Ezechiël
Inleiding 1-5 De hoogmoed van de vorst van Tyrus 6-10 Het oordeel over de vorst van Tyrus 11-19 Klaaglied over de koning van Tyrus 20-24 Het oordeel over Sidon 25-26 Belofte van herstel voor Israël
Inleiding

Het gedeelte Ezechiël 26-27 spreekt over de stad Tyrus. In Ezechiël 28 gaat het over de vorst van Tyrus. Voor het oog heeft Tyrus een vorst die de stad leidt, maar achter die man is een geestelijke, demonische macht die hem inspireert. Er is een nauwe band tussen de vorst en die geestelijke macht. De vorst is de zichtbare vertegenwoordiger van deze demonische macht die als godheid wordt vereerd.

De combinatie van een menselijke vorst met achter hem een demonische macht die hem bestuurt, zien we ook bij de koning van Babel. De demonische macht achter de koning van Babel is de satan zelf (Js 14:12-1512Hoe bent u uit de hemel gevallen,
morgenster, zoon van de dageraad!
U ligt geveld op de aarde,
overwinnaar over de heidenvolken!
13En ú zei in uw hart:
Ik zal opstijgen naar de hemel;
tot boven Gods sterren
zal ik mijn troon verheffen,
ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting
aan de noordzijde.
14Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten,
ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste.
15Echter, u bent in het rijk van de dood neergestort,
in het diepst van de kuil!
)
. Een ander voorbeeld, dat nog toekomst is, is het beest, de dictator van Europa in het boek Openbaring, die door de satan wordt bestuurd (Op 13:1-91En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.2En het beest dat ik zag was aan een luipaard gelijk, en zijn poten waren als die van een beer en zijn muil als [de] muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn macht en zijn troon en groot gezag.3En [ik zag] een van zijn koppen als tot [de] dood geslagen, en zijn dodelijke wond werd genezen; en de hele aarde ging met verbazing het beest achterna.4En zij aanbaden de draak, omdat hij het gezag aan het beest had gegeven, en zij aanbaden het beest en zeiden: Wie is aan het beest gelijk, en wie kan er oorlog tegen voeren?5En hem werd een mond gegeven die grote dingen en lasteringen sprak; en hem werd gezag gegeven om te handelen, tweeënveertig maanden.6En hij opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om Zijn Naam te lasteren en Zijn tabernakel <en> hen die in de hemel wonen.7En hem werd gegeven oorlog te voeren tegen de heiligen en hen te overwinnen; en hem werd gezag gegeven over elk geslacht en volk en taal en natie.8En allen die op de aarde wonen, zullen hem aanbidden, [ieder] wiens naam, van [de] grondlegging van [de] wereld af, niet geschreven staat in het boek van het leven van het Lam Dat geslacht is.9Als iemand een oor heeft, laat hij horen.). Achter een aardse vorst die met God geen rekening houdt, rijst een demonische macht op.


De hoogmoed van de vorst van Tyrus

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart hoogmoedig is geworden en u zegt: Ik ben God, ik zit op de zetel van God in het hart van de zeeën – terwijl u een mens bent en geen God – geeft u uw hart uit voor het hart van God. 3Zie, u bent wijzer dan Daniël, geen enkel geheim hebben zij voor u verborgen gehouden. 4Door uw wijsheid en door uw inzicht hebt u zich een vermogen verworven en gezorgd voor goud en zilver in uw schatkamers. 5Door uw grote wijsheid in uw handel hebt u uw vermogen vermeerderd en is uw hart hoogmoedig geworden vanwege uw vermogen.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij moet het woord van de HEERE tegen de vorst van Tyrus spreken (vers 22Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart hoogmoedig is geworden en u zegt: Ik ben God, ik zit op de zetel van God in het hart van de zeeën – terwijl u een mens bent en geen God – geeft u uw hart uit voor het hart van God.). God doorgrondt het hart van die man en ziet dat daarin de ergste hoogmoed van Tyrus zit. Hij is de verpersoonlijking van de stad. Zijn hoogmoed is dat hij van zichzelf zegt dat hij God is en dat hij als God de wereldhandel bestuurt. Hij waant zich in zijn eilandstad als in een godenwoning op een godenberg, onaantastbaar voor mensen en volkomen veilig.

