, is dat de rechtvaardige met een palmboom wordt vergeleken: “De rechtvaardige zal groeien als een palmboom” (Ps 92:13a13De rechtvaardige zal groeien als een palmboom,
hij zal opgroeien als een ceder op de Libanon.
)
.


Plaveisel en dertig kamers

17Toen bracht Hij mij in de buitenste voorhof. En zie, er waren kamers en er was een plaveisel gemaakt, helemaal rondom de voorhof. Dertig kamers lagen er aan het plaveisel. 18Het plaveisel lag aan de zijkant van de poorten, overeenkomend met de lengte van de poorten. [Dit] was het lagergelegen plaveisel. 19Toen mat Hij de breedte vanaf de voorzijde van de benedenpoort tot aan de binnenste voorhof aan de buitenzijde: honderd el, zowel naar het oosten als naar het noorden.

Na het meten van de oostpoort en alles wat daarbij en daarin is, brengt de Man Ezechiël in de buitenste voorhof (vers 1717Toen bracht Hij mij in de buitenste voorhof. En zie, er waren kamers en er was een plaveisel gemaakt, helemaal rondom de voorhof. Dertig kamers lagen er aan het plaveisel.). De uitdrukking ‘toen bracht Hij mij’ komt zeven keer voor (Ez 40:1717Toen bracht Hij mij in de buitenste voorhof. En zie, er waren kamers en er was een plaveisel gemaakt, helemaal rondom de voorhof. Dertig kamers lagen er aan het plaveisel.; 40:2828Vervolgens bracht Hij mij door de zuiderpoort naar de binnenste voorhof. Hij mat de zuiderpoort: dezelfde afmetingen.; 40:3232Toen bracht Hij mij naar de binnenste voorhof, in de richting van het oosten. Hij mat de poort: dezelfde afmetingen.; 40:3535Toen bracht Hij mij naar de noorderpoort en mat [die]: dezelfde afmetingen.; 41:11Hij bracht mij naar de tempel en mat de muurposten: zes el breed aan de ene kant en zes el breed aan de andere kant, de breedte van de tent.; 44:44Vervolgens bracht Hij mij via de noorderpoort tot vóór het huis. Ik zag, en zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde].; 46:1919Toen bracht Hij mij door de ingang die terzijde van de poort was, naar de heilige kamers die de priesters toe[behoorden], die naar het noorden gekeerd waren. En zie, daar was een ruimte aan beide zijden, aan de westzijde.). Deze voorhof wordt betreden nadat men de hele poort vanaf de eerste voorhal, langs de wachtruimtes en de tweede voorhal, is doorgelopen. De buitenste voorhof is de ruimte die het eigenlijke tempelgebouw omgeeft. Zoals we in de verzen 28-4728Vervolgens bracht Hij mij door de zuiderpoort naar de binnenste voorhof. Hij mat de zuiderpoort: dezelfde afmetingen.29Ook de wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden diezelfde afmetingen. Geheel rondom waren vensters, ook in de voorhal ervan, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.30Geheel rondom waren er voorhallen, vijfentwintig el lang en vijf el breed.31De voorhal ervan was aan de buitenste voorhof. Er waren dadelpalmen op de muurposten ervan. Er waren acht treden naar boven.32Toen bracht Hij mij naar de binnenste voorhof, in de richting van het oosten. Hij mat de poort: dezelfde afmetingen.33De wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden dezelfde afmetingen. Hij had helemaal rondom vensters zoals de voorhal ervan [die] had, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.34De voorhal ervan lag gericht naar de buitenste voorhof. Verder waren er dadelpalmen op de muurposten ervan, aan de ene kant en aan de andere kant: er waren acht treden naar boven.35Toen bracht Hij mij naar de noorderpoort en mat [die]: dezelfde afmetingen.36De wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden helemaal rondom vensters, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.37De voorhal ervan was gericht naar de buitenste voorhof. Er waren ook dadelpalmen op de muurposten ervan aan de ene kant en aan de andere kant. Er waren acht treden naar boven.38Er was een kamer met een ingang bij de muurposten van de poorten. Daar zou men het brandoffer afspoelen.39In de voorhal van de poort waren twee tafels aan de ene kant en twee tafels aan de andere kant, om het brandoffer, het zondoffer en het schuldoffer daarop te slachten.40Er waren twee tafels vanbuiten aan de zijkant voor wie omhoogging naar de ingang van de noorderpoort. Aan de andere zijde die bij de voorhal van de poort hoorde, waren [ook] twee tafels.41[Zo waren er] vier tafels aan de ene kant en vier tafels aan de andere kant aan de zijde van de poort: acht tafels waarop men zou slachten.42Er waren vier tafels voor het brandoffer, van gehouwen stenen, anderhalve el lang, anderhalve el breed en één el hoog. Daarop zou men dan het gerei leggen waarmee men het brandoffer en het slachtoffer slachten zou.43Geheel rondom in het huis waren haken van één handbreedte bevestigd, en op de tafels [zou] het vlees van de offergave [komen].44Aan de buitenzijde van de binnenpoort waren de kamers van de zangers, in de binnenste voorhof, dat aan de kant van de noorderpoort was. De voorkant ervan was in de richting van het zuiden. Eén was er aan de kant van de oostpoort, die naar het noorden gericht was.45Hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan de voorkant op het zuiden uitziet, is bestemd voor de priesters die [hun] taak ten behoeve van het huis vervullen.46De kamer waarvan de voorkant op het noorden uitziet, is voor de priesters bestemd die [hun] taak ten behoeve van het altaar vervullen. Dat zijn de zonen van Zadok, die uit de Levieten tot de HEERE mogen naderen om Hem te dienen.47Toen mat Hij de voorhof: honderd el lang en honderd el breed, een vierkant. Het altaar was vóór het huis. zien, heeft het tempelgebouw een eigen, veel kleinere voorhof, de binnenste voorhof, waartoe de drie binnenpoorten toegang geven.

