Ezechiël
Inleiding 1-12 Het oordeel over Egypte 13-16 Herstel van een overblijfsel van Egypte 17-21 Egypte als loon voor Nebukadrezar
Inleiding

Het gedeelte Ezechiël 29-32 gaat over het oordeel over Egypte. In dit gedeelte komt “het woord van de HEERE” zeven keer tot Ezechiël (Ez 29:1,171Het woord van de HEERE kwam tot mij in het tiende jaar, in de tiende [maand], op de twaalfde van de maand:17Verder gebeurde het in het zevenentwintigste jaar, in de eerste [maand], op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:; 30:1,201Het woord van de HEERE kwam tot mij:20Het gebeurde in het elfde jaar, in de eerste [maand], op de zevende van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:; 31:11Het gebeurde in het elfde jaar, in de derde [maand], op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:; 32:1,171Het gebeurde in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand, op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:17Het gebeurde in het twaalfde jaar, op de vijftiende [dag] van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:). Zeven is het getal van volmaaktheid. Dat legt er de nadruk op dat het een complete boodschap is.

We kunnen ons afvragen, waarom God zoveel aandacht voor Egypte heeft. Door het hele Oude Testament heen is Egypte een land vol lokkende rijkdom en macht, een beeld van de wereld. De hoogmoed van Egypte is één reden voor God om deze boodschap te geven. Egypte is een natuurlijke vijand voor Israël, maar als Israël vervalt in ongeloof en geen vertrouwen meer heeft in God, toont Egypte zich een ruimhartige, maar onbetrouwbare bondgenoot. Een en andermaal belooft Egypte te helpen met legers, maar een en andermaal blijken het loze beloften te zijn.

De boodschap is gericht aan Egypte, maar is tevens bedoeld voor het volk van God. Het volk van God moet door deze boodschap van het ware karakter van deze vijand doordrongen worden. De les is dat Israël vaak zijn vertrouwen op dit land heeft gesteld in plaats van op God en dat dit vertrouwen altijd beschaamd is geworden (vgl. Jr 17:55Zo zegt de HEERE:
Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens,
en [die] een schepsel tot zijn arm stelt,
terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt.
)
.


Het oordeel over Egypte

1Het woord van de HEERE kwam tot mij in het tiende jaar, in de tiende [maand], op de twaalfde van de maand: 2Mensenkind, richt uw blik op de farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen heel Egypte. 3Spreek, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:
Zie, Ik zál u, farao,
koning van Egypte,
groot zeemonster,
dat in het midden van zijn rivieren ligt,
dat gezegd heeft: Mijn Nijl is van mij
en ik heb [die] zelf voor mij gemaakt!
4Ik zal haken in uw kaken slaan
en de vis van uw rivieren aan uw schubben hechten.
Ik zal u uit het midden van uw rivieren omhoogtrekken,
ja, al de vis van die rivieren van u zal zich aan uw schubben hechten.
5Ik zal u neerwerpen, woestijnwaarts,
u en al de vis van uw rivieren.
Op het open veld zult u vallen,
u zult niet verzameld worden en niet bijeengeraapt worden.
Aan de [wilde] dieren van de aarde en aan de vogels in de lucht
heb Ik u tot voedsel gegeven.
6En al de inwoners van Egypte zullen weten
dat Ik de HEERE ben,
omdat zij voor het huis van Israël
een rietstaf geweest zijn.
7Toen zij u bij uw hand grepen, knakte u,
maar u scheurde heel hun schouder open.
Toen zij op u steunden, brak u,
maar u liet alle heupen op zichzelf staan.
8Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga een zwaard over u brengen en Ik zal mens en dier onder u uitroeien. 9Het land Egypte zal een woestenij en een puinhoop worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, omdat hij heeft gezegd: De Nijl is van mij, ik heb [die] zelf gemaakt. 10Daarom, zie, Ik zál u, met uw Nijl! Ik zal van het land Egypte puinhopen maken, puin [in] een woestenij, vanaf Migdol [tot] Syene, tot aan de grens met Cusj. 11Geen mensenvoet zal erdoor gaan, geen dierenpoot zal erdoor gaan: het zal veertig jaar onbewoond blijven. 12Ik zal [van] het land Egypte een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestenij zijn te midden van verwoeste steden, veertig jaar [lang]. Dan zal Ik de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen over de landen verstrooien.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij in het tiende jaar, in de tiende [maand], op de twaalfde van de maand:). De boodschap heeft een datering. Naar onze kalender is de datum 29 december 588 v.Chr. Een jaar eerder is de belegering van Jeruzalem door Nebukadrezar begonnen (Jr 32:1-51Het woord dat van de HEERE tot Jeremia gekomen is in het tiende [regerings]jaar van Zedekia, de koning van Juda. Dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadrezar.2Het leger van de koning van Babel hield toen Jeruzalem belegerd, en de profeet Jeremia zat opgesloten op het binnenplein van de wacht die bij het huis van de koning van Juda ligt,3waar Zedekia, de koning van Juda, hem had opgesloten [en] had gezegd: Waarom profeteert u: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga deze stad in de hand van de koning van Babel geven en hij zal haar innemen,4en Zedekia, de koning van Juda, zal aan de hand van de Chaldeeën niet ontkomen, want hij zal zeker in de hand van de koning van Babel gegeven worden. Hij zal van mond tot mond met hem spreken en oog in oog met hem staan.5Hij zal Zedekia naar Babel doen gaan. Daar zal hij blijven, totdat Ik naar hem zal omzien, spreekt de HEERE. Wanneer u tegen de Chaldeeën strijdt, zult u niet voorspoedig zijn.; 52:44Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden [de stad] en bouwden er rondom schansen tegenaan.; 39:11In het negende jaar van Zedekia, de koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, met heel zijn leger naar Jeruzalem en zij belegerden het.; Ez 24:11Het woord van de HEERE kwam tot mij in het negende jaar in de tiende maand, op de tiende van de maand:). Ezechiël krijgt de opdracht zijn blik op de farao te richten en tegen hem en tegen heel Egypte te profeteren (vers 22Mensenkind, richt uw blik op de farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen heel Egypte.). De HEERE zegt tegen hem wat hij namens de Heere HEERE moet spreken (vers 33Spreek, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:
Zie, Ik zál u, farao,
koning van Egypte,
groot zeemonster,
dat in het midden van zijn rivieren ligt,
dat gezegd heeft: Mijn Nijl is van mij
en ik heb [die] zelf voor mij gemaakt!
)
.

