Ezechiël
Inleiding 1-3 De belegering van Jeruzalem uitgebeeld 4-8 De jaren van de ongerechtigheid 9-17 Eten en drinken van Ezechiël
Inleiding

Ezechiël 4 is een vervolg op een gedeelte dat in Ezechiël 3:22 begint. Ezechiël moet in zijn huis blijven en zijn tong zal aan zijn gehemelte kleven. Hij kan dus niet vrij onder de ballingen verkeren en mensen waarschuwen. In zijn huis moet hij verschillende symbolische handelingen verrichten om zijn boodschap voor te stellen. Daarin laat hij zien wat er met Jeruzalem zal gebeuren. De HEERE heeft daarmee meerdere doelen:

1. Hij wil de ballingen hierdoor tot nadenken bewegen, opdat ze tot inkeer komen.
2. Hij wil de ballingen hierdoor duidelijk maken dat zij niet op korte termijn zullen terugkeren naar Jeruzalem. De koning van Babel, Nebukadrezar, zal Jeruzalem innemen.
3. De profeet wordt hierdoor met het volk vereenzelvigd en voelt wat zij voelen wanneer Gods tucht over hen komt. Een dienaar van God die zelf lijdt, is veel beter in staat om hen die hetzelfde lijden ondergaan, te begrijpen en te waarschuwen.


De belegering van Jeruzalem uitgebeeld

1En u, mensenkind, neem u een tegel, leg die vóór u neer en teken daarop een stad, Jeruzalem. 2Sla het beleg ervoor, bouw er een schans tegen, werp er een belegeringsdam tegenaan, stel legerkampen ertegen op en zet er rondom stormrammen tegen in. 3En u, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Houd dan uw blik er vast op gericht: zo raakt zij in belegering en zult u haar belegeren. Dit is een teken voor het huis van Israël.

Ezechiël, weer “mensenkind” genoemd, moet een tegel nemen en daar Jeruzalem op tekenen (vers 11En u, mensenkind, neem u een tegel, leg die vóór u neer en teken daarop een stad, Jeruzalem.). Hij mag niet spreken, maar hij kan wel communiceren met zijn handen. De tegel die hij moet gebruiken, is een kleitafel, het gewone schrijfmateriaal van de Babyloniërs. Om er goed op te kunnen tekenen moet Ezechiël die vóór zich neerleggen, want hij moet zich goed op de tekening concentreren.

Vervolgens moet hij op de tekening aangeven hoe Jeruzalem belegerd zal worden (vers 22Sla het beleg ervoor, bouw er een schans tegen, werp er een belegeringsdam tegenaan, stel legerkampen ertegen op en zet er rondom stormrammen tegen in.). Hij moet het beleg voor de stad slaan, de stad dus belegeren. De HEERE geeft hem nauwgezette instructies hoe hij dat moet doen. Hij moet er “een schans”, dat is een aanvalstoren, tegen bouwen, er “een belegeringsdam” tegenaan werpen, “legerkampen” ertegen opstellen en rond de hele stad “stormrammen” ertegen inzetten. De mensen zullen zich rondom hem hebben verzameld en hebben begrepen wat hij uitbeeldt.

Als de tekening klaar is, moet Ezechiël “een ijzeren bakplaat” nemen, dat is een plaat waarop men brood bakt (vers 33En u, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Houd dan uw blik er vast op gericht: zo raakt zij in belegering en zult u haar belegeren. Dit is een teken voor het huis van Israël.; Lv 2:55Als uw offergave echter een graanoffer is dat op de bakplaat is [bereid], moet het van meelbloem zijn, met olie gemengd [en] ongezuurd.). De bakplaat is een gewoon gebruiksvoorwerp dat meestal van aardewerk is gemaakt. Een ijzeren bakplaat is in die tijd een uniek voorwerp. Die ijzeren plaat moet hij tussen zich en de stad zetten die hij zojuist heeft getekend. De plaat symboliseert “een ijzeren muur” en stelt de scheiding tussen God en Zijn volk voor die het volk veroorzaakt heeft door hun zonden (Js 59:22Maar uw ongerechtigheden maken scheiding
tussen u en uw God,
uw zonden doen [Zijn] aangezicht voor u verborgen zijn,
zodat Hij [u] niet hoort.
)
.