Als Ezechiël in de buitenste voorhof staat, ziet hij dertig kamers. De kamers liggen aan een plaveisel dat de voorhof omgeeft. Dit plaveisel ligt naast de drie poorten en is even breed als de poorten lang zijn (vers 1818Het plaveisel lag aan de zijkant van de poorten, overeenkomend met de lengte van de poorten. [Dit] was het lagergelegen plaveisel.), dat wil zeggen vijftig el (vers 1515En vanaf de voorzijde van de toegangspoort tot aan de voorzijde van de voorhal van de binnenste poort was het vijftig el.). Er wordt nog opgemerkt dat dit “het lagergelegen plaveisel” is, omdat ook de binnenste voorhof, die hoger ligt, een plaveisel heeft.

Er wordt niet vermeld, hoe deze vertrekken over het plaveisel verdeeld zijn. Het ligt voor de hand dat ze gelijkelijk verdeeld zijn over het hele plaveisel op de drie zijden met de drie poorten. Er zullen tien vertrekken aan de zuidzijde, tien aan de oostzijde en tien aan de noordzijde zijn, dertig in totaal. Als verdere verdeling kunnen we ons voorstellen dat er vijf kamers links en vijf rechts van elk van de drie poorten liggen.

Evenmin wordt vermeld wat het doel van deze kamers is. Er kan worden verondersteld dat er offermaaltijden door het volk worden gehouden of dat ze gebruikt worden als bewaarplaatsen van inkomsten voor de tempel. In de tempel die na de terugkeer uit ballingschap door Zerubbabel is herbouwd, is zo’n kamer aan een vijand van Gods volk gegeven. Nehemia is daarover zeer verbolgen en smijt die vijand eruit (Ne 13:4-94Hiervóór had Eljasib, de priester die aangesteld was over de kamers van het huis van onze God, [en] die verwant was aan Tobia,5een grote kamer voor hem gemaakt; daar brachten zij vroeger steeds het graanoffer, de wierook, de voorwerpen, de tienden van het graan, van de nieuwe wijn en de olie – [overeenkomstig] het gebod voor de Levieten, de zangers en de poortwachters – en het hefoffer voor de priesters.6Toen dit alles [plaatsvond] was ik niet in Jeruzalem, want in het tweeëndertigste jaar van Arthahsasta, de koning van Babel, [moest] ik bij de koning [terug]komen, maar na verloop van dagen kreeg ik [weer] verlof van de koning.7Toen ik in Jeruzalem aankwam, kreeg ik inzicht in het kwaad dat Eljasib ten behoeve van Tobia gedaan had, door een kamer voor hem te maken in de voorhoven van het huis van God.8Dit was volstrekt kwalijk in mijn [ogen]; daarom wierp ik al het huisraad van Tobia uit de kamer naar buiten.9Ik zei dat ze de kamers moesten reinigen, en ik liet de voorwerpen van het huis van God daar terugbrengen, met het graanoffer en de wierook.).

