Ezechiël
Inleiding 1-4 Ohola en Oholiba 5-10 De zonde van Ohola en het oordeel over haar hoererij 11-21 De zonde van Oholiba: hoererij 22-35 Strafgerichten over Oholiba 36-49 Het einde van Ohola en Oholiba
Inleiding

In Ezechiël 23 schildert Ezechiël levendig de geschiedenis van de zusterkoninkrijken Israël en Juda. In Ezechiël 16 heeft de HEERE Jeruzalem met een hoer vergeleken. Dezelfde vergelijking wordt in dit hoofdstuk gebruikt, maar nu voor het hele volk. De nadruk in de vorige vergelijking ligt op het geestelijke overspel met Kanaänitische afgoderij. In Ezechiël 23 gaat het daarnaast ook over Israëls politieke overspel, dat wil zeggen, op de politieke verbonden met buitenlandse mogendheden. Ezechiël 16 benadrukt meer de vroegere geschiedenis van Israël, terwijl Ezechiël 23 meer nadruk legt op de latere geschiedenis.

Het hoofdstuk kan in vijf gedeelten worden onderverdeeld:
1. Inleiding: Ohola en Oholiba (verzen 1-41Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, er waren twee vrouwen, dochters van één moeder.3Zij bedreven hoererij in Egypte; in hun jeugd bedreven zij [al] hoererij. Daar werden zij in hun borsten geknepen, daar werden hun maagdelijke tepels betast.4Hun namen waren Ohola, de oudste, en Oholiba, haar zuster. Zij werden Mij [tot vrouw] en zij baarden zonen en dochters. Dit waren hun namen: Samaria is Ohola en Jeruzalem Oholiba.).
2. De zonde van Ohola (Samaria) (verzen 5-105Ohola bedreef hoererij, hoewel zij Mij toebehoorde: zij werd verliefd op haar minnaars, op de Assyriërs, vertrouwelingen,6gekleed in blauwpurper, landvoogden en machthebbers, allen begerenswaardige jongemannen, ruiters, die op paarden reden.7Zij richtte haar hoererijen op hen: op heel die keur van Assyriërs. Zij verontreinigde zich met allen op wie zij verliefd was geworden, met al hun stinkgoden.8Ook gaf zij haar hoererijen met de Egyptenaren niet op. Zij hadden immers in haar jeugd met haar geslapen, zij hadden haar maagdelijke tepels betast en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort.9Daarom gaf Ik haar in de hand van haar minnaars, in de hand van de Assyriërs, op wie zij verliefd was geworden.10Die hebben haar schaamte ontbloot, haar zonen en haar dochters weggenomen en haarzelf gedood met het zwaard. Zij kreeg bij de vrouwen een [slechte] naam, nadat men gerichten over haar had voltrokken.).
3. De zonde van Oholiba (Jeruzalem) (verzen 11-2111Hoewel haar zuster Oholiba [dit] zag, gedroeg zij zich in haar hartstocht nog verderfelijker dan zij en overtrof zij met haar hoererijen de hoererijen van haar zuster.12Zij werd verliefd op de Assyriërs, landvoogden en machthebbers, vertrouwelingen, uitmuntend gekleed, ruiters, die op paarden reden, allen begerenswaardige jongemannen.13Ik zag hoe zij zich verontreinigd had; zij beiden gingen één [en dezelfde] weg.14Ja, zij ging nog verder met haar hoererijen: toen zij in de muur ingegrifte mannen zag, afbeeldingen van Chaldeeën, getekend in rode kleuren,15die een gordel om hun middel droegen, met een overhangende tulband om hun hoofd, die er allen uitzagen als officieren, die leken op Babyloniërs uit Chaldea, hun geboorteland,16werd zij op hen verliefd, zodra zij hen met eigen ogen zag, en zij stuurde gezanten naar hen toe, naar Chaldea.17De Babyloniërs kwamen bij haar om het liefdesbed [met haar te delen], en zij verontreinigden haar met hun hoererij. Nadat zij zich [echter] met hen verontreinigd had, rukte haar ziel zich van hen los.18Toen zij openlijk haar hoererijen pleegde en haar schaamte ontblootte, rukte Mijn ziel zich van haar los, zoals Mijn ziel zich losgerukt had van haar zuster.19Zij vermeerderde haar hoererijen door te denken aan de dagen van haar jeugd, toen zij in het land Egypte hoererij bedreef.20Zij werd verliefd op die wellustelingen, van wie het vlees is [als] het vlees van ezels en van wie de drift is [als] de drift van hengsten.21Zo verlangde u sterk terug naar het schandelijk gedrag van uw jeugd, toen die van Egypte uw tepels betastten vanwege uw jeugdige borsten.).
4. Het oordeel over Oholiba (verzen 22-3522Daarom, Oholiba, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zet uw minnaars tegen u op, van wie uw ziel zich heeft losgerukt. Ik laat hen van rondom over u komen:23Babyloniërs en alle Chaldeeën, Pekod, Soa en Koa, met hen alle Assyriërs; begerenswaardige jongemannen, allen landvoogden en machthebbers, officieren en [mannen] van naam, die allen op paarden rijden.24Zij zullen over u komen met een leger van strijdwagens en [andere] voertuigen en een menigte volken, grote en kleine schilden en helmen. Van alle kanten zullen zij zich tegen u opstellen. Dan zal Ik hun het strafgericht [in handen] geven en zij zullen u oordelen overeenkomstig hun [eigen] bepalingen.25Ik zal u Mijn na-ijver doen voelen, zodat zij u met woede zullen behandelen. Uw neus en oren zullen zij verwijderen, en wat van u overblijft, zal vallen door het zwaard. Uw zonen en uw dochters zullen zij meenemen, en wat van u overblijft, zal door het vuur worden verteerd.26Zij zullen u [ook] uw kleren uittrekken en uw sieraden meenemen.27Dan zal Ik uw schandelijk gedrag bij u doen ophouden, en uw hoererij uit het land Egypte. U zult uw ogen niet [meer] naar hen opslaan en niet meer denken aan Egypte.28Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik geef u over in de hand van hen die u haat, in de hand van hen van wie uw ziel zich heeft losgerukt.29Zij zullen u met haat behandelen, alles wat u hebt vergaard, meenemen en u naakt en bloot achterlaten, zodat uw hoerenschaamte ontbloot wordt, uw schandelijk gedrag en uw hoererijen.30Deze dingen zal men u aandoen, omdat u de heidenvolken in hoererij achteraangegaan bent, omdat u zich met hun stinkgoden hebt verontreinigd.31U bent in de weg van uw zuster gegaan en [daarom] zal Ik haar beker in uw hand geven.
32Zo zegt de Heere HEERE:
De beker van uw zuster zult u drinken,
die diepe, wijde [beker] –
u zult belachelijk en bespottelijk worden –
[die beker] kan veel bevatten!
33U zult vol worden van dronkenschap en verdriet.
De beker van uw zuster Samaria
is een beker van verwoesting en woestenij.
34U zult hem drinken, leegdrinken,
hem aan scherven knagen,
en uw borsten [ermee] openhalen,
want Ík heb gesproken, spreekt de Heere HEERE.
35Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u Mij vergeten bent en Mij achter uw rug geworpen hebt, zult u ook zelf uw schandelijk gedrag en uw hoererijen dragen!
)
.
5. Het oordeel over Ohola en Oholiba (verzen 36-4936De HEERE zei tegen mij: Mensenkind, wilt u Ohola en Oholiba berechten? Maak dan deze [vrouwen] hun gruweldaden bekend,37want zij hebben overspel gepleegd, er kleeft bloed aan hun handen. Met hun stinkgoden hebben zij overspel gepleegd. Zelfs hun kinderen, die zij Mij gebaard hebben, hebben zij voor hen als voedsel [door het vuur] laten gaan.38Bovendien hebben zij Mij dit aangedaan: zij hebben Mijn heiligdom op die dag verontreinigd en Mijn sabbatten ontheiligd.39Toen zij hun kinderen voor hun stinkgoden geslacht hadden, kwamen zij op die dag Mijn heiligdom binnen om het te ontheiligen, en zie, dat hebben zij midden in Mijn huis gedaan.40Daar komt bij dat zij [een boodschap] stuurden naar mannen die van ver moesten komen – er werd een gezant naar hen gestuurd – en zie, zij kwamen. Voor hen hebt u zich gewassen, uw ogen opgemaakt en u met uw sieraden getooid.41U bent op een prachtig bed gaan zitten, met daarvoor een gereedgemaakte tafel, waarop u Mijn reukwerk en Mijn olie had gezet.42Het geluid van een geruste menigte was erbij [te horen]. En [zij stuurden een boodschap] naar mannen uit die mensenmassa – dronkaards die uit de woestijn gebracht waren. Die deden armbanden om hun polsen en een sierlijke kroon op hun hoofd.43Toen zei Ik: Overspelers bij zo'n [door hoererij] verouderde [vrouw]? Willen zij nu met háár – [met] die hoererijen van haar – hoererij bedrijven?44Zij hadden gemeenschap met haar, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw die een hoer is. Zó hadden zij gemeenschap met Ohola en Oholiba, die vrouwen met dat schandelijk gedrag.45Maar rechtvaardige mannen, die zullen hen berechten [overeenkomstig] de bepaling voor overspeelsters en de bepaling voor wie bloed vergoten hebben. Zij zijn immers overspeelsters en er kleeft bloed aan hun handen!46Want zo zegt de Heere HEERE: Laat een verzamelde [gemeenschap] tegen hen opkomen en geef hen over tot een schrikbeeld en tot een prooi.47De verzamelde [gemeenschap] zal hen met stenen stenigen en hen met hun zwaarden neerhouwen. Hun zonen en dochters zullen zij doden en hun huizen zullen zij met vuur verbranden.48Zo zal Ik het schandelijk gedrag uit het land doen ophouden, zodat alle vrouwen onderwezen worden en zij niet overeenkomstig uw schandelijk gedrag zullen handelen.49Zij zullen uw schandelijk gedrag op u doen neerkomen, zodat u de zonden van uw stinkgoden zult dragen. Dan zult u weten dat Ik de Heere HEERE ben.).


