Ezechiël
Inleiding 1-7 De indringers verdreven 8-15 Israël draagt vrucht en wordt bevolkt 16-21 Geduld ter wille van Zijn Naam 22-32 Een nieuw hart en een nieuwe geest 33-38 Het enige doel: de glorie van de HEERE
Inleiding

Ezechiël vervolgt zijn bemoedigende boodschappen. Hij heeft tot nu toe hoop voor de toekomst uitgesproken in termen van een nieuw leiderschap voor het volk (Ezechiël 34) en het oordeel over hun vijanden (Ezechiël 35). Nu gaat hij spreken over het herstel van Israël in het land (Ezechiël 36).


De indringers verdreven

1En u, mensenkind, profeteer tegen de bergen van Israël, en zeg: Bergen van Israël, hoor het woord van de HEERE! 2Zo zegt de Heere HEERE: Omdat de vijand over u gezegd heeft: Haha! Zelfs de eeuwige hoogten zijn ons tot erfelijk bezit geworden, 3profeteer daarom, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Daarom, omdat men u van rondom verwoest en opgeslokt heeft, zodat u een erfelijk bezit werd voor het overblijfsel van de heidenvolken, u over de tong ging en er kwaad gerucht bij het volk was 4– luister daarom, bergen van Israël, naar het woord van de Heere HEERE. Zo zegt de Heere HEERE tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de [water]stromen en tegen de dalen, tegen de verwoeste puinhopen en tegen de verlaten steden, die tot buit en tot een voorwerp van spot geworden zijn voor het overblijfsel van de heidenvolken die rondom [u] zijn – 5daarom, zo zegt de Heere HEERE: Voorwaar, in het vuur van Mijn na-ijver heb Ik gesproken tot het overblijfsel van de heidenvolken en tot heel Edom, die zichzelf Mijn land tot erfelijk bezit hebben gegeven met de blijdschap van heel [hun] hart, met leedvermaak, zodat zijn weidegrond tot buit zou zijn. 6Profeteer daarom over het land van Israël, en zeg tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de [water]stromen en tegen de dalen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, in Mijn na-ijver en in Mijn grimmigheid heb Ik gesproken, omdat u de smaad van de heidenvolken gedragen hebt. 7Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ík heb gezworen: Voorwaar, de heidenvolken die rondom u zijn, zullen zelf hun schande dragen!

Ezechiël moet tegen “de bergen van Israël” profeteren (vers 11En u, mensenkind, profeteer tegen de bergen van Israël, en zeg: Bergen van Israël, hoor het woord van de HEERE!). Hij heeft al eens eerder die opdracht gekregen, maar dan om het oordeel te verkondigen (Ezechiël 6). De HEERE zegt nu tegen het land dat het weer bezaaid zal zijn met mensen (verzen 10-11,37-3810Ik zal [de] mensen op u talrijk maken, heel het huis van Israël, in zijn geheel. De steden zullen bewoond en de puinhopen zullen herbouwd worden.11Ik zal mens en dier op u talrijk maken, zij zullen talrijk worden en vruchtbaar zijn. Ik zal u doen bewonen als in uw vroegere tijden, ja, Ik zal u meer goeddoen dan in uw begin. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.37Zo zegt de Heere HEERE: Opnieuw zal Ik hierom door het huis van Israël gevraagd worden om dit voor hen te doen. Ik zal hen [even] talrijk aan mensen maken als aan schapen.38Als [met] de geheiligde schapen, als [met] de schapen van Jeruzalem op hun vaste feestdagen, zo vol zullen de verwoeste steden worden met kudden mensen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). Deze profetie staat tegenover de profetie over het gebergte van Seïr, dat is Edom, waarvoor geen toekomst is (Ezechiël 35).

