Ezechiël
Inleiding 1-12 De oordeelsdag over Egypte 13-19 Oordeel over de steden van Egypte 20-26 Het oordeel over de farao
Inleiding

Dit hoofdstuk heeft twee oordeelsaankondigingen: het oordeel over Egypte (verzen 1-191Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:
Weeklaag: Ach, die dag!
3Want nabij is de dag, ja, nabij is de dag van de HEERE.
Het is een dag van wolken;
de tijd van de heidenvolken zal komen!
4Het zwaard zal in Egypte komen,
pijnscheuten zullen Cusj bevangen,
als er dodelijk gewonden in Egypte vallen,
men zijn overvloed meeneemt
en zijn fundamenten afbreekt.
5Cusj, Put en Lud, en alle mensen van allerlei herkomst,
Kub en de zonen van het land van het verbond
zullen met hen door het zwaard vallen.
6Zo zegt de HEERE: Zij die Egypte ondersteunden, zullen vallen,
zijn sterke trots zal wegzinken.
Van Migdol [tot] Syene
zullen zij daar vallen door het zwaard,
spreekt de Heere HEERE.
7Zij zullen verwoest te midden van verwoeste landen liggen.
Zijn steden zullen te midden van verwoeste steden liggen.
8Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Egypte aan het vuur prijsgeef en al zijn helpers vermorzeld worden.9Op die dag zullen gezanten van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren om het onbezorgde Cusj schrik aan te jagen. Pijnscheuten zullen hen bevangen [als] op de dag van Egypte, want zie, het komt!10Zo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden door de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel.11Hij en zijn volk met hem, de gewelddadigste van de heidenvolken, [die] meegebracht zijn om het land te gronde te richten, zullen hun zwaarden tegen Egypte trekken en het land vullen met gesneuvelden.12Ik zal de rivieren droogleggen en het land overleveren in de hand van kwaaddoeners. Ik zal het land en al wat het bevat, verwoesten door de hand van vreemden. Ík, de HEERE, heb gesproken.13Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal de stinkgoden vernielen en de afgoden uit Nof wegdoen. Er zal geen vorst meer uit het land Egypte komen. Ik zal vrees in het land Egypte geven.
14Ik zal Pathros verwoesten,
Zoan aan het vuur prijsgeven
en strafgerichten voltrekken over No.
15Ik zal Mijn grimmigheid uitstorten over Sin, de vesting van Egypte.
Ik zal de menigte van No uitroeien.
16Egypte zal Ik aan het vuur prijsgeven:
Sin zal ineenkrimpen [van pijn].
No zal opengescheurd worden
en Nof zal dagelijks in nood zijn.
17De jonge mannen van Aven en Pi-Beseth zullen door het zwaard vallen
en de [jonge vrouwen] zullen in gevangenschap gaan.
18En in Tachpanhes zal de dag ingehouden worden,
als Ik de jukken van Egypte daar breek
en zijn sterke trots er doe ophouden.
Een wolk zal hem bedekken,
en zijn dochters zullen in gevangenschap gaan.
19Zo zal Ik strafgerichten over Egypte voltrekken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.
)
en het oordeel over de farao (verzen 20-2620Het gebeurde in het elfde jaar, in de eerste [maand], op de zevende van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:21Mensenkind, Ik heb de arm van de farao, de koning van Egypte, gebroken. En zie, hij is niet verbonden door een verband aan te leggen om hem te verbinden, om genezing te brengen, om hem sterk genoeg te maken om het zwaard te hanteren.22Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál de farao, de koning van Egypte! Ik zal zijn [beide] armen breken, zowel die [nog] sterk is als die [al] gebroken is, en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen.23Ik