Ohola en Oholiba

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Mensenkind, er waren twee vrouwen, dochters van één moeder. 3Zij bedreven hoererij in Egypte; in hun jeugd bedreven zij [al] hoererij. Daar werden zij in hun borsten geknepen, daar werden hun maagdelijke tepels betast. 4Hun namen waren Ohola, de oudste, en Oholiba, haar zuster. Zij werden Mij [tot vrouw] en zij baarden zonen en dochters. Dit waren hun namen: Samaria is Ohola en Jeruzalem Oholiba.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). De HEERE gaat Ezechiël in een gelijkenis van twee vrouwen, twee zussen (vers 22Mensenkind, er waren twee vrouwen, dochters van één moeder.), de politieke zonden van Zijn volk voorstellen. Dit is na Ezechiël 16 en Ezechiël 20 de derde keer dat Hij op de geschiedenis van Zijn volk ingaat. In de beschrijving in Ezechiël 16 vinden we aan het einde van het hoofdstuk nog hoop. Die hoop ontbreekt in de beschrijving in dit hoofdstuk. Dat de twee vrouwen dochters van één moeder zijn, wijst erop dat Israël oorspronkelijk één volk is geweest.

Toch wordt het volk al vanaf de tijd dat het in Egypte is, als twee vrouwen voorgesteld (vers 33Zij bedreven hoererij in Egypte; in hun jeugd bedreven zij [al] hoererij. Daar werden zij in hun borsten geknepen, daar werden hun maagdelijke tepels betast.). Aan de feitelijke scheuring van het rijk in twee delen is een lange tijd van innerlijke verdeeldheid voorafgegaan. Dat moet voor ons een waarschuwing zijn om een geest van verdeeldheid in de kiem te smoren.

