Ezechiël
Inleiding 1-3 De hoogmoed van Tyrus 4-11 Beschrijving van het schip 12-25 De handelsbetrekkingen 26-36 De schipbreuk
Inleiding

De HEERE is nog niet klaar met Tyrus. Naar aanleiding van de hoogmoed en zelfingenomenheid van Tyrus en de val die daarop volgt, moet Ezechiël een klaaglied aanheffen. Dit klaaglied krijgt in Ezechiël 28 een vervolg met het klaaglied over de koning van Tyrus.


De hoogmoed van Tyrus

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2En u, mensenkind, hef een klaaglied aan over Tyrus, 3en zeg tegen Tyrus, dat zetelt bij [de] toegangen naar de zee, dat met de volken handeldrijft in veel kustlanden: Zo zegt de Heere HEERE:
Tyrus, ú hebt gezegd:
Ik ben volmaakt in schoonheid.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij krijgt de opdracht een klaaglied over Tyrus aan te heffen (vers 22En u, mensenkind, hef een klaaglied aan over Tyrus,). Dat er in plaats van een jubel een klaaglied over de val van Tyrus moet worden aangeheven, laat zien dat God geen behagen heeft in de dood van de zondaar. Ezechiël moet tegen Tyrus zeggen wat de aanleiding voor dit klaaglied is (vers 33en zeg tegen Tyrus, dat zetelt bij [de] toegangen naar de zee, dat met de volken handeldrijft in veel kustlanden: Zo zegt de Heere HEERE:
Tyrus, ú hebt gezegd:
Ik ben volmaakt in schoonheid.
)
. Eerst noemt Hij de plaats van vestiging en dan haar bezigheden. Haar plaats is heel strategisch en haar bezigheden sluiten daarop aan. Tyrus is het centrum van wereldhandel van die dagen.

De ligging en bezigheden van Tyrus dienen maar één ding en dat is de eer en glorie van Tyrus zelf. Vol trots slaat ze zich op de borst en beroemt zich erop “volmaakt in schoonheid” te zijn (vgl. Ez 27:3,4,113en zeg tegen Tyrus, dat zetelt bij [de] toegangen naar de zee, dat met de volken handeldrijft in veel kustlanden: Zo zegt de Heere HEERE:
Tyrus, ú hebt gezegd:
Ik ben volmaakt in schoonheid.4Uw grenzen liggen in het hart van de zeeën.
Zij die u bouwden, maakten uw schoonheid volkomen.
11Arvadieten en Chelekieten waren rondom op uw muren,
en Gammadieten waren op uw torens.
Hun schilden hingen zij rondom aan uw muren.
Díe maakten uw schoonheid volkomen.
; 28:7,12,177daarom, zie, Ik ga vreemden over u brengen, de gewelddadigste van de heidenvolken. Zij zullen hun zwaarden trekken tegen de schoonheid van uw wijsheid en zij zullen uw luister ontheiligen.12Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus, en zeg tegen hem: Zo zegt de Heere HEERE:
U, toonbeeld van volkomenheid,
vol wijsheid en volmaakt van schoonheid,
17Vanwege uw schoonheid werd uw hart hoogmoedig,
u richtte uw wijsheid te gronde vanwege uw luister.
Ik wierp u ter aarde, Ik stelde u voor koningen,
opdat zij op u neer zouden zien.
)
. Ze matigt zich eigenschappen aan die God aan Jeruzalem verleent (Ps 48:2-32De HEERE is groot en zeer te prijzen,
in de stad van onze God, [op] Zijn heilige berg.
3Mooi van ligging,
een vreugde voor heel de aarde,
is de berg Sion [aan] de noordzijde,
de stad van de grote Koning!
; Ps 50:22Uit Sion, de volmaakte schoonheid,
verschijnt God blinkend.
; Ez 16:1414Van u ging een naam uit onder de heidenvolken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt door Mijn glorie, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.)
. Waar omstanders van Jeruzalem zeggen dat zij “volmaakt van schoonheid” is (Kl 2:1515Alle voorbijgangers hebben over u /samech/
de handen ineengeslagen.
Zij sisten [van afschuw] en schudden hun hoofd
over de dochter van Jeruzalem:
Is dit de stad waarvan men zei:
Volmaakt van schoonheid,
een vreugde voor heel de aarde?
)
, zegt Tyrus dat over zichzelf. Daarom moet God Tyrus oordelen, want “God weerstaat hoogmoedigen” (Jk 4:66Hij geeft echter grotere genade. Daarom zegt Hij: ‘God weerstaat hoogmoedigen, maar nederigen geeft Hij genade’.).