Israël wordt opgeroepen het woord van de HEERE te horen. De aanleiding voor de profetie is wat de vijand over Israël heeft gezegd (vers 22Zo zegt de Heere HEERE: Omdat de vijand over u gezegd heeft: Haha! Zelfs de eeuwige hoogten zijn ons tot erfelijk bezit geworden,). De vijand naar wie wordt verwezen, bestaat uit de heidenvolken die het land hebben ingenomen, zoals Ammon en Tyrus (vers 33profeteer daarom, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Daarom, omdat men u van rondom verwoest en opgeslokt heeft, zodat u een erfelijk bezit werd voor het overblijfsel van de heidenvolken, u over de tong ging en er kwaad gerucht bij het volk was; vgl. Ez 25:33Zeg tegen de Ammonieten: Luister naar het woord van de Heere HEERE: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat u ‘Haha!’ gezegd hebt over Mijn heiligdom, toen het ontheiligd werd, en over het land van Israël, toen het verwoest werd, en over het huis van Juda, toen zij in ballingschap gingen,; 26:22Mensenkind, omdat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Haha! Ze is verbroken, de poort van de volken! Haar [macht] is op mij overgegaan. Ik zal vol worden, [de stad] is verwoest,), waarbij Edom apart wordt genoemd (vers 55daarom, zo zegt de Heere HEERE: Voorwaar, in het vuur van Mijn na-ijver heb Ik gesproken tot het overblijfsel van de heidenvolken en tot heel Edom, die zichzelf Mijn land tot erfelijk bezit hebben gegeven met de blijdschap van heel [hun] hart, met leedvermaak, zodat zijn weidegrond tot buit zou zijn.; vgl. Ez 35:1010Omdat u zegt: Die beide volken en die beide landen zullen mij toebehoren, wij zullen ze in bezit nemen, al zou de HEERE daar zijn,; 25:1212Zo zegt de Heere HEERE: Omdat Edom uit enkel wraakzucht gehandeld heeft tegen het huis van Juda en zij een zware schuld op zich hebben geladen door zich op hen te wreken,).

De vijand meent in zijn hoogmoed Israël in bezit te kunnen nemen. Hij spreekt erover dat “de eeuwige hoogten” (vgl. Gn 49:2626De zegeningen van je vader
gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven,
tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels.
Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.
; Dt 32:1313Hij liet hem rijden op de hoogten van de aarde,
en hij at de opbrengsten van het veld.
Hij liet hem honing zuigen uit de rots,
en olie uit hard gesteente;
)
zijn erfelijk bezit zijn geworden. “De eeuwige hoogten” is een mooie omschrijving voor Israël, dat door God tot Zijn eeuwig bezit is uitgekozen. De vijand meent dat hij Israël in bezit kan nemen omdat het volk verstrooid is en daardoor geen recht op het beloofde land meer lijkt te hebben (vers 33profeteer daarom, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Daarom, omdat men u van rondom verwoest en opgeslokt heeft, zodat u een erfelijk bezit werd voor het overblijfsel van de heidenvolken, u over de tong ging en er kwaad gerucht bij het volk was). De vijand heeft geen oog en geen hart voor Gods beloften voor Zijn volk.

De heidenvolken gebruiken grote woorden over Gods land en spreken er kwaad van (vgl. Nm 13:3232En zij lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, [bestaat uit] mannen van grote lengte.). Het is de retoriek van mensen die zichzelf op de borst kloppen vanwege hun eigen gerechtigheid, terwijl ze het volk dat ze willen aanvallen als boos afschilderen. Ze motiveren zichzelf ermee om het land in bezit te gaan nemen. In hun hoogmoedige gedachten hebben ze zichzelf het land al gegeven. Maar God kent hun dwaze aanmatiging. Voor Hem zijn hun woorden niet meer dan hol gezwets.

Hij zegt tegen de bergen van Israël dat Hij weet hoe de heidenvolken over het land denken (verzen 4-54– luister daarom, bergen van Israël, naar het woord van de Heere HEERE. Zo zegt de Heere HEERE tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de [water]stromen en tegen de dalen, tegen de verwoeste puinhopen en tegen de verlaten steden, die tot buit en tot een voorwerp van spot geworden zijn voor het overblijfsel van de heidenvolken die rondom [u] zijn –5daarom, zo zegt de Heere HEERE: Voorwaar, in het vuur van Mijn na-ijver heb Ik gesproken tot het overblijfsel van de heidenvolken en tot heel Edom, die zichzelf Mijn land tot erfelijk bezit hebben gegeven met de blijdschap van heel [hun] hart, met leedvermaak, zodat zijn weidegrond tot buit zou zijn.). Van alle heidenvolken bij wie Gods land over de tong gaat, wordt alleen Edom of Ezau met naam genoemd. Hij is de aanvoerder. De heidenvolken hebben zichzelf het land van de HEERE – Hij noemt het in vers 55daarom, zo zegt de Heere HEERE: Voorwaar, in het vuur van Mijn na-ijver heb Ik gesproken tot het overblijfsel van de heidenvolken en tot heel Edom, die zichzelf Mijn land tot erfelijk bezit hebben gegeven met de blijdschap van heel [hun] hart, met leedvermaak, zodat zijn weidegrond tot buit zou zijn. “Mijn land” (Lv 25:2323Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.) – toegeëigend. Wat hebben ze er een plezier over. Met heel hun hart verheugen ze zich over deze annexatie. Ze zien hun kudden al op de weidegrond van Israël grazen.