De oordeelsaankondiging begint met een gelijkenis. De farao wordt beschreven als een “groot zeemonster”. De Griekse vertaling van het Oude Testament noemt de farao ‘de grote draak’, dezelfde aanduiding die satan heeft in het Nieuwe Testament (Op 12:99En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.). De HEERE wijst zo op het satanische karakter van de regering van de farao. De satan heeft de farao in zijn macht en uit zich door hem. Het oordeel over de farao is dan ook tegelijk het oordeel over de satan. Dit zeemonster bevindt zich in het midden van de rivieren van Egypte die hij allemaal als zijn eigendom beschouwt. Het zeemonster noemt de Nijl bij naam en hij zegt erbij dat die van hem is (“mijn Nijl”) en dat hij die voor zichzelf heeft gemaakt.

Egypte heeft zijn welvaart aan het water van de Nijl te danken. De rivier maakt de Egyptische grond vruchtbaar. Het is Godslasterlijke hoogmoed van de farao om te beweren dat hij de schepper en eigenaar van de Nijl is. De farao ziet zichzelf als God (vgl. Ez 28:22Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart hoogmoedig is geworden en u zegt: Ik ben God, ik zit op de zetel van God in het hart van de zeeën – terwijl u een mens bent en geen God – geeft u uw hart uit voor het hart van God.), als de schepper van voorspoed en welvaart voor zijn volk.

In de hoogmoedige, verwaten taal van de farao is geen enkele gedachte aan de ware God. We horen dezelfde geest van onafhankelijkheid en egoïsme in de taal die Nabal uitslaat wanneer de mannen van David bij hem komen om hem een gunst te vragen (1Sm 25:1111Zou ik dan mijn brood, mijn water en mijn vlees nemen, dat ik voor mijn schaapscheerders geslacht heb, en zou ik het aan mannen geven van wie ik niet weet waar zij vandaan komen?). Met God wordt geen enkele rekening gehouden. De farao denkt en praat alsof hij zelf God is.

De moderne mens, die meent dat alles van hem is en dat hij alles voor zichzelf heeft gemaakt, slaat dezelfde taal uit. Elk besef aan God als Schepper en Onderhouder wordt uit het denken gebannen. Alles van de schepping, alles wat hij meent te bezitten, wordt tegelijk gezien als eigendom en als object van aanbidding. De mens denkt vrij te zijn om de schepping te gebruiken, maar hij is in wezen een slaaf van het materialisme.