zal de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen verstrooien over de landen.24Ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken en Ik zal Mijn zwaard in zijn hand geven, maar de armen van de farao zal Ik breken, zodat die voor zijn [ogen] kermen zal, zoals een dodelijk gewonde kermt.25Ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken, maar de armen van de farao zullen [slap] neervallen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel geef en hij het over het land Egypte uitstrekt.26Ik zal de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen verstrooien over de landen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). Het eerste gedeelte kan in tweeën worden gedeeld: de verzen 1-121Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:
Weeklaag: Ach, die dag!
3Want nabij is de dag, ja, nabij is de dag van de HEERE.
Het is een dag van wolken;
de tijd van de heidenvolken zal komen!
4Het zwaard zal in Egypte komen,
pijnscheuten zullen Cusj bevangen,
als er dodelijk gewonden in Egypte vallen,
men zijn overvloed meeneemt
en zijn fundamenten afbreekt.
5Cusj, Put en Lud, en alle mensen van allerlei herkomst,
Kub en de zonen van het land van het verbond
zullen met hen door het zwaard vallen.
6Zo zegt de HEERE: Zij die Egypte ondersteunden, zullen vallen,
zijn sterke trots zal wegzinken.
Van Migdol [tot] Syene
zullen zij daar vallen door het zwaard,
spreekt de Heere HEERE.
7Zij zullen verwoest te midden van verwoeste landen liggen.
Zijn steden zullen te midden van verwoeste steden liggen.
8Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Egypte aan het vuur prijsgeef en al zijn helpers vermorzeld worden.9Op die dag zullen gezanten van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren om het onbezorgde Cusj schrik aan te jagen. Pijnscheuten zullen hen bevangen [als] op de dag van Egypte, want zie, het komt!10Zo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden door de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel.11Hij en zijn volk met hem, de gewelddadigste van de heidenvolken, [die] meegebracht zijn om het land te gronde te richten, zullen hun zwaarden tegen Egypte trekken en het land vullen met gesneuvelden.12Ik zal de rivieren droogleggen en het land overleveren in de hand van kwaaddoeners. Ik zal het land en al wat het bevat, verwoesten door de hand van vreemden. Ík, de HEERE, heb gesproken.
gaan over de oordeelsdag voor heel Egypte; de verzen 13-1913Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal de stinkgoden vernielen en de afgoden uit Nof wegdoen. Er zal geen vorst meer uit het land Egypte komen. Ik zal vrees in het land Egypte geven.
14Ik zal Pathros verwoesten,
Zoan aan het vuur prijsgeven
en strafgerichten voltrekken over No.
15Ik zal Mijn grimmigheid uitstorten over Sin, de vesting van Egypte.
Ik zal de menigte van No uitroeien.
16Egypte zal Ik aan het vuur prijsgeven:
Sin zal ineenkrimpen [van pijn].
No zal opengescheurd worden
en Nof zal dagelijks in nood zijn.
17De jonge mannen van Aven en Pi-Beseth zullen door het zwaard vallen
en de [jonge vrouwen] zullen in gevangenschap gaan.
18En in Tachpanhes zal de dag ingehouden worden,
als Ik de jukken van Egypte daar breek
en zijn sterke trots er doe ophouden.
Een wolk zal hem bedekken,
en zijn dochters zullen in gevangenschap gaan.
19Zo zal Ik strafgerichten over Egypte voltrekken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.
gaan over het oordeel over de afzonderlijke steden van Egypte.