Zo denken en spreken alleen dwazen, mensen die geen rekening met God houden. God richt Zich in Zijn antwoord niet tot hen, maar tot Zijn land. De opstelling van de volken is voor Hem de aanleiding een profetie over Zijn land in de hele uitgestrektheid ervan uit te spreken (vers 66Profeteer daarom over het land van Israël, en zeg tegen de bergen en tegen de heuvels, tegen de [water]stromen en tegen de dalen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, in Mijn na-ijver en in Mijn grimmigheid heb Ik gesproken, omdat u de smaad van de heidenvolken gedragen hebt.). Hij is verbolgen over de smaad die de heidenvolken Zijn land hebben aangedaan en die Zijn land heeft gedragen (vgl. Zc 1:13-1613De HEERE antwoordde de Engel Die met mij sprak [met] goede woorden, troostrijke woorden.14De Engel Die met mij sprak, zei tegen mij: Predik: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Met grote na-ijver zet Ik Mij in
voor Jeruzalem en voor Sion.15Maar Ik ben zeer toornig
op die zorgeloze heidenvolken.
Ík was een weinig toornig,
maar zíj hebben geholpen het erger te maken.16Daarom, zo zegt de HEERE:
Ik ben naar Jeruzalem teruggekeerd met barmhartigheid;
Mijn huis zal erin herbouwd worden,
spreekt de HEERE van de legermachten,
en het meetlint zal over Jeruzalem uitgespannen worden.
)
. Daarom, zo zegt Hij tot Zijn land, zullen die heidenvolken zelf hun schande dragen (vers 77Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ík heb gezworen: Voorwaar, de heidenvolken die rondom u zijn, zullen zelf hun schande dragen!).


Israël draagt vrucht en wordt bevolkt

8En u, bergen van Israël, u zult uw takken [weer] voortbrengen en uw vruchten voor Mijn volk Israël dragen, want zij komen naderbij. 9Want zie, Ik [kom] naar u toe, Ik zal Mij naar u toewenden, en u zult bewerkt en bezaaid worden. 10Ik zal [de] mensen op u talrijk maken, heel het huis van Israël, in zijn geheel. De steden zullen bewoond en de puinhopen zullen herbouwd worden. 11Ik zal mens en dier op u talrijk maken, zij zullen talrijk worden en vruchtbaar zijn. Ik zal u doen bewonen als in uw vroegere tijden, ja, Ik zal u meer goeddoen dan in uw begin. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben. 12Ik zal mensen over u doen lopen, [namelijk] Mijn volk Israël. Zij zullen u in bezit nemen, u zult voor hen tot erfelijk bezit zijn en u zult hen voortaan niet meer van kinderen beroven. 13Zo zegt de Heere HEERE: Omdat zij tegen u zeggen: U bent een mensenverslinder, en u bent [een land] dat uw volken van kinderen berooft, 14daarom zult u geen mens meer verslinden en uw volken niet meer van kinderen beroven, spreekt de Heere HEERE. 15Ik zal de smaad van de heidenvolken over u niet meer doen horen en u zult de schande van de volken niet langer dragen. U zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.

In tegenstelling tot de heidenvolken (vers 77Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ík heb gezworen: Voorwaar, de heidenvolken die rondom u zijn, zullen zelf hun schande dragen!) zal Zijn land geen schande meer dragen, maar het zal vruchten dragen (vers 88En u, bergen van Israël, u zult uw takken [weer] voortbrengen en uw vruchten voor Mijn volk Israël dragen, want zij komen naderbij.). Het land zal vruchten dragen voor het volk Israël, want de tijd voor de terugkeer van het volk is nabij, dat wil zeggen in de ogen van de HEERE, want voor Hem is de toekomst heden (vgl. 2Pt 3:88Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat één dag bij [de] Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.). Om de zegen te bewerken zal Hij Zelf naar het land toe komen en Zich weer tot het land wenden. Het land zal bewerkt en bezaaid worden (vers 99Want zie, Ik [kom] naar u toe, Ik zal Mij naar u toewenden, en u zult bewerkt en bezaaid worden.). Dat is een prachtige verwijzing naar de komst van de Messias naar Zijn volk waarbij ook het land zal delen in Zijn glorie.

