Ezechiël
1-9 Ezechiël eet de boekrol op 10-15 Ezechiël komt bij de ballingen 16-21 Wachter over het huis van Israël 22-27 De HEERE verschijnt opnieuw
Ezechiël eet de boekrol op

1Daarna zei Hij tegen mij: Mensenkind, eet wat u aantreft. Eet deze rol op, ga, spreek tot het huis van Israël. 2Toen deed ik mijn mond open en Hij gaf mij die rol te eten. 3Hij zei tegen mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, vul uw binnenste met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik en hij werd in mijn mond als honing zo zoet. 4Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, ga, begeef u naar het huis van Israël en spreek tot hen met Mijn woorden. 5Want u wordt niet gezonden naar een volk met een onbegrijpelijke taal en een moeilijke spraak, [maar] naar het huis van Israël, 6niet naar veel volken met een onbegrijpelijke taal en een moeilijke spraak, van wie u de woorden niet kunt verstaan. Als Ik u naar hen gezonden zou hebben, zouden die geluisterd hebben! 7Maar het huis van Israël wil naar u niet luisteren, omdat zij naar Mij niet willen luisteren, want heel het huis van Israël heeft een hard voorhoofd en zij zijn hardleers. 8Zie, Ik zal uw gezicht even hard maken als hun gezicht, en uw voorhoofd even hard als hun voorhoofd. 9Uw voorhoofd zal Ik maken als diamant, harder dan steen. Wees niet bevreesd voor hen en wees niet ontsteld voor hun blik, want zij zijn een opstandig huis!

In het geval van Jeremia is het voldoende dat de HEERE zijn mond aanraakt om hem Zijn woorden te geven (Jr 1:99Toen stak de HEERE Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. En de HEERE zei tegen mij:
Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
)
. Bij Ezechiël gaat Hij anders te werk. De HEERE geeft hem de opdracht de boekrol op te eten die Hij hem aanbiedt (vers 11Daarna zei Hij tegen mij: Mensenkind, eet wat u aantreft. Eet deze rol op, ga, spreek tot het huis van Israël.). Dat betekent dat hij moet spreken wat de HEERE hem ingeeft en niets anders (vgl. Jr 1:99Toen stak de HEERE Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. En de HEERE zei tegen mij:
Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
; 15:1616[Zodra] Uw woorden gevonden werden, at ik ze op.
Uw woord was mij tot vreugde
en tot blijdschap in mijn hart,
want Uw Naam is over mij uitgeroepen,
HEERE, God van de legermachten.
)
. Ook maakt het duidelijk dat de boodschap die hij doorgeeft, deel van hem zelf is. Hij moet zich de inhoud en strekking van het Godswoord dat hem wordt toevertrouwd eigen maken (vgl. Jh 6:52-5352De Joden dan twistten onder elkaar en zeiden: Hoe kan Deze ons Zijn vlees te eten geven?53Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij u het vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn bloed drinkt, hebt u geen leven in uzelf.). Zo moet hij tot het huis van Israël spreken. Zijn hele persoon is betrokken bij de profetieën die hij zal uitspreken.

Ezechiël opent zijn mond om het woord te ontvangen (vers 22Toen deed ik mijn mond open en Hij gaf mij die rol te eten.). Hij toont daarmee zijn bereidwilligheid om te eten. Hij uit geen bezwaren, wat anderen wel hebben gedaan toen zij werden geroepen (Ex 3:11,1311Mozes zei echter tegen God: Wie ben ik, dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?13En Mozes zei tegen God: Zie, wanneer ik bij de Israëlieten kom en tegen hen zeg: De God van uw vaderen heeft mij naar u toe gezonden, en zij mij zeggen: Wat is Zijn naam? Wat moet ik [dan] tegen hen zeggen?; 4:1,10,131Toen antwoordde Mozes en zei: Maar zie, zij zullen mij niet geloven en niet naar mijn stem willen luisteren, want zij zullen zeggen: De HEERE is niet aan u verschenen.10Toen zei Mozes tegen de HEERE: Och Heere, ik ben geen man van [veel] woorden. [Dat ben ik] sinds jaar en dag [al] niet, zelfs niet vanaf het ogenblik dat U tot Uw dienaar gesproken hebt, want ik spreek onduidelijk en moeizaam.13Maar hij zei: Och Heere, zend toch [iemand anders], door [wiens] hand U [deze boodschap ook maar] wilt zenden.; Jr 1:66Toen zei ik: Ach Heere HEERE, zie, ik kan niet spreken, want ik ben [nog maar] een jongen.; Jn 1:33Maar Jona stond op om naar Tarsis te vluchten, weg van het aangezicht van de HEERE. Hij daalde af naar Jafo en vond een schip dat naar Tarsis ging. Hij betaalde de prijs [voor de overtocht] en ging aan boord om met hen mee te gaan naar Tarsis, weg van het aangezicht van de HEERE.). Dan geeft de HEERE hem de rol om die op te eten. Hij zegt erbij dat Ezechiël, die een mensenkind is en helemaal afhankelijk is van Hem, zijn buik te eten moet geven (vers 33Hij zei tegen mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, vul uw binnenste met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik en hij werd in mijn mond als honing zo zoet.). De rol komt van Hem, het zijn woorden van God. Zo moeten wij Zijn Woord in ons hart bewaren (Ps 119:1111Ik heb Uw belofte in mijn hart opgeborgen,
opdat ik tegen U niet zondig.
)
.