God herinnert hem eraan dat hij niet meer dan een mens is en geen God. Ondanks dat, is hij zo hoogmoedig, dat hij zijn hart uitgeeft voor het hart van God. Hij neemt in hoogmoed de plaats van God in en meent autonoom te kunnen handelen, zonder van iemand afhankelijk te zijn. Hij is volkomen zelfgenoegzaam. Zelfgenoegzaamheid is de typische zonde van de groten van de aarde die in de mens van de zonde, de antichrist, zijn opperste weergave zal krijgen (2Th 2:3-83Laat niet iemand u op enigerlei wijze bedriegen, want [die komt niet] als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,4die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.5Herinnert u zich niet dat ik u dit gezegd heb, toen ik nog bij u was?6En nu, u weet wat [hem] tegenhoudt, opdat hij geopenbaard wordt op zijn eigen tijd.7Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al. Alleen Hij Die nu tegenhoudt, [blijft] totdat Hij weggenomen wordt.8En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer <Jezus> zal verteren door de adem van Zijn mond en tenietdoen door de verschijning van Zijn komst;).

Het is opmerkelijk dat God van de vorst van Tyrus zegt dat hij een bijzonder wijze man is, zelfs wijzer dan Daniël (vers 33Zie, u bent wijzer dan Daniël, geen enkel geheim hebben zij voor u verborgen gehouden.; Dn 1:2020[In] alle zaken [waar het aankomt op] een wijs inzicht, waarover de koning hen ondervroeg, vond hij hen tienmaal beter dan alle magiërs [en] bezweerders die er in heel zijn koninkrijk waren.; 5:11,12,1411Er is een man in uw koninkrijk in wie de geest van de heilige goden is, want in de dagen van uw vader is bij hem licht, verstand en wijsheid gevonden, zoals de wijsheid van goden. Daarom stelde koning Nebukadnezar, uw vader, hem aan als hoofd van de magiërs, de bezweerders, de Chaldeeën [en] de toekomstvoorspellers – uw [eigen] vader, o koning!12Want er werd een uitzonderlijke geest, kennis en verstand om dromen uit te leggen, onthulling van raadsels en ontwarring van knopen in hem gevonden, [namelijk] in Daniël, die de koning de naam Beltsazar had gegeven. Laat nu Daniël geroepen worden, zodat hij de uitleg [ervan] te kennen zal geven.14Ik heb namelijk over u gehoord dat de geest van goden in u is, en dat in u licht, verstand en uitzonderlijke wijsheid gevonden worden.). De vorst van Tyrus matigt zich niet aan wijs te zijn, hij is het. God heeft hem met die bijzondere wijsheid begiftigd. Alleen heeft hij die wijsheid niet op de manier van Daniël gebruikt. Hij heeft zijn buitengewone capaciteiten tot zijn eigen eer en roem gebruikt, zonder enige gedachte aan nederigheid in het besef dat God hem die wijsheid gegeven heeft.