Er zullen weer mensen in het land zijn, die samen het huis van Israël zullen vormen (vers 1010Ik zal [de] mensen op u talrijk maken, heel het huis van Israël, in zijn geheel. De steden zullen bewoond en de puinhopen zullen herbouwd worden.). Het is één geheel, zonder dat er iets aan ontbreekt. De steden zullen weer bewoond en de puinhopen herbouwd worden (vlg. Js 58:1212En wie uit u [voortkomen], zullen de verwoeste [plaatsen] van weleer herbouwen;
de fundamenten, van generatie op generatie [verwoest], zult u herstellen.
En u zult genoemd worden: hij die bressen dichtmaakt,
hij die paden herstelt, opdat men er [weer kan] wonen.
; 61:44Zij zullen verwoeste [plaatsen] van weleer herbouwen,
de woeste [plaatsen] van vroeger weer oprichten,
de verwoeste steden vernieuwen,
die verwoest lagen, van generatie op generatie.
; Am 9:11,1411Op die dag zal Ik oprichten
de vervallen hut van David.
Zijn scheuren zal Ik dichtmaken,
en wat aan hem is afgebroken, zal Ik oprichten,
Ik zal hem opbouwen als [in] de dagen van oude tijden af;14Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van Mijn volk Israël.
Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen,
zij zullen wijngaarden planten en de wijn ervan drinken,
zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten.
)
. Mens en dier zullen talrijk zijn en in aantal toenemen (vers 1111Ik zal mens en dier op u talrijk maken, zij zullen talrijk worden en vruchtbaar zijn. Ik zal u doen bewonen als in uw vroegere tijden, ja, Ik zal u meer goeddoen dan in uw begin. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.). De vroegere tijden zullen herleven en door de goedheid van God zelfs overtroffen worden. Dan zullen de bergen weten dat Hij de HEERE is. Zijn volk zal over het land lopen en het in bezit nemen om het nooit meer kwijt te raken (vers 1212Ik zal mensen over u doen lopen, [namelijk] Mijn volk Israël. Zij zullen u in bezit nemen, u zult voor hen tot erfelijk bezit zijn en u zult hen voortaan niet meer van kinderen beroven.). Deze situatie zal door de Messias bewerkt en in stand gehouden worden in het vrederijk.

De HEERE zal alles wat ten kwade van Zijn land is gezegd, ten goede doen keren (vers 1313Zo zegt de Heere HEERE: Omdat zij tegen u zeggen: U bent een mensenverslinder, en u bent [een land] dat uw volken van kinderen berooft,). Zijn land is beschuldigd van het verslinden van de eigen mensen (vgl. Nm 13:3232En zij lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, [bestaat uit] mannen van grote lengte.) en dat het de eigen volken, dat zijn de stammen van Israël, van hun kinderen heeft beroofd. Dat is te wijten aan hun ontrouw (Lv 18:24-25,2824U mag uzelf niet verontreinigen met al die dingen, want de heidenvolken die Ik vóór u uit ga verdrijven, hebben zich met al die dingen verontreinigd,25zodat het land onrein geworden is. Ik zal het zijn ongerechtigheid vergelden, zodat het land zijn bewoners zal uitspuwen.28Laat het land u niet uitspuwen, omdat u het verontreinigt, zoals het het heidenvolk dat er vóór u was, uitgespuwd heeft.). Hun kinderen zijn massaal in de oorlogen omgekomen, maar ook wel door hun ouders aan de afgoden geofferd. Dat zal niet meer zo zijn, zegt de HEERE (vers 1414daarom zult u geen mens meer verslinden en uw volken niet meer van kinderen beroven, spreekt de Heere HEERE.). Hij zal de heidenvolken elke aanleiding ontnemen om ooit nog een woord van smaad over het land te uiten (vers 1515Ik zal de smaad van de heidenvolken over u niet meer doen horen en u zult de schande van de volken niet langer dragen. U zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.). Hoe Hij dat doet, zegt Hij in het volgende gedeelte.