De Man neemt ook de maat van de buitenste voorhof (vers 1919Toen mat Hij de breedte vanaf de voorzijde van de benedenpoort tot aan de binnenste voorhof aan de buitenzijde: honderd el, zowel naar het oosten als naar het noorden.). Hij gaat daarbij uit van de “benedenpoort”, dat is de buitenpoort, die lager ligt dan de binnenpoort. Hij rekent vanaf de poortzijde die direct aan de buitenste voorhof grenst tot de buitenzijde van de binnenste voorhof. De breedte bedraagt precies honderd el. Hetzelfde geldt voor de oostpoort en de noorderpoort (vers 2323De poort van de binnenste voorhof lag tegenover de poort naar het noorden en [die] naar het oosten. Hij mat [de afstand] van poort tot poort: honderd el.).


De buitenste noorderpoort

20Wat de poort betreft die op het noorden uitziet, op de buitenste voorhof, daarvan mat Hij de lengte en de breedte. 21De wachtruimtes ervan, drie aan de ene kant en drie aan de andere kant, de muurposten ervan en de voorhallen ervan waren overeenkomstig de afmetingen van de eerste poort, vijftig el lang en vijfentwintig el breed. 22Verder waren de vensters ervan, de voorhal ervan en de dadelpalmen ervan overeenkomstig de afmetingen van de poort die op het oosten uitzag. Met zeven treden ging men daarover naar boven, en de voorhal ervan lag ervóór. 23De poort van de binnenste voorhof lag tegenover de poort naar het noorden en [die] naar het oosten. Hij mat [de afstand] van poort tot poort: honderd el.

Na de oostpoort is de noorderpoort aan de beurt om gemeten te worden (vers 2020Wat de poort betreft die op het noorden uitziet, op de buitenste voorhof, daarvan mat Hij de lengte en de breedte.). De beschrijving gebeurt hier globaal, omdat deze poort in afmetingen en indeling precies gelijk is aan de oostpoort (verzen 21-2221De wachtruimtes ervan, drie aan de ene kant en drie aan de andere kant, de muurposten ervan en de voorhallen ervan waren overeenkomstig de afmetingen van de eerste poort, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.22Verder waren de vensters ervan, de voorhal ervan en de dadelpalmen ervan overeenkomstig de afmetingen van de poort die op het oosten uitzag. Met zeven treden ging men daarover naar boven, en de voorhal ervan lag ervóór.). Een nieuw detail is dat de trap naar deze poort “zeven treden” heeft.

De beschrijving sluit af met de maat van de buitenste voorhof, maar dan gerekend vanaf de poort van de binnenste voorhof (vers 2323De poort van de binnenste voorhof lag tegenover de poort naar het noorden en [die] naar het oosten. Hij mat [de afstand] van poort tot poort: honderd el.). Zoals al is aangegeven in vers 1919Toen mat Hij de breedte vanaf de voorzijde van de benedenpoort tot aan de binnenste voorhof aan de buitenzijde: honderd el, zowel naar het oosten als naar het noorden., is de afstand van poort tot poort honderd el.


De buitenste zuiderpoort

24Vervolgens leidde Hij mij in de richting van het zuiden. En zie, er was een poort in de richting van het zuiden. Daarop mat Hij de muurposten ervan en de voorhal ervan: dezelfde afmetingen. 25De poort en de voorhal hadden vensters, helemaal rondom, zoals die vensters, vijftig el lang en vijfentwintig el breed. 26Zeven treden leidden ernaartoe en de voorhal lag ervóór. Er waren dadelpalmen, één aan de ene kant en één aan de andere kant op de muurposten ervan. 27De binnenste voorhof had een poort in de richting van het zuiden. Hij mat [de afstand] van poort tot poort in de richting van het zuiden: honderd el.