De HEERE laat de farao weten wat Hij met hem en de inwoners van Egypte zal doen (vers 44Ik zal haken in uw kaken slaan
en de vis van uw rivieren aan uw schubben hechten.
Ik zal u uit het midden van uw rivieren omhoogtrekken,
ja, al de vis van die rivieren van u zal zich aan uw schubben hechten.
)
. Hij zal het monster met de vis (met de vis worden de Egyptenaren bedoeld) uit de rivier trekken en aan de wilde dieren en de vogels tot voedsel geven (vers 55Ik zal u neerwerpen, woestijnwaarts,
u en al de vis van uw rivieren.
Op het open veld zult u vallen,
u zult niet verzameld worden en niet bijeengeraapt worden.
Aan de [wilde] dieren van de aarde en aan de vogels in de lucht
heb Ik u tot voedsel gegeven.
)
.

De aanleiding tot dit oordeel is het bedrog dat de Egyptenaren hebben gepleegd tegenover Israël (verzen 6-76En al de inwoners van Egypte zullen weten
dat Ik de HEERE ben,
omdat zij voor het huis van Israël
een rietstaf geweest zijn.
7Toen zij u bij uw hand grepen, knakte u,
maar u scheurde heel hun schouder open.
Toen zij op u steunden, brak u,
maar u liet alle heupen op zichzelf staan.
)
. Israël heeft met hen een verbond gesloten tegen Babel, maar Egypte heeft dat verbond verbroken (Jr 37:5-105[Inmiddels] was het leger van de farao uit Egypte uitgetrokken. Toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, [dit] bericht daarover hoorden, trokken zij van Jeruzalem weg.6Toen kwam het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia:7Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zo moet u zeggen tegen de koning van Juda, die u naar Mij toegestuurd heeft om Mij te raadplegen: Zie, het leger van de farao dat u te hulp is uitgetrokken, keert terug naar zijn land, [naar] Egypte.8Dan zullen de Chaldeeën terugkeren om tegen deze stad te strijden. Zij zullen haar innemen en haar met vuur verbranden.9Zo zegt de HEERE: Bedrieg uzelf niet door te zeggen: De Chaldeeën zullen beslist bij ons weggaan, want zij zullen niet weggaan!10Ja, al zou u [ook] heel het leger van de Chaldeeën die tegen u strijden, verslaan, en zouden er bij hen [slechts enkele] zwaargewonde mannen overblijven, zij zouden opstaan, ieder in zijn tent, en deze stad met vuur verbranden.; Ez 17:1515Maar hij kwam in opstand tegen hem door zijn gezanten naar Egypte te sturen, opdat men hem paarden en veel volk zou geven. Zou hij [erin] slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen?). Het is gebleken dat Egypte geen enkele ondersteuning kan bieden, want het is slechts een rietstaf. Op een rietstaf kun je niet leunen. Als je dat toch doet, knakt hij. Daaraan herinnert de commandant van de koning van Assyrië het gezantschap van Hizkia (Js 36:66Zie, u vertrouwt op die geknakte rietstaf, op Egypte. Maar als iemand daarop leunt, dringt hij in zijn hand en doorboort die. Zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.). Dat Israël zelf voor een dergelijk verbond is gewaarschuwd, is ook waar, maar dat is hier niet aan de orde. Hier gaat het om de onbetrouwbaarheid van Egypte tegenover Gods volk.

Vanwege de bedriegerij van Egypte zal de HEERE hen oordelen (vers 88Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga een zwaard over u brengen en Ik zal mens en dier onder u uitroeien.). Dat zal Hij doen door het zwaard over hen te brengen. Daardoor zal het land Egypte tot een woestenij en een puinhoop worden (vers 99Het land Egypte zal een woestenij en een puinhoop worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, omdat hij heeft gezegd: De Nijl is van mij, ik heb [die] zelf gemaakt.). Door dat oordeel zullen ze weten dat Hij de HEERE is Die elke hoogmoed zal weerstaan en zal oordelen.

De HEERE herhaalt in zijn vonnis het snoeven van de farao met betrekking tot de Nijl als zijn bezit voor hemzelf. De farao geeft hoog op over de Nijl als zijn exclusief bezit. Daarmee tart hij God, Die de Nijl heeft gemaakt. Daarom zal God zijn hele land, van noord tot zuid, tot puinhopen in een woestijn maken, vanaf Migdol in het noorden tot Syene in het zuiden, waar het land grenst aan Cusj (vers 1010Daarom, zie, Ik zál u, met uw Nijl! Ik zal van het land Egypte puinhopen maken, puin [in] een woestenij, vanaf Migdol [tot] Syene, tot aan de grens met Cusj.).