De vorst van Tyrus heeft de hem verleende wijsheid ingezet om egoïstische doelen na te streven (vers 44Door uw wijsheid en door uw inzicht hebt u zich een vermogen verworven en gezorgd voor goud en zilver in uw schatkamers.). Hij heeft zijn wijsheid en inzicht gebruikt om zijn rijkdom te vergroten, om vermogen te verwerven en zijn schatkamers met goud en zilver te vullen. Door slim te handelen is zijn vermogen vermeerderd (vers 55Door uw grote wijsheid in uw handel hebt u uw vermogen vermeerderd en is uw hart hoogmoedig geworden vanwege uw vermogen.). Maar met het vermeerderen van zijn vermogen is ook zijn hoogmoed toegenomen. Zijn rijkdom heeft hem door en door verdorven. In zijn handel is hij niet alleen slim, maar ook oneerlijk geweest (vers 1818Vanwege de overvloed van uw ongerechtigheden door uw oneerlijke handel
ontheiligde u uw heiligdommen.
Daarom deed Ik een vuur uit uw midden oplaaien,
[en] dat verteerde u.
Ik maakte u tot [een hoop] as op de grond
voor de ogen van allen die naar u keken.
)
. Wie los van God handelt, denkt alleen aan zichzelf en zal altijd met leugen en bedrog werken.


Het oordeel over de vorst van Tyrus

6Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u uw hart uitgeeft voor het hart van God, 7daarom, zie, Ik ga vreemden over u brengen, de gewelddadigste van de heidenvolken. Zij zullen hun zwaarden trekken tegen de schoonheid van uw wijsheid en zij zullen uw luister ontheiligen. 8Zij zullen u in het graf doen neerdalen en u zult de dood van een dodelijk gewonde sterven in het hart van de zeeën. 9Zult u werkelijk in de tegenwoordigheid van uw moordenaar blijven zeggen: Ik ben God, terwijl u een mens bent en geen God, [en u] zich in de macht bevindt van hem die u verslaat? 10U zult de dood van onbesnedenen sterven door de hand van vreemden, want Ík heb gesproken, spreekt de Heere HEERE.

Omdat de vorst van Tyrus zo hoogmoedig is geworden dat hij zegt dat hij God is, zal het oordeel van de Heere HEERE hem treffen (verzen 2,6-72Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart hoogmoedig is geworden en u zegt: Ik ben God, ik zit op de zetel van God in het hart van de zeeën – terwijl u een mens bent en geen God – geeft u uw hart uit voor het hart van God.6Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u uw hart uitgeeft voor het hart van God,7daarom, zie, Ik ga vreemden over u brengen, de gewelddadigste van de heidenvolken. Zij zullen hun zwaarden trekken tegen de schoonheid van uw wijsheid en zij zullen uw luister ontheiligen.; vgl. Hd 12:21-2321Op een vastgestelde dag nu hield Herodes, na een koninklijk gewaad te hebben aangedaan <en> gezeten op de rechterstoel, een toespraak tot hen.22En het volk riep hem toe: Een stem van God en niet van een mens!23En onmiddellijk sloeg een engel van [de] Heer hem, omdat hij God niet de heerlijkheid gaf; en hij werd door wormen gegeten en stierf.). God zal de Babyloniërs over hem brengen die hem gewelddadig zullen behandelen. Dan zal zijn wijsheid geen uitweg weten en zijn luister zal ontheiligd worden. Er zal niets overblijven van zijn aangematigde goddelijke status.

De vernedering zal tot de diepte van het graf en de dood van het dodenrijk zijn (vers 88Zij zullen u in het graf doen neerdalen en u zult de dood van een dodelijk gewonde sterven in het hart van de zeeën.). De plaats waar hij zich als God heeft gevoeld en gedragen – het hart van de zeeën (vers 22Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart hoogmoedig is geworden en u zegt: Ik ben God, ik zit op de zetel van God in het hart van de zeeën – terwijl u een mens bent en geen God – geeft u uw hart uit voor het hart van God.) –, is de plaats waar hij de dood zal sterven. Dan is het over en uit met zijn voor God spelen. De HEERE houdt hem de vraag voor of hij, als hij oog in oog staat met zijn moordenaar, zal volhouden te beweren dat hij God is (vers 99Zult u werkelijk in de tegenwoordigheid van uw moordenaar blijven zeggen: Ik ben God, terwijl u een mens bent en geen God, [en u] zich in de macht bevindt van hem die u verslaat?). Wat voor een waardeloze god zal hij blijken te zijn als hij in de macht is van hem die hem heeft verslagen. Hij zal een verachtelijke dood sterven omdat de Heere HEERE het gesproken heeft (vers 1010U zult de dood van onbesnedenen sterven door de hand van vreemden, want Ík heb gesproken, spreekt de Heere HEERE.). Daar zal niemand iets aan kunnen veranderen.