De Man leidt Ezechiël in zuidelijke richting (vers 2424Vervolgens leidde Hij mij in de richting van het zuiden. En zie, er was een poort in de richting van het zuiden. Daarop mat Hij de muurposten ervan en de voorhal ervan: dezelfde afmetingen.). Daar ziet hij een poort in de richting van het zuiden. De metingen die de Man verricht, geven dezelfde uitkomsten als de metingen van de twee voorgaande poorten. Ook de samenstelling van de zuiderpoort is gelijk aan die van de andere poorten, evenals de lengte van de buitenste voorhof die tussen de buitenste en binnenste zuiderpoort ligt (verzen 25-2725De poort en de voorhal hadden vensters, helemaal rondom, zoals die vensters, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.26Zeven treden leidden ernaartoe en de voorhal lag ervóór. Er waren dadelpalmen, één aan de ene kant en één aan de andere kant op de muurposten ervan.27De binnenste voorhof had een poort in de richting van het zuiden. Hij mat [de afstand] van poort tot poort in de richting van het zuiden: honderd el.).


De zuiderpoort van de binnenste voorhof

28Vervolgens bracht Hij mij door de zuiderpoort naar de binnenste voorhof. Hij mat de zuiderpoort: dezelfde afmetingen. 29Ook de wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden diezelfde afmetingen. Geheel rondom waren vensters, ook in de voorhal ervan, vijftig el lang en vijfentwintig el breed. 30Geheel rondom waren er voorhallen, vijfentwintig el lang en vijf el breed. 31De voorhal ervan was aan de buitenste voorhof. Er waren dadelpalmen op de muurposten ervan. Er waren acht treden naar boven.

Vanaf de buitenste zuiderpoort steekt de Man samen met Ezechiël de buitenste voorhof over naar de daar recht tegenovergelegen binnenste zuiderpoort, die toegang geeft tot de binnenste voorhof (vers 2828Vervolgens bracht Hij mij door de zuiderpoort naar de binnenste voorhof. Hij mat de zuiderpoort: dezelfde afmetingen.). Deze poort vormt de verbinding tussen de buitenste en de binnenste voorhof. Die binnenste zuiderpoort heeft dezelfde afmetingen als de buitenste zuiderpoort. Ook de indeling is gelijk (verzen 29-3029Ook de wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden diezelfde afmetingen. Geheel rondom waren vensters, ook in de voorhal ervan, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.30Geheel rondom waren er voorhallen, vijfentwintig el lang en vijf el breed.).

Toch zijn er ook enkele verschillen tussen de beide poorten. Een eerste verschil is de plaats van de voorhal van de poort (vers 3131De voorhal ervan was aan de buitenste voorhof. Er waren dadelpalmen op de muurposten ervan. Er waren acht treden naar boven.). De voorhal van de binnenste poort grenst niet aan de binnenste voorhof, maar aan de buitenste voorhof. De binnenste poort is dus een spiegelbeeld van de buitenste poort, want bij de buitenste poort bevindt de voorhal zich aan de kant van de buitenste voorhof en niet aan de kant waar men de poort binnengaat. Anders gezegd, de voorhal van de buitenste poort (de benedenpoort) én de voorhal van de binnenste poort grenzen allebei aan dezelfde ruimte, namelijk de buitenste voorhof.

Nog een verschil met de buitenste poort is dat de trap naar de binnenste poort acht treden heeft, terwijl de trap naar de buitenste poort zeven treden heeft. Het tempelgebouw staat vanwege de trap dus nog weer hoger dan de buitenste voorhof en de buitenste voorhof ligt weer hoger dan wat daaraan aan de buitenkant grenst. Dat een trap met acht treden tot de tempel voert, wijst erop dat er een nieuw gedeelte betreden wordt. Het getal acht spreekt van een nieuw begin zonder einde, na afsluiting van iets wat volkomen is, waarvan het getal zeven spreekt. Dat past bij waar we nu gekomen zijn: in de directe tegenwoordigheid van God, dus op het hoogste niveau.


De oostpoort van de binnenste voorhof

32Toen bracht Hij mij naar de binnenste voorhof, in de richting van het oosten. Hij mat de poort: dezelfde afmetingen. 33De wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden dezelfde afmetingen. Hij had helemaal rondom vensters zoals de voorhal ervan [die] had, vijftig el lang en vijfentwintig el breed. 34De voorhal ervan lag gericht naar de buitenste voorhof. Verder waren er dadelpalmen op de muurposten ervan, aan de ene kant en aan de andere kant: er waren acht treden naar boven.

