Ezechiël
Inleiding 1-14 Het oordeel over Tyrus 15-21 Reactie op de val van Tyrus
Inleiding

Nadat de HEERE Zijn oordelen over de vijanden ten oosten en ten zuiden van Israël heeft uitgesproken, wendt Hij zich nu naar het noorden. Daar ligt Tyrus, in het tegenwoordige Libanon. De profetie over Tyrus is over drie hoofdstukken verdeeld. Elk hoofdstuk laat een bijzonder kenmerk zien van de grootheidswaanzin en hoogmoed van Tyrus. Het oordeel gaat over:
1. haar vreugde over de verbreking van Jeruzalem (Ezechiël 26);
2. haar hoogmoed en zelfingenomenheid (Ezechiël 27);
3. haar wijsheid en inzicht (Ezechiël 28).

We kunnen ons afvragen waarom Tyrus zoveel aandacht krijgt. De reden is dat Tyrus een grote gelijkenis vertoont met het grote Babylon, de grote geestelijk macht (Ezechiël 27; Openbaring 17-18). Tyrus verwijst naar die grote macht. In het verlengde van Babel ligt Rome, ook een handelsstad. Rome is de grote opvolger van Tyrus. Achter de koning van Tyrus zien we de persoon van de satan zelf (Ezechiël 28). Die persoon zien we ook bij het herstelde Romeinse rijk. Bij Tyrus gaat het profetisch om de grote macht van de satan in de eindtijd, zowel in godsdienstig als in politiek en economisch opzicht.


Het oordeel over Tyrus

1Het gebeurde in het elfde jaar, op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam: 2Mensenkind, omdat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Haha! Ze is verbroken, de poort van de volken! Haar [macht] is op mij overgegaan. Ik zal vol worden, [de stad] is verwoest, 3daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Tyrus! Ik zal vele heidenvolken tegen u laten opkomen, zoals de zee zijn golven laat opkomen. 4Die zullen de muren van Tyrus te gronde richten en zijn torens omverhalen. Ja, Ik zal zijn gruis van hem wegvegen en het tot een kale rots maken. 5Het zal een droogplaats voor sleepnetten worden, midden in de zee, want Ík heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE. Het zal een buit voor de heidenvolken worden, 6en zijn dochters die op het veld zijn, zullen met het zwaard gedood worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben. 7Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Nebukadrezar, de koning van Babel, de koning der koningen, uit het noorden naar Tyrus brengen, met paarden, strijdwagens en ruiters, en een verzamelde [strijdmacht] en veel volk. 8Hij zal uw dochters op het veld met het zwaard doden en een schans tegen u maken, een belegeringsdam tegen u opwerpen en schilden tegen u opheffen. 9Het beuken van zijn stormrammen richt hij tegen uw muren, en met zijn houwelen breekt hij uw torens af. 10Vanwege de menigte van zijn paarden, zal hun stof u overdekken. Uw muren zullen beven vanwege het geraas van ruiters, wielen en strijdwagens, wanneer hij door uw poorten zal binnentrekken, zoals men een opengebroken stad binnentrekt. 11Hij zal met de hoeven van zijn paarden al uw straten stuktrappen. Uw volk zal hij met het zwaard doden en uw sterke zuilen zullen ter aarde storten. 12Zij zullen uw vermogen roven, uw handelswaren plunderen, uw muren omverhalen en uw begerenswaardige huizen afbreken. Uw stenen, uw hout en uw gruis zullen zij midden in het water werpen. 13Ik zal het lawaai van uw liederen doen ophouden en het geluid van uw harpen zal niet meer gehoord worden. 14Ik zal u maken tot een kale rots. U zult een droogplaats voor sleepnetten worden. U zult niet meer herbouwd worden, want Ík, de HEERE, heb gesproken, spreekt de Heere HEERE.