Het willen zijn als God heeft de zondeval veroorzaakt (Gn 3:5-65Maar God weet dat, op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en [dat] u als God zult zijn, goed en kwaad kennend.6En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook [wat] aan haar man, die bij haar was, en hij at [ervan].). De begeerte om als God te zijn is sinds dat moment in de mens aanwezig. Wie zonder God leeft, zoekt voortdurend naar mogelijkheden om aan die begeerte te voldoen. Het hele wereldsysteem, dat in de macht van de satan is, rust op de aanmatiging aan God gelijk te kunnen zijn. De mens waant zich God en meent alles in de hand te hebben en alles te kunnen besturen; en hij zoekt naar wegen en middelen om dat steeds beter te kunnen. De tragiek van de mens is dat hij voortdurend meent uiteindelijk alles onder controle te kunnen krijgen. God zal die hoogmoed oordelen door de hoogmoedige te vernederen en te straffen met de dood, de hel. De hel zal vol zijn met mensen die zich allemaal op de een of andere manier God hebben gewaand.


Klaaglied over de koning van Tyrus

11Het woord van de HEERE kwam tot mij: 12Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus, en zeg tegen hem: Zo zegt de Heere HEERE:
U, toonbeeld van volkomenheid,
vol wijsheid en volmaakt van schoonheid,
13u was in Eden, de hof van God.
Allerlei edelgesteente was uw sieraad:
robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx
en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud.
Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u.
Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed.
14U was een cherub die [zijn vleugels] beschermend uitspreidt.
[Daarvoor] heb Ik u aangesteld.
U was op Gods heilige berg,
u wandelde te midden van vurige stenen.
15Volmaakt was u in uw wegen,
vanaf de dag dat u geschapen werd,
totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd.
16Door de overvloed van uw handel
vulde men uw midden met geweld,
en ging u zondigen.
Daarom verbande Ik u van de berg van God,
en deed Ik u verdwijnen, beschermende cherub,
uit het midden van de vurige stenen.
17Vanwege uw schoonheid werd uw hart hoogmoedig,
u richtte uw wijsheid te gronde vanwege uw luister.
Ik wierp u ter aarde, Ik stelde u voor koningen,
opdat zij op u neer zouden zien.
18Vanwege de overvloed van uw ongerechtigheden door uw oneerlijke handel
ontheiligde u uw heiligdommen.
Daarom deed Ik een vuur uit uw midden oplaaien,
[en] dat verteerde u.
Ik maakte u tot [een hoop] as op de grond
voor de ogen van allen die naar u keken.
19Allen onder de volken die u kennen, zijn ontzet over u.
U bent een voorwerp van verschrikking geworden
en u zult niet [meer] bestaan tot in eeuwigheid.

Als de HEERE het oordeel over de vorst van Tyrus heeft beschreven, spreekt Hij weer tot Ezechiël (vers 1111Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij geeft hem de opdracht een klaaglied aan te heffen over de vorst van Tyrus, die Hij nu “de koning” van Tyrus noemt (vers 1212Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus, en zeg tegen hem: Zo zegt de Heere HEERE:
U, toonbeeld van volkomenheid,
vol wijsheid en volmaakt van schoonheid,
)
. Hij geeft hem ook de woorden van dit klaaglied die hij namens Hem tegen de koning van Tyrus moet uitspreken.