Na de zuiderpoort wordt Ezechiël door de Man naar de oostpoort gebracht (vers 3232Toen bracht Hij mij naar de binnenste voorhof, in de richting van het oosten. Hij mat de poort: dezelfde afmetingen.). Evenals bij de buitenste poorten is ook hier de oostpoort de hoofdingang. De opmeting van die poort wijst uit dat hij precies dezelfde afmetingen en indeling heeft als de zojuist gemeten zuiderpoort (verzen 32-3432Toen bracht Hij mij naar de binnenste voorhof, in de richting van het oosten. Hij mat de poort: dezelfde afmetingen.33De wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden dezelfde afmetingen. Hij had helemaal rondom vensters zoals de voorhal ervan [die] had, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.34De voorhal ervan lag gericht naar de buitenste voorhof. Verder waren er dadelpalmen op de muurposten ervan, aan de ene kant en aan de andere kant: er waren acht treden naar boven.).


De noorderpoort van de binnenste voorhof

35Toen bracht Hij mij naar de noorderpoort en mat [die]: dezelfde afmetingen. 36De wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden helemaal rondom vensters, vijftig el lang en vijfentwintig el breed. 37De voorhal ervan was gericht naar de buitenste voorhof. Er waren ook dadelpalmen op de muurposten ervan aan de ene kant en aan de andere kant. Er waren acht treden naar boven.

Daarna wordt Ezechiël door de Man naar de noorderpoort gebracht, waar de metingen en indeling hetzelfde resultaat geven als van de voorgaande poorten (verzen 35-3735Toen bracht Hij mij naar de noorderpoort en mat [die]: dezelfde afmetingen.36De wachtruimtes ervan, de muurposten ervan en de voorhal ervan hadden helemaal rondom vensters, vijftig el lang en vijfentwintig el breed.37De voorhal ervan was gericht naar de buitenste voorhof. Er waren ook dadelpalmen op de muurposten ervan aan de ene kant en aan de andere kant. Er waren acht treden naar boven.).


Voorwerpen voor de offerdienst

38Er was een kamer met een ingang bij de muurposten van de poorten. Daar zou men het brandoffer afspoelen. 39In de voorhal van de poort waren twee tafels aan de ene kant en twee tafels aan de andere kant, om het brandoffer, het zondoffer en het schuldoffer daarop te slachten. 40Er waren twee tafels vanbuiten aan de zijkant voor wie omhoogging naar de ingang van de noorderpoort. Aan de andere zijde die bij de voorhal van de poort hoorde, waren [ook] twee tafels. 41[Zo waren er] vier tafels aan de ene kant en vier tafels aan de andere kant aan de zijde van de poort: acht tafels waarop men zou slachten. 42Er waren vier tafels voor het brandoffer, van gehouwen stenen, anderhalve el lang, anderhalve el breed en één el hoog. Daarop zou men dan het gerei leggen waarmee men het brandoffer en het slachtoffer slachten zou. 43Geheel rondom in het huis waren haken van één handbreedte bevestigd, en op de tafels [zou] het vlees van de offergave [komen].

Ezechiël bevindt zich hier bij de noorderpoort aan de binnenste voorhof (vers 4040Er waren twee tafels vanbuiten aan de zijkant voor wie omhoogging naar de ingang van de noorderpoort. Aan de andere zijde die bij de voorhal van de poort hoorde, waren [ook] twee tafels.), dat is vlak bij de plaats waar volgens Leviticus 1 het brandoffer uit het kleinvee moet worden geslacht (Lv 1:1111Dan moet hij het slachten aan de noordkant van het altaar voor het aangezicht van de HEERE. En de zonen van Aäron, de priesters, moeten zijn bloed rondom op het altaar sprenkelen.). Bij de muurpost van de (binnen)poort aan de noordzijde is een kamer die dient voor het afspoelen van het brandoffer (vers 3838Er was een kamer met een ingang bij de muurposten van de poorten. Daar zou men het brandoffer afspoelen.; vgl. Lv 1:99Maar zijn ingewanden en zijn poten moet men met water wassen, en de priester moet dat alles op het altaar in rook laten opgaan. Het is een brandoffer, een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.; 2Kr 4:66Hij maakte ook tien spoelbekkens, zette er vijf aan de rechterkant en vijf aan de linkerkant om daarin [het offervlees] te wassen. Men spoelde daarin de benodigdheden van het brandoffer af. De zee was echter bestemd voor de priesters om zich daarin te wassen.). In de voorhal van de poort, waar men komt nadat de trap met acht treden is beklommen, staan aan elke kant twee tafels (vers 3939In de voorhal van de poort waren twee tafels aan de ene kant en twee tafels aan de andere kant, om het brandoffer, het zondoffer en het schuldoffer daarop te slachten.). Daarop kunnen het brandoffer, het zondoffer en het schuldoffer worden geslacht.