Dan geeft de HEERE Ezechiël de opdracht zijn blik vast op de stad te richten. De blik is een blik vol dreiging. Zoals Ezechiël naar zijn tekening kijkt, kijkt de HEERE naar de stad. Alle gebeden uit de stad dringen niet door tot de hemel. Ze worden tegengehouden door de ijzeren plaat. De band met God is afgesneden, Hij levert Jeruzalem uit aan de vijand.

Terwijl Ezechiël tekent, is het alsof hij zelf de stad belegert. Dat is in zekere zin ook zo. De vijand zal dit wel met de stad doen, maar het is in werkelijkheid God Zelf Die in en door de vijand de stad belegert en daarmee Zijn toorn over de stad brengt. Door de opdracht aan Ezechiël om dit uit te tekenen laat Hij hem beleven wat Hij met de stad gaat doen (vgl. Lk 19:4343Want er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen en u zullen omsingelen en u van alle zijden benauwen;). Tevens is zijn tekening “een teken voor het huis van Israël”.

Een teken is nodig als woorden niet meer worden gehoord. Valse profeten in Jeruzalem verkondigen dat de ballingen binnen een jaar zullen terugkeren naar Jeruzalem (Jr 28:2-42Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ik zal het juk van de koning van Babel breken!3Binnen twee volle jaren breng Ik alle voorwerpen van het huis van de HEERE naar deze plaats terug, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft meegenomen en naar Babel heeft gebracht.4Ook breng Ik Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en alle ballingen van Juda die in Babel zijn gekomen, naar deze plaats terug, spreekt de HEERE, want Ik breek het juk van de koning van Babel.). Ook zijn er profeten die profeteren dat Jeruzalem geen zwaard zal zien en geen honger zal krijgen (Jr 14:13-1613Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, zie, die profeten zeggen tegen hen: U zult geen zwaard zien en honger zult u niet krijgen, maar Ik zal u een duurzame vrede geven in deze plaats.14De HEERE zei tegen mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam. Ik heb hen niet gezonden, Ik heb hun geen opdracht gegeven en Ik heb niet tot hen gesproken. Zij profeteren u een leugenvisioen, waarzeggerij, holle praat en bedrog van hun [eigen] hart.15Daarom, zo zegt de HEERE over de profeten die profeteren in Mijn Naam, hoewel Ík hen niet heb gezonden, en zij [toch] zeggen: Er zal geen zwaard en honger in dit land zijn. Die profeten zullen zelf door het zwaard en door de honger omkomen.16En het volk waartegen zij profeteren, zal weggeworpen worden op de straten van Jeruzalem vanwege de honger en het zwaard, zonder dat iemand hen begraaft: hen, hun vrouwen, en hun zonen en hun dochters. Zo zal Ik hun kwaad over hen uitstorten.; 23:16-1716Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Luister niet naar de woorden van die profeten die tot u profeteren.
Zij geven u ijdele hoop.
Zij spreken een visioen [uit] hun [eigen] hart,
niet uit de mond van de HEERE.
17Steeds zeggen zij tegen hen die Mij verwerpen: De HEERE heeft gesproken:
U zult vrede hebben;
en [tegen] ieder die in zijn verharde hart voortgaat:
Geen onheil zal over u komen.
)
. God heeft anders gesproken. De ballingen kunnen, als ze openstaan voor dit teken, zien wat er met Jeruzalem gaat gebeuren.