Eerst wordt aan de koning voorgehouden welke voorrechten hij allemaal heeft gekregen (verzen 12-1512Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus, en zeg tegen hem: Zo zegt de Heere HEERE:
U, toonbeeld van volkomenheid,
vol wijsheid en volmaakt van schoonheid,
13u was in Eden, de hof van God.
Allerlei edelgesteente was uw sieraad:
robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx
en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud.
Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u.
Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed.
14U was een cherub die [zijn vleugels] beschermend uitspreidt.
[Daarvoor] heb Ik u aangesteld.
U was op Gods heilige berg,
u wandelde te midden van vurige stenen.
15Volmaakt was u in uw wegen,
vanaf de dag dat u geschapen werd,
totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd.
)
. Achter de beschrijving van deze koning in zijn volkomenheid in wijsheid en schoonheid doemt de bovennatuurlijke gestalte van de satan op. De koning van Tyrus kan met de satan geïdentificeerd worden. Daarom kan er ook worden verwezen naar Eden, de hof van God, als een plaats waar hij aanwezig is geweest (vers 1313u was in Eden, de hof van God.
Allerlei edelgesteente was uw sieraad:
robijn, topaas en diamant, turkoois, onyx
en jaspis, saffier, smaragd, beril en goud.
Het werk van uw tamboerijnen en uw fluiten was bij u.
Op de dag dat u geschapen werd, waren ze gereed.
)
. Daarbij zullen we niet moeten denken aan het paradijs op aarde (Gn 2-3) – want daar is hij als de slang gekomen –, maar aan Gods hof in de hemel.

Bijna alle edelstenen die hier genoemd worden, vinden we ook in de eerste, tweede en vierde rij op de borsttas van de hogepriester (Ex 28:17-2017Dan moet u hem opvullen met een [edel]steenvulling, vier rijen [edel]stenen: een rij van een robijn, een topaas en een karbonkel; [dit is] de eerste rij.18De tweede rij: een smaragd, een saffier en een diamant.19De derde rij: een hyacint, een agaat en een amethist.20Ten slotte de vierde rij: een turkoois, een onyx en een jaspis; ze moeten in hun zettingen in goud gevat zijn.). De volgorde is daar anders en de drie stenen die in de derde rij op de borsttas worden genoemd (Ex 28:1919De derde rij: een hyacint, een agaat en een amethist.), ontbreken hier. Het gaat niet om een vergelijking met de functie van de hogepriester, maar om de schittering van de positie die door de edelstenen wordt weergegeven.

Deze pracht maakt op een Jood en vooral op een priester – en dat is Ezechiël – grote indruk. Daarbij komt dat dat zijn hele persoon bedekt is met edelgesteente, dat wil zeggen heerlijkheid uitstraalt, en niet, zoals bij de hogepriester, slechts een deel van zijn persoon. De tamboerijnen en fluiten symboliseren feestelijke blijdschap (Gn 31:2727Waarom ben je heimelijk gevlucht en heb je mij bedrogen en mij niets verteld? Ik zou je uitgeleide gedaan hebben met blijdschap en liederen, met tamboerijn en harp.; 1Sm 10:55Daarna zult u op de heuvel van God komen, waar garnizoenen van de Filistijnen liggen. En het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, dat u een groep profeten tegen zult komen, die van de hoogte afkomt. Zij hebben luiten, tamboerijnen, fluiten en harpen bij zich, en zijn aan het profeteren.).

De satan is van oorsprong een cherub, die door God is aangesteld met een speciale zorg voor Zijn heilige berg (vers 1414U was een cherub die [zijn vleugels] beschermend uitspreidt.
[Daarvoor] heb Ik u aangesteld.
U was op Gods heilige berg,
u wandelde te midden van vurige stenen.
)
. God heeft hem zijn volkomen schoonheid gegeven, evenals zijn functie en zijn muzikale capaciteiten. God heeft hem volmaakt geschapen, want God schept niets dat onvolmaakt is. Vanaf de dag dat deze cherub is geschapen, is hij ook volkomen in zijn wegen (vers 1515Volmaakt was u in uw wegen,
vanaf de dag dat u geschapen werd,
totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd.
)
. Hij doet wat God van hem verwacht, hij beantwoordt aan het doel waartoe God hem heeft geschapen. Het gaat allemaal goed. “Totdat” het moment komt waarop God ongerechtigheid in hem vindt.

De bevoorrechte, beschermende cherub wordt hoogmoedig op zijn positie (vers 1616Door de overvloed van uw handel
vulde men uw midden met geweld,
en ging u zondigen.
Daarom verbande Ik u van de berg van God,
en deed Ik u verdwijnen, beschermende cherub,
uit het midden van de vurige stenen.
)
en op alles wat God hem heeft gegeven. Al zijn handelingen zijn tot dan toe handelingen tot eer van God. Dat verandert wanneer hij onafhankelijk van God gaat handelen en dus tegen God in opstand komt. Dan komt er geweld in hem op en begint hij te zondigen. God kan hem dan niet meer in Zijn tegenwoordigheid handhaven en verwijdert hem van Zijn berg. De cherub die tot satan (satan betekent: tegenstander, aanvaller of aanklager) is geworden, wordt weggedaan uit het midden van de andere cherubs (dat zijn de “vurige stenen”). Dit is het moment waarvan geschreven staat: “Want de duivel zondigt van [het] begin af” (1Jh 3:8a8Wie de zonde doet, is uit de duivel, want de duivel zondigt van [het] begin af. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel zou verbreken.). Vanaf nu kan hij niet anders dan zondigen.

De oorzaak van de val van de satan is zijn hoogmoed (1Tm 3:66geen pasbekeerde, opdat hij niet, hoogmoedig geworden, in [hetzelfde] oordeel als de duivel valt.), veroorzaakt door zijn schoonheid (vers 1717Vanwege uw schoonheid werd uw hart hoogmoedig,
u richtte uw wijsheid te gronde vanwege uw luister.
Ik wierp u ter aarde, Ik stelde u voor koningen,
opdat zij op u neer zouden zien.
)
. Daardoor wordt ook zijn wijsheid te gronde gericht. Echte wijsheid is het vrezen van God, ofwel eerbied voor God, maar dat is er bij de satan vanaf dat ogenblik niet meer bij.

Het oordeel dat God over Tyrus voltrekt, laat niets van alle roem en welvaart van deze machtige koning over. Hij wordt ter aarde geworpen, en andere machthebbers, die hem eerst zo hebben bewonderd, kijken nu verachtelijk op hem neer. Tyrus is op een oneerlijke manier aan haar welvaart gekomen (vers 1818Vanwege de overvloed van uw ongerechtigheden door uw oneerlijke handel
ontheiligde u uw heiligdommen.
Daarom deed Ik een vuur uit uw midden oplaaien,
[en] dat verteerde u.
Ik maakte u tot [een hoop] as op de grond
voor de ogen van allen die naar u keken.
)
. De heiligdommen die ze in bezit heeft gehad, getuigen daarvan. Met heiligdommen kunnen haar paleizen zijn bedoeld, maar ook haar afgodstempels.

Beide plaatsen hebben “een overvloed van … ongerechtigheden” als kenmerk gehad, die ze heeft bedreven en die het gevolg zijn van haar “oneerlijke handel”. Tyrus heeft het vuur van het oordeel zelf veroorzaakt. Alle brandstof daarvoor heeft ze zelf verzameld. God hoeft het alleen maar aan te steken. Daardoor is de stad een hoop as geworden voor de ogen van allen die er naar kijken.

Allen die Tyrus kennen, zijn ontzet over de val van deze eens zo machtige, welvarende en indrukwekkende handelsstad (vers 1919Allen onder de volken die u kennen, zijn ontzet over u.
U bent een voorwerp van verschrikking geworden
en u zult niet [meer] bestaan tot in eeuwigheid.
)
. Van de val van Tyrus gaat een dreiging uit die verschrikking veroorzaakt. Het is een waarschuwing voor alle andere handelssteden om zich te realiseren dat er een God is Die alles ziet en beoordeelt. Voor Tyrus is het te laat om zich te bekeren. De stad is voor eeuwig te gronde gegaan.


Het oordeel over Sidon

20Het woord van de HEERE kwam tot mij: 21Mensenkind, richt uw blik op Sidon, en profeteer ertegen. 22Zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Sidon! Ik zal Mij in uw midden verheerlijken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, als Ik er strafgerichten voltrek en er geheiligd word. 23Ik zal de pest op [de stad] afsturen, en bloed op haar straten. De dodelijk gewonden zullen in haar midden vallen door het zwaard, [dat] van rondom tegen haar is. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben. 24Dan zal er voor het huis van Israël geen prikkende doorn of pijnlijke distel meer zijn onder allen die hen omringen [en] hen verachten. Dan zullen zij weten dat Ik de Heere HEERE ben.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 2020Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij moet zijn blik op Sidon richten en er dan tegen profeteren (vers 2121Mensenkind, richt uw blik op Sidon, en profeteer ertegen.). Sidon ligt ongeveer veertig kilometer ten noorden van Tyrus aan de kust van de Middellandse Zee. De Heere HEERE zegt tegen Sidon dat Hij Zich in haar midden zal verheerlijken (vers 2222Zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Sidon! Ik zal Mij in uw midden verheerlijken. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben, als Ik er strafgerichten voltrek en er geheiligd word.). Dat zal Hij doen door strafgerichten over Sidon te voltrekken. Daardoor zal Hij Zich aan haar bekendmaken als de HEERE.

De strafgerichten bestaan uit de pest die Hij in de stad zal brengen en uit het zwaard dat veel slachtoffers zal maken, zodat het bloed de straten vult (vers 2323Ik zal de pest op [de stad] afsturen, en bloed op haar straten. De dodelijk gewonden zullen in haar midden vallen door het zwaard, [dat] van rondom tegen haar is. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). Nog eens wijst de HEERE erop dat zij daardoor zullen weten dat Hij de HEERE is.

Sidon krijgt deze strafgerichten over zich heen omdat ze Israël heeft gehoond en bespot vanwege het oordeel dat God over Zijn volk heeft gebracht (vers 2424Dan zal er voor het huis van Israël geen prikkende doorn of pijnlijke distel meer zijn onder allen die hen omringen [en] hen verachten. Dan zullen zij weten dat Ik de Heere HEERE ben.). Het hoongelach en de verachting hebben gewerkt als prikkende dorens en pijnlijke distels. Ook andere volken om Israël heen hebben zich daaraan schuldig gemaakt. God zal al deze volken het zwijgen opleggen, terwijl er voor Israël herstel zal zijn. Dat laten de volgende verzen zien.

Het oordeel over Tyrus en Sidon betekent niet dat er geen genade is voor individuele personen in deze steden. Dat zien we in de evangeliën. De Heer Jezus is in de buurt van Tyrus en Sidon geweest (Mt 15:2121En Jezus ging vandaar weg en vertrok naar de streken van Tyrus en Sidon.; Mk 7:2424Hij nu stond vandaar op en ging weg naar het gebied van Tyrus <en Sidon>; en toen Hij een huis was binnengegaan, wilde Hij niet dat iemand het wist; Hij kon echter niet verborgen blijven.) en heeft de dochter genezen van een vrouw uit dat gebied (Mt 15:22-2822En zie, een Kananese vrouw die uit dat gebied kwam, riep de woorden: Erbarm U over mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is ernstig bezeten.23Hij antwoordde haar echter geen woord. En Zijn discipelen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem aldus: Stuur haar weg, want zij roept ons na.24Hij antwoordde echter en zei: Ik ben alleen gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.25Zij nu kwam en huldigde Hem en zei: Heer, help mij!26Hij echter antwoordde en zei: Het is niet juist het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.27Zij echter zei: Jawel, Heer, want ook de honden eten van de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.28Toen antwoordde Jezus en zei tot haar: O vrouw, groot is uw geloof; moge u gebeuren zoals u wilt. En haar dochter werd gezond van dat uur af.). Een ander voorbeeld is dat bij de grote volksmassa die naar Hem toekomt omdat ze van Hem hebben gehoord, ook mensen uit Tyrus en Sidon zijn (Mk 3:88en van Judéa en van Jeruzalem en van Iduméa en het Overjordaanse en rond Tyrus en Sidon, een grote volksmassa, hoorden wat Hij deed en kwamen naar Hem toe.).

De Heer merkt daarnaast op dat de steden waar Hij is geweest en die Zijn krachten hebben gezien, maar Hem verworpen hebben, zwaarder geoordeeld zullen worden dan Tyrus en Sidon (Mt 11:21-2221Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda, want als in Tyrus en Sidon de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, allang zouden zij zich in zak en as hebben bekeerd.22Ik zeg u evenwel: het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in [de] dag van [het] oordeel dan voor u.). Hiermee verklaart Hij ook dat de dag van het oordeel nog niet volledig voor de twee steden is aangebroken, hoewel ze inmiddels al veel oordeel over zich heen hebben gekregen.


Belofte van herstel voor Israël

25Zo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis van Israël bijeengebracht heb uit de volken waaronder zij verspreid zijn, en Ik door hen voor de ogen van de heidenvolken geheiligd word, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik Mijn dienaar Jakob gegeven heb. 26Zij zullen er onbezorgd wonen, huizen bouwen en wijngaarden planten. Ja, zij zullen [er] onbezorgd wonen, zodra Ik strafgerichten heb voltrokken aan allen die hen verachten onder hen die hen omringen. Dan zullen zij weten dat Ik, de HEERE, hun God ben.

Zoals zo vaak in de Schrift het geval is, zien we ook hier dat na het oordeel over de volken er zegen komt voor Israël. Terwijl de omliggende volken te gronde worden gericht, zal de HEERE het volk Israël bijeenbrengen uit de volken onder welke Hij hen in Zijn oordeel heeft verspreid (vers 2525Zo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis van Israël bijeengebracht heb uit de volken waaronder zij verspreid zijn, en Ik door hen voor de ogen van de heidenvolken geheiligd word, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik Mijn dienaar Jakob gegeven heb.). Dan zullen zij Hem heiligen, ze zullen Hem in hun midden de plaats geven die Hij zo lang al heeft willen hebben. De volken zullen het zien. Israël zal in zijn eigen land wonen. Het is het land dat de HEERE Zijn dienaar Jakob gegeven heeft.

Gods volk zal dan veilig en onbezorgd wonen, want hun God beschermt hen (vers 2626Zij zullen er onbezorgd wonen, huizen bouwen en wijngaarden planten. Ja, zij zullen [er] onbezorgd wonen, zodra Ik strafgerichten heb voltrokken aan allen die hen verachten onder hen die hen omringen. Dan zullen zij weten dat Ik, de HEERE, hun God ben.). Van de omringende volken zullen ze niets meer te vrezen hebben, want God heeft die volken geoordeeld aan het begin van het vrederijk. Die volken zullen hen niet meer aanvallen en zelfs niet meer bespotten. De strafgerichten hebben hen ertoe gebracht zich voor God neer te buigen en Zijn gezag te erkennen, al zal dat voor velen slechts huichelachtig zijn. Niemand zal echter meer kunnen ontkennen dat Hij, de HEERE, hun God is, dat Hij de God van Israël is. Om Hem gaat het. Hem te kennen is alles.


Lees verder