De oordeelsdag over Egypte

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:
Weeklaag: Ach, die dag!
3Want nabij is de dag, ja, nabij is de dag van de HEERE.
Het is een dag van wolken;
de tijd van de heidenvolken zal komen!
4Het zwaard zal in Egypte komen,
pijnscheuten zullen Cusj bevangen,
als er dodelijk gewonden in Egypte vallen,
men zijn overvloed meeneemt
en zijn fundamenten afbreekt.
5Cusj, Put en Lud, en alle mensen van allerlei herkomst,
Kub en de zonen van het land van het verbond
zullen met hen door het zwaard vallen.
6Zo zegt de HEERE: Zij die Egypte ondersteunden, zullen vallen,
zijn sterke trots zal wegzinken.
Van Migdol [tot] Syene
zullen zij daar vallen door het zwaard,
spreekt de Heere HEERE.
7Zij zullen verwoest te midden van verwoeste landen liggen.
Zijn steden zullen te midden van verwoeste steden liggen.
8Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Egypte aan het vuur prijsgeef en al zijn helpers vermorzeld worden. 9Op die dag zullen gezanten van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren om het onbezorgde Cusj schrik aan te jagen. Pijnscheuten zullen hen bevangen [als] op de dag van Egypte, want zie, het komt! 10Zo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden door de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel. 11Hij en zijn volk met hem, de gewelddadigste van de heidenvolken, [die] meegebracht zijn om het land te gronde te richten, zullen hun zwaarden tegen Egypte trekken en het land vullen met gesneuvelden. 12Ik zal de rivieren droogleggen en het land overleveren in de hand van kwaaddoeners. Ik zal het land en al wat het bevat, verwoesten door de hand van vreemden. Ík, de HEERE, heb gesproken.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij krijgt de opdracht te weeklagen over de oordeelsdag die namens de HEERE over Egypte komt (vers 22Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:
Weeklaag: Ach, die dag!
)
. Die oordeelsdag wordt “de dag van de HEERE” genoemd (vers 33Want nabij is de dag, ja, nabij is de dag van de HEERE.
Het is een dag van wolken;
de tijd van de heidenvolken zal komen!
)
en wordt als “nabij” gezien. Met deze uitdrukking wordt gewoonlijk de periode aangeduid die begint met het openlijk in handen nemen door de Heer Jezus van Zijn gezag en die uitmondt in het vrederijk. In engere zin ziet de dag van de HEERE op de eerste tijd van die periode, als Hij de wereld begint te oordelen, dat is na de opname van de gemeente en dan met name de tijd van de grote verdrukking.

Het oordeel over Egypte doet aan die dag denken en wijst ernaar vooruit. De donkere wolken duiden op zware onweersbuien en symboliseren de tijd van de aanstaande oordelen over de heidenvolken.

Het zwaard van de koning van Babel zal over Egypte komen wanneer de legers van Nebukadrezar Egypte binnenvallen (vers 44Het zwaard zal in Egypte komen,
pijnscheuten zullen Cusj bevangen,
als er dodelijk gewonden in Egypte vallen,
men zijn overvloed meeneemt
en zijn fundamenten afbreekt.
)
. Hij zal velen met het zwaard doden. De slachting zal zo hevig zijn, dat het zuidelijk van Egypte gelegen Cusj door pijnscheuten zal worden bevangen wanneer de boodschap hen bereikt. Nebukadrezar zal Egypte van zijn overvloed beroven en zijn fundamenten afbreken, waardoor wederopbouw van het land niet mogelijk is.

Nebukadrezar zal ook afrekenen met mensen uit allerlei landen die Egypte steunen (vers 55Cusj, Put en Lud, en alle mensen van allerlei herkomst,
Kub en de zonen van het land van het verbond
zullen met hen door het zwaard vallen.
)
. Waarschijnlijk kunnen we hierbij denken aan huursoldaten uit die landen die Egypte heeft ingehuurd om sterker te staan tegen de koning van Babel. Met “de zonen uit het land van het verbond” worden mogelijk de naar Egypte gevluchte Judeeërs bedoeld. Maar allen “die Egypte ondersteunden, zullen vallen” (vers 66Zo zegt de HEERE: Zij die Egypte ondersteunden, zullen vallen,
zijn sterke trots zal wegzinken.
Van Migdol [tot] Syene
zullen zij daar vallen door het zwaard,
spreekt de Heere HEERE.
)
. De trots van Egypte zal wegzinken en verdwijnen. Het land en de steden van Egypte zullen verwoest worden (vers 77Zij zullen verwoest te midden van verwoeste landen liggen.
Zijn steden zullen te midden van verwoeste steden liggen.
)
.

De HEERE zal Egypte aan het vuur van de verwoesting prijsgeven (vers 88Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Egypte aan het vuur prijsgeef en al zijn helpers vermorzeld worden.). Allen die Egypte helpen, zullen vermorzeld worden. Zo zullen ze weten dat Hij de HEERE is. Hij handelt met hen, waarbij Hij Nebukadrezar als Zijn werktuig gebruikt. De gevluchte Egyptenaren zullen als ware gezanten van de HEERE in schepen uitvaren naar buurlanden om te vertellen wat hun is overkomen van de HEERE (vers 99Op die dag zullen gezanten van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren om het onbezorgde Cusj schrik aan te jagen. Pijnscheuten zullen hen bevangen [als] op de dag van Egypte, want zie, het komt!). Het bericht van “de dag van Egypte”, dat is de dag dat het oordeel over Egypte komt (en die dag zal zeker komen!), zal schrik en verlammende pijnscheuten veroorzaken bij allen die ervan horen.

Het instrument dat de HEERE zal gebruiken om Egypte te oordelen, is Nebukadrezar, de koning van Babel (vers 1010Zo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden door de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel.). Die zal een einde maken aan de menigte van Egypte. De legers van Nebukadrezar bestaan uit de gewelddadigste mensen uit de door hem overwonnen heidenvolken (vers 1111Hij en zijn volk met hem, de gewelddadigste van de heidenvolken, [die] meegebracht zijn om het land te gronde te richten, zullen hun zwaarden tegen Egypte trekken en het land vullen met gesneuvelden.). De samenstelling van zijn leger staat garant voor een meedogenloze slachtpartij, waardoor het land te gronde wordt gericht en met gesneuvelden gevuld zal zijn.

Met “de … kwaaddoeners” en “de … vreemden” worden de Babyloniërs bedoeld (vers 1212Ik zal de rivieren droogleggen en het land overleveren in de hand van kwaaddoeners. Ik zal het land en al wat het bevat, verwoesten door de hand van vreemden. Ík, de HEERE, heb gesproken.). De HEERE gebruikt hun “hand” om verwoesting over Egypte te brengen. Zij zullen de rivieren, de Nijlarmen, droogleggen. Deze rivieren zorgen voor de vruchtbaarheid van het land. Als het water niet meer over het land kan worden gebracht, zal het verdorren en tot een woestijn worden. Zij zullen “het land en al wat het bevat, verwoesten”. Zo zal het gebeuren, want Hij, de HEERE, heeft het gesproken.


Oordeel over de steden van Egypte

13Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal de stinkgoden vernielen en de afgoden uit Nof wegdoen. Er zal geen vorst meer uit het land Egypte komen. Ik zal vrees in het land Egypte geven.
14Ik zal Pathros verwoesten,
Zoan aan het vuur prijsgeven
en strafgerichten voltrekken over No.
15Ik zal Mijn grimmigheid uitstorten over Sin, de vesting van Egypte.
Ik zal de menigte van No uitroeien.
16Egypte zal Ik aan het vuur prijsgeven:
Sin zal ineenkrimpen [van pijn].
No zal opengescheurd worden
en Nof zal dagelijks in nood zijn.
17De jonge mannen van Aven en Pi-Beseth zullen door het zwaard vallen
en de [jonge vrouwen] zullen in gevangenschap gaan.
18En in Tachpanhes zal de dag ingehouden worden,
als Ik de jukken van Egypte daar breek
en zijn sterke trots er doe ophouden.
Een wolk zal hem bedekken,
en zijn dochters zullen in gevangenschap gaan.
19Zo zal Ik strafgerichten over Egypte voltrekken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

Vanaf vers 1313Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal de stinkgoden vernielen en de afgoden uit Nof wegdoen. Er zal geen vorst meer uit het land Egypte komen. Ik zal vrees in het land Egypte geven.
gaat het over het oordeel over de steden van Egypte. Elke stad heeft zijn eigen goden en tempels. De HEERE laat zien dat geen enkele god in Egypte machtig genoeg is om het tegen Hem op te nemen. Hij laat ook zien dat Hij anders is dan de andere goden, omdat Jeruzalem is verwoest en Hij desondanks de macht heeft om Egypte te verwoesten.