De jaren van de ongerechtigheid

4En u, ga op uw linkerzij liggen en leg daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël. Zoveel dagen als u erop ligt, zult u hun ongerechtigheid dragen. 5En Ík leg u de jaren van hun ongerechtigheid op overeenkomstig het aantal dagen: driehonderdnegentig dagen dat u de ongerechtigheid van het huis van Israël dragen zult. 6Hebt u dit voltooid, dan moet u vervolgens op uw rechterzij gaan liggen. Dan zult u veertig dagen de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen. Voor elk jaar leg Ik u een dag op. 7En u zult uw blik richten op de belegering van Jeruzalem, terwijl u er met uw ontblote arm tegen profeteert. 8En zie, Ik zal touwen om u [heen] slaan, zodat u zich niet kunt omkeren van uw [ene] zij op uw [andere] zij, totdat u de dagen van uw belegering hebt voltooid.

In de symbolische handeling van de verzen 1-31En u, mensenkind, neem u een tegel, leg die vóór u neer en teken daarop een stad, Jeruzalem.2Sla het beleg ervoor, bouw er een schans tegen, werp er een belegeringsdam tegenaan, stel legerkampen ertegen op en zet er rondom stormrammen tegen in.3En u, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Houd dan uw blik er vast op gericht: zo raakt zij in belegering en zult u haar belegeren. Dit is een teken voor het huis van Israël. heeft Ezechiël God voorgesteld in Zijn handelingen met Jeruzalem. In de symbolische handeling die hij nu moet verrichten, stelt hij het volk voor. Daarbij is zijn persoonlijke betrokkenheid groot. Hij moet aan den lijve voelen wat het volk zal meemaken. Het zijn de twee aspecten van de dienst die iedere dienaar moet kennen en doorleven. Enerzijds moet hij delen in Gods gevoelens over het kwaad en anderzijds moet hij delen in de smart van hen over wie dit kwaad komt, in het besef deel uit te maken van dit volk en niet beter te zijn dan zij.

God vertelt Ezechiël wat hij moet doen. Ezechiël moet op zijn “linkerzij” gaan liggen en “daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël” leggen (vers 44En u, ga op uw linkerzij liggen en leg daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël. Zoveel dagen als u erop ligt, zult u hun ongerechtigheid dragen.). Het gaat hier uiteraard niet om een plaatsvervangend dragen van de ongerechtigheid. Dat kan alleen de Heer Jezus (Js 53:6,126Wij dwaalden allen als schapen,
wij keerden ons ieder naar zijn [eigen] weg.
Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen
op Hem doen neerkomen.12Daarom zal Ik Hem veel toedelen,
en machtigen zal Hij verdelen als buit,
omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood,
onder de overtreders is geteld,
[omdat] Hij de zonden van velen gedragen heeft
en voor de overtreders gebeden heeft.
)
. Het gaat om het ondergaan en ervaren van de gevolgen van de ongerechtigheid. De ongerechtigheid van het volk is doen wat slecht is in de ogen van God en het benadelen van hun naasten, hun volksgenoten, op alle terreinen van het leven.

Ezechiël moet de ongerechtigheid op zijn linkerzij leggen, de zij waarop hij ligt. Dat houdt tegelijk in dat hij op de ongerechtigheid ligt. Ezechiël beeldt hierdoor uit dat hij zich met Gods volk in zijn ongerechtigheid vereenzelvigt. Het zal voor het volk een aangrijpende prediking zijn.

De tijd dat hij zo moet liggen, wordt door God gesteld op “driehonderdnegentig dagen”, waarbij Ezechiël voor elk jaar een dag moet lijden (vers 55En Ík leg u de jaren van hun ongerechtigheid op overeenkomstig het aantal dagen: driehonderdnegentig dagen dat u de ongerechtigheid van het huis van Israël dragen zult.). Op welke tijdsperiode in de geschiedenis van Israël (de twaalf stammen) de driehonderdnegentig jaar slaat, is niet duidelijk. Meerdere commentatoren nemen aan dat deze periode begint met de scheuring van Israël in twee en tien stammen en dan met name de invoering van de afgoderij door Rehabeam in Israël door het maken van de twee gouden kalveren (1Kn 12:28-3028Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen [het volk]: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.30Dit werd [aanleiding] tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.). In elk geval gaat het om de ongerechtigheid, de zonden, van alle twaalf stammen, dus Israël als geheel. Zij vormen Gods volk, hoezeer ze ook gescheiden van elkaar hebben geleefd.