De profetie over Tyrus is gedateerd (vers 11Het gebeurde in het elfde jaar, op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:). Dit elfde jaar is het jaar dat Jeruzalem is ingenomen door de Chaldeeën, het jaar van de verwoesting van Jeruzalem (2Kn 25:2-32Zo werd de stad belegerd, tot het elfde jaar van koning Zedekia.3Op de negende van de [vierde] maand, toen de hongersnood in de stad zo sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had,). Over die verwoesting verheugt Tyrus zich zeer (vers 22Mensenkind, omdat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Haha! Ze is verbroken, de poort van de volken! Haar [macht] is op mij overgegaan. Ik zal vol worden, [de stad] is verwoest,). Zij noemt Jeruzalem “de poort van de volken”. Jeruzalem is een geduchte handelsconcurrent van Tyrus, want Jeruzalem controleert de handelsroutes over land uit Egypte en Arabië naar Tyrus.

Nu die hindernis is weggevallen, kan Tyrus nog meer winst maken. Tyrus beroemt zich erop dat de controle over de handelsroutes die Jeruzalem bezat, nu op haar is overgegaan. Tyrus ziet de volle winst op zich afkomen. Zij zal vol worden van alle rijkdom omdat Jeruzalem gevallen is. Hier zien we dat liefde voor het geld, die een wortel is van alle kwaad (1Tm 6:10a10Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad. Door daarnaar te streven zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.), de goede betrekkingen van weleer (1Kn 5:11Hiram, de koning van Tyrus, stuurde zijn dienaren naar Salomo, want hij had gehoord dat men Salomo tot koning had gezalfd in de plaats van zijn vader. Hiram was namelijk alle dagen een vriend geweest van David.) vernietigt. Liefde voor het geld veroorzaakt hier zelfs vreugde over de verbreking en verwoesting van een vroegere vriend.

Een gedrag als dat van Tyrus wordt door de HEERE gehaat (Sp 17:5b5Wie de arme bespot, smaadt diens Maker,
wie zich verblijdt over [iemands] ongeluk, zal niet voor onschuldig gehouden worden.
)
. Omdat Tyrus zo vol egoïsme en geldzucht is, zal de HEERE de stad oordelen (vers 33daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Tyrus! Ik zal vele heidenvolken tegen u laten opkomen, zoals de zee zijn golven laat opkomen.). In vier profetieën volgen vier uiterst gedetailleerde en nauwkeurige voorzeggingen. Elk van deze profetieën begint met de woorden “zo zegt de Heere HEERE” (verzen 3-6,7-14,15-18,19-213daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Tyrus! Ik zal vele heidenvolken tegen u laten opkomen, zoals de zee zijn golven laat opkomen.4Die zullen de muren van Tyrus te gronde richten en zijn torens omverhalen. Ja, Ik zal zijn gruis van hem wegvegen en het tot een kale rots maken.5Het zal een droogplaats voor sleepnetten worden, midden in de zee, want Ík heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE. Het zal een buit voor de heidenvolken worden,6en zijn dochters die op het veld zijn, zullen met het zwaard gedood worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.7Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Nebukadrezar, de koning van Babel, de koning der koningen, uit het noorden naar Tyrus brengen, met paarden, strijdwagens en ruiters, en een verzamelde [strijdmacht] en veel volk.8Hij zal uw dochters op het veld met het zwaard doden en een schans tegen u maken, een belegeringsdam tegen u opwerpen en schilden tegen u opheffen.9Het beuken van zijn stormrammen richt hij tegen uw muren, en met zijn houwelen breekt hij uw torens af.10Vanwege de menigte van zijn paarden, zal hun stof u overdekken. Uw muren zullen beven vanwege het geraas van ruiters, wielen en strijdwagens, wanneer hij door uw poorten zal binnentrekken, zoals men een opengebroken stad binnentrekt.11Hij zal met de hoeven van zijn paarden al uw straten stuktrappen. Uw volk zal hij met het zwaard doden en uw sterke zuilen zullen ter aarde storten.12Zij zullen uw vermogen roven, uw handelswaren plunderen, uw muren omverhalen en uw begerenswaardige huizen afbreken. Uw stenen, uw hout en uw gruis zullen zij midden in het water werpen.13Ik zal het lawaai van uw liederen doen ophouden en het geluid van uw harpen zal niet meer gehoord worden.14Ik zal u maken tot een kale rots. U zult een droogplaats voor sleepnetten worden. U zult niet meer herbouwd worden, want Ík, de HEERE, heb gesproken, spreekt de Heere HEERE.15Zo zegt de Heere HEERE tegen Tyrus: Zullen de kustlanden niet beven bij het geluid van uw val, wanneer de dodelijk gewonde kermt, wanneer in uw midden een slachting wordt aangericht?16Alle vorsten van de zee zullen van hun tronen afdalen, hun mantels afleggen en hun kleurrijk geborduurde kleding uittrekken. Met verschrikkingen bekleed zullen zij op de grond zitten, elk ogenblik beven en over u ontzet zijn.17Dan zullen zij over u een klaaglied aanheffen en tegen u zeggen:
Hoe bent u uit de zeeën verdwenen,
[u], beroemde, [dicht]bevolkte stad,
die sterk was aan de zee,
zij en haar inwoners,
die schrik voor zich inboezemden
bij allen die [om] haar [heen] woonden!
18Nu beven de kustlanden
op de dag van uw val.
Geschrokken zijn de kustlanden, die aan de zee liggen,
vanwege uw ondergang.
19Want zo zegt de Heere HEERE: Wanneer Ik van u een verwoeste stad maak, als steden die niet bewoond worden, wanneer Ik een watervloed op u af laat komen en de grote wateren u zullen bedelven,20dan zal Ik u laten neerdalen met hen die in de kuil neerdalen, naar het volk van oude tijden af. Ik zal u laten verblijven in de onderste plaatsen van de aarde, bij hen die in de kuil zijn neergedaald, in de verwoeste plaatsen van weleer, zodat u niet bewoond wordt. En Ik zal het sieraad in het land van de levenden herstellen.21Ik zal van u een voorwerp van verschrikking maken en u zult niet [meer] bestaan. Wanneer u gezocht wordt, zult u voor eeuwig niet meer gevonden worden, spreekt de Heere HEERE.
)
.

Met de dreigende woorden “zie, Ik zál u, Tyrus”, voorzegt God dat Hij vele heidenvolken tegen Tyrus zal laten opkomen. Het opkomen van die volken vergelijkt Hij met een vloed of een tsunami: het opkomen van de golven van de zee. Zoals God de golven van de zee bestuurt, zo bestuurt Hij ook de volken. Die volken komen dit keer niet met vreedzame bedoelingen, om handel met Tyrus te drijven, maar om haar te verwoesten (vers 44Die zullen de muren van Tyrus te gronde richten en zijn torens omverhalen. Ja, Ik zal zijn gruis van hem wegvegen en het tot een kale rots maken.). De bescherming van Tyrus zal worden neergehaald en tot gruis worden. De trotse koophandelsstad, die op een rots midden in zee gebouwd is, die van mensen wemelt en pronkt met haar schatten, zal een kale rots worden waar niemand kan wonen.

Het enige waarvoor de rots midden in zee nog kan dienen, is om er netten te drogen (vers 55Het zal een droogplaats voor sleepnetten worden, midden in de zee, want Ík heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE. Het zal een buit voor de heidenvolken worden,). Zo zal het gebeuren, want de HEERE heeft het gesproken. Wat er aan welvaart opgestapeld is, zal als buit door de heidenvolken worden meegenomen. Zij die op het vaste land leven, de dochters die zich te goed doen aan de verkregen handelswelvaart, zullen met het zwaard gedood worden (vers 66en zijn dochters die op het veld zijn, zullen met het zwaard gedood worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). Zo zullen ze weten dat Hij de HEERE is.

In de tweede profetie vertelt de HEERE wie Hij als vijanden op Tyrus afstuurt: de troepen van Nebukadrezar, de koning van Babel (vers 77Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Nebukadrezar, de koning van Babel, de koning der koningen, uit het noorden naar Tyrus brengen, met paarden, strijdwagens en ruiters, en een verzamelde [strijdmacht] en veel volk.). Deze koning met zoveel macht dat God hem “een koning der koningen” noemt (Dn 2:3737U, o koning, bent een koning der koningen, want de God van de hemel heeft u het koningschap, macht, sterkte en eer gegeven.), is niets anders dan een instrument in Zijn hand, iemand die niets anders kan doen dan Zijn wil uitvoeren. Deze koning zal vanuit het noorden met een enorme strijdmacht tegen Tyrus optrekken. Het eerste wat hij zal doen, is “uw dochters op het veld met het zwaard doden”. Met de ”dochters” worden de steden en dorpen op het vaste land bedoeld die in de buurt van Tyrus liggen en van haar afhankelijk zijn (vers 88Hij zal uw dochters op het veld met het zwaard doden en een schans tegen u maken, een belegeringsdam tegen u opwerpen en schilden tegen u opheffen.). Daarna zal hij Tyrus met zwaar geschut belegeren. Na die belegering zal hij met geweld door de verdediging heen breken en de wachttorens afbreken (vers 99Het beuken van zijn stormrammen richt hij tegen uw muren, en met zijn houwelen breekt hij uw torens af.).

De menigte paarden die hij heeft, zal zoveel stof opwerpen, dat Tyrus erdoor bedekt zal worden (vers 1010Vanwege de menigte van zijn paarden, zal hun stof u overdekken. Uw muren zullen beven vanwege het geraas van ruiters, wielen en strijdwagens, wanneer hij door uw poorten zal binnentrekken, zoals men een opengebroken stad binnentrekt.). Wanneer Nebukadrezar met donderend geweld de poort van de stad binnenstormt, zal het dreunen van de paardenhoeven en strijdwagens de muren laten beven. De stad zal als een opengebroken stad in handen van de koning van Babel en zijn legers vallen. Wanneer ze in de stad zijn, zullen de straten door de paarden worden stukgetrapt (vers 1111Hij zal met de hoeven van zijn paarden al uw straten stuktrappen. Uw volk zal hij met het zwaard doden en uw sterke zuilen zullen ter aarde storten.). Er zal geen begaanbare weg overblijven. De inwoners zullen worden gedood en elke sterkte waar mensen zich hebben verschanst, zal ter aarde neerstorten.

De verzamelde rijkdommen zullen worden geroofd en alle handelswaar zal worden geplunderd (vers 1212Zij zullen uw vermogen roven, uw handelswaren plunderen, uw muren omverhalen en uw begerenswaardige huizen afbreken. Uw stenen, uw hout en uw gruis zullen zij midden in het water werpen.). Er zal niets van hun schatten voor henzelf overblijven. De muren die ze om hun huizen hebben gebouwd om hun kostbare villa’s te beschermen tegen inbrekers, zullen worden omvergehaald. Vervolgens worden hun begeerde optrekjes, waar ze zo trots op zijn, met de grond gelijkgemaakt. Het puin wordt midden in de zee gedumpt. Dat is het einde van al hun luxe.

Daarmee zal ook een einde zijn gekomen aan hun liederen die ze uitgalmen (vgl. Am 5:2323Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg,
en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!
)
en waarin ze bezingen hoe geweldig ze toch wel hebben geboerd (vers 1313Ik zal het lawaai van uw liederen doen ophouden en het geluid van uw harpen zal niet meer gehoord worden.). De harpen waarmee ze het zingen begeleiden, zwijgen, voor altijd. God heeft een einde aan hun gelal gemaakt.

Zo zal de HEERE Tyrus tot een kale rots maken, waar niets meer is en niemand meer woont (vers 1414Ik zal u maken tot een kale rots. U zult een droogplaats voor sleepnetten worden. U zult niet meer herbouwd worden, want Ík, de HEERE, heb gesproken, spreekt de Heere HEERE.). Het enige wat er nog kan gebeuren, is het te drogen leggen van sleepnetten. Nooit zal er meer iets van Tyrus op verrijzen. Omdat de HEERE het gezegd heeft, zal het zo zijn.


Reactie op de val van Tyrus

15Zo zegt de Heere HEERE tegen Tyrus: Zullen de kustlanden niet beven bij het geluid van uw val, wanneer de dodelijk gewonde kermt, wanneer in uw midden een slachting wordt aangericht? 16Alle vorsten van de zee zullen van hun tronen afdalen, hun mantels afleggen en hun kleurrijk geborduurde kleding uittrekken. Met verschrikkingen bekleed zullen zij op de grond zitten, elk ogenblik beven en over u ontzet zijn. 17Dan zullen zij over u een klaaglied aanheffen en tegen u zeggen:
Hoe bent u uit de zeeën verdwenen,
[u], beroemde, [dicht]bevolkte stad,
die sterk was aan de zee,
zij en haar inwoners,
die schrik voor zich inboezemden
bij allen die [om] haar [heen] woonden!
18Nu beven de kustlanden
op de dag van uw val.
Geschrokken zijn de kustlanden, die aan de zee liggen,
vanwege uw ondergang.
19Want zo zegt de Heere HEERE: Wanneer Ik van u een verwoeste stad maak, als steden die niet bewoond worden, wanneer Ik een watervloed op u af laat komen en de grote wateren u zullen bedelven, 20dan zal Ik u laten neerdalen met hen die in de kuil neerdalen, naar het volk van oude tijden af. Ik zal u laten verblijven in de onderste plaatsen van de aarde, bij hen die in de kuil zijn neergedaald, in de verwoeste plaatsen van weleer, zodat u niet bewoond wordt. En Ik zal het sieraad in het land van de levenden herstellen. 21Ik zal van u een voorwerp van verschrikking maken en u zult niet [meer] bestaan. Wanneer u gezocht wordt, zult u voor eeuwig niet meer gevonden worden, spreekt de Heere HEERE.

De derde profetie van de HEERE gaat over de reacties van de handelspartners op de val van Tyrus (vers 1515Zo zegt de Heere HEERE tegen Tyrus: Zullen de kustlanden niet beven bij het geluid van uw val, wanneer de dodelijk gewonde kermt, wanneer in uw midden een slachting wordt aangericht?). In de kustlanden, dat zijn de eilanden in en de landen om de Middellandse Zee waarmee Tyrus handel drijft, zal met ontzetting worden gereageerd op het bericht van de slachting die in Tyrus is aangericht. De vorsten van de kustlanden zullen diepe rouw bedrijven (vers 1616Alle vorsten van de zee zullen van hun tronen afdalen, hun mantels afleggen en hun kleurrijk geborduurde kleding uittrekken. Met verschrikkingen bekleed zullen zij op de grond zitten, elk ogenblik beven en over u ontzet zijn.). Het maakt wel duidelijk hoe groot de invloed van Tyrus als handelspartner is. Deze landen hebben hun welvaart aan Tyrus te danken en die welvaart zien ze nu ineens verdwijnen.