Geduld ter wille van Zijn Naam

16Het woord van de HEERE kwam tot mij: 17Mensenkind, toen het huis van Israël in hun land woonde, toen verontreinigden zij dat met hun weg en met hun daden. Hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid van een afgezonderde [vrouw]. 18Toen stortte Ik Mijn grimmigheid over hen uit omwille van het bloed dat zij in het land vergoten hadden, en vanwege hun stinkgoden [waarmee] zij het verontreinigd hadden. 19Ik verstrooide hen onder de heidenvolken en zij werden verspreid over de landen. Ik heb hen geoordeeld overeenkomstig hun weg en overeenkomstig hun daden. 20Toen zij aankwamen bij de heidenvolken waarheen zij gegaan waren, ontheiligden zij Mijn heilige Naam, omdat men van hen zei: Deze [mensen] zijn het volk van de HEERE en [toch] zijn zij uit Zijn land vertrokken. 21Maar Ik spaarde [hen] vanwege Mijn heilige Naam. Het huis van Israël had die ontheiligd onder de heidenvolken waarheen zij gegaan waren.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 1616Het woord van de HEERE kwam tot mij:). De HEERE herinnert hem aan de tijd dat Israël in hun land heeft gewoond en wat zij toen hebben gedaan (vers 1717Mensenkind, toen het huis van Israël in hun land woonde, toen verontreinigden zij dat met hun weg en met hun daden. Hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid van een afgezonderde [vrouw].). Hun weg die zij zijn gegaan en hun daden die zij hebben verricht, staan Hem duidelijk voor ogen. Ze hebben zich verontreinigd, waardoor Hij hen heeft moeten behandelen als een vrouw die vanwege haar onreinheid een afgezonderde is. Dat betekent dat Hij de omgang met dit volk heeft moeten verbreken (Lv 15:19-2719Wanneer een vrouw vloeit en de vloeiing in haar lichaam bestaat uit bloed, dan moet zij zeven dagen in haar afzondering zijn. En ieder die haar aanraakt, is onrein tot de avond.20Alles waarop zij in haar afzondering gelegen heeft, is onrein, en alles waarop zij gezeten heeft, is onrein.21Ieder die haar bed aanraakt, moet zijn kleren wassen en zich met water wassen; en hij is onrein tot de avond.22Ook moet ieder die enig voorwerp aanraakt waarop zij gezeten heeft, zijn kleren wassen en zich met water wassen; en hij is onrein tot de avond.23Als hij zelfs iets aanraakt dat zich op het bed bevindt of op het voorwerp waarop zij gezeten heeft, is hij onrein tot de avond.24Als een man metterdaad met haar geslapen heeft, komt haar afzondering [ook] op hem. Hij is dan zeven dagen onrein, en [ook] is elk bed waarop hij gelegen heeft onrein.25Wanneer een vrouw vele dagen buiten de tijd van haar afzondering een bloedvloeiing heeft, of wanneer zij langer vloeit dan de [tijd van] haar afzondering, dan is zij al de tijd dat zij vloeit onrein, net zo als de dagen van haar afzondering.26Elk bed waarop zij ligt in de dagen dat zij vloeit, is voor haar als het bed van haar afzondering; en elk voorwerp waarop zij gezeten heeft, is onrein, zoals de onreinheid van haar afzondering.27En ieder die deze dingen aanraakt, is onrein. Hij moet dan zijn kleren wassen en zich met water wassen; en hij is onrein tot de avond.).

In plaats van het volk Zijn liefde te kunnen betonen heeft Hij Zijn grimmigheid over hen moeten uitstorten (vers 1818Toen stortte Ik Mijn grimmigheid over hen uit omwille van het bloed dat zij in het land vergoten hadden, en vanwege hun stinkgoden [waarmee] zij het verontreinigd hadden.). Daar hebben ze het dan ook zelf naar gemaakt door hun gewelddadigheden en door hun afgoderij. Daarom heeft Hij hen uit hun land verwijderd en in de verstrooiing gestuurd en hen verspreid over andere landen (vers 1919Ik verstrooide hen onder de heidenvolken en zij werden verspreid over de landen. Ik heb hen geoordeeld overeenkomstig hun weg en overeenkomstig hun daden.; Ez 20:2323Ik heb ook in de woestijn Mijn hand voor hen opgeheven om hen te verspreiden onder de heidenvolken en hen te verstrooien in de landen,; Lv 26:3333Ik zal u dan onder de heidenvolken verstrooien en Ik zal achter u een zwaard trekken. Uw land zal een woestenij worden en uw steden een puinhoop.). Het is het oordeel dat ze door hun weg en door hun daden hebben verdiend.

Onder de volken waarheen ze verstrooid en verspreid zijn, hebben ze zich niet beter gedragen dan in hun land (vers 2020Toen zij aankwamen bij de heidenvolken waarheen zij gegaan waren, ontheiligden zij Mijn heilige Naam, omdat men van hen zei: Deze [mensen] zijn het volk van de HEERE en [toch] zijn zij uit Zijn land vertrokken.). Ook daar ontheiligen ze de heilige Naam van de HEERE (Rm 2:2424Want om u wordt de Naam van God onder de volken gelasterd, zoals geschreven staat.; Js 52:55En nu, wat staat Mij hier [te doen]? spreekt de HEERE. Want Mijn volk is voor niets weggevoerd, zijn overheersers doen [het] weeklagen, spreekt de HEERE, en voortdurend, heel de dag, wordt Mijn Naam gelasterd.). Uit de ballingschap en de verstrooiing trekken de heidenen de conclusie, dat God trouweloos met Zijn volk heeft gehandeld en niet bij machte is geweest Zijn volk te beschermen. Zo smaden zij de Naam van de HEERE. Maar de oorzaak ligt bij Israël, dat zich zo van de HEERE heeft afgewend, dat Hij wel zo met hen heeft moeten handelen.