Als die dagen zijn voltooid, moet de profeet op zijn “rechterzij” gaan liggen (vers 66Hebt u dit voltooid, dan moet u vervolgens op uw rechterzij gaan liggen. Dan zult u veertig dagen de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen. Voor elk jaar leg Ik u een dag op.). Op die zij moet hij “veertig dagen” liggen om “de ongerechtigheid van het huis van Juda” te dragen. Ook hier staat een dag voor een jaar. De periode van veertig dagen sluit aan op die van driehonderdnegentig dagen. God zegt namelijk tegen Ezechiël dat hij “vervolgens” een aantal dagen op zijn rechterzij moet gaan liggen en dat hij dit moet doen wanneer hij de dagen op zijn linkerzij “voltooid” heeft.

Dat er voor Juda een extra aantal dagen van het dragen van ongerechtigheid aan wordt toegevoegd, is omdat Juda nog zwaarder heeft gezondigd dan Israël (Ez 23:11-3511Hoewel haar zuster Oholiba [dit] zag, gedroeg zij zich in haar hartstocht nog verderfelijker dan zij en overtrof zij met haar hoererijen de hoererijen van haar zuster.12Zij werd verliefd op de Assyriërs, landvoogden en machthebbers, vertrouwelingen, uitmuntend gekleed, ruiters, die op paarden reden, allen begerenswaardige jongemannen.13Ik zag hoe zij zich verontreinigd had; zij beiden gingen één [en dezelfde] weg.14Ja, zij ging nog verder met haar hoererijen: toen zij in de muur ingegrifte mannen zag, afbeeldingen van Chaldeeën, getekend in rode kleuren,15die een gordel om hun middel droegen, met een overhangende tulband om hun hoofd, die er allen uitzagen als officieren, die leken op Babyloniërs uit Chaldea, hun geboorteland,16werd zij op hen verliefd, zodra zij hen met eigen ogen zag, en zij stuurde gezanten naar hen toe, naar Chaldea.17De Babyloniërs kwamen bij haar om het liefdesbed [met haar te delen], en zij verontreinigden haar met hun hoererij. Nadat zij zich [echter] met hen verontreinigd had, rukte haar ziel zich van hen los.18Toen zij openlijk haar hoererijen pleegde en haar schaamte ontblootte, rukte Mijn ziel zich van haar los, zoals Mijn ziel zich losgerukt had van haar zuster.19Zij vermeerderde haar hoererijen door te denken aan de dagen van haar jeugd, toen zij in het land Egypte hoererij bedreef.20Zij werd verliefd op die wellustelingen, van wie het vlees is [als] het vlees van ezels en van wie de drift is [als] de drift van hengsten.21Zo verlangde u sterk terug naar het schandelijk gedrag van uw jeugd, toen die van Egypte uw tepels betastten vanwege uw jeugdige borsten.22Daarom, Oholiba, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zet uw minnaars tegen u op, van wie uw ziel zich heeft losgerukt. Ik laat hen van rondom over u komen:23Babyloniërs en alle Chaldeeën, Pekod, Soa en Koa, met hen alle Assyriërs; begerenswaardige jongemannen, allen landvoogden en machthebbers, officieren en [mannen] van naam, die allen op paarden rijden.24Zij zullen over u komen met een leger van strijdwagens en [andere] voertuigen en een menigte volken, grote en kleine schilden en helmen. Van alle kanten zullen zij zich tegen u opstellen. Dan zal Ik hun het strafgericht [in handen] geven en zij zullen u oordelen overeenkomstig hun [eigen] bepalingen.25Ik zal u Mijn na-ijver doen voelen, zodat zij u met woede zullen behandelen. Uw neus en oren zullen zij verwijderen, en wat van u overblijft, zal vallen door het zwaard. Uw zonen en uw dochters zullen zij meenemen, en wat van u overblijft, zal door het vuur worden verteerd.26Zij zullen u [ook] uw kleren uittrekken en uw sieraden meenemen.27Dan zal Ik uw schandelijk gedrag bij u doen ophouden, en uw hoererij uit het land Egypte. U zult uw ogen niet [meer] naar hen opslaan en niet meer denken aan Egypte.28Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik geef u over in de hand van hen die u haat, in de hand van hen van wie uw ziel zich heeft losgerukt.29Zij zullen u met haat behandelen, alles wat u hebt vergaard, meenemen en u naakt en bloot achterlaten, zodat uw hoerenschaamte ontbloot wordt, uw schandelijk gedrag en uw hoererijen.30Deze dingen zal men u aandoen, omdat u de heidenvolken in hoererij achteraangegaan bent, omdat u zich met hun stinkgoden hebt verontreinigd.31U bent in de weg van uw zuster gegaan en [daarom] zal Ik haar beker in uw hand geven.
32Zo zegt de Heere HEERE:
De beker van uw zuster zult u drinken,
die diepe, wijde [beker] –
u zult belachelijk en bespottelijk worden –
[die beker] kan veel bevatten!
33U zult vol worden van dronkenschap en verdriet.
De beker van uw zuster Samaria
is een beker van verwoesting en woestenij.
34U zult hem drinken, leegdrinken,
hem aan scherven knagen,
en uw borsten [ermee] openhalen,
want Ík heb gesproken, spreekt de Heere HEERE.
35Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u Mij vergeten bent en Mij achter uw rug geworpen hebt, zult u ook zelf uw schandelijk gedrag en uw hoererijen dragen!
)
. Dat wordt door de volgende verzen onderstreept. Daarin gaat het over de belegering van Jeruzalem, waar de Judeeërs zich op dat moment bevinden.