Het woord moet in zijn buik, dat is in zijn innerlijk, komen. Hij moet zijn binnenste, zijn diepste gevoelens, vullen met de rol, dat wil zeggen met de woorden van God. Hij moet helemaal vol zijn van de boodschap die hij moet brengen, zodat er geen ruimte voor iets anders is. Zo is de Heer Jezus altijd volkomen in de dingen van Zijn Vader (Lk 2:4949En Hij zei tot hen: Waarom hebt u Mij gezocht? Wist u niet dat Ik in de dingen van Mijn Vader moet zijn?). Voor iets anders is geen ruimte. Zo moeten wij alleen naar de Heer Jezus kijken en van al het andere afzien (Hb 12:22terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.).

Als Ezechiël de boekrol eet, wordt die in zijn mond zoet als honing (vgl. Jr 15:16a16[Zodra] Uw woorden gevonden werden, at ik ze op.
Uw woord was mij tot vreugde
en tot blijdschap in mijn hart,
want Uw Naam is over mij uitgeroepen,
HEERE, God van de legermachten.
; Ps 119:103103Hoe zoet zijn Uw woorden voor mijn gehemelte,
[zoeter] dan honing voor mijn mond.
; Op 10:8-98En de stem die ik uit de hemel had gehoord, sprak opnieuw met mij en zei: Ga heen, neem het boek dat geopend is in de hand van de Engel Die op de zee en de aarde staat.9En ik ging naar de Engel en zei tegen Hem mij het boekje te geven. En Hij zei tegen mij: Neem het en eet het op, en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.)
. Het geeft hem de voorsmaak ervan dat het doen van Gods wil een aangename bezigheid zal zijn, hoezeer hij ook van de kant van de mensen tegenstand zal ondervinden.

God zegt tegen dit mensenkind dat hij zich klaar moet maken en naar het huis van Israël moet gaan (vers 44Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, ga, begeef u naar het huis van Israël en spreek tot hen met Mijn woorden.). Tot hen moet hij dan met Gods woorden spreken, niet zijn eigen woorden. Wij kunnen de boodschap niet zelf uitzoeken en ook niet welke woorden wij gebruiken om Gods boodschap door te geven. Alleen de woorden van God kunnen uitwerking hebben.

Het zijn woorden die het volk waar hij naartoe wordt gezonden, kan verstaan (vers 55Want u wordt niet gezonden naar een volk met een onbegrijpelijke taal en een moeilijke spraak, [maar] naar het huis van Israël,). Er is geen tolk nodig en er is ook geen uitlegger nodig. De taal waarin Israël Gods woorden te horen krijgt, is verstaanbaar en begrijpelijk. God laat Zijn Woord altijd op verstaanbare wijze prediken. Het is ook voor onze prediking belangrijk dat wij verstaanbaar en begrijpelijk spreken als we een woord van de Heer aan anderen doorgeven.

Ezechiël wordt niet gezonden naar veel volken die een heel andere taal spreken en met wie hij niet kan communiceren (vers 66niet naar veel volken met een onbegrijpelijke taal en een moeilijke spraak, van wie u de woorden niet kunt verstaan. Als Ik u naar hen gezonden zou hebben, zouden die geluisterd hebben!). Als de mensen van die volken iets tegen hem zouden zeggen, zou hij hen niet kunnen verstaan. Dan zegt God iets opmerkelijks. Hij zegt dat die vreemde volken ondanks de taalbarrière zouden luisteren als Hij Ezechiël tot hen zou hebben gezonden (vgl. Mt 11:21-2321Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda, want als in Tyrus en Sidon de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, allang zouden zij zich in zak en as hebben bekeerd.22Ik zeg u evenwel: het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in [de] dag van [het] oordeel dan voor u.23En u, Kapernaüm, zult u soms tot [de] hemel verhoogd worden? Tot [de] hades zult u worden neergestoten! Want als in Sodom de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, het zou tot op heden zijn gebleven.). Hieruit blijkt dat opstandige vooringenomenheid een grotere hindernis vormt om Gods Woord aan te nemen dan een taalbarrière.

Maar van het huis van Israël moet de HEERE tegen Ezechiël zeggen dat zij niet naar hem zullen luisteren (vers 77Maar het huis van Israël wil naar u niet luisteren, omdat zij naar Mij niet willen luisteren, want heel het huis van Israël heeft een hard voorhoofd en zij zijn hardleers.). De oorzaak daarvan is dat ze niet naar God willen luisteren. Er is bij hen geen gedachte aan Hem, ze denken niet aan Hem. Dat wordt weergegeven door hun “harde voorhoofd”. Hun houding komt voort uit een groot innerlijk verzet. Hun hardleersheid zegt iets over de gezindheid van hun hart. Ze zijn niet bereid om te luisteren (vgl. Hd 7:5151Hardnekkigen en onbesnedenen van harten en oren, u weerstaat altijd de Heilige Geest, zoals uw vaderen, zo ook u.).