De twee vrouwen laten zich de liefkozingen van de Egyptenaren welgevallen. De tijd in Egypte begint goed. Jozef is onderkoning. Als Jakob en zijn zonen naar Egypte komen, mogen zij in het beste deel van het land wonen (Gn 47:6,116Het land Egypte, dat ligt voor u open. Laat uw vader en uw broers in het beste deel van het land wonen; ze mogen in de landstreek Gosen wonen. En als u merkt dat er onder hen bekwame mannen zijn, stel die dan aan tot opzichters over het vee dat mij toebehoort.11Jozef zorgde voor woonplaatsen voor zijn vader en zijn broers en gaf hun [grond]bezit in het land Egypte, in het beste [deel] van het land, [namelijk] in de landstreek Rameses, zoals de farao geboden had.). Als de slavernij komt, blijft het volk profiteren van de welvaart in Egypte. Die welvaart geeft een fijn gevoel. De slavernij wordt er aangenaam door. Al snel nadat ze uit Egypte zijn vertrokken en de beproevingen komen, verlangen zij zelfs terug naar hun verblijf in Egypte (Nm 11:55Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte voor niets aten, aan de komkommers, de watermeloenen, de prei, de uien en de knoflook.; 14:2-42Al de Israëlieten morden tegen Mozes en tegen Aäron. Heel de gemeenschap zei tegen hen: Waren wij maar in het land Egypte of in deze woestijn gestorven! Waren wij maar gestorven!3Waarom brengt de HEERE ons dan naar dit land, zodat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen en onze kleine kinderen tot prooi worden [van de vijand]? Zou het niet beter voor ons zijn naar Egypte terug te keren?4En zij zeiden tegen elkaar: Laten wij een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren!; Ex 16:33De Israëlieten zeiden tegen hen: Och, waren wij maar door de hand van de HEERE gestorven in het land Egypte, toen wij bij de vleespotten zaten en brood aten tot verzadiging toe! Want u hebt ons uitgeleid naar deze woestijn om heel deze gemeente van honger te laten sterven.).

De HEERE geeft de beide vrouwen een naam en zegt ook wie bij die namen horen (vers 44Hun namen waren Ohola, de oudste, en Oholiba, haar zuster. Zij werden Mij [tot vrouw] en zij baarden zonen en dochters. Dit waren hun namen: Samaria is Ohola en Jeruzalem Oholiba.). In beide namen is het Hebreeuwse woord ohel, dat betekent ‘tent’, terug te vinden. Ohola betekent ‘haar tent’ en Oholiba betekent ‘Mijn tent is in haar’. Ohola is een zinspeling op de eigenwillige godsdienst (‘haar tent’) van het tienstammenrijk, vertegenwoordigd door Samaria. Die eigenwilligheid zien we in het oprichten van de altaren voor de gouden kalveren in Bethel en Dan (1Kn 12:28-3028Daarom pleegde de koning overleg en maakte twee gouden kalveren. Hij zei tegen [het volk]: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Zie uw goden, Israël, die u uit het land Egypte hebben doen optrekken.29En hij plaatste het ene in Bethel, en het andere zette hij in Dan.30Dit werd [aanleiding] tot zonde, want het volk liep vóór het ene uit, tot aan Dan toe.). Oholiba is een zinspeling op Jeruzalem, waar de tempel van God (‘Mijn tent’) staat en waar Hij heeft gewoond.


De zonde van Ohola en het oordeel over haar hoererij

5Ohola bedreef hoererij, hoewel zij Mij toebehoorde: zij werd verliefd op haar minnaars, op de Assyriërs, vertrouwelingen, 6gekleed in blauwpurper, landvoogden en machthebbers, allen begerenswaardige jongemannen, ruiters, die op paarden reden. 7Zij richtte haar hoererijen op hen: op heel die keur van Assyriërs. Zij verontreinigde zich met allen op wie zij verliefd was geworden, met al hun stinkgoden. 8Ook gaf zij haar hoererijen met de Egyptenaren niet op. Zij hadden immers in haar jeugd met haar geslapen, zij hadden haar maagdelijke tepels betast en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort. 9Daarom gaf Ik haar in de hand van haar minnaars, in de hand van de Assyriërs, op wie zij verliefd was geworden. 10Die hebben haar schaamte ontbloot, haar zonen en haar dochters weggenomen en haarzelf gedood met het zwaard. Zij kreeg bij de vrouwen een [slechte] naam, nadat men gerichten over haar had voltrokken.

Samaria (de tien stammen) bedrijft in geestelijke zin hoererij (vers 55Ohola bedreef hoererij, hoewel zij Mij toebehoorde: zij werd verliefd op haar minnaars, op de Assyriërs, vertrouwelingen,). In plaats van op God te vertrouwen verbindt zij zich met de Assyriërs (2Kn 15:1919[Toen] kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land op; en Menahem gaf Pul duizend talent zilver, zodat deze op zijn hand zou zijn om het koninkrijk vast te doen zijn in zijn hand.; Hs 5:1313Toen Efraïm zijn ziekte zag
en Juda zijn gezwel,
ging Efraïm naar Assyrië
en stuurde hij boden naar koning Jareb.
Maar die zal u niet kunnen genezen,
en van u het gezwel niet wegnemen.
; 7:1111Efraïm is als een duif, onnozel, zonder verstand;
Egypte roepen zij te hulp, naar Assyrië gaan zij!
; 8:99want zíj gingen naar Assyrië:
een wilde ezel houdt zich afgezonderd,
maar Efraïm zoekt hulp bij minnaars.
; 12:22Efraïm is een herder van wind
en jaagt heel de dag de oostenwind na,
leugen en verwoesting vermeerdert hij.
Met Assyrië sluiten zij een verbond,
olie wordt naar Egypte gebracht.
)
. Het zoeken van hulp bij de Assyriërs heeft tot gevolg dat indrukwekkend geklede ‘vertrouwelingen’, mannen van aanzien, het land binnenkomen (vers 66gekleed in blauwpurper, landvoogden en machthebbers, allen begerenswaardige jongemannen, ruiters, die op paarden reden.). Zo doet de Assyrische cultuur zijn intrede in het land en verovert het hart van Samaria (vers 77Zij richtte haar hoererijen op hen: op heel die keur van Assyriërs. Zij verontreinigde zich met allen op wie zij verliefd was geworden, met al hun stinkgoden.). Die cultuur is geheel verweven met de afgodendienst van Assyrië die ook door Samaria wordt overgenomen. De tien stammen buigen zich in ontucht neer voor de stinkgoden van Assyrië.

Maar Assyrië is niet het enige rijk waarmee Samaria geestelijk hoererij bedrijft. Samaria blijft ook openstaan voor de invloed van Egypte (vers 88Ook gaf zij haar hoererijen met de Egyptenaren niet op. Zij hadden immers in haar jeugd met haar geslapen, zij hadden haar maagdelijke tepels betast en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort.). Ze blijft de afgoden van Egypte aanbidden zoals ze al heeft gedaan in de tijd van haar slavernij. In voorkomende gevallen zoekt ze ook politieke steun bij Egypte (vgl. Hs 12:22Efraïm is een herder van wind
en jaagt heel de dag de oostenwind na,
leugen en verwoesting vermeerdert hij.
Met Assyrië sluiten zij een verbond,
olie wordt naar Egypte gebracht.
)
. God herinnert haar aan haar schaamteloze gedrag dat ze al in haar prilste bestaan heeft getoond.