God spreekt tot Ezechiël over de belegering van Jeruzalem. Deze in totaal vierhonderddertig dagen dat Ezechiël op zijn zij ligt, moet hij zijn “blik richten op de belegering van Jeruzalem” (vers 77En u zult uw blik richten op de belegering van Jeruzalem, terwijl u er met uw ontblote arm tegen profeteert.; vers 33En u, neem u een ijzeren bakplaat en zet die als een ijzeren muur tussen u en de stad. Houd dan uw blik er vast op gericht: zo raakt zij in belegering en zult u haar belegeren. Dit is een teken voor het huis van Israël.), wat erop neerkomt dat hij naar zijn tekening moet kijken. Hij moet dat doen met “ontblote arm”. De ontblote arm van Ezechiël symboliseert dat God klaarstaat om in oordeel te handelen (vgl. Js 52:10a10De HEERE heeft Zijn heilige arm ontbloot
voor de ogen van alle heidenvolken;
en alle einden der aarde zien
het heil van onze God.
)
. Ezechiëls profetie bestaat niet uit woorden, maar uit zijn houding. Alles wat hij uitbeeldt, spreekt met grote kracht tot het geweten.

God zal hem dusdanig in bedwang houden – daarvan spreken de touwen die Hij om Ezechiël heenslaat – dat hij deze zware taak tot het einde toe zal kunnen volbrengen (vers 88En zie, Ik zal touwen om u [heen] slaan, zodat u zich niet kunt omkeren van uw [ene] zij op uw [andere] zij, totdat u de dagen van uw belegering hebt voltooid.). Dit heeft ook een symbolische betekenis. God zegt tegen hem dat hij gebonden zal zijn “totdat u de dagen van uw belegering hebt voltooid”. Dat betekent dat het dragen van de ongerechtigheid direct verbonden is aan de belegering van Jeruzalem door de legers van de koning van Babel.

Door te spreken over “uw belegering” wordt de belegering van Jeruzalem als een daad van Ezechiël voorgesteld, waarbij we direct moeten bedenken dat we hier symbolisch het handelen van God Zelf met Jeruzalem zien. De touwen maken ook duidelijk dat het volk zich onmogelijk aan dit oordeel van God kan voltrekken. God voert Zijn oordeel uit. Hij zal de stad in handen van Nebukadrezar geven en de inwoners in ballingschap laten wegvoeren.