Ezechiël moet daar niet van onder de indruk komen. De HEERE zal hem zo toerusten, dat hij zijn boodschap onverschrokken kan brengen (vers 88Zie, Ik zal uw gezicht even hard maken als hun gezicht, en uw voorhoofd even hard als hun voorhoofd.). Hij zal zijn boodschap even onverzettelijk brengen als zij onverzettelijk zijn in het aannemen daarvan. De HEERE zal zijn voorhoofd als diamant maken (vers 99Uw voorhoofd zal Ik maken als diamant, harder dan steen. Wees niet bevreesd voor hen en wees niet ontsteld voor hun blik, want zij zijn een opstandig huis!). Hij krijgt een hard voorhoofd, maar geen verhard hart, wat het volk wel heeft. Door zijn harde voorhoofd zal hij bewaard blijven voor hun intimidatie en voor hun aanvallen om hem het zwijgen op te leggen. Hij hoeft niet bang voor hen te zijn, wat ook hun spottende en dreigende opmerkingen en houding zijn. Ook hun blikken vol haat en afwijzing hoeven hem geen schrik aan te jagen. Het hoort bij hun opstandigheid tegen de HEERE.


Ezechiël komt bij de ballingen

10Verder zei Hij tegen mij: Mensenkind, al Mijn woorden die Ik tot u spreek, neem [ze op] in uw hart en luister [ernaar] met uw oren. 11Ga, begeef u naar de ballingen, naar uw volksgenoten en, of zij luisteren, of [dat] niet doen, spreek tot hen en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE! 12Toen hief de Geest mij op en ik hoorde achter mij een geluid van een groot gedreun: Geloofd zij de heerlijkheid van de HEERE vanuit Zijn plaats! 13En [ik hoorde] het geluid van de vleugels van de levende wezens die elkaar raakten, het geluid van de wielen vlak bij hen en het geluid van een groot gedreun. 14Toen hief de Geest mij op en voerde mij weg en ik ging weg, bitter bedroefd en hevig ontdaan, en de hand van de HEERE was zwaar op mij. 15Zo kwam ik bij de ballingen van Tel-Abib, die bij de rivier de Kebar woonden. Ik verbleef waar zij woonden. Ik verbleef daar ontzet in hun midden, zeven dagen.

Al de woorden die God tot hem, een mensenkind, zal spreken, moet hij eerst opnemen in zijn hart en daarna moet hij ernaar luisteren met zijn oren (vers 1010Verder zei Hij tegen mij: Mensenkind, al Mijn woorden die Ik tot u spreek, neem [ze op] in uw hart en luister [ernaar] met uw oren.). Om te beginnen benadrukt God dat Ezechiël “al” Zijn woorden in zijn hart moet opnemen. Ezechiël mag geen woorden weglaten die hij niet begrijpt of waarvan de inhoud hem niet aanstaat. Hij heeft de hele boekrol moeten opeten (verzen 1-31Daarna zei Hij tegen mij: Mensenkind, eet wat u aantreft. Eet deze rol op, ga, spreek tot het huis van Israël.2Toen deed ik mijn mond open en Hij gaf mij die rol te eten.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, vul uw binnenste met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik en hij werd in mijn mond als honing zo zoet.). Voor ons geldt evenzeer dat wij al de woorden van God in ons hart zullen opnemen (vgl. Ko 3:16a16Laat het Woord van Christus rijkelijk in u wonen, terwijl u in alle wijsheid elkaar leert en terechtwijst met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen [en] in <de> genade zingt in uw harten voor God.).

Verder kunnen wij Gods Woord alleen horen, dat wil zeggen ernaar luisteren en begrijpen, als we een hart, een gezindheid, een verlangen, hebben om wat God zegt, ook te doen. Onze gezindheid bepaalt of we ervoor openstaan om met onze oren te luisteren. Het is ermee als met de gelovigen in Beréa van wie we eerst lezen dat zij het Woord met alle bereidwilligheid hebben ontvangen. Dat laat hun gezindheid zien. Direct daarna lezen we dat zij dagelijks de Schriften hebben onderzocht of de dingen die door Paulus zijn verkondigd daarmee overeenstemmen (Hd 17:1111Dezen nu waren edeler dan die in Thessalonika: zij ontvingen het Woord met alle bereidwilligheid, terwijl zij dagelijks de Schriften onderzochten of deze dingen zo waren.).