Wat van Egypte overblijft, biedt een bijzonder trieste aanblik. Er zal geen levend wezen door gaan (vers 1111Geen mensenvoet zal erdoor gaan, geen dierenpoot zal erdoor gaan: het zal veertig jaar onbewoond blijven.). Toch is het geen definitieve situatie. De duur ervan wordt gesteld op veertig jaar (vers 1212Ik zal [van] het land Egypte een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestenij zijn te midden van verwoeste steden, veertig jaar [lang]. Dan zal Ik de Egyptenaren verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen over de landen verstrooien.). Gedurende die tijd zullen de Egyptenaren door God uit hun land zijn verdreven en zijn verstrooid onder de heidenvolken en over de landen.


Herstel van een overblijfsel van Egypte

13Maar, zo zegt de Heere HEERE: Na verloop van veertig jaar zal Ik de Egyptenaren bijeenbrengen uit de volken waaronder zij verspreid zijn. 14Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van de Egyptenaren en hen terugbrengen naar het land Pathros, naar het land van hun oorsprong. Daar zullen zij dan een onbeduidend koninkrijk zijn. 15Het zal onbeduidender zijn dan de [andere] koninkrijken en het zal zich niet meer boven de heidenvolken verheffen. Ik zal hen namelijk [zo] klein maken dat zij niet over de heidenvolken kunnen heersen. 16Dan zal het niet meer het vertrouwen genieten van het huis van Israël, [een vertrouwen] dat herinnert aan de ongerechtigheid van [de tijd] toen zij zich achter hen schaarden. Dan zullen zij weten dat Ik de Heere HEERE ben.

Dan zien we dat God in Zijn genade ook voorziet in een overblijfsel van Egypte (vers 1313Maar, zo zegt de Heere HEERE: Na verloop van veertig jaar zal Ik de Egyptenaren bijeenbrengen uit de volken waaronder zij verspreid zijn.). Zijn genade is niet beperkt tot Zijn volk, maar Hij betoont die ook aan Egypte (Js 19). Hij kondigt een terugkeer aan van Egyptenaren die Hij uit de verstrooiing zal terugbrengen naar hun land van oorsprong, Pathros (vers 1414Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van de Egyptenaren en hen terugbrengen naar het land Pathros, naar het land van hun oorsprong. Daar zullen zij dan een onbeduidend koninkrijk zijn.). Het zullen er niet veel zijn. De teruggekeerden zullen samen slechts een onbeduidend koninkrijk zijn. Ze zullen zo “onbeduidend” zijn, dat ze zich niet boven andere volken zullen kunnen verheffen en ze zullen zo “klein” zijn, dat ze niet over andere volken zullen kunnen heersen (vers 1515Het zal onbeduidender zijn dan de [andere] koninkrijken en het zal zich niet meer boven de heidenvolken verheffen. Ik zal hen namelijk [zo] klein maken dat zij niet over de heidenvolken kunnen heersen.). Egypte zal van zo weinig betekenis zijn, dat het als wereldmacht zal hebben afgedaan.

De grootheid en het machtsvertoon van Egypte zullen verdwenen zijn. Daardoor zal Egypte voor Israël niet meer een verzoeking vormen om er steun te zoeken, zoals ze dat vroeger hebben gedaan (vers 1616Dan zal het niet meer het vertrouwen genieten van het huis van Israël, [een vertrouwen] dat herinnert aan de ongerechtigheid van [de tijd] toen zij zich achter hen schaarden. Dan zullen zij weten dat Ik de Heere HEERE ben.). Dat zoeken van steun bij Egypte is voor Israël een ongerechtigheid geweest. Die ongerechtigheid zullen ze niet meer begaan en Egypte zal weten dat Hij de Heere HEERE is Die alles ten goede doet keren.