Vanwege haar hoererij met Assyrië heeft de HEERE Samaria aan de Assyriërs overgegeven (vers 99Daarom gaf Ik haar in de hand van haar minnaars, in de hand van de Assyriërs, op wie zij verliefd was geworden.). Vanuit politiek gezichtspunt kan Assyrië het heulen van Samaria met Egypte niet dulden en heeft Samaria daar ook zwaar voor gestraft (2Kn 17:2-82Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, alleen niet zoals de koningen van Israël die er vóór hem geweest waren.3Tegen hem trok Salmaneser op, de koning van Assyrië; Hosea werd zijn dienaar en droeg schatting aan hem af.4Maar toen de koning van Assyrië een samenzwering bij Hosea ontdekte, [namelijk] dat deze boden gestuurd had naar So, de koning van Egypte, en dat hij de schatting aan de koning van Assyrië niet als tevoren van jaar tot jaar afdroeg, nam de koning van Assyrië hem gevangen en sloot hij hem op in de gevangenis.5Vervolgens trok de koning van Assyrië het hele land door. Hij trok ook op naar Samaria en belegerde het drie jaar [lang].6In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in en voerde Israël weg naar Assyrië. Hij liet hen wonen in Halah en in Habor, aan de rivier Gozan en in de steden van Medië.7Dit gebeurde omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen de HEERE, hun God, Die hen uit het land Egypte geleid had, onder de hand van de farao vandaan, de koning van Egypte. Zij hadden andere goden vereerd,8en hadden gewandeld overeenkomstig de verordeningen van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had; de koningen van Israël hadden die uitgevaardigd.). De Assyriërs hebben Samaria geheel verwoest en ontluisterd en ook ontvolkt door de bevolking weg te voeren (vers 1010Die hebben haar schaamte ontbloot, haar zonen en haar dochters weggenomen en haarzelf gedood met het zwaard. Zij kreeg bij de vrouwen een [slechte] naam, nadat men gerichten over haar had voltrokken.). Zo is er een einde gekomen aan het bestaan van het noordelijke tienstammenrijk. Het gedrag van Samaria bezorgt de Israëlieten een slechte naam bij de andere “vrouwen”, dat wil zeggen bij de andere volken en vooral bij het zustervolk Juda. In de volgende verzen zien we hoe Oholiba reageert op wat er met haar zus Ohola is gebeurd.


De zonde van Oholiba: hoererij

11Hoewel haar zuster Oholiba [dit] zag, gedroeg zij zich in haar hartstocht nog verderfelijker dan zij en overtrof zij met haar hoererijen de hoererijen van haar zuster. 12Zij werd verliefd op de Assyriërs, landvoogden en machthebbers, vertrouwelingen, uitmuntend gekleed, ruiters, die op paarden reden, allen begerenswaardige jongemannen. 13Ik zag hoe zij zich verontreinigd had; zij beiden gingen één [en dezelfde] weg. 14Ja, zij ging nog verder met haar hoererijen: toen zij in de muur ingegrifte mannen zag, afbeeldingen van Chaldeeën, getekend in rode kleuren, 15die een gordel om hun middel droegen, met een overhangende tulband om hun hoofd, die er allen uitzagen als officieren, die leken op Babyloniërs uit Chaldea, hun geboorteland, 16werd zij op hen verliefd, zodra zij hen met eigen ogen zag, en zij stuurde gezanten naar hen toe, naar Chaldea. 17De Babyloniërs kwamen bij haar om het liefdesbed [met haar te delen], en zij verontreinigden haar met hun hoererij. Nadat zij zich [echter] met hen verontreinigd had, rukte haar ziel zich van hen los. 18Toen zij openlijk haar hoererijen pleegde en haar schaamte ontblootte, rukte Mijn ziel zich van haar los, zoals Mijn ziel zich losgerukt had van haar zuster. 19Zij vermeerderde haar hoererijen door te denken aan de dagen van haar jeugd, toen zij in het land Egypte hoererij bedreef. 20Zij werd verliefd op die wellustelingen, van wie het vlees is [als] het vlees van ezels en van wie de drift is [als] de drift van hengsten. 21Zo verlangde u sterk terug naar het schandelijk gedrag van uw jeugd, toen die van Egypte uw tepels betastten vanwege uw jeugdige borsten.

Jeruzalem (en Juda) heeft zich door het afschrikwekkende voorbeeld van Samaria en Israël er niet van laten weerhouden om dezelfde zondige weg te gaan (vers 1111Hoewel haar zuster Oholiba [dit] zag, gedroeg zij zich in haar hartstocht nog verderfelijker dan zij en overtrof zij met haar hoererijen de hoererijen van haar zuster.). Het is zelfs zo, dat zij haar zuster in boosheid heeft overtroffen. Haar hartstocht voert haar tot een nog verderfelijker handelen dan dat van haar zus.

Evenals Samaria heeft Juda hulp gezocht bij Assyrië (2Kn 16:77Toen stuurde Achaz boden naar Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, om te zeggen: Ik ben uw dienaar en uw zoon. Kom en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië en uit de hand van de koning van Israël, die mij aan [willen] vallen.), omdat ook zij betoverd is geraakt door wat Assyrië te bieden heeft (vers 1212Zij werd verliefd op de Assyriërs, landvoogden en machthebbers, vertrouwelingen, uitmuntend gekleed, ruiters, die op paarden reden, allen begerenswaardige jongemannen.; vers 66gekleed in blauwpurper, landvoogden en machthebbers, allen begerenswaardige jongemannen, ruiters, die op paarden reden.). De HEERE neemt waar hoe zij zich heeft verontreinigd door zich met Assyrië in te laten en de afgodendienst ervan over te nemen (vers 1313Ik zag hoe zij zich verontreinigd had; zij beiden gingen één [en dezelfde] weg.). Zo gaan beide zussen, Ohola en Oholiba, voort op dezelfde weg van het kwaad, weg van de HEERE.