Dan krijgt Ezechiël een nadere beschrijving van hen tot wie hij zijn boodschap moet richten (vers 1111Ga, begeef u naar de ballingen, naar uw volksgenoten en, of zij luisteren, of [dat] niet doen, spreek tot hen en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE!; vgl. vers 44Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, ga, begeef u naar het huis van Israël en spreek tot hen met Mijn woorden.). Het zijn de ballingen te midden van wie hij zich bevindt. Hij moet zich niet boven hen voelen, want zij zijn zijn “volksgenoten”, mensen van hetzelfde volk als waartoe hij behoort. Of ze nu wel of niet luisteren, het maakt niet uit, als Ezechiël maar tot hen spreekt als mond van “de Heere HEERE” (Adonai Jahweh). Hij moet duidelijk zeggen dat de woorden die hij spreekt, Zijn woorden zijn. We kunnen alleen Gods Woord brengen als we een indruk hebben opgedaan van de heerlijkheid van Christus, als we daarvan iets hebben gezien door het lezen van Gods Woord.

Als God zo tot Ezechiël heeft gesproken, heft de Geest hem op (vers 1212Toen hief de Geest mij op en ik hoorde achter mij een geluid van een groot gedreun: Geloofd zij de heerlijkheid van de HEERE vanuit Zijn plaats!). Hij krijgt een visioen. Terwijl dat gebeurt, hoort hij achter zich het geluid van een groot gedreun en een lofprijzing voor de HEERE. Verder hoort hij het geluid van de vleugels van de levende wezens. Zij komen in beweging (vers 1313En [ik hoorde] het geluid van de vleugels van de levende wezens die elkaar raakten, het geluid van de wielen vlak bij hen en het geluid van een groot gedreun.). Hij hoort ook het geluid van de vier wielen en het geluid van een groot gedreun. Dat is het geluid van de troonwagen van de HEERE die zich in beweging zet, maar Ezechiël ziet de troonwagen niet.

Dan heft de Geest hem verder op en voert hem weg (vers 1414Toen hief de Geest mij op en voerde mij weg en ik ging weg, bitter bedroefd en hevig ontdaan, en de hand van de HEERE was zwaar op mij.). Hij is zich bewust van wat er met hem gebeurt. Hij gaat weg, terwijl hij bitter bedroefd en hevig ontdaan is. Wat er met hem is gebeurd en wat hem is verteld, heeft hem diep geraakt. De boodschap die hij heeft gegeten en nu moet gaan brengen, maakt grote indruk op hem. Hij voelt de hand van de HEERE zwaar op zich drukken. De boodschap die hij moet brengen, is zwaar.

In die hartsgesteldheid komt hij bij de ballingen van Tel-Abib die bij de rivier de Kebar wonen (vers 1515Zo kwam ik bij de ballingen van Tel-Abib, die bij de rivier de Kebar woonden. Ik verbleef waar zij woonden. Ik verbleef daar ontzet in hun midden, zeven dagen.). Als de HEERE Ezechiël in een visioen verschijnt, bevindt Ezechiël zich te midden van de weggevoerden (Ez 1:1,31In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het [dat] de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien.3kwam het woord van de HEERE uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar, en de hand van de HEERE was daar op hem.). Nadat hij zijn roeping heeft ontvangen, heft de Geest hem op en brengt hem weer terug bij de rivier de Kebar. De profeet heeft zijn roeping voor zijn dienst gekregen op de plaats waar de heerlijkheid van de HEERE woont (vers 1212Toen hief de Geest mij op en ik hoorde achter mij een geluid van een groot gedreun: Geloofd zij de heerlijkheid van de HEERE vanuit Zijn plaats!).

Ezechiël neemt te midden van de ballingen zijn plaats weer in als een van hen. Hij deelt in hun ballingschap. De ballingen bevinden zich in Tel-Abib. ‘Abib’ is de naam van de eerste maand, van de vorming van de aren, van het groen worden van wat op het land staat. ‘Tel’ betekent heuvel of hoop. De naam Tel-Abib spreekt van herstel en opleving. Hij laat iets zien van het werk van de Heer Jezus waardoor dat alleen mogelijk is. Hij is de tarwekorrel die in de aarde is gevallen en is gestorven en daardoor een rijke vrucht voortbrengt (Jh 12:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.).

Ezechiël begint niet direct met de uitvoering van zijn opdracht. Zeven dagen lang is hij ontzet of verstomd over wat hij heeft gezien en gehoord (vgl. Jb 2:1313Zo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten. Niemand sprak een woord tot hem, want zij zagen dat het leed zeer hevig was.). Deze zeven dagen durende stomme verbijstering zal sterk de aandacht hebben getrokken van zijn omgeving (vgl. Lk 1:21-2221En het volk stond te wachten op Zacharia; en zij verwonderden zich dat hij zo lang in het tempelhuis bleef.22Toen hij nu naar buiten kwam, kon hij niet tot hen spreken; en zij merkten dat hij in het tempelhuis een gezicht had gezien. En hij wenkte hun toe en bleef stom.). Voor zijn medeballingen zal het een aanwijzing zijn dat hem iets bijzonders is overkomen, zodat zij zich niet al te zeer zullen verbazen wanneer hij als profeet in hun midden gaat optreden.