De HEERE zal echter Zelf voor de heiligheid van Zijn Naam tegenover de heidenen zorgen (vers 2121Maar Ik spaarde [hen] vanwege Mijn heilige Naam. Het huis van Israël had die ontheiligd onder de heidenvolken waarheen zij gegaan waren.). Daarom zal Hij Zijn volk, hoe schuldig het ook is, niet aan de verdelging prijsgeven. Dat zal namelijk nieuwe en grotere laster van de heidenen tot gevolg hebben. Hij zal echter alle grond voor smaad wegnemen door Zijn volk, dat wil zeggen een overblijfsel, genadig te zijn door het te sparen en het te verlossen.


Een nieuw hart en een nieuwe geest

22Zeg daarom tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe [het] niet om u, huis van Israël, maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenvolken waarheen u gegaan bent. 23Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenvolken ontheiligd is, die u in hun midden ontheiligd hebt. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik in u voor hun ogen geheiligd word. 24Ik zal u uit de heidenvolken halen en u uit alle landen bijeenbrengen. Dan zal Ik u naar uw land brengen. 25Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen. 26Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven. 27Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en [dat] u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt. 28U zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, u zult een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor u zijn. 29Ik zal u verlossen van al uw onreinheden. Ik zal roepen tegen het koren en Ik zal het veel doen worden: Ik zal u geen hongersnood opleggen. 30Ik zal de vrucht van de bomen en de opbrengst van het veld vermeerderen, zodat u onder de heidenvolken de smaad van de hongersnood niet meer ontvangt. 31U zult zich uw slechte wegen en uw daden die niet goed waren, herinneren. U zult walgen van uzelf om uw ongerechtigheden en om uw gruweldaden. 32Ik doe het niet omwille van u, spreekt de Heere HEERE, laat dat u bekend zijn. Schaam u en word te schande vanwege uw wegen, huis van Israël.

Ezechiël moet tegen Israël zeggen dat ze niet moeten denken dat ze hun verlossing en terugkeer in hun land aan zichzelf te danken hebben (vers 2222Zeg daarom tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe [het] niet om u, huis van Israël, maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenvolken waarheen u gegaan bent.). De HEERE doet het uitsluitend om Zijn eigen heilige Naam. Nooit ligt de ontferming van God over de mens aan de mens, maar Gods ontferming vindt altijd haar oorsprong in Hem Zelf ondanks de mens. Als de HEERE Zijn grote Naam heiligt, is dat om de heidenvolken te laten weten dat Hij en Hij alleen de HEERE is.

Om dat te bewerken heiligt Hij Zichzelf in Zijn volk (vers 2323Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenvolken ontheiligd is, die u in hun midden ontheiligd hebt. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik in u voor hun ogen geheiligd word.). Hij heiligt in hen Zijn Naam voor de heidenvolken door hen terug te brengen in hun land, waardoor Hij schittert als de God van waarheid en trouw. De heidenvolken zullen onder de indruk komen van Zijn grootheid, doordat Hij Zich aan Zijn volk openbaart als de Heilige, Die tegelijk Zijn recht handhaaft en Zijn genade laat zegevieren.

Hij zal Zelf het initiatief nemen en Zijn volk uit alle landen bijeenbrengen en naar hun land brengen (vers 2424Ik zal u uit de heidenvolken halen en u uit alle landen bijeenbrengen. Dan zal Ik u naar uw land brengen.). Het teruggekeerde volk zal een geweldige geestelijke vernieuwing beleven (vers 2525Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.). De HEERE zal Zelf rein water op hen sprenkelen, waardoor ze rein worden, gereinigd van al hun onreinheden en gruwelen. Water is een beeld van Gods Woord en van Gods Geest (Ef 5:2626opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,; Jh 7:38-3938Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.). Gods Woord maakt hen onder de werking van Gods Geest bekend met al hun zonden, zodat ze die zullen belijden.

Belijdenis reinigt en schept ruimte voor God om hun “een nieuw hart” te geven en hun “een nieuwe geest” in hun binnenste te geven (vers 2626Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.). Hij zal hun stenen hart verwijderen en hun een vlezen hart geven. Een stenen hart spreekt van verdorven ongevoeligheid voor de HEERE. Het hart is zo hard als steen (vgl. 1Sm 25:3737‘s Morgens, toen de wijn uit Nabal gegaan was, gebeurde het dat zijn vrouw hem [deze] dingen vertelde. Toen bestierf hem het hart in zijn binnenste en hij werd als een steen.). Een vlezen hart spreekt van ontvankelijkheid voor het Woord van God.