Ook staan er twee tafels aan elke kant van de trap van acht treden die naar de binnenste poort leidt (verzen 40-4140Er waren twee tafels vanbuiten aan de zijkant voor wie omhoogging naar de ingang van de noorderpoort. Aan de andere zijde die bij de voorhal van de poort hoorde, waren [ook] twee tafels.41[Zo waren er] vier tafels aan de ene kant en vier tafels aan de andere kant aan de zijde van de poort: acht tafels waarop men zou slachten.). Er zijn zodoende acht tafels die dienen om de offers te kunnen slachten. Opmerkelijk is dat de trap niet als zodanig wordt genoemd, maar dat wordt gesproken over “voor wie omhoogging naar de ingang van de noorderpoort”. Verder zijn er nog vier tafels waarop het gerei wordt gelegd waarmee het brandoffer en het slachtoffer worden geslacht (vers 4242Er waren vier tafels voor het brandoffer, van gehouwen stenen, anderhalve el lang, anderhalve el breed en één el hoog. Daarop zou men dan het gerei leggen waarmee men het brandoffer en het slachtoffer slachten zou.). Van deze tafels wordt het materiaal genoemd: ze zijn “van gehouwen stenen”. De afmetingen ervan worden ook vermeld: anderhalve el lang, anderhalve el breed en één el hoog.

Wat ook nog op de offerdienst betrekking lijkt te hebben, zijn “de haken van één handbreedte” die rondom in het huis zijn aangebracht (vers 4343Geheel rondom in het huis waren haken van één handbreedte bevestigd, en op de tafels [zou] het vlees van de offergave [komen].). Waarschijnlijk zijn deze haken bedoeld om daaraan de geslachte offers op te hangen, zodat het bloed eruit kan lopen.

De offers die in het vrederijk worden gebracht zijn een gedachtenis aan het werk van Christus, een terugdenken daaraan. Ze doen niets af aan de volmaaktheid van Christus’ offer en de volkomen vergeving van de zonden op grond van Zijn offer. Alles wat over de offers, de toebereiding, de offerplaats en het gerei wordt gezegd, herinnert de gelovigen aan het offer dat de Heer Jezus voor hen heeft gebracht. Hij is aan het kruis gehangen, buiten de poort, om voor de Zijnen de weg in de tegenwoordigheid van God te openen. De gelovigen van de gemeente gedenken dat gedurende het christelijk tijdperk in de viering van het avondmaal aan de tafel van de Heer.


Kamers voor de zangers en de priesters

44Aan de buitenzijde van de binnenpoort waren de kamers van de zangers, in de binnenste voorhof, dat aan de kant van de noorderpoort was. De voorkant ervan was in de richting van het zuiden. Eén was er aan de kant van de oostpoort, die naar het noorden gericht was. 45Hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan de voorkant op het zuiden uitziet, is bestemd voor de priesters die [hun] taak ten behoeve van het huis vervullen. 46De kamer waarvan de voorkant op het noorden uitziet, is voor de priesters bestemd die [hun] taak ten behoeve van het altaar vervullen. Dat zijn de zonen van Zadok, die uit de Levieten tot de HEERE mogen naderen om Hem te dienen. 47Toen mat Hij de voorhof: honderd el lang en honderd el breed, een vierkant. Het altaar was vóór het huis.