Eten en drinken van Ezechiël

9En u, neem u tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt. Doe die dan in één pot en maak daarvan voor uzelf brood. Het aantal dagen dat u op uw zij ligt, driehonderdnegentig dagen, moet u dat eten. 10Uw voedsel dat u moet eten, zal in gewicht twintig sikkel per dag zijn. Op vaste tijden moet u dat eten. 11U moet een afgemeten hoeveelheid water drinken, een zesde deel van een hin. Op vaste tijden moet u dat drinken. 12U moet verder een gerstekoek eten, en die voor hun ogen bakken op klonten menselijke uitwerpselen. 13En de HEERE zei: Zo zullen de Israëlieten hun brood onrein eten onder de heidenvolken waarheen Ik hen verdrijf. 14Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, zie, mijn ziel is nooit verontreinigd, omdat ik van mijn jeugd af tot nu toe geen kadaver of wat verscheurd is, gegeten heb. Er is geen onrein vlees in mijn mond gekomen. 15Daarop zei Hij tegen mij: Zie, Ik geef u rundermest in plaats van menselijke uitwerpselen. Bereid daarop uw brood. 16Hij zei tegen mij: Mensenkind, zie, Ik laat het in Jeruzalem aan brood ontbreken. In afgewogen hoeveelheid en vol bezorgdheid zullen zij brood eten, en met een afgemeten hoeveelheid en met ontzetting zullen zij water drinken, 17omdat zij aan brood en water gebrek hebben. De een zal met de ander ontzet zijn, zij zullen in hun ongerechtigheid wegkwijnen.

De volgende handeling die Ezechiël moet verrichten, staat ook in verband met de hiervoor uitgebeelde belegering van Jeruzalem als gevolg van hun ongerechtigheid (verzen 4-84En u, ga op uw linkerzij liggen en leg daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël. Zoveel dagen als u erop ligt, zult u hun ongerechtigheid dragen.5En Ík leg u de jaren van hun ongerechtigheid op overeenkomstig het aantal dagen: driehonderdnegentig dagen dat u de ongerechtigheid van het huis van Israël dragen zult.6Hebt u dit voltooid, dan moet u vervolgens op uw rechterzij gaan liggen. Dan zult u veertig dagen de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen. Voor elk jaar leg Ik u een dag op.7En u zult uw blik richten op de belegering van Jeruzalem, terwijl u er met uw ontblote arm tegen profeteert.8En zie, Ik zal touwen om u [heen] slaan, zodat u zich niet kunt omkeren van uw [ene] zij op uw [andere] zij, totdat u de dagen van uw belegering hebt voltooid.). Hij moet voedselschaarste uitbeelden (vers 99En u, neem u tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt. Doe die dan in één pot en maak daarvan voor uzelf brood. Het aantal dagen dat u op uw zij ligt, driehonderdnegentig dagen, moet u dat eten.). Dat wijst erop dat hongersnood de stad zal treffen als gevolg van de belegering. Hij moet diverse graangewassen en peulvruchten nemen om daarvan brood te maken.

”Tarwe” wordt gebruikt om het beste brood van te bakken. Als tarwe echter schaars is, moet het worden gemengd met andere granen van mindere kwaliteit, zoals “gerst … gierst en spelt”. “Bonen” en “linzen” zijn geen granen, maar wel gebruikelijke voedingsmiddelen (vgl. 2Sm 17:27-2927En het gebeurde, toen David in Mahanaïm aangekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, uit Rabba van de Ammonieten, en Machir, de zoon van Ammiël, uit Lodebar, en Barzillai uit Gilead, [en wel] uit Rogelim,28bedden, schalen, aardewerk, tarwe, gerst, meel, geroosterd koren, bonen, linzen – ook geroosterd –29honing, boter, kleinvee en kazen van koeien[melk] bij David brachten, en bij het volk dat bij hem was, om te eten. Want zij zeiden: Dit volk is hongerig, moe en dorstig in de woestijn.). Als ze echter bij elkaar moeten worden genomen om brood te maken, geeft dat wel de schaarste van deze voedingsmiddelen aan. Er is dan sprake van een soort ‘oorlogsbrood’, dat wordt gegeten in tijden van voedselschaarste. Ezechiël moet alle bestanddelen “in één pot” doen en mengen en er brood van maken. Dat brood moet hij eten gedurende de dagen dat hij op zijn zij ligt, driehonderdnegentig dagen lang.