In hun vlezen hart zal God Zijn Geest geven (vers 2727Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en [dat] u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.). Ze krijgen niet alleen een nieuwe geest in de zin van een nieuw innerlijk, maar God geeft hun Zijn Geest. Hun vlezen hart zal openstaan voor Gods Woord. Ze zullen daardoor in de verordeningen van de HEERE wandelen en zich gehoorzaam aan Zijn bepalingen houden door ze in acht te nemen.

Als alles innerlijk in overeenstemming is met de wil van God, zullen ze ook de rijke zegen van het wonen in het land kunnen genieten. De grootste zegen is wel dat zij voor Hem tot een volk zullen zijn en dat Hij voor hen tot een God zal zijn (vers 2828U zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, u zult een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor u zijn.).

De Heer Jezus verwijst in Zijn gesprek met Nicodémus over de nieuwe geboorte naar deze verzen (verzen 25-2825Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.26Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.27Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en [dat] u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.28U zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, u zult een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor u zijn.; Jh 3:5-65Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan.6Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest.). Hij verbaast Zich erover dat Nicodémus Hem niet begrijpt, daar Nicodémus toch uit dit gedeelte van het boek Ezechiël kan hebben geweten waarover Hij spreekt. De nieuwe geboorte gebeurt door water en Geest. De nieuwe geboorte is volledig Gods werk door Zijn Woord en Zijn Geest. Alleen daardoor worden mensen uit God geboren en worden ze Zijn kinderen. Niemand kan er zelf iets aan doen om uit God geboren te worden. En als iemand eenmaal uit God geboren is, kan niemand daar ook maar iets aan veranderen.

De situatie die Ezechiël beschrijft, zal geen tijdelijke, maar een voortdurende en onveranderlijke situatie zijn. Dat komt omdat de HEERE hen heeft verlost van al hun onreinheden (vers 2929Ik zal u verlossen van al uw onreinheden. Ik zal roepen tegen het koren en Ik zal het veel doen worden: Ik zal u geen hongersnood opleggen.). Hij zal een overvloed aan zegen over de bomen en het veld voor hen oproepen in plaats van de vroegere hongersnood. Die hongersnood heeft Hij hun moeten opleggen vanwege hun voortdurend afwijken van Hem en zondigen tegen Hem. De overvloedige vrucht van de bomen en van het veld zal ook tot gevolg hebben dat zij onder de heidenvolken niet meer de smaad van de hongersnood ontvangen (vers 3030Ik zal de vrucht van de bomen en de opbrengst van het veld vermeerderen, zodat u onder de heidenvolken de smaad van de hongersnood niet meer ontvangt.).

De overvloedige zegen zal in schril contrast staan met de slechte wegen die ze zijn gegaan en met hun slechte daden (vers 3131U zult zich uw slechte wegen en uw daden die niet goed waren, herinneren. U zult walgen van uzelf om uw ongerechtigheden en om uw gruweldaden.). Het contrast zal hen tot walging van zichzelf brengen. Als wij goedheid van God ontvangen, kunnen we ook ervaren hoezeer we die goedheid onwaardig zijn. Dan dringt het opnieuw tot ons door dat de Heer Zijn goedheid niet aan ons schenkt om wie wij zijn, alsof we ook maar iets beter zijn dan anderen, maar dat Hij dat doet om Wie Hij Zelf is (vers 3232Ik doe het niet omwille van u, spreekt de Heere HEERE, laat dat u bekend zijn. Schaam u en word te schande vanwege uw wegen, huis van Israël.). Dan is er bij de dankbaarheid ook schaamte. Het bewustzijn dat wij de goedheid van de HEERE onwaardig zijn, is tevens een bewijs van waarachtige bekering.


Het enige doel: de glorie van de HEERE

33Zo zegt de Heere HEERE: Op de dag dat Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik de steden doen bewonen en zullen de puinhopen herbouwd worden. 34Het verwoeste land zal bewerkt worden, in plaats van een woestenij te zijn voor de ogen van ieder die erdoorheen trekt. 35Zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is als de hof van Eden geworden. De steden die verwoest lagen, verwoest en afgebroken, zijn versterkt [en] bewoond. 36Dan zullen de heidenvolken die om u heen overgebleven zijn, weten dat Ik, de HEERE, Zelf herbouw wat afgebroken is [en] beplant wat verwoest is. Ík, de HEERE, heb gesproken en Ik zal [het] doen. 37Zo zegt de Heere HEERE: Opnieuw zal Ik hierom door het huis van Israël gevraagd worden om dit voor hen te doen. Ik zal hen [even] talrijk aan mensen maken als aan schapen. 38Als [met] de geheiligde schapen, als [met] de schapen van Jeruzalem op hun vaste feestdagen, zo vol zullen de verwoeste steden worden met kudden mensen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

Op dezelfde dag dat het volk gereinigd is, zal de HEERE alle uitgestelde zegen aan het volk schenken (vers 3333Zo zegt de Heere HEERE: Op de dag dat Ik u reinig van al uw ongerechtigheden, zal Ik de steden doen bewonen en zullen de puinhopen herbouwd worden.). De steden zullen bewoond worden en de puinhopen herbouwd. Het verwoeste land zal bewerkt worden om voedsel en vruchten voort te brengen (vers 3434Het verwoeste land zal bewerkt worden, in plaats van een woestenij te zijn voor de ogen van ieder die erdoorheen trekt.). Het land zal ieder die erdoor trekt, doen denken aan “de hof van Eden”, het paradijs (vers 3535Zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is als de hof van Eden geworden. De steden die verwoest lagen, verwoest en afgebroken, zijn versterkt [en] bewoond.). De mensen die door het land trekken, zijn zij die eerst hebben gespot dat de HEERE Zijn volk niet heeft kunnen bewaren voor de ondergang (vgl. 1Kn 9:8-98En dit huis zal een ruïne worden. Ieder die er voorbijgaat, zal zich ontzetten, sissen [van afschuw] en zeggen: Waarom heeft de HEERE zo gedaan met dit land en met dit huis?9Dan zal men zeggen: Omdat zij de HEERE, hun God, hebben verlaten, Die hun vaderen uit het land Egypte had geleid. Zij klampten zich vast aan andere goden en gingen zich voor hen neerbuigen en hen dienen. Daarom heeft de HEERE al dit kwaad over hen gebracht.; Jr 18:1616zodat zij hun land tot een verschrikking maken,
tot een eeuwige aanfluiting.
Ieder die er voorbijtrekt, zal zich ontzetten
en met zijn hoofd schudden.
; Ez 5:1414Ik zal u tot een puinhoop maken en tot smaad onder de heidenvolken die rondom u zijn, voor de ogen van ieder die voorbijgaat.; 16:1515Maar u vertrouwde op uw schoonheid en bedreef hoererij, [trots] op uw naam. U hebt uw hoererijen uitgestort over ieder die voorbijtrok, [uw schoonheid] was voor hem!)
. Zo zal het zijn in het vrederijk, wanneer de Heer Jezus als Messias regeert. De omliggende volken die niet in de grote verdrukking zijn omgekomen, zullen weten dat Hij de HEERE is, omdat Hij heeft herbouwd wat is afgebroken en heeft beplant wat verwoest is (vers 3636Dan zullen de heidenvolken die om u heen overgebleven zijn, weten dat Ik, de HEERE, Zelf herbouw wat afgebroken is [en] beplant wat verwoest is. Ík, de HEERE, heb gesproken en Ik zal [het] doen.). Hij zal het doen, want Hij heeft het gesproken.

Israël is dan in volkomen harmonie met de HEERE. Ze zullen Hem dingen vragen die Hij graag verhoort (vers 3737Zo zegt de Heere HEERE: Opnieuw zal Ik hierom door het huis van Israël gevraagd worden om dit voor hen te doen. Ik zal hen [even] talrijk aan mensen maken als aan schapen.). Ze denken misschien dat ze maar met weinigen, een rest, een overblijfsel, overgebleven zijn. Daarom zullen ze Hem vragen het volk te vermeerderen. Dat zal Hij doen. Hij zal hen net zo talrijk aan mensen maken als er schapen zijn. Schapen zijn offerdieren. De vergelijking laat zien dat Zijn volk uit mensen zal bestaan die zichzelf aan Hem als een levende offerande toewijden (vgl. Rm 12:11Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, [dat is] uw redelijke dienst.).

Ze zullen als geheiligde schapen zijn die op vaste feestdagen aan de HEERE geofferd worden (vers 3838Als [met] de geheiligde schapen, als [met] de schapen van Jeruzalem op hun vaste feestdagen, zo vol zullen de verwoeste steden worden met kudden mensen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). Elke dag van hun leven zal voor hen als een vaste feestdag zijn, een dag van overgave en opoffering aan de HEERE. De eertijds verwoeste steden zullen vol worden met “kudden mensen” (vgl. Ez 34:3131En u, Mijn schapen, schapen van Mijn weide, u bent mens, [maar] Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.). Wat een vreugde zal dat voor de HEERE zijn. Hij zal daarvoor alle eer ontvangen, want Hij heeft het gedaan.


Lees verder