Egypte als loon voor Nebukadrezar

17Verder gebeurde het in het zevenentwintigste jaar, in de eerste [maand], op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam: 18Mensenkind, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn leger zwaar werk laten verrichten tegen Tyrus. Elk hoofd is kaalgeschoren en elke schouder kapotgeschaafd. Hij en zijn leger hebben van Tyrus echter geen loon gekregen voor het werk dat hij daartegen verricht heeft. 19Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Nebukadrezar, de koning van Babel, het land Egypte geven. Hij zal zijn overvloed wegvoeren, zijn roofgoed plunderen en zijn buit roven. Dat zal het loon zijn voor zijn leger. 20[Als] zijn arbeidsloon heb Ik hem, omdat hij [zwaar werk] daartegen verricht heeft, het land Egypte gegeven, omdat zij [het] voor Mij gedaan hebben, spreekt de Heere HEERE. 21Op die dag zal Ik voor het huis van Israël een hoorn doen opkomen en zal Ik u in hun midden een geopende mond geven. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël met de datum erbij waarop dit gebeurt (vers 1717Verder gebeurde het in het zevenentwintigste jaar, in de eerste [maand], op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:). Het is zestien jaar later dan de vorige profetie (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij in het tiende jaar, in de tiende [maand], op de twaalfde van de maand:). De HEERE deelt Ezechiël mee hoe Hij de inspanningen van Nebukadrezar in zijn strijd tegen Tyrus waardeert (vers 1818Mensenkind, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn leger zwaar werk laten verrichten tegen Tyrus. Elk hoofd is kaalgeschoren en elke schouder kapotgeschaafd. Hij en zijn leger hebben van Tyrus echter geen loon gekregen voor het werk dat hij daartegen verricht heeft.). De legers van Nebukadrezar hebben zwaar werk gedaan in het uitvoeren van Zijn oordelen over Tyrus. De belegering van Tyrus is zwaar werk geweest omdat het een eilandstad betreft en heeft ook heel lang geduurd. Door het aandragen van de belegeringswerktuigen zijn de hoofden kaal geworden en de schouders kapotgeschaafd.

Voor al dit zware en vele werk hebben ze naar verhouding maar weinig loon gekregen, minder dan de HEERE dit werk waard acht. Er is wel verondersteld dat door de langdurige belegering de inwoners van Tyrus veel van hun rijkdommen in veiligheid hebben kunnen brengen, waardoor er relatief weinig buit is overgebleven bij de val van de stad. Daarom bepaalt de HEERE dat er nog loon bijbetaald moet worden. Dat geeft Hij in de vorm van de verovering van Egypte dat door Nebukadrezar van zijn overvloed mag worden beroofd (vers 1919Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Nebukadrezar, de koning van Babel, het land Egypte geven. Hij zal zijn overvloed wegvoeren, zijn roofgoed plunderen en zijn buit roven. Dat zal het loon zijn voor zijn leger.; vgl. Js 43:33Want Ik ben de HEERE, uw God,
de Heilige van Israël, uw Heiland.
Ik heb Egypte als losgeld voor u gegeven,
Cusj en Seba in uw plaats.
)
.

De HEERE vermeldt extra dat de belegering en verwoesting van Tyrus door Nebukadrezar een werk is geweest dat Nebukadrezar voor Hem heeft gedaan (vers 2020[Als] zijn arbeidsloon heb Ik hem, omdat hij [zwaar werk] daartegen verricht heeft, het land Egypte gegeven, omdat zij [het] voor Mij gedaan hebben, spreekt de Heere HEERE.). Daarom geeft de HEERE hem het land Egypte. Egypte wordt door de Babyloniërs veroverd.

Voor ons is hier een bemoediging. Als God de koning van Babel beloont voor werk dat hij onwetend en uit eigen belang heeft gedaan, hoeveel te meer zal de Heer Jezus ons belonen als we Hem bewust en voor Zijn belang dienen.

De profetie tegen Egypte loopt uit op een heilsbelofte voor Israël (vers 2121Op die dag zal Ik voor het huis van Israël een hoorn doen opkomen en zal Ik u in hun midden een geopende mond geven. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.; vgl. Ez 28:25-2625Zo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis van Israël bijeengebracht heb uit de volken waaronder zij verspreid zijn, en Ik door hen voor de ogen van de heidenvolken geheiligd word, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik Mijn dienaar Jakob gegeven heb.26Zij zullen er onbezorgd wonen, huizen bouwen en wijngaarden planten. Ja, zij zullen [er] onbezorgd wonen, zodra Ik strafgerichten heb voltrokken aan allen die hen verachten onder hen die hen omringen. Dan zullen zij weten dat Ik, de HEERE, hun God ben.). “Op die dag”, dat is de dag van oordeel over de volken, zal de HEERE iets voor Israël doen wat voor hen die dag tot een dag van behoudenis maakt: Hij zal voor hen “een hoorn doen opkomen”. Deze hoorn – een beeld van kracht – verwijst naar de Heer Jezus (Lk 1:6969en heeft een hoorn van behoudenis voor ons opgericht in [het] huis van Zijn knecht David).

De vervulling van de profetie zal Ezechiël in het gelijk stellen met betrekking tot alles wat hij heeft aangekondigd. Het zal hem des te meer bemoedigen zijn mond te openen om te spreken wat de HEERE heeft gezegd.

In profetische zin zullen allen die onder de heerschappij van de Heer Jezus staan, wanneer Hij regeert hun mond opendoen om van Hem te getuigen. Ze zullen weten en laten weten dat Hij de HEERE is.


Lees verder