Beschrijving van het schip

4Uw grenzen liggen in het hart van de zeeën.
Zij die u bouwden, maakten uw schoonheid volkomen.
5[Van] cipressen uit Senir bouwden zij al uw [scheeps]vloeren,
ceders uit Libanon namen zij om masten voor u te maken.
6[Van] eiken van Basan maakten zij uw roeiriemen,
uw planken maakten zij [van] ivoor,
[ingelegd] in cipressen[hout],
uit de kustlanden van de Kittiërs.
7Uw zeildoek was van kleurrijk geborduurd fijn linnen uit Egypte,
om als banier voor u te dienen.
Uw dek[tent] was blauwpurper en roodpurper
uit de kustlanden van Elisa.
8[Als] roeiers had u de inwoners van Sidon en Arvad.
Uw wijzen, Tyrus, [die] in u waren, díe waren uw matrozen.
9De oudsten van Gebal en zijn wijzen waren bij u.
Zij dichtten de lekken in uw [schepen].
Alle zeeschepen en hun zeelieden kwamen bij u
om handel met u te drijven.
10Perzen, Lydiërs en Puteeërs dienden in uw leger als uw strijdbare mannen.
Schild en helm hingen zij bij u op. Díe vormden uw sieraad.
11Arvadieten en Chelekieten waren rondom op uw muren,
en Gammadieten waren op uw torens.
Hun schilden hingen zij rondom aan uw muren.
Díe maakten uw schoonheid volkomen.

In de verzen 4-114Uw grenzen liggen in het hart van de zeeën.
Zij die u bouwden, maakten uw schoonheid volkomen.
5[Van] cipressen uit Senir bouwden zij al uw [scheeps]vloeren,
ceders uit Libanon namen zij om masten voor u te maken.
6[Van] eiken van Basan maakten zij uw roeiriemen,
uw planken maakten zij [van] ivoor,
[ingelegd] in cipressen[hout],
uit de kustlanden van de Kittiërs.
7Uw zeildoek was van kleurrijk geborduurd fijn linnen uit Egypte,
om als banier voor u te dienen.
Uw dek[tent] was blauwpurper en roodpurper
uit de kustlanden van Elisa.
8[Als] roeiers had u de inwoners van Sidon en Arvad.
Uw wijzen, Tyrus, [die] in u waren, díe waren uw matrozen.
9De oudsten van Gebal en zijn wijzen waren bij u.
Zij dichtten de lekken in uw [schepen].
Alle zeeschepen en hun zeelieden kwamen bij u
om handel met u te drijven.
10Perzen, Lydiërs en Puteeërs dienden in uw leger als uw strijdbare mannen.
Schild en helm hingen zij bij u op. Díe vormden uw sieraad.
11Arvadieten en Chelekieten waren rondom op uw muren,
en Gammadieten waren op uw torens.
Hun schilden hingen zij rondom aan uw muren.
Díe maakten uw schoonheid volkomen.
beschrijft de HEERE de rijkdom van Tyrus in een gelijkenis. Hij vergelijkt Tyrus en haar ontwikkeling met een prachtig opgetuigd, luxueus schip dat in volle zee vaart met de wind vol in de zeilen. Dit beeld past goed bij de stad die op een rotseiland is gebouwd. Voor de bouw van het schip zijn kosten noch moeiten gespaard om haar “schoonheid volkomen” te maken (vers 44Uw grenzen liggen in het hart van de zeeën.
Zij die u bouwden, maakten uw schoonheid volkomen.
)
. Het is een prachtig schip. Er is echter een fataal gemis: de HEERE is niet aan boord. Daarom lijdt het ook schipbreuk, ondanks alle degelijke en fraaie materialen en alle vakbekwame stuurlui en ‘onderhoudstechnici’.

Het hout voor de vloeren komt van cipressen uit Senir (vers 55[Van] cipressen uit Senir bouwden zij al uw [scheeps]vloeren,
ceders uit Libanon namen zij om masten voor u te maken.
)
. De masten zijn gemaakt van cederhout uit Libanon. Cederhout is door koning Salomo gebruikt voor de betimmering van de binnenmuren van de tempel en voor de bouw van zijn eigen huis (1Kn 6:1515Ook bouwde hij de wanden van het huis vanbinnen met ceder[houten] planken. Van de vloer van het huis tot aan de wanden [ter hoogte] van het dak overdekte hij ze vanbinnen met hout. Hij overdekte de vloer van het huis met planken van cipressen.; 7:22En hij bouwde het huis van het Woud van de Libanon, honderd el in zijn lengte, vijftig el in zijn breedte en dertig el in zijn hoogte, met vier rijen van ceder[houten] pilaren, en ceder[houten] balken op de pilaren.). Alle bouwmaterialen worden met zorg uitgekozen en gebruikt. Voor de roeiriemen is eikenhout uit Basan gebruikt, terwijl voor de planken ivoor wordt gebruikt, dat wordt ingelegd in cipressenhout afkomstig uit de kustlanden van de Kittiërs (vers 66[Van] eiken van Basan maakten zij uw roeiriemen,
uw planken maakten zij [van] ivoor,
[ingelegd] in cipressen[hout],
uit de kustlanden van de Kittiërs.
)
.

Voor de zeilen wordt het beroemde Egyptische linnen gebruikt (vers 77Uw zeildoek was van kleurrijk geborduurd fijn linnen uit Egypte,
om als banier voor u te dienen.
Uw dek[tent] was blauwpurper en roodpurper
uit de kustlanden van Elisa.
)
. Dat kleurrijk geborduurd fijn linnen wordt normaal gebruikt voor kostbare kleding. Het maakt de zeilen tot een banier, een sierlijk wapperende vlag, die de voornaamheid van het schip vergroot. De dektenten of kajuiten, de slaapplaatsen voor de gewone matroos, zijn ook voorzien van de schitterendste stoffen uit de kustlanden van Elisa.

Ook de roeiers zijn met zorg geworven (vers 88[Als] roeiers had u de inwoners van Sidon en Arvad.
Uw wijzen, Tyrus, [die] in u waren, díe waren uw matrozen.
)
. De inwoners van Sidon en Arvad staan in die tijd bekend als uitnemende zeelieden. De matrozen zijn mannen die met wijsheid de zeeën bevaren. Zij kennen als geen ander de beste vaarroutes. Ook de onderhoudsdienst aan boord bestaat uit ervaren en vakbekwame mensen (vers 99De oudsten van Gebal en zijn wijzen waren bij u.
Zij dichtten de lekken in uw [schepen].
Alle zeeschepen en hun zeelieden kwamen bij u
om handel met u te drijven.
)
. Als er een lek is, weten zij dat direct en afdoende te dichten. Alle zeeschepen en hun bemanning willen maar wat graag langszij komen om met het vlaggenschip Tyrus handel te drijven. Om de florerende handel en welvaart te beschermen heeft Tyrus ook soldaten in dienst (verzen 10-1110Perzen, Lydiërs en Puteeërs dienden in uw leger als uw strijdbare mannen.
Schild en helm hingen zij bij u op. Díe vormden uw sieraad.
11Arvadieten en Chelekieten waren rondom op uw muren,
en Gammadieten waren op uw torens.
Hun schilden hingen zij rondom aan uw muren.
Díe maakten uw schoonheid volkomen.
)
. Daarmee menen ze hun volkomen schoonheid zeker te stellen.


De handelsbetrekkingen

12Tarsis deed zaken met u vanwege de overvloed aan allerlei bezittingen: voor zilver, ijzer, tin en lood verhandelden zij uw waren. 13Javan, Tubal en Mesech, díe waren uw handelaars. Zij leverden u slaven en koperen voorwerpen als handelswaar. 14Uit Beth-Togarma leverde men [werk]paarden, rijpaarden en muildieren voor uw waren. 15De Dedanieten dreven handel voor u. Veel kustlanden [verkochten] uw handelswaar. Ivoren slagtanden en ebbenhout gaven zij u als schatting terug. 16Syrië deed zaken met u vanwege het vele werk dat u leverde. Smaragden, roodpurper, en kleurrijk geborduurd werk, fijn linnen, koraal en robijnen leverden zij voor uw waren. 17Juda en het land Israël, díe waren uw handelaars in tarwe van Minnit, fijn meel, honing, olie en balsem, [die] zij als handelswaar aan u leverden. 18Damascus deed zaken met u vanwege het vele werk dat u leverde, vanwege de veelheid van allerlei bezittingen: wijn uit Chelbon en witte wol. 19Vedan en Javan leverden u handelswaar uit Uzal. Smeedijzer, kassia en kalmoes behoorden tot uw handelswaar. 20Dedan was uw handelaar in zadelkleden voor het [paard]rijden. 21Arabië en alle vorsten van Kedar, die deden zaken met u in lammeren, rammen en bokken. Daarin deden zij zaken met u. 22De handelaars van Sjeba en Raëma, díe waren uw handelaars in de allerbeste specerijen. Allerlei edelstenen en goud leverden zij [u] als uw waren. 23Haran, Kanne en Eden, de handelaars van Sjeba, Assur [en] Kilmad dreven handel met u. 24Zij waren op uw markten uw handelaars in pronkgewaden, in blauwpurperen mantels, [voorzien van] kleurrijk borduurwerk, in kleden van tweekleurige stof en in stevig gevlochten touwen. 25De schepen van Tarsis vervoerden uw handelswaar voor u.
Zo lag u vol en zeer zwaar bevracht
in het hart van de zeeën.

In de verzen 12-2512Tarsis deed zaken met u vanwege de overvloed aan allerlei bezittingen: voor zilver, ijzer, tin en lood verhandelden zij uw waren.13Javan, Tubal en Mesech, díe waren uw handelaars. Zij leverden u slaven en koperen voorwerpen als handelswaar.14Uit Beth-Togarma leverde men [werk]paarden, rijpaarden en muildieren voor uw waren.15De Dedanieten dreven handel voor u. Veel kustlanden [verkochten] uw handelswaar. Ivoren slagtanden en ebbenhout gaven zij u als schatting terug.16Syrië deed zaken met u vanwege het vele werk dat u leverde. Smaragden, roodpurper, en kleurrijk geborduurd werk, fijn linnen, koraal en robijnen leverden zij voor uw waren.17Juda en het land Israël, díe waren uw handelaars in tarwe van Minnit, fijn meel, honing, olie en balsem, [die] zij als handelswaar aan u leverden.18Damascus deed zaken met u vanwege het vele werk dat u leverde, vanwege de veelheid van allerlei bezittingen: wijn uit Chelbon en witte wol.19Vedan en Javan leverden u handelswaar uit Uzal. Smeedijzer, kassia en kalmoes behoorden tot uw handelswaar.20Dedan was uw handelaar in zadelkleden voor het [paard]rijden.21Arabië en alle vorsten van Kedar, die deden zaken met u in lammeren, rammen en bokken. Daarin deden zij zaken met u.22De handelaars van Sjeba en Raëma, díe waren uw handelaars in de allerbeste specerijen. Allerlei edelstenen en goud leverden zij [u] als uw waren.23Haran, Kanne en Eden, de handelaars van Sjeba, Assur [en] Kilmad dreven handel met u.24Zij waren op uw markten uw handelaars in pronkgewaden, in blauwpurperen mantels, [voorzien van] kleurrijk borduurwerk, in kleden van tweekleurige stof en in stevig gevlochten touwen.25De schepen van Tarsis vervoerden uw handelswaar voor u.
Zo lag u vol en zeer zwaar bevracht
in het hart van de zeeën.
wordt een indrukwekkende lijst gegeven van landen en steden waarmee Tyrus handelsbetrekkingen heeft gehad. Het laat de enorme invloed van Tyrus in een wijde omtrek zien. Midden in die lijst staan ook Juda en Israël (vers 1717Juda en het land Israël, díe waren uw handelaars in tarwe van Minnit, fijn meel, honing, olie en balsem, [die] zij als handelswaar aan u leverden.). De handelswaar bestaat uit alle mogelijke goederen waaraan maar iets te verdienen is, zoals voedsel, specerijen, stoffen, (edel)metalen, dieren en zelfs mensen (vgl. Op 18:33Want van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij hebben alle naties gedronken en de koningen van de aarde hebben met haar gehoereerd en de kooplieden van de aarde zijn rijk geworden door de macht van haar weelde.).

Handel als bezigheid of beroep is niet verkeerd. De Heer Jezus spoort ons aan om met onze middelen handel te drijven (Lk 19:12-1312Hij zei dan: Een man van hoge geboorte reisde naar een ver land om voor zich een koninkrijk te ontvangen en terug te keren.13Hij nu riep zijn tien slaven en gaf hun tien ponden en zei tot hen: Doet zaken totdat ik kom.). Dat geldt zowel in stoffelijk als in geestelijk opzicht. Voor ons gaat het erom dat we “geen schatten op de aarde” verzamelen, maar dat we “schatten in [de] hemel” verzamelen (Mt 6:19-2019Verzamelt u geen schatten op de aarde, waar mot en afvreter ze bederft en waar dieven inbreken en stelen;20maar verzamelt u schatten in [de] hemel, waar geen mot of afvreter ze bederft en waar dieven niet inbreken of stelen;).

De hele indrukwekkende tentoonstelling van luxe en welvaart in de bovenstaande verzen lijkt aan te geven dat niets het geluk van Tyrus kan verstoren. Haar welvaart kan alleen maar meer en beter worden. Tyrus zal echter ervaren hoe dwaas het is om op de onzekerheid van de rijkdom te vertrouwen (1Tm 6:17a17Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op [de] onzekerheid van [de] rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten,). Die dwaasheid zien we ook in de wereld, waar hoog wordt ingezet op economische groei. Het streven naar meer wordt een keer genadeloos afgestraft.

We zien in de gedetailleerde opsomming van handelsactiviteiten dat God alle wegen en alle handelingen van Tyrus kent. Hij weet waar ze is geweest en wat ze daar heeft gedaan. In de opsomming houdt Hij Tyrus voor dat Hij alles heeft gezien en ook dat ze alles puur uit eigen belang heeft gedaan en met een houding alsof zij God is. Zo zal God ieder mens confronteren met zijn daden en met zijn gezindheid en hem in overeenstemming daarmee oordelen (Op 20:1212En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.).


De schipbreuk

26Uw roeiers hebben u gebracht
op grote wateren,
de oostenwind heeft u gebroken
in het hart van de zeeën.
27Uw bezittingen, uw waren, uw handelswaar, uw zeelieden, uw matrozen, zij die de lekken in uw [schepen] dichtten, zij die handel met u dreven, al uw strijdbare mannen die bij u waren, [samen] met heel uw menigte, die in uw midden is, zullen vallen in het hart van de zeeën op de dag van uw val.
28Voor het geluid van het geschreeuw van uw matrozen
beven de opgezweepte golven.
29Allen die roeiriemen vastgrijpen,
dalen af uit hun schepen.
Zeelieden, alle matrozen van de zee:
zij staan aan land.
30Zij laten hun stem over u horen,
bitter schreeuwen zij,
stof werpen zij op hun hoofd,
zij wentelen zich in de as.
31Vanwege u scheren zij zich helemaal kaal
en omgorden zij zich met rouwgewaden.
Zij bewenen u, bitter van ziel,
[met] een bittere rouwklacht.
32Jammerend zullen zij een klaaglied over u aanheffen
en een weeklacht over u zingen:
Wie was als Tyrus, als de verwoeste,
in het midden van de zee?
33Toen uw waren van overzee kwamen,
verzadigde u veel volken.
Met uw vele bezittingen en uw handelswaar
maakte u de koningen van de aarde rijk.
34Nu ligt u in de waterdiepten,
gebroken door de zeeën;
uw handelswaar en heel uw menigte
zijn uit uw midden weggevallen.
35Alle bewoners van de kustlanden zijn ontzet over u,
en hun koningen rijzen de haren te berge,
[hun] gezichten staan verwrongen.
36Zij die zaken doen onder de volken,
sissen [van afschuw] over u.
U bent een voorwerp van verschrikking geworden,
en u zult niet [meer] bestaan tot in eeuwigheid.

De HEERE gebruikt het beeld van het schip voor Tyrus ook om het oordeel over haar voor te stellen (verzen 26-3626Uw roeiers hebben u gebracht
op grote wateren,
de oostenwind heeft u gebroken
in het hart van de zeeën.
27Uw bezittingen, uw waren, uw handelswaar, uw zeelieden, uw matrozen, zij die de lekken in uw [schepen] dichtten, zij die handel met u dreven, al uw strijdbare mannen die bij u waren, [samen] met heel uw menigte, die in uw midden is, zullen vallen in het hart van de zeeën op de dag van uw val.
28Voor het geluid van het geschreeuw van uw matrozen
beven de opgezweepte golven.
29Allen die roeiriemen vastgrijpen,
dalen af uit hun schepen.
Zeelieden, alle matrozen van de zee:
zij staan aan land.
30Zij laten hun stem over u horen,
bitter schreeuwen zij,
stof werpen zij op hun hoofd,
zij wentelen zich in de as.
31Vanwege u scheren zij zich helemaal kaal
en omgorden zij zich met rouwgewaden.
Zij bewenen u, bitter van ziel,
[met] een bittere rouwklacht.
32Jammerend zullen zij een klaaglied over u aanheffen
en een weeklacht over u zingen:
Wie was als Tyrus, als de verwoeste,
in het midden van de zee?
33Toen uw waren van overzee kwamen,
verzadigde u veel volken.
Met uw vele bezittingen en uw handelswaar
maakte u de koningen van de aarde rijk.
34Nu ligt u in de waterdiepten,
gebroken door de zeeën;
uw handelswaar en heel uw menigte
zijn uit uw midden weggevallen.
35Alle bewoners van de kustlanden zijn ontzet over u,
en hun koningen rijzen de haren te berge,
[hun] gezichten staan verwrongen.
36Zij die zaken doen onder de volken,
sissen [van afschuw] over u.
U bent een voorwerp van verschrikking geworden,
en u zult niet [meer] bestaan tot in eeuwigheid.
)
. De ondergang van Tyrus wordt voorgesteld door een schipbreuk die veroorzaakt is door een oostenwind (vers 2626Uw roeiers hebben u gebracht
op grote wateren,
de oostenwind heeft u gebroken
in het hart van de zeeën.
)
. De oostenwind is een beeld van Nebukadrezar die komt om Tyrus te verwoesten. De tegenstelling in dit vers is treffend. Het eerste deel beschrijft de handelingen van de mens, waar de roeiers van Tyrus toe in staat waren. In het tweede deel zien we Gods hand die in oordeel over Tyrus komt dat haar precies in het hart van haar trots treft.

Door de schipbreuk zullen het schip en de hele lading vergaan (vers 2727Uw bezittingen, uw waren, uw handelswaar, uw zeelieden, uw matrozen, zij die de lekken in uw [schepen] dichtten, zij die handel met u dreven, al uw strijdbare mannen die bij u waren, [samen] met heel uw menigte, die in uw midden is, zullen vallen in het hart van de zeeën op de dag van uw val.
)
. Er zal radeloosheid zijn bij allen die zich op het schip voor de welvaart van Tyrus hebben ingezet (verzen 28-3428Voor het geluid van het geschreeuw van uw matrozen
beven de opgezweepte golven.
29Allen die roeiriemen vastgrijpen,
dalen af uit hun schepen.
Zeelieden, alle matrozen van de zee:
zij staan aan land.
30Zij laten hun stem over u horen,
bitter schreeuwen zij,
stof werpen zij op hun hoofd,
zij wentelen zich in de as.
31Vanwege u scheren zij zich helemaal kaal
en omgorden zij zich met rouwgewaden.
Zij bewenen u, bitter van ziel,
[met] een bittere rouwklacht.
32Jammerend zullen zij een klaaglied over u aanheffen
en een weeklacht over u zingen:
Wie was als Tyrus, als de verwoeste,
in het midden van de zee?
33Toen uw waren van overzee kwamen,
verzadigde u veel volken.
Met uw vele bezittingen en uw handelswaar
maakte u de koningen van de aarde rijk.
34Nu ligt u in de waterdiepten,
gebroken door de zeeën;
uw handelswaar en heel uw menigte
zijn uit uw midden weggevallen.
)
. Het zal ontzetting veroorzaken bij allen die met haar handel hebben gedreven (vers 3535Alle bewoners van de kustlanden zijn ontzet over u,
en hun koningen rijzen de haren te berge,
[hun] gezichten staan verwrongen.
)
, terwijl de concurrenten met leedvermaak hun afschuw tonen (vers 3636Zij die zaken doen onder de volken,
sissen [van afschuw] over u.
U bent een voorwerp van verschrikking geworden,
en u zult niet [meer] bestaan tot in eeuwigheid.
)
.

De wijzen van Tyrus (vers 88[Als] roeiers had u de inwoners van Sidon en Arvad.
Uw wijzen, Tyrus, [die] in u waren, díe waren uw matrozen.
)
die het schip hebben bestuurd, hebben de schipbreuk niet kunnen voorkomen. Alleen God kan wijsheid geven om door dit leven te gaan zonder dat er schipbreuk wordt geleden. In geestelijke zin kunnen christenen schipbreuk lijden aangaande hun geloof als ze een goed geweten van zich stoten (1Tm 1:1919terwijl je [het] geloof behoudt en een goed geweten, dat sommigen van zich hebben gestoten, waardoor zij aangaande het geloof schipbreuk hebben geleden.; Hd 24:1616Daarom oefen ik mij ook om altijd een onergerlijk geweten te hebben tegenover God en de mensen.).

Het geloof zal schipbreuk lijden als de materiële welvaart ons in haar greep krijgt en we ons geweten het zwijgen opleggen. Economische groei is ook vandaag het hoogste doel in het leven van talloze mensen. Dat voert tot een leven van onafhankelijkheid van God, wat in wezen hoogmoed is. En “hoogmoed komt vóór de val” (Sp 16:1818Trots komt vóór de ondergang,
en hoogmoed komt vóór de val.
)
.


Lees verder