Wachter over het huis van Israël

16Het gebeurde na verloop van zeven dagen dat het woord van de HEERE tot mij kwam: 17Mensenkind, Ik heb u aangesteld tot wachter over het huis van Israël. Wanneer u uit Mijn mond een woord hoort, moet u hen namens Mij waarschuwen. 18Als Ik tegen de goddeloze zeg: U zult zeker sterven, en u hebt hem niet gewaarschuwd en u hebt niet gesproken om de goddeloze voor zijn goddeloze weg te waarschuwen om hem in het leven te behouden: die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar Ik zal zijn bloed van uw hand eisen. 19Maar u, als u de goddeloze waarschuwt en hij zich niet van zijn goddeloosheid en van zijn goddeloze weg bekeert, zal hij in zijn ongerechtigheid sterven, maar u hebt uw leven gered. 20En als een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afwendt en onrecht begaat en Ik een struikelblok voor hem leg, zal híj sterven. Omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven. Zijn rechtvaardige daden die hij gedaan heeft, zullen niet [meer] in herinnering gebracht worden, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. 21Maar u, als u de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondigt, en hij [inderdaad] niet zondigt, zal hij zeker in leven blijven omdat hij gewaarschuwd is, en hebt ú uw leven gered.

Na zeven dagen van ontzetting over wat hij heeft gezien en gehoord, komt het woord van de HEERE tot hem (vers 1616Het gebeurde na verloop van zeven dagen dat het woord van de HEERE tot mij kwam:). Hij krijgt te horen wat zijn profetische taak zal zijn. Er is dit keer geen sprake van een visioen. De HEERE (Jahweh, de Heer Jezus) Zelf komt tot hem als het Woord. Dit gaat verder dan dat Ezechiël alleen woorden hoort. Wat hij hoort en de Persoon Die spreekt zijn Dezelfde. Het ziet op de vereenzelviging van het Woord en de Persoon van Christus (Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.).

De HEERE spreekt hem aan als “mensenkind” (vers 1717Mensenkind, Ik heb u aangesteld tot wachter over het huis van Israël. Wanneer u uit Mijn mond een woord hoort, moet u hen namens Mij waarschuwen.). Deze uitdrukking luidt, zoals eerder is opgemerkt, in het Hebreeuws ben adam, dat is ‘zoon van Adam’, en geeft aan dat het gaat om iemand die tot het menselijk geslacht behoort. Hierdoor wordt het contrast tussen de verhevenheid van de hemelse Spreker, de Zoon van God, het eeuwige Woord, en een sterfelijk, aards mensenkind duidelijk getekend.

De HEERE zegt tegen hem dat Hij hem tot wachter over het huis van Israël heeft aangesteld. Een wachter is iemand die waarschuwt als er gevaar dreigt (Js 21:66Want zo heeft
de Heere tegen mij gezegd:
Ga, zet een wachter uit;
laat hem vertellen wat hij ziet.
; Jr 6:1717Ik heb wachters over u aangesteld:
Sla acht op het geluid van de bazuin!
Maar zij zeggen: Daar slaan wij geen acht op.
)
. Het woord voor ‘wachter’ komt van het Hebreeuwse woord voor vooroverbuigen, wat iemand op een toren doet om nog scherper te kunnen zien. Ezechiël moet, als hij een woord uit de mond van God hoort, het volk namens Hem waarschuwen. Als het volk volhardt in zijn zonde zal het namelijk omkomen.

Ezechiël moet ook voor of met het oog op de HEERE en niet alleen namens Hem waarschuwen. De dreiging van het oordeel gaat namelijk van de HEERE uit. Hij stelt Ezechiël als wachter aan tussen Zich en het volk, opdat Hij het oordeel niet hoeft te laten komen.

Deze opdracht legt een grote verantwoordelijkheid op Ezechiël. Hij moet in zijn dienst niet bang zijn voor het volk, maar voor de HEERE ingeval hij weigert het woord te spreken dat de HEERE hem te spreken geeft (vgl. Am 3:88De leeuw heeft gebruld.
Wie zou niet bevreesd zijn?
De Heere HEERE heeft gesproken.
Wie zou niet profeteren?
)
. Later wordt deze opdracht herhaald, aan het begin van het vierde deel van het boek (Ez 33:1-91Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, spreek tot uw volksgenoten, en zeg tegen hen: Wanneer Ik een zwaard over een land breng, en de bevolking van dat land neemt een man ergens uit hun omgeving en stelt die voor zichzelf tot wachter aan,3en die ziet het zwaard over het land komen, en blaast op de bazuin en waarschuwt het volk,4als dan hij die het geluid van de bazuin hoort, die [wel] hoort, maar zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en neemt hem weg, [dan] zal zijn bloed op zijn [eigen] hoofd rusten.5Hij heeft het geluid van de bazuin gehoord en zich niet laten waarschuwen. Zijn bloed zal op hem rusten. Hij echter, die zich laat waarschuwen, redt zijn leven.6Als de wachter echter het zwaard ziet komen en niet op de bazuin blaast, zodat het volk niet gewaarschuwd wordt, en het zwaard komt en neemt een leven onder hen weg, [dan] is dat [leven wel] in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed eis Ik van de hand van de wachter.7En u, mensenkind, Ik heb u aangesteld tot wachter over het huis van Israël. U zult een woord uit Mijn mond horen en u moet hen namens Mij waarschuwen.8Als Ik tegen de goddeloze zeg: Goddeloze, u zult zeker sterven, en u hebt niet gesproken om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, [dan] zal die goddeloze in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.9Maar wat u aangaat, als u de goddeloze voor zijn weg gewaarschuwd hebt om hem daarvan te bekeren en hij zich niet van zijn weg bekeert, [dan] zal híj in zijn ongerechtigheid sterven, maar ú hebt uw leven gered.). God bepaalt de dienst van de Zijnen. Daaraan heeft de dienaar zich te houden. Bij ontrouw gaat de dienaar niet vrijuit (Sp 24:11-1211Red hen die opgepakt zijn om te sterven,
[wee] als u zich afzijdig houdt van wie wankelend ter slachting gaat.
12Wanneer u zegt: Zie, wij hebben dat niet geweten,
zal Hij Die de harten toetst, dat niet merken?
Hij Die uw ziel gadeslaat, zal Híj het [niet] weten?
Immers, Hij zal een mens vergelden naar zijn werk.
)
. Paulus was zich dit ook goed bewust (1Ko 9:1616Want als ik het evangelie verkondig, strekt het mij niet tot roem, want [de] noodzaak is mij opgelegd; want wee mij, als ik het evangelie niet verkondig!).