Direct na wat met de offers te maken heeft, volgt een beschrijving van de kamers van de zangers en de priesters (verzen 44-4644Aan de buitenzijde van de binnenpoort waren de kamers van de zangers, in de binnenste voorhof, dat aan de kant van de noorderpoort was. De voorkant ervan was in de richting van het zuiden. Eén was er aan de kant van de oostpoort, die naar het noorden gericht was.45Hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan de voorkant op het zuiden uitziet, is bestemd voor de priesters die [hun] taak ten behoeve van het huis vervullen.46De kamer waarvan de voorkant op het noorden uitziet, is voor de priesters bestemd die [hun] taak ten behoeve van het altaar vervullen. Dat zijn de zonen van Zadok, die uit de Levieten tot de HEERE mogen naderen om Hem te dienen.). Dat wijst erop dat offerdienst met lofgezang gepaard gaat en gebeurt door priesters (vgl. Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.). Van de kamers wordt ons alleen de ligging vermeld. Er worden geen maten gegeven. De kamers van de zangers bevinden zich “aan de buitenzijde van de binnenpoort” (vers 4444Aan de buitenzijde van de binnenpoort waren de kamers van de zangers, in de binnenste voorhof, dat aan de kant van de noorderpoort was. De voorkant ervan was in de richting van het zuiden. Eén was er aan de kant van de oostpoort, die naar het noorden gericht was.). De kamers bij de noorderpoort bevinden zich aan de zuidzijde daarvan.

De Man en Ezechiël staan nu in de binnenste voorhof bij de noorderpoort. Daar verbreekt de Man voor de eerste keer het stilzwijgen (vers 4545Hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan de voorkant op het zuiden uitziet, is bestemd voor de priesters die [hun] taak ten behoeve van het huis vervullen.). Hij legt aan Ezechiël uit dat de kamer “waarvan de voorkant op het zuiden uitziet” voor de priesters is. Hier worden voor de eerste keer de priesters genoemd. Van hen vermeldt de Man nog dat zij hun “taak ten behoeve van het huis vervullen”.

De voorkant van deze kamer ziet uit op het zuiden. Een andere kamer, waarvan de voorkant uitziet op het noorden, is bestemd voor de priesters die hun “taak ten behoeve van het altaar vervullen” (vers 4646De kamer waarvan de voorkant op het noorden uitziet, is voor de priesters bestemd die [hun] taak ten behoeve van het altaar vervullen. Dat zijn de zonen van Zadok, die uit de Levieten tot de HEERE mogen naderen om Hem te dienen.). De ene kamer staat in verbinding met het huis en de andere met het altaar. We zien hier hoe huis en altaar bij elkaar horen.

Voor deze priesterdienst heeft de HEERE “de zonen van Zadok” bestemd. Zij mogen tot Hem naderen om Hem als priesters te dienen. Zij krijgen deze prachtige dienst als beloning voor hun trouw aan David (2Sm 15:2424En zie, Zadok was daar ook en al de Levieten met hem, die de ark van het verbond van God droegen, en zij zetten de ark van God neer. En Abjathar klom naar boven, totdat al het volk uit de stad het oversteken beëindigd had.; 1Kn 1:8-108Maar de priester Zadok, Benaja, de zoon van Jojada, de profeet Nathan, Simeï, Reï en de helden die bij David hoorden, waren niet met Adonia.9Adonia slachtte schapen, runderen en gemest [vee] bij de steen Zoheleth, die bij de bron Rogel ligt. Al zijn broers, de zonen van de koning, en alle mannen van Juda, de dienaren van de koning, nodigde hij uit.10Maar de profeet Nathan, Benaja, de helden en Salomo, zijn broer, nodigde hij niet uit.; 2:3535En de koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats aan over het leger, en de priester Zadok stelde de koning aan in de plaats van Abjathar.; vgl. Ez 44:1515Maar de Levitische priesters, de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mijn heiligdom vervuld hebben toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, díe mogen in Mijn nabijheid komen om Mij te dienen. Zij mogen voor Mijn aangezicht staan om aan Mij vet en bloed aan te bieden, spreekt de Heere HEERE.; 43:1919moet u de Levitische priesters die van het nageslacht van Zadok zijn [en] die tot Mij naderen – spreekt de Heere HEERE – om Mij te dienen, een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer geven.; 48:1111Het zal bestemd zijn voor de priesters die geheiligd zijn uit de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mij vervuld hebben, die niet afgedwaald zijn toen de Israëlieten afdwaalden, zoals de [andere] Levieten afgedwaald zijn.).