Jeruzalem beperkt zich niet tot Assyrië. Ze komt ook onder de bekoring van de Chaldeeën of Babyloniërs (vers 1414Ja, zij ging nog verder met haar hoererijen: toen zij in de muur ingegrifte mannen zag, afbeeldingen van Chaldeeën, getekend in rode kleuren,). Ze ziet de afbeeldingen van Chaldeeën, portretten, naar Babylonische gewoonte ingegrift in de muur. De rode kleur maakt het aansprekend en aantrekkelijk. De afgebeelde mannen dragen met trots de kleding van Babel (vers 1515die een gordel om hun middel droegen, met een overhangende tulband om hun hoofd, die er allen uitzagen als officieren, die leken op Babyloniërs uit Chaldea, hun geboorteland,). De reclame werkt betoverend. Jeruzalem wordt op slag verliefd als ze het met eigen ogen ziet (vers 1616werd zij op hen verliefd, zodra zij hen met eigen ogen zag, en zij stuurde gezanten naar hen toe, naar Chaldea.). De begeerte komt door het zien. Het is de oorzaak van de zondeval (Gn 3:66En de vrouw zag dat die boom goed was om ervan te eten en dat hij een lust was voor het oog, ja, een boom die begerenswaardig was om er verstandig door te worden; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook [wat] aan haar man, die bij haar was, en hij at [ervan].; 1Jh 2:1616Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.). Reclame werkt vandaag nog steeds op dezelfde manier.

Jeruzalem stuurt gezanten naar Babel om met haar een bondgenootschap aan te gaan. Voor een volk dat de HEERE als God heeft, is deze missie diep beschamend. Deze missie is een grote oneer voor God. Jeruzalem begaat hiermee geestelijke ontrouw die gelijk staat aan hoererij (vers 1717De Babyloniërs kwamen bij haar om het liefdesbed [met haar te delen], en zij verontreinigden haar met hun hoererij. Nadat zij zich [echter] met hen verontreinigd had, rukte haar ziel zich van hen los.). Ze verontreinigt zich door deze daad. Het delen van het liefdesbed slaat mogelijk ook op het aanbidden van de afgoden van Babel, wat we zien in het woord ‘hoererij’. Daarna rukt ze zich van Babel los omdat de liefde van Babel voorbij is en Babel haar hard behandelt. Maar als Babel merkt dat Jeruzalem tijdens de regering van Jojakim en Zedekia hulp zoekt bij Egypte (Jr 37:5-85[Inmiddels] was het leger van de farao uit Egypte uitgetrokken. Toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, [dit] bericht daarover hoorden, trokken zij van Jeruzalem weg.6Toen kwam het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia:7Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zo moet u zeggen tegen de koning van Juda, die u naar Mij toegestuurd heeft om Mij te raadplegen: Zie, het leger van de farao dat u te hulp is uitgetrokken, keert terug naar zijn land, [naar] Egypte.8Dan zullen de Chaldeeën terugkeren om tegen deze stad te strijden. Zij zullen haar innemen en haar met vuur verbranden.; Ez 17:12-1512Zeg toch tegen dat opstandige huis: Weet u niet wat deze dingen [betekenen]? Zeg: Zie, de koning van Babel is [naar] Jeruzalem gekomen; hij nam zijn koning en zijn vorsten [gevangen] en bracht hen bij zich in Babel.13Vervolgens nam hij [iemand] uit het koninklijk nageslacht, sloot met hem een verbond en liet hem een eed zweren. De machthebbers van het land nam hij weg,14zodat het een onbeduidend koninkrijk werd, dat zich niet kon verheffen, maar zijn verbond in acht nam om te kunnen blijven bestaan.15Maar hij kwam in opstand tegen hem door zijn gezanten naar Egypte te sturen, opdat men hem paarden en veel volk zou geven. Zou hij [erin] slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen?), keert Babel zich tegen Jeruzalem.

De schaamteloze hoererij of afgoderij betekent dat ook God Zich met afkeer van Jeruzalem afwendt (vers 1818Toen zij openlijk haar hoererijen pleegde en haar schaamte ontblootte, rukte Mijn ziel zich van haar los, zoals Mijn ziel zich losgerukt had van haar zuster.). Hij kan het niet aanzien dat zij, die Hij tot vrouw heeft genomen, zich als een vulgaire hoer gedraagt die haar lichaam voor iedere willekeurige man ontbloot. Hij rukt Zich van haar los, wat aangeeft dat het Hem moeite kost om Zich van haar los te maken en haar los te laten. Diezelfde moeite heeft Hij ook bij het Zich losmaken van Samaria.

Jeruzalem blijft maar doorgaan met hoereren en vermeerdert de hoererij door nieuwe contacten aan te gaan, nu met Egypte (vers 1919Zij vermeerderde haar hoererijen door te denken aan de dagen van haar jeugd, toen zij in het land Egypte hoererij bedreef.). Ze zoekt bij Egypte hulp tegen de overmacht van Babel. Daardoor komt ze ertoe de gebruiken van Egypte over te nemen. Juda doet hierin Samaria na (verzen 3,83Zij bedreven hoererij in Egypte; in hun jeugd bedreven zij [al] hoererij. Daar werden zij in hun borsten geknepen, daar werden hun maagdelijke tepels betast.8Ook gaf zij haar hoererijen met de Egyptenaren niet op. Zij hadden immers in haar jeugd met haar geslapen, zij hadden haar maagdelijke tepels betast en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort.). Ook bij Jeruzalem steken ‘verliefdheden’ van vroeger de kop weer op (vers 2020Zij werd verliefd op die wellustelingen, van wie het vlees is [als] het vlees van ezels en van wie de drift is [als] de drift van hengsten.). De Egyptenaren worden vergeleken met “ezels” en “hengsten”, dieren die bekend staan om hun vurige geslachtsdrift. Voor de behoeftebevrediging van dat dierlijke soort stelt Jeruzalem zich beschikbaar.

Dan spreekt Ezechiël Jeruzalem direct aan (“zo verlangde u”). Hij herinnert haar aan haar vroegere schandelijke lustgevoelens en verwijt haar dat ze die gevoelens weer toelaat om de overhand over haar te krijgen (vers 2121Zo verlangde u sterk terug naar het schandelijk gedrag van uw jeugd, toen die van Egypte uw tepels betastten vanwege uw jeugdige borsten.). Het is een waarschuwing voor ons: als vroegere zonden, vooral op seksueel gebied, niet radicaal als zonde zijn geoordeeld, zullen ze ons vroeg of laat weer in hun macht krijgen (vgl. Ef 4:17-1917Dit nu zeg en betuig ik in [de] Heer, dat u niet meer moet wandelen evenals de volken wandelen in [de] vruchteloosheid van hun denken,18verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.19Afgestompt in hun gevoelens hebben zij zich overgegeven aan de losbandigheid om alle onreinheid gretig te bedrijven.).