Dan worden Ezechiël vier gevallen voorgesteld die hij in zijn dienst zal tegenkomen en waarvan God hem de verantwoordelijkheid voorstelt. Twee keer gaat het om de goddeloze (verzen 18-1918Als Ik tegen de goddeloze zeg: U zult zeker sterven, en u hebt hem niet gewaarschuwd en u hebt niet gesproken om de goddeloze voor zijn goddeloze weg te waarschuwen om hem in het leven te behouden: die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar Ik zal zijn bloed van uw hand eisen.19Maar u, als u de goddeloze waarschuwt en hij zich niet van zijn goddeloosheid en van zijn goddeloze weg bekeert, zal hij in zijn ongerechtigheid sterven, maar u hebt uw leven gered.) en twee keer om de rechtvaardige (verzen 20-2120En als een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afwendt en onrecht begaat en Ik een struikelblok voor hem leg, zal híj sterven. Omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven. Zijn rechtvaardige daden die hij gedaan heeft, zullen niet [meer] in herinnering gebracht worden, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.21Maar u, als u de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondigt, en hij [inderdaad] niet zondigt, zal hij zeker in leven blijven omdat hij gewaarschuwd is, en hebt ú uw leven gered.). Zowel de prediker als degene tot wie wordt gepredikt, heeft een eigen verantwoordelijkheid. Ezechiël moet prediken omdat God het zegt. Het resultaat ervan is een zaak van God. Opmerkelijk is ook nog dat Ezechiël zijn medeballingen niet zozeer als groep moet aanspreken, maar individueel, hoofd voor hoofd.

Eerst komt het woord over de goddeloze. Als God tegen de goddeloze zegt dat hij zal sterven en Ezechiël waarschuwt hem niet, dan is Ezechiël schuldig aan diens bloed (vers 1818Als Ik tegen de goddeloze zeg: U zult zeker sterven, en u hebt hem niet gewaarschuwd en u hebt niet gesproken om de goddeloze voor zijn goddeloze weg te waarschuwen om hem in het leven te behouden: die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar Ik zal zijn bloed van uw hand eisen.). Waarschuwt hij de goddeloze wel, dan heeft Ezechiël zijn eigen leven gered (vers 1919Maar u, als u de goddeloze waarschuwt en hij zich niet van zijn goddeloosheid en van zijn goddeloze weg bekeert, zal hij in zijn ongerechtigheid sterven, maar u hebt uw leven gered.). Het oordeel komt over de goddeloze om zijn eigen moedwillige overtreden en zijn volharden in het kwaad.

Dan is er een woord met betrekking tot het waarschuwen van een rechtvaardige die onrecht begaat (vers 2020En als een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afwendt en onrecht begaat en Ik een struikelblok voor hem leg, zal híj sterven. Omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven. Zijn rechtvaardige daden die hij gedaan heeft, zullen niet [meer] in herinnering gebracht worden, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.). Een rechtvaardige is iemand die in de weg van God wandelt (vgl. Lk 1:66Zij nu waren beiden rechtvaardig voor God, wandelend in alle geboden en inzettingen van de Heer, onberispelijk.). Het gaat daarbij alleen over de praktijk, het uiterlijk, en niet over het innerlijk, over het feit of iemand leven uit God heeft. Komt er in de levenswandel van zo iemand een verandering ten kwade, dan moet de profeet hem waarschuwen. Als hij dit nalaat, brengt hij dezelfde schuld over zich als in het geval dat hij heeft nagelaten de goddeloze te waarschuwen (vers 1818Als Ik tegen de goddeloze zeg: U zult zeker sterven, en u hebt hem niet gewaarschuwd en u hebt niet gesproken om de goddeloze voor zijn goddeloze weg te waarschuwen om hem in het leven te behouden: die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar Ik zal zijn bloed van uw hand eisen.).