Dan meet de Man de (binnenste) voorhof (vers 4747Toen mat Hij de voorhof: honderd el lang en honderd el breed, een vierkant. Het altaar was vóór het huis.). In het midden daarvan staat het altaar. De voorhof is een vierkant van honderd el lang en honderd el breed. Nadrukkelijk wordt de plaats van het altaar vermeld: het staat vóór het huis. Alleen via het altaar is er zicht op en toegang tot het huis.

Het is nu mogelijk om de dwarsdoorsnede van het complex van noord naar zuid in een tabel weer te geven:

 

 

Tekst

Lengte

1.

Noorderbuitenpoort

40:20,21

  50 el

2.

Buitenste voorhof tot binnenpoort

40:23

100 el

3.

Noorderbinnenpoort

40:35

  50 el

4.

Binnenste voorhof

40:47

100 el

5.

Zuiderbinnenpoort

40:28

  50 el

6.

Buitenste voorhof tot buitenpoort

40:27

100 el

7.

Zuiderbuitenpoort

40:25

  50 el

 

Totaal

42:20;
45:2

500 el

De binnenste voorhof vormt het centrum van het complex. Samen met de binnenpoorten ligt dit centrum acht treden hoger dan de buitenste voorhof met de buitenpoorten. Het altaar staat precies in het midden van het centrum. De buitenste voorhof en de buitenpoorten liggen op hun beurt weer zeven treden hoger dan het gebied buiten het tempelcomplex dat volgens Ezechiël 45 (Ez 45:22Hiervan zal voor het heiligdom vijfhonderd bij vijfhonderd [el] bestemd zijn, rondom vierkant, en vijftig el weidegrond eromheen.) weidegrond is.


De voorhal

48Vervolgens bracht Hij mij naar de voorhal van het huis en Hij mat een muurpost van de voorhal: vijf el aan de ene kant en vijf el aan de andere kant, en de breedte van de poort was drie el aan de ene kant en drie el aan de andere kant. 49De voorhal was twintig el lang en elf* el breed, met de treden waarover men omhoogging. Er waren pilaren bij de muurposten, één aan de ene kant en één aan de andere kant.

*De Septuaginta (LXX), de Griekse vertaling van het Oude Testament, schrijft hier twaalf. Dat lijkt de juiste lezing te zijn als we kijken naar de totale lengte van het huis die honderd el bedraagt. Zie overzicht bij Ezechiël 41 (Ez 41:1313Hij mat het huis: de lengte was honderd el. Het afgezette gedeelte, het bouwwerk en de muren ervan: de lengte was honderd el,).

De Man brengt Ezechiël nu naar de voorhal van het huis (vers 4848Vervolgens bracht Hij mij naar de voorhal van het huis en Hij mat een muurpost van de voorhal: vijf el aan de ene kant en vijf el aan de andere kant, en de breedte van de poort was drie el aan de ene kant en drie el aan de andere kant.). Hier begint de beschrijving van het eigenlijke tempelgebouw, het huis waarin de heerlijkheid van God zal wonen. De voorhal van het huis is het voorportaal van het heilige. De Man begint met het meten van een muurpost van de voorhal. De muurpost is aan beide zijden vijf el dik en drie el diep.

De voorhal achter de muurposten is twintig el lang en elf (twaalf) el breed (vers 4949De voorhal was twintig el lang en elf* el breed, met de treden waarover men omhoogging. Er waren pilaren bij de muurposten, één aan de ene kant en één aan de andere kant.). Om in de voorhal te komen moet een trap worden beklommen. Bij de muurposten zijn twee pilaren. Deze pilaren herinneren sterk aan de twee pilaren in de tempel van Salomo (2Kr 3:1717Hij richtte de pilaren op vóór de tempel, een aan de rechter- en een aan de linkerkant. De rechter[pilaar] gaf hij de naam Jachin, en de linker Boaz.), waarvan de ene Boaz (betekent ‘in Hem is sterkte’) en de andere Jachin (betekent ‘Hij zal bevestigen’) heet. De pilaren hier hebben geen naam, maar de (symbolische) functie is wel duidelijk: de tempel en de dienst daarin worden ondersteund door de kracht van de HEERE en zijn een bevestiging van Zijn belofte dat Hij te midden van Zijn volk woont.


Lees verder