In het magazine ‘Leef’, uitgave april/mei 2013, las ik een artikel over ‘eerste indrukken’ waarin “het denken aan de dagen van haar jeugd” (vers 1919Zij vermeerderde haar hoererijen door te denken aan de dagen van haar jeugd, toen zij in het land Egypte hoererij bedreef.) een actuele toepassing heeft. Het artikel haalt iets aan uit het populairwetenschappelijke tijdschrift ‘Weet Magazine’. Het betreft een opmerkelijk citaat van een advocaat, gespecialiseerd in echtscheidingen, op 24 april 2010 in de Telegraaf. Nadat deze advocaat de aanzienlijke toename van scheidingen in het eerste kwartaal van 2010 op circa 20% schat, zegt hij: ‘Het aantal scheidingen neemt al jaren toe, mede door het feit dat mensen vaker vreemd gaan en de opmars van internet. Daardoor duiken oude geliefden opeens weer op, met verstrekkende gevolgen.’

Oude liefdes met ‘eerste indrukken’ die niet vergeten zijn, niet weggedaan zijn en weer oplaaien …


Strafgerichten over Oholiba

22Daarom, Oholiba, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zet uw minnaars tegen u op, van wie uw ziel zich heeft losgerukt. Ik laat hen van rondom over u komen: 23Babyloniërs en alle Chaldeeën, Pekod, Soa en Koa, met hen alle Assyriërs; begerenswaardige jongemannen, allen landvoogden en machthebbers, officieren en [mannen] van naam, die allen op paarden rijden. 24Zij zullen over u komen met een leger van strijdwagens en [andere] voertuigen en een menigte volken, grote en kleine schilden en helmen. Van alle kanten zullen zij zich tegen u opstellen. Dan zal Ik hun het strafgericht [in handen] geven en zij zullen u oordelen overeenkomstig hun [eigen] bepalingen. 25Ik zal u Mijn na-ijver doen voelen, zodat zij u met woede zullen behandelen. Uw neus en oren zullen zij verwijderen, en wat van u overblijft, zal vallen door het zwaard. Uw zonen en uw dochters zullen zij meenemen, en wat van u overblijft, zal door het vuur worden verteerd. 26Zij zullen u [ook] uw kleren uittrekken en uw sieraden meenemen. 27Dan zal Ik uw schandelijk gedrag bij u doen ophouden, en uw hoererij uit het land Egypte. U zult uw ogen niet [meer] naar hen opslaan en niet meer denken aan Egypte. 28Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik geef u over in de hand van hen die u haat, in de hand van hen van wie uw ziel zich heeft losgerukt. 29Zij zullen u met haat behandelen, alles wat u hebt vergaard, meenemen en u naakt en bloot achterlaten, zodat uw hoerenschaamte ontbloot wordt, uw schandelijk gedrag en uw hoererijen. 30Deze dingen zal men u aandoen, omdat u de heidenvolken in hoererij achteraangegaan bent, omdat u zich met hun stinkgoden hebt verontreinigd. 31U bent in de weg van uw zuster gegaan en [daarom] zal Ik haar beker in uw hand geven.
32Zo zegt de Heere HEERE:
De beker van uw zuster zult u drinken,
die diepe, wijde [beker] –
u zult belachelijk en bespottelijk worden –
[die beker] kan veel bevatten!
33U zult vol worden van dronkenschap en verdriet.
De beker van uw zuster Samaria
is een beker van verwoesting en woestenij.
34U zult hem drinken, leegdrinken,
hem aan scherven knagen,
en uw borsten [ermee] openhalen,
want Ík heb gesproken, spreekt de Heere HEERE.
35Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u Mij vergeten bent en Mij achter uw rug geworpen hebt, zult u ook zelf uw schandelijk gedrag en uw hoererijen dragen!

“Daarom” (vers 2222Daarom, Oholiba, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zet uw minnaars tegen u op, van wie uw ziel zich heeft losgerukt. Ik laat hen van rondom over u komen:) ziet op de in de voorgaande verzen genoemde ontrouw. De HEERE zal als straf voor die ontrouw de volken tegen haar opzetten bij wie ze vroeger hulp heeft gezocht. De HEERE zegt wie dat zijn (vers 2323Babyloniërs en alle Chaldeeën, Pekod, Soa en Koa, met hen alle Assyriërs; begerenswaardige jongemannen, allen landvoogden en machthebbers, officieren en [mannen] van naam, die allen op paarden rijden.). Het zijn de Babyloniërs en de Assyriërs, met enkele nomadenstammen, die ze zo heeft bewonderd (vers 66gekleed in blauwpurper, landvoogden en machthebbers, allen begerenswaardige jongemannen, ruiters, die op paarden reden.), maar tegen wie ze ook weer in opstand is gekomen. Zij zullen met groot militair vertoon tegen Jeruzalem optrekken en zich van alle kanten tegen haar opstellen (vers 2424Zij zullen over u komen met een leger van strijdwagens en [andere] voertuigen en een menigte volken, grote en kleine schilden en helmen. Van alle kanten zullen zij zich tegen u opstellen. Dan zal Ik hun het strafgericht [in handen] geven en zij zullen u oordelen overeenkomstig hun [eigen] bepalingen.). Zij krijgen van de HEERE de macht om het oordeel over Jeruzalem uit te voeren. Zij zullen dat doen in overeenstemming met de heidense gewoonten die zij heeft overgenomen.

Door de vroegere minnaars zal de HEERE Jeruzalem Zijn na-ijver doen voelen (vers 2525Ik zal u Mijn na-ijver doen voelen, zodat zij u met woede zullen behandelen. Uw neus en oren zullen zij verwijderen, en wat van u overblijft, zal vallen door het zwaard. Uw zonen en uw dochters zullen zij meenemen, en wat van u overblijft, zal door het vuur worden verteerd.). Hij handelt als een jaloerse echtgenoot die door zijn vrouw op de laagste manier is bedrogen. Daarover is Hij zo verbolgen, dat Hij Zijn woede via de vijanden op de stad zal laten neerkomen. Zij zullen Jeruzalem verminken, het afzichtelijk maken. Wie in de stad in leven blijven, zullen vallen door het zwaard of weggevoerd worden. Jeruzalem zal van alles wat sierlijk is, beroofd worden en zij zal naakt tentoongesteld worden (vers 2626Zij zullen u [ook] uw kleren uittrekken en uw sieraden meenemen.).