Ze zullen uiting geven aan hun egoïstisch verdriet door een klaaglied over Tyrus te zingen (vers 1717Dan zullen zij over u een klaaglied aanheffen en tegen u zeggen:
Hoe bent u uit de zeeën verdwenen,
[u], beroemde, [dicht]bevolkte stad,
die sterk was aan de zee,
zij en haar inwoners,
die schrik voor zich inboezemden
bij allen die [om] haar [heen] woonden!
)
. In het lied geven ze eerst hoog op van de vroegere roem, macht en rijkdom van Tyrus om het contrast met de huidige situatie des te sterker te laten uitkomen. De stad die uit het dagelijkse beeld van de zeeën is verdwenen, is beroemd. Er hebben veel mensen gewoond. Haar rijkdom is haar kracht geweest. Iedereen in de omgeving heeft ontzag voor haar gehad. Hoe totaal anders is de situatie nu (vers 1818Nu beven de kustlanden
op de dag van uw val.
Geschrokken zijn de kustlanden, die aan de zee liggen,
vanwege uw ondergang.
)
. Het contrast met vroeger is enorm. De val en ondergang van de stad hebben een schokeffect op de kustlanden. De aanblik is troosteloos. In gelijksoortige bewoordingen wordt in het Nieuwe Testament de val van Babylon beschreven (Op 18:15-1915De kooplieden in deze dingen, die door haar rijk geworden zijn, zullen uit vrees voor haar pijniging in de verte blijven staan, terwijl zij wenen en treuren16en zeggen: Wee, wee de grote stad, die bekleed was met fijn linnen, purper en scharlaken en versierd met goud, edelgesteente en parels; want in één uur is die zo grote rijkdom verwoest.17En iedere stuurman en iedere zeereiziger en [de] zeelieden en allen die op zee hun werk hebben, bleven in de verte staan18en terwijl zij de rook van haar brand zagen, riepen zij de woorden: Welke [stad] was aan die grote stad gelijk?19En zij wierpen stof op hun hoofden en terwijl zij weenden en treurden, riepen zij de woorden: Wee, wee de grote stad, waarin allen die hun schepen op zee hadden, door haar kostbaarheid rijk werden; want in één uur is zij verwoest.).

In de vierde en laatste profetie vertelt God dat Hij Zelf het lot van Tyrus heeft bepaald (vers 1919Want zo zegt de Heere HEERE: Wanneer Ik van u een verwoeste stad maak, als steden die niet bewoond worden, wanneer Ik een watervloed op u af laat komen en de grote wateren u zullen bedelven,). De heidenvolken (vers 33daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Tyrus! Ik zal vele heidenvolken tegen u laten opkomen, zoals de zee zijn golven laat opkomen.) en Nebukadrezar (vers 77Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Nebukadrezar, de koning van Babel, de koning der koningen, uit het noorden naar Tyrus brengen, met paarden, strijdwagens en ruiters, en een verzamelde [strijdmacht] en veel volk.) zijn slechts instrumenten in Zijn hand. God zal als door een zondvloed Tyrus met water bedekken en de stad onder de watervloed bedelven. De wateren die zij met haar trotse schepen bevaart en die de bron van haar rijkdom en welvaart zijn, zullen haar ondergang worden. God zal Tyrus voegen bij de mensen en volken die allang dood zijn en van wie de lichamen in de kuil begraven zijn (vers 2020dan zal Ik u laten neerdalen met hen die in de kuil neerdalen, naar het volk van oude tijden af. Ik zal u laten verblijven in de onderste plaatsen van de aarde, bij hen die in de kuil zijn neergedaald, in de verwoeste plaatsen van weleer, zodat u niet bewoond wordt. En Ik zal het sieraad in het land van de levenden herstellen.). Zij spelen geen enkele rol meer in het land van de levenden. Hun zielen “verblijven in de onderste plaatsen van de aarde”, het dodenrijk, in het Hebreeuws de sheol of in het Grieks de hades, waar ze verenigd zijn met allen die in ongeloof gestorven zijn.

Tyrus zal volkomen verwoest worden (vers 2121Ik zal van u een voorwerp van verschrikking maken en u zult niet [meer] bestaan. Wanneer u gezocht wordt, zult u voor eeuwig niet meer gevonden worden, spreekt de Heere HEERE.). Van die verwoesting zal de stad zich niet meer herstellen. Tyrus zal alleen als een afschrikwekkend voorbeeld in de herinnering voortleven. Nooit zal de tijd aanbreken dat de stad in de wereldmaatschappij weer een factor van betekenis zal worden. Wie naar Tyrus op zoek gaat om de stad te herbouwen en te herstellen, zal daarvoor geen enkel aanknopingspunt vinden. Er zal niets meer van Tyrus te vinden zijn. Zo “spreekt de Heere HEERE”.


Lees verder