Het rantsoen is “twintig sikkel per dag”, dat is tweehonderd tot driehonderd gram (vers 1010Uw voedsel dat u moet eten, zal in gewicht twintig sikkel per dag zijn. Op vaste tijden moet u dat eten.). Dat rantsoen moet hij op vaste tijden eten, dat wil zeggen dat hij het over verschillende maaltijden verdeelt en niet alles in één keer opeet. Ook het water is op rantsoen (vers 1111U moet een afgemeten hoeveelheid water drinken, een zesde deel van een hin. Op vaste tijden moet u dat drinken.). Hij krijgt per dag “een zesde deel van een hin”, dat is ongeveer een liter. Voor een heet land is dat heel weinig. Hij moet ook het water verdelen over de dag.

Hij krijgt ook nog de opdracht om “een gerstekoek” te eten, die hij voor de ogen van de ballingen moet bakken “op klonten menselijke uitwerpselen” (vers 1212U moet verder een gerstekoek eten, en die voor hun ogen bakken op klonten menselijke uitwerpselen.). Dit is kenmerkend voor de noodtoestand waarin Jeruzalem zal komen te verkeren. Op die noodtoestand wijst hij door dit “voor hun ogen” te doen. De HEERE verklaart de handeling die Hij Ezechiël voorschrijft (vers 1313En de HEERE zei: Zo zullen de Israëlieten hun brood onrein eten onder de heidenvolken waarheen Ik hen verdrijf.). Het is symbolisch voor de tijd dat de Joden in de verstrooiing zijn, zowel in Babel als in de tijd na het jaar 70. Zij zullen zich onder de volken bevinden en vaak gedwongen worden voedsel te eten dat volgens de wet onrein is (Hs 9:3-43Zij zullen niet blijven in het land van de HEERE:
Efraïm keert terug naar Egypte,
in Assyrië zullen zij eten wat onrein is.4Zij zullen voor de HEERE geen wijn plengen
en hun offers zullen Hem niet aangenaam zijn.
Ze zijn voor hen als brood voor rouwenden:
ieder die dat eet, wordt onrein.
Want hun brood dient voor henzelf,
het mag niet in het huis van de HEERE komen.
)
.

Als trouwe Jood schrikt Ezechiël ervoor terug zijn brood op deze wijze te bereiden en te eten en maakt hierover zijn bezwaar bij de HEERE bekend (vers 1414Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, zie, mijn ziel is nooit verontreinigd, omdat ik van mijn jeugd af tot nu toe geen kadaver of wat verscheurd is, gegeten heb. Er is geen onrein vlees in mijn mond gekomen.; vgl. Hd 10:1414Petrus echter zei: In geen geval, Heer, want nooit heb ik iets onheiligs of onreins gegeten.). Het gebruik van menselijke uitwerpselen als brandstof om op te koken wordt nergens uitdrukkelijk verboden. Toch is de afschuw die Ezechiël toont wel begrijpelijk als we weten wat God gezegd heeft over het behandelen van die uitwerpselen (Dt 23:13-1513U moet bij uw uitrusting ook een schepje hebben, en het moet [zó] zijn dat u daarmee [een gat] graaft wanneer u buiten [het kamp] gaat zitten. Daarna moet u zich omkeren en uw uitwerpselen bedekken.14Want de HEERE, uw God, wandelt binnen uw kamp om u te redden en uw vijanden aan u over te geven. Daarom moet uw kamp heilig zijn, zodat Hij niets schandelijks bij u ziet en Zich van u afkeert.15U mag een slaaf die bij zijn meester [wegloopt en] bij u redding zoekt, niet aan zijn meester uitleveren.). We moeten er ook bij bedenken dat God zojuist Zelf aan deze symbolische handeling de verklaring heeft verbonden dat de Israëlieten hun brood “onrein eten” onder de heidenvolken.

Ezechiël wijst God erop hoe hij zich altijd aan de wet heeft gehouden, al vanaf zijn jeugd. Nooit heeft hij iets gegeten wat verboden was om te eten (Lv 11:3939En wanneer [een] van de dieren die u tot voedsel dienen, doodgaat, is hij die zijn kadaver aanraakt, onrein tot de avond.; Ex 22:3131U moet voor Mij geheiligde mensen zijn. Daarom mag u geen vlees eten [van een dier] dat op het veld verscheurd is. U moet dit voor de honden werpen.). Hij heeft nooit onrein vlees gegeten. Zoals een priester betaamt, heeft hij zich altijd streng aan de spijswetten gehouden. Het is zijn vurig verlangen dit ook in het land van ballingschap te blijven doen (vgl. Dn 1:88Daniël nu nam zich in zijn hart voor om zich niet te verontreinigen met de gerechten van de koning of met de wijn die hij dronk. Daarom verzocht hij het hoofd van de hovelingen of hij zich niet zou hoeven te verontreinigen.).

God houdt rekening met het geweten van Zijn dienaar. Hij staat hem toe in plaats van menselijke uitwerpselen “rundermest” te gebruiken om daarop zijn brood te bereiden (vers 1515Daarop zei Hij tegen mij: Zie, Ik geef u rundermest in plaats van menselijke uitwerpselen. Bereid daarop uw brood.). Hij heft Zijn opdracht niet op, maar maakt het Ezechiël gemakkelijker Hem te gehoorzamen.

God weet dat wij tijd nodig hebben om onze zienswijze aan te passen aan Zijn zienswijze. Deze Goddelijke fijngevoeligheid is een voorbeeld voor ons in onze omgang met medegelovigen die soms moeite hebben met dingen waarin wij vrij zijn voor de Heer (Rm 14:1-41Wat nu de zwakke in het geloof betreft, neemt hem aan; niet om te beslissen over twijfelachtige vragen.2De een gelooft alles te mogen eten, maar wie zwak is, eet [alleen] groenten.3Laat hij die eet, niet hem minachten die niet eet; en laat hij die eet, niet hem oordelen die eet, want God heeft hem aangenomen.4Wie bent u, dat u andermans huisknecht oordeelt? [Of] hij staat of valt, [gaat] zijn eigen heer [aan]. En hij zal staande gehouden worden, want de Heer is machtig hem staande te houden.; 15:1-41Maar wij die sterk zijn, behoren de zwakheden van de niet-sterken te dragen en niet onszelf te behagen.2Laat ieder van ons de naaste behagen ten goede, tot opbouwing.3Want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar zoals geschreven staat: ‘De smaadheden van hen die U smaden, zijn op Mij gevallen’.4Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat wij door de volharding en door de vertroosting van de Schriften de hoop hebben.).

God verklaart de handelingen die Ezechiël moet verrichten (verzen 16-1716Hij zei tegen mij: Mensenkind, zie, Ik laat het in Jeruzalem aan brood ontbreken. In afgewogen hoeveelheid en vol bezorgdheid zullen zij brood eten, en met een afgemeten hoeveelheid en met ontzetting zullen zij water drinken,17omdat zij aan brood en water gebrek hebben. De een zal met de ander ontzet zijn, zij zullen in hun ongerechtigheid wegkwijnen.). Hij spreekt hem weer aan met “mensenkind”. Wat Ezechiël moet uitbeelden, is het gebrek aan voldoende brood in Jeruzalem tijdens de belegering. Ook het water zal schaars zijn. De maaltijden die anders vreugdevolle aangelegenheden zijn, zullen droevig en smartelijk worden. Ontzetting zal heersen omdat de maaltijden in het teken van ontbering en gebrek staan. “Zij zullen in hun ongerechtigheid wegkwijnen”, wat betekent dat ze hun ontbering en gebrek en ontzetting door hun eigen gedrag over zich hebben gehaald en dat ze ten slotte van honger zullen sterven.


Lees verder