Het gaat om een rechtvaardige die zich van zijn gerechtigheid afwendt en onrecht begaat. Het woord ‘bekeren’ in vers 1919Maar u, als u de goddeloze waarschuwt en hij zich niet van zijn goddeloosheid en van zijn goddeloze weg bekeert, zal hij in zijn ongerechtigheid sterven, maar u hebt uw leven gered. en ‘afwenden’ in vers 2020En als een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afwendt en onrecht begaat en Ik een struikelblok voor hem leg, zal híj sterven. Omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven. Zijn rechtvaardige daden die hij gedaan heeft, zullen niet [meer] in herinnering gebracht worden, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. is in het Hebreeuws hetzelfde woord. Een rechtvaardige die zich afwendt, bekeert zich dus van zijn gerechtigheid. Zo’n rechtvaardige keert zich moedwillig af van de dingen die in de ogen van de HEERE goed zijn. Het gaat niet om een aanvankelijk onbewuste zonde of om een eenmalig zondigen. Het gaat om een gerichte keuze om een andere weg in te slaan. Zo iemand heeft het Woord van God tot zijn beschikking, maar kiest ervoor om niet te luisteren.

Voor zo iemand zal de HEERE “een struikelblok” leggen en daardoor “zal híj sterven”. Het struikelblok dat de HEERE voor de rechtvaardige legt, is geen verzoeking tot zonde, want “Hijzelf verzoekt niemand” (Jk 1:1313Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwade verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand.). Het gaat om een test van wat iemand belijdt. We kunnen denken aan omstandigheden die de HEERE toelaat waardoor een rechtvaardige in een crisis terechtkomt. Wat doet hij dan? Als hij de verkeerde weg opgaat, moet hij worden gewaarschuwd. Als dat niet gebeurt, is hij, die dit had moeten doen, schuldig aan de ondergang van de rechtvaardige. Al de rechtvaardige daden van de rechtvaardige helpen hem niet meer. De waarde ervan vervalt als hij voortgaat op zijn zondige weg.

Ezechiël moet niet alleen de goddeloze en de afgedwaalde rechtvaardige waarschuwen, hij moet ook de rechtvaardige waarschuwen die nog niet is afgedwaald (vers 2121Maar u, als u de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondigt, en hij [inderdaad] niet zondigt, zal hij zeker in leven blijven omdat hij gewaarschuwd is, en hebt ú uw leven gered.). Dat is een preventief waarschuwen, opdat de rechtvaardige niet tot zonde komt. Ezechiël moet dus niet alleen het verlorene zoeken, maar ook waken over hen die de rechte weg gaan om hen daarop te houden. Dit is waken over de zielen (Hb 13:1717Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig.).

De verantwoordelijkheid is groot, ook voor ons, om mensen te waarschuwen. We weten dat we daarin wel eens falen. Dan kunnen we dat belijden. Ook voor bloedschuld die in die gevallen op ons rust, is vergeving mogelijk (1Jh 1:99Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.).


De HEERE verschijnt opnieuw

22De hand van de HEERE was daar op mij en Hij zei tegen mij: Sta op, vertrek naar de vallei en daar zal Ik met u spreken. 23Ik stond op en vertrok naar de vallei, en zie, daar stond de heerlijkheid van de HEERE, zoals de heerlijkheid die ik gezien had bij de rivier de Kebar. En ik wierp mij met mijn gezicht [ter aarde]. 24Toen kwam de Geest in mij en deed mij op mijn voeten staan. Hij sprak met mij en zei tegen mij: Ga naar binnen, sluit u op binnen in uw huis. 25En wat u betreft, mensenkind, zie, zij zouden touwen om u [heen] slaan en u daarmee binden. Daarom moet u zich niet in hun midden begeven. 26Uw tong zal Ik aan uw gehemelte doen kleven, zodat u stom wordt en u voor hen niet kunt zijn als iemand die bestraft, want zij zijn een opstandig huis! 27Maar als Ik met u spreek, zal Ik uw mond openen en zult u tegen hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE: Wie luistert, laat hij luisteren. Wie [dat] nalaat, laat die het [maar] nalaten, want zij zijn een opstandig huis!

De hand van God is op Ezechiël als hij in Tel-Abib is (vers 2222De hand van de HEERE was daar op mij en Hij zei tegen mij: Sta op, vertrek naar de vallei en daar zal Ik met u spreken.). Dat Gods hand op hem is, betekent dat God beslag op hem legt en met hem aan het werk gaat. Het houdt ook in dat Hij hem beschermt en leidt. Dan geeft Hij hem de opdracht naar de vallei te vertrekken, waar Hij met hem zal spreken. Een vallei is een lage plaats. Het stelt voor dat we op een plaats van nederigheid moeten zijn om de woorden van de Heer te horen. Op die plaats ziet Ezechiël, voordat hij zijn dienst begint, nog een keer de heerlijkheid van de HEERE (vers 2323Ik stond op en vertrok naar de vallei, en zie, daar stond de heerlijkheid van de HEERE, zoals de heerlijkheid die ik gezien had bij de rivier de Kebar. En ik wierp mij met mijn gezicht [ter aarde].; Ez 1:2828Zoals het uiterlijk van de regenboog, die in de wolken [verschijnt] op de dag van de regen, zo was het uiterlijk van de lichtglans rondom. Het was de verschijning van de gedaante van de heerlijkheid van de HEERE. Toen ik dat zag, wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde], en ik hoorde de stem van Iemand Die sprak.). Die verschijnt hem niet zoals in Ezechiël 1, maar staat er al. Opnieuw valt hij op zijn gezicht.

Ook hier laat de Geest hem weer op zijn voeten staan (vers 2424Toen kwam de Geest in mij en deed mij op mijn voeten staan. Hij sprak met mij en zei tegen mij: Ga naar binnen, sluit u op binnen in uw huis.; Ez 2:22Terwijl Hij tot mij sprak, kwam de Geest in mij. Hij deed mij op mijn voeten staan en ik luisterde naar Hem Die tot mij sprak.). De Geest geeft de kracht om de heerlijkheid van God te zien en verder te gaan in de dienst. Ezechiël moet zich in zijn huis opsluiten. Dat lijkt een vreemde opdracht voor iemand die het volk moet waarschuwen. Maar God bepaalt voor ieder van Zijn dienaren afzonderlijk hoe hij Zijn boodschap moet brengen. Iedere profeet brengt Zijn boodschap op een manier die op bijzondere wijze tot het volk spreekt en op bijzondere wijze aansluit bij hun toestand. Mensen die Gods Woord willen horen, moeten naar Ezechiël toe komen.

De touwen waarvan hier sprake is, zullen om hem heen worden geslagen, zodat hij zich niet in het midden van het volk kan begeven (vers 2525En wat u betreft, mensenkind, zie, zij zouden touwen om u [heen] slaan en u daarmee binden. Daarom moet u zich niet in hun midden begeven.). De HEERE Zelf zal hem binden en hem zo nog verder isoleren (Ez 4:88En zie, Ik zal touwen om u [heen] slaan, zodat u zich niet kunt omkeren van uw [ene] zij op uw [andere] zij, totdat u de dagen van uw belegering hebt voltooid.). Zijn hele afzondering wordt nog versterkt door de stomheid die de HEERE hem oplegt (vers 2626Uw tong zal Ik aan uw gehemelte doen kleven, zodat u stom wordt en u voor hen niet kunt zijn als iemand die bestraft, want zij zijn een opstandig huis!; vgl. Jb 29:1010De stem van de vorsten verstomde,
en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
; Ps 22:1616Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
; 137:66Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte,
als ik niet aan u denk,
als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen
boven mijn hoogste blijdschap.
)
. Een dergelijk optreden onderstreept de ernst van de boodschap van Ezechiël voor een opstandig huis.

Zijn stomheid zal niet blijvend zijn (vers 2727Maar als Ik met u spreek, zal Ik uw mond openen en zult u tegen hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE: Wie luistert, laat hij luisteren. Wie [dat] nalaat, laat die het [maar] nalaten, want zij zijn een opstandig huis!). Ook wordt zijn stomheid onderbroken door perioden waarin hij kan spreken (Ez 8:11Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Heere HEERE op mij viel.; 11:2525Toen sprak ik tot de ballingen al de woorden van de HEERE die Hij mij had doen zien.). Ezechiël kan bij dit spreken zijn huis niet verlaten. Na de verwoesting van Jeruzalem verandert dit op Gods bevel en spreekt hij weer (Ez 24:25-2725Wat u betreft, mensenkind, zal het niet [zo] zijn op de dag dat Ik hun kracht, de luister waarin zij zich verblijden, de lust van hun ogen, de verkwikking van hun ziel, hun zonen en hun dochters, van hen wegneem,26dat op die dag [iemand] die ontkomen is, bij u zal komen om [dat uw] oren te laten horen?27Op die dag zal uw mond met die van hem die ontkomen is, geopend worden, zodat u zult spreken en niet langer stom zijn. Zo zult u voor hen een wonderteken zijn. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.; 33:21-2221Het gebeurde in het twaalfde jaar van onze ballingschap, in de tiende [maand], op de vijfde van de maand, [dat] er iemand die uit Jeruzalem ontkomen was, naar mij toe kwam en zei: De stad is verslagen.22Nu was de hand van de HEERE 's avonds op mij geweest, voordat de ontkomene aangekomen was. Hij had mijn mond geopend voordat hij 's morgens bij mij gekomen was. Zo werd mijn mond geopend en was ik niet langer stom.). Zo kan ook onze dienst veranderen. Het is belangrijk ons door de Geest te laten leiden. Als Ezechiël weer moet gaan spreken, moet hij weer zeggen: “Zo zegt de Heere, HEERE.” Zijn toehoorders spreekt hij persoonlijk aan: “Wie luistert, laat hij luisteren. Wie [dat] nalaat, laat die het [maar] nalaten”, terwijl het volk als geheel “een opstandig huis” is.


Lees verder