Hij begint met een woord over de vernietiging van “de stinkgoden” en “de afgoden” (vers 1313Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal de stinkgoden vernielen en de afgoden uit Nof wegdoen. Er zal geen vorst meer uit het land Egypte komen. Ik zal vrees in het land Egypte geven.
)
. De Egyptenaren steunen op deze goden, zoals ook Gods volk dat heeft gedaan. De waardeloosheid van deze goden blijkt. De dwaasheid om erop te vertrouwen wordt aangetoond. Als de afgoden verdwenen zijn, zullen de Egyptenaren geen demonen meer raadplegen. Ook zal er geen menselijke leiding (“vorst”) meer zijn, want ook de vorsten zijn gedood. Die situatie zal vrees veroorzaken in Egypte, een vrees die God op dat volk zal leggen, wat Zijn verhevenheid boven dat volk nog meer nadruk geeft.

In de verzen 14-1814Ik zal Pathros verwoesten,
Zoan aan het vuur prijsgeven
en strafgerichten voltrekken over No.
15Ik zal Mijn grimmigheid uitstorten over Sin, de vesting van Egypte.
Ik zal de menigte van No uitroeien.
16Egypte zal Ik aan het vuur prijsgeven:
Sin zal ineenkrimpen [van pijn].
No zal opengescheurd worden
en Nof zal dagelijks in nood zijn.
17De jonge mannen van Aven en Pi-Beseth zullen door het zwaard vallen
en de [jonge vrouwen] zullen in gevangenschap gaan.
18En in Tachpanhes zal de dag ingehouden worden,
als Ik de jukken van Egypte daar breek
en zijn sterke trots er doe ophouden.
Een wolk zal hem bedekken,
en zijn dochters zullen in gevangenschap gaan.
worden diverse Egyptische steden genoemd die speciale voorwerpen van Gods oordeel zijn. God gebruikt een grote verscheidenheid aan woorden om uitdrukking te geven aan wat Hij zal doen en wat het zal veroorzaken. Er is in deze verzen sprake van:
1. verwoesten (vgl. Lv 26:3232Ik Zelf zal het land verwoesten, zodat uw vijanden die daarin zijn gaan wonen, zich erover zullen ontzetten.; Hs 2:1111Ik zal haar wijnstok en haar vijgenboom verwoesten,
waarvan zij zegt: Die vormen voor mij het hoerenloon
dat mijn minnaars mij gegeven hebben.
Maar Ik zal er een woud van maken
en de dieren van het veld zullen ervan vreten.
)
,
2. aan het vuur prijsgeven (Ez 30:14,1614Ik zal Pathros verwoesten,
Zoan aan het vuur prijsgeven
en strafgerichten voltrekken over No.
16Egypte zal Ik aan het vuur prijsgeven:
Sin zal ineenkrimpen [van pijn].
No zal opengescheurd worden
en Nof zal dagelijks in nood zijn.
)
,
3. strafgerichten voltrekken (Ez 30:14,1914Ik zal Pathros verwoesten,
Zoan aan het vuur prijsgeven
en strafgerichten voltrekken over No.
19Zo zal Ik strafgerichten over Egypte voltrekken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.
)
,
4. grimmigheid uitstorten (Ez 14:1919Of als Ik de pest in dat land zou zenden en Mijn grimmigheid erover bloedig uitstorten om daar mens en dier uit te roeien,; 30:1515Ik zal Mijn grimmigheid uitstorten over Sin, de vesting van Egypte.
Ik zal de menigte van No uitroeien.
)
,
5. uitroeien (Ez 14:13,1713Mensenkind, wanneer een land tegen Mij zondigt door trouwbreuk te plegen, dan zal Ik Mijn hand ertegen uitstrekken, het er aan brood laten ontbreken en hongersnood erin zenden, zodat Ik daar mens en dier uitroei.17Of [als] Ik het zwaard over dat land zou brengen en zeggen zou: Zwaard, u moet door het land heen trekken, zodat Ik daaruit mens en dier uitroei,; 21:33Zeg tegen het land van Israël: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zál u, Ik zal Mijn zwaard uit zijn schede trekken en van u de rechtvaardige en de goddeloze uitroeien.; 25:13,1613daarom, zo zegt de Heere HEERE, zal Ik Mijn hand tegen Edom uitstrekken. Ik zal mens en dier daaruit uitroeien en het [tot] een puinhoop maken, van Teman af. [Tot aan] Dedan [toe] zullen zij door het zwaard vallen.16daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Mijn hand uitstrekken tegen de Filistijnen en zal de Kretenzers uitroeien, en wie overblijft aan de zeekust ombrengen.; 29:88Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga een zwaard over u brengen en Ik zal mens en dier onder u uitroeien.; 30:1515Ik zal Mijn grimmigheid uitstorten over Sin, de vesting van Egypte.
Ik zal de menigte van No uitroeien.
; 35:77Ik zal het Seïrgebergte tot een verlaten woestenij maken en Ik zal eruit uitroeien wie erdoorheen trekt of wie er terugkeert.)
,
6. ineenkrimpen (Js 26:1717Zoals een zwangere vrouw die op het punt staat te baren,
ineenkrimpt [en] het uitschreeuwt in haar weeën,
zo waren wij voor Uw aangezicht, HEERE.
; Ez 30:1616Egypte zal Ik aan het vuur prijsgeven:
Sin zal ineenkrimpen [van pijn].
No zal opengescheurd worden
en Nof zal dagelijks in nood zijn.
)
,
7. opengescheurd worden,
8. dagelijks in nood zijn,
9. door het zwaard vallen (Ez 5:1212Een derde [deel] van u zal door de pest sterven en door de honger in uw midden omkomen, en om u heen zal een derde door het zwaard vallen, een derde zal Ik naar alle wind[streken] verstrooien en Ik zal achter hen het zwaard trekken.; 17:2121En allen die onder al zijn troepen gevlucht zijn, zullen door het zwaard vallen en de overgeblevenen zullen naar alle wind[streken] verspreid worden. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, gesproken heb.; 30:1717De jonge mannen van Aven en Pi-Beseth zullen door het zwaard vallen
en de [jonge vrouwen] zullen in gevangenschap gaan.
; 33:2727Dit moet u tegen hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE: [Zo waar] Ik leef, voorwaar, zij die zich in die puinhopen bevinden, zullen door het zwaard vallen, en wie op het open veld is, hem zal Ik aan de [wilde] dieren geven om hem op te [laten] eten, en zij die in de bergvestingen en in de grotten zijn, zullen door de pest sterven.)
,
10. in gevangenschap gaan (Ez 30:17-1817De jonge mannen van Aven en Pi-Beseth zullen door het zwaard vallen
en de [jonge vrouwen] zullen in gevangenschap gaan.
18En in Tachpanhes zal de dag ingehouden worden,
als Ik de jukken van Egypte daar breek
en zijn sterke trots er doe ophouden.
Een wolk zal hem bedekken,
en zijn dochters zullen in gevangenschap gaan.
)
.

“Sin”, dé vesting van Egypte (vers 1515Ik zal Mijn grimmigheid uitstorten over Sin, de vesting van Egypte.
Ik zal de menigte van No uitroeien.
)
, maakt geen indruk op Nebukadrezar, evenmin als een menigte of jeugdige kracht of jeugdige schoonheid (vers 1717De jonge mannen van Aven en Pi-Beseth zullen door het zwaard vallen
en de [jonge vrouwen] zullen in gevangenschap gaan.
)
. Hij zal het juk van de macht verbreken waarmee Egypte andere landen aan zich heeft onderworpen (vers 1818En in Tachpanhes zal de dag ingehouden worden,
als Ik de jukken van Egypte daar breek
en zijn sterke trots er doe ophouden.
Een wolk zal hem bedekken,
en zijn dochters zullen in gevangenschap gaan.
)
. Van de “sterke trots” van Egypte zal niets overblijven. Over Egypte zal een wolk van rampspoed en ellende zijn neergedaald, waardoor van haar oorspronkelijke aantrekkelijkheid niets meer herkenbaar is. Dat wordt nog onderstreept door het in gevangenschap gaan van zijn dochters, waarmee ook het perspectief van een herstel verdwijnt.

Al deze oordeelshandelingen, die als strafgerichten over Egypte komen, worden door de HEERE verricht (vers 1919Zo zal Ik strafgerichten over Egypte voltrekken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). Hierdoor zullen ze weten dat Hij de HEERE is.


Het oordeel over de farao

20Het gebeurde in het elfde jaar, in de eerste [maand], op de zevende van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam: 21Mensenkind, Ik heb de arm van de farao, de koning van Egypte, gebroken. En zie, hij is niet verbonden door een verband aan te leggen om hem te verbinden, om genezing te brengen, om hem sterk genoeg te maken om het zwaard te hanteren. 22Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál de farao, de koning van Egypte! Ik zal zijn [beide] armen breken, zowel die [nog] sterk is als die [al] gebroken is, en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen. 23Ik zal de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen verstrooien over de landen. 24Ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken en Ik zal Mijn zwaard in zijn hand geven, maar de armen van de farao zal Ik breken, zodat die voor zijn [ogen] kermen zal, zoals een dodelijk gewonde kermt. 25Ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken, maar de armen van de farao zullen [slap] neervallen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel geef en hij het over het land Egypte uitstrekt. 26Ik zal de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen verstrooien over de landen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

In het elfde jaar, dat is het jaar van de val van Jeruzalem, komt het woord van de HEERE tot Ezechiël (vers 2020Het gebeurde in het elfde jaar, in de eerste [maand], op de zevende van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:). De HEERE vertelt hem dat Hij de arm (beeld van kracht) van de farao heeft gebroken (vers 2121Mensenkind, Ik heb de arm van de farao, de koning van Egypte, gebroken. En zie, hij is niet verbonden door een verband aan te leggen om hem te verbinden, om genezing te brengen, om hem sterk genoeg te maken om het zwaard te hanteren.). De farao heeft geen kracht meer in zijn arm om het zwaard te hanteren. Die kracht komt ook niet terug, want zijn arm zal niet behandeld worden om te genezen. Omdat die breuk niet zal herstellen, zal hij niet sterk genoeg kunnen worden om nog enige kracht te ontplooien.

Ook het restant aan macht zal de HEERE verbreken (vers 2222Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál de farao, de koning van Egypte! Ik zal zijn [beide] armen breken, zowel die [nog] sterk is als die [al] gebroken is, en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen.). Beide armen zullen gebroken zijn, zodat hij het zwaard niet eens meer kan vasthouden, laat staan het gebruiken. Hergroeperen zal er ook niet bij zijn, want de HEERE zal de Egyptenaren verstrooien onder de heidenvolken (vers 2323Ik zal de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen verstrooien over de landen.).

Daarentegen zal de HEERE de armen van de koning van Babel sterk maken (vers 2424Ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken en Ik zal Mijn zwaard in zijn hand geven, maar de armen van de farao zal Ik breken, zodat die voor zijn [ogen] kermen zal, zoals een dodelijk gewonde kermt.). Hij zal hem ook Zijn zwaard in zijn hand geven. De armen van de farao zijn door Hem gebroken, krachteloos gemaakt, zodat hij zich niet tegen de koning van Babel kan verzetten. Hij zal voor de koning van Babel kermen als een dodelijk gewonde.

Nog eens zegt de HEERE dat Hij de armen van de koning van Babel sterk zal maken en dat de armen van de farao krachteloos zullen neervallen (vers 2525Ik zal de armen van de koning van Babel sterk maken, maar de armen van de farao zullen [slap] neervallen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel geef en hij het over het land Egypte uitstrekt.). Als Nebukadrezar Egypte zal slaan met het zwaard dat de HEERE hem heeft gegeven, zullen ze weten dat Hij de HEERE is. Dat Hij de HEERE is, zullen ze ook weten wanneer Hij hen onder de heidenvolken verspreidt en over de landen verstrooit (vers 2626Ik zal de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen verstrooien over de landen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). Het is ook van belang dat Israël dit weet, opdat ze nooit meer op Egypte zullen vertrouwen.


Lees verder