Die strafuitoefening zal als resultaat hebben dat ze zal ophouden met zich schandelijk en als hoer te gedragen (vers 2727Dan zal Ik uw schandelijk gedrag bij u doen ophouden, en uw hoererij uit het land Egypte. U zult uw ogen niet [meer] naar hen opslaan en niet meer denken aan Egypte.). Aan een overspelige verhouding met Egypte zal ze niet meer denken. Dat ze niet meer aan Egypte zal denken, is niet omdat ze tot bekering is gekomen. Het is omdat de HEERE haar heeft uitgeleverd aan haar vijanden en zij door haar mismaaktheid alle aantrekkelijkheid heeft verloren. Met name aan Egypte, dat niet geïnteresseerd is in een uitgekleed en ontluisterd Jeruzalem, hoeft ze niet meer te denken.

In de verzen 28-3028Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik geef u over in de hand van hen die u haat, in de hand van hen van wie uw ziel zich heeft losgerukt.29Zij zullen u met haat behandelen, alles wat u hebt vergaard, meenemen en u naakt en bloot achterlaten, zodat uw hoerenschaamte ontbloot wordt, uw schandelijk gedrag en uw hoererijen.30Deze dingen zal men u aandoen, omdat u de heidenvolken in hoererij achteraangegaan bent, omdat u zich met hun stinkgoden hebt verontreinigd. wordt nog eens in andere woorden herhaald, wat al in de verzen 22-2722Daarom, Oholiba, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zet uw minnaars tegen u op, van wie uw ziel zich heeft losgerukt. Ik laat hen van rondom over u komen:23Babyloniërs en alle Chaldeeën, Pekod, Soa en Koa, met hen alle Assyriërs; begerenswaardige jongemannen, allen landvoogden en machthebbers, officieren en [mannen] van naam, die allen op paarden rijden.24Zij zullen over u komen met een leger van strijdwagens en [andere] voertuigen en een menigte volken, grote en kleine schilden en helmen. Van alle kanten zullen zij zich tegen u opstellen. Dan zal Ik hun het strafgericht [in handen] geven en zij zullen u oordelen overeenkomstig hun [eigen] bepalingen.25Ik zal u Mijn na-ijver doen voelen, zodat zij u met woede zullen behandelen. Uw neus en oren zullen zij verwijderen, en wat van u overblijft, zal vallen door het zwaard. Uw zonen en uw dochters zullen zij meenemen, en wat van u overblijft, zal door het vuur worden verteerd.26Zij zullen u [ook] uw kleren uittrekken en uw sieraden meenemen.27Dan zal Ik uw schandelijk gedrag bij u doen ophouden, en uw hoererij uit het land Egypte. U zult uw ogen niet [meer] naar hen opslaan en niet meer denken aan Egypte. is gezegd. De HEERE is zo afkerig van haar gedrag, dat Hij haar nog eens haar zonden voorhoudt. Dat moet wel, omdat ze zo hardleers is. Hij geeft haar over in de macht van volken die ze haat en aan wie ze zich heeft willen ontrukken (vers 2828Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik geef u over in de hand van hen die u haat, in de hand van hen van wie uw ziel zich heeft losgerukt.). Die volken zullen haar, gedreven door haat, schandelijk behandelen, en zijn zullen haar alles afnemen en haar arm en berooid achterlaten (vers 2929Zij zullen u met haat behandelen, alles wat u hebt vergaard, meenemen en u naakt en bloot achterlaten, zodat uw hoerenschaamte ontbloot wordt, uw schandelijk gedrag en uw hoererijen.).

Ze heeft dit oordeel over zichzelf afgeroepen door haar eigen schandelijk gedrag tegenover de HEERE (vers 3030Deze dingen zal men u aandoen, omdat u de heidenvolken in hoererij achteraangegaan bent, omdat u zich met hun stinkgoden hebt verontreinigd.). Ze heeft Hem tot in het diepst van Zijn ziel beledigd door steun te zoeken in politieke verbonden met de omwonende volken. Die ontuchtige verbinding heeft zich geuit in de aanbidding van de stinkgoden van die heidenen. Wat een belediging voor Hem!

Zo is Jeruzalem dezelfde weg gegaan als haar zuster Samaria (vers 3131U bent in de weg van uw zuster gegaan en [daarom] zal Ik haar beker in uw hand geven.
)
. Daarom zal Jeruzalem hetzelfde oordeel als Samaria ondergaan; alleen wordt het door een ander volk uitgevoerd. Ze zal de beker van de toorn van God moeten drinken wanneer de stad door de Babyloniërs overvallen wordt, zoals Samaria die beker heeft gedronken bij haar wegvoering door de Assyriërs.

Dit oordeel wordt in een lied nog een keer indringend voor de aandacht van Jeruzalem geplaatst (vers 3232Zo zegt de Heere HEERE:
De beker van uw zuster zult u drinken,
die diepe, wijde [beker] –
u zult belachelijk en bespottelijk worden –
[die beker] kan veel bevatten!
)
. Het lot van Jeruzalem zal geen medelijden opwekken, maar hoongelach en bespotting. De beker van Gods toorn is tot de rand gevuld. De vijanden zullen met leedvermaak opmerken dat de beker die zij te drinken krijgt, wel goed vol zit, zo krijgt ze ervan langs. De beker is zo vol, dat wie hem drinkt er vol dronkenschap door zal worden (vers 3333U zult vol worden van dronkenschap en verdriet.
De beker van uw zuster Samaria
is een beker van verwoesting en woestenij.
)
. Die dronkenschap zal geen ‘gezelligheid’ opleveren, maar groot en bitter leed. Jeruzalem kan bij haar zuster Samaria nagaan wat het drinken van die beker betekent.

Jeruzalem zal die beker drinken en zal hem helemaal leegdrinken (vers 3434U zult hem drinken, leegdrinken,
hem aan scherven knagen,
en uw borsten [ermee] openhalen,
want Ík heb gesproken, spreekt de Heere HEERE.
)
. De gestrafte hoer, die vroeger dronken van wellust haar schandelijke ontucht heeft gepleegd, zal nu dronken en waanzinnig van pijn en rouw worden als ze de beker van Gods toorn tot de laatste druppel moet drinken. Buiten zinnen van pijn zal ze de beker stukbijten; met de scherven zal ze haar borsten, waarmee ze vroeger haar minnaars heeft behaagd, openrijten. De Heere HEERE heeft persoonlijk dit woord gesproken en daarom zal het gebeuren.

Nog een keer wordt nadrukkelijk de oorzaak van deze tuchtiging aan Jeruzalem voorgehouden (vers 3535Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u Mij vergeten bent en Mij achter uw rug geworpen hebt, zult u ook zelf uw schandelijk gedrag en uw hoererijen dragen!). Ze is de HEERE vergeten. Dat negeren van de HEERE is een schuldig vergeten. Het is de bron van de ellende. Ze is echter nog verder gegaan en heeft Hem verachtelijk achter haar rug geworpen om daarmee te demonstreren hoe waardeloos ze Hem vindt, niet waard om nog enige aandacht aan te schenken. Waar ze nu mee te maken krijgt, zijn de gevolgen van haar eigen zonden.


Het einde van Ohola en Oholiba

36De HEERE zei tegen mij: Mensenkind, wilt u Ohola en Oholiba berechten? Maak dan deze [vrouwen] hun gruweldaden bekend, 37want zij hebben overspel gepleegd, er kleeft bloed aan hun handen. Met hun stinkgoden hebben zij overspel gepleegd. Zelfs hun kinderen, die zij Mij gebaard hebben, hebben zij voor hen als voedsel [door het vuur] laten gaan. 38Bovendien hebben zij Mij dit aangedaan: zij hebben Mijn heiligdom op die dag verontreinigd en Mijn sabbatten ontheiligd. 39Toen zij hun kinderen voor hun stinkgoden geslacht hadden, kwamen zij op die dag Mijn heiligdom binnen om het te ontheiligen, en zie, dat hebben zij midden in Mijn huis gedaan. 40Daar komt bij dat zij [een boodschap] stuurden naar mannen die van ver moesten komen – er werd een gezant naar hen gestuurd – en zie, zij kwamen. Voor hen hebt u zich gewassen, uw ogen opgemaakt en u met uw sieraden getooid. 41U bent op een prachtig bed gaan zitten, met daarvoor een gereedgemaakte tafel, waarop u Mijn reukwerk en Mijn olie had gezet. 42Het geluid van een geruste menigte was erbij [te horen]. En [zij stuurden een boodschap] naar mannen uit die mensenmassa – dronkaards die uit de woestijn gebracht waren. Die deden armbanden om hun polsen en een sierlijke kroon op hun hoofd. 43Toen zei Ik: Overspelers bij zo'n [door hoererij] verouderde [vrouw]? Willen zij nu met háár – [met] die hoererijen van haar – hoererij bedrijven? 44Zij hadden gemeenschap met haar, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw die een hoer is. Zó hadden zij gemeenschap met Ohola en Oholiba, die vrouwen met dat schandelijk gedrag. 45Maar rechtvaardige mannen, die zullen hen berechten [overeenkomstig] de bepaling voor overspeelsters en de bepaling voor wie bloed vergoten hebben. Zij zijn immers overspeelsters en er kleeft bloed aan hun handen! 46Want zo zegt de Heere HEERE: Laat een verzamelde [gemeenschap] tegen hen opkomen en geef hen over tot een schrikbeeld en tot een prooi. 47De verzamelde [gemeenschap] zal hen met stenen stenigen en hen met hun zwaarden neerhouwen. Hun zonen en dochters zullen zij doden en hun huizen zullen zij met vuur verbranden. 48Zo zal Ik het schandelijk gedrag uit het land doen ophouden, zodat alle vrouwen onderwezen worden en zij niet overeenkomstig uw schandelijk gedrag zullen handelen. 49Zij zullen uw schandelijk gedrag op u doen neerkomen, zodat u de zonden van uw stinkgoden zult dragen. Dan zult u weten dat Ik de Heere HEERE ben.

Ezechiël krijgt de opdracht om over de beide afvallige vrouwen recht te spreken (vers 3636De HEERE zei tegen mij: Mensenkind, wilt u Ohola en Oholiba berechten? Maak dan deze [vrouwen] hun gruweldaden bekend,). De HEERE legt de opdracht als een vraag aan Ezechiël voor (vgl. Ez 20:44Wilt u hen berechten, wilt u hen berechten, mensenkind? Maak hun de gruweldaden van hun vaderen bekend,). Hij sluit aan bij de gevoelens van afkeer die de profeet gaandeweg heeft gekregen en die ook Zijn gevoelens zijn. De beide vrouwen worden op één lijn gesteld. Dat is een vernedering voor Jeruzalem, want de inwoners van Jeruzalem en de overige Judeeërs hebben een afkeer van de Samaritanen (Jh 4:99De Samaritaanse vrouw dan zei tot Hem: Hoe vraagt U Die een Jood bent, van mij te drinken die een Samaritaanse vrouw ben? <Want Joden hebben geen omgang met Samaritanen.>; 8:4848De Joden antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent en een demon hebt?).

Ezechiël moet de beide zusters de aanklacht voorhouden. Dat houdt in dat ze nog een keer een gedetailleerde opsomming van hun zonden te horen krijgen die nu als een aanklacht worden voorgelezen. De samenvatting is: overspel en moord (vers 3737want zij hebben overspel gepleegd, er kleeft bloed aan hun handen. Met hun stinkgoden hebben zij overspel gepleegd. Zelfs hun kinderen, die zij Mij gebaard hebben, hebben zij voor hen als voedsel [door het vuur] laten gaan.). Het overspel is hier vooral geestelijk overspel, afgoderij: het zich in aanbidding neerbuigen voor de stinkgoden van de volken. De moord begaan zij door de kinderen die voor God bestemd zijn als gruwelijk offer aan die stinkgoden te brengen.

Ze hebben God nog meer kwaad aangedaan, want ze hebben Zijn heiligdom verontreinigd en Zijn sabbatten ontheiligd (vers 3838Bovendien hebben zij Mij dit aangedaan: zij hebben Mijn heiligdom op die dag verontreinigd en Mijn sabbatten ontheiligd.). Met God en Zijn rechten hebben ze totaal afgerekend. Ze maken zelf wel uit hoe ze Hem dienen. Daardoor zijn ze zó achteloos aan Zijn rechten voorbijgegaan, dat ze het wagen om nog op dezelfde dag dat ze hun kinderen aan de stinkgoden hebben geofferd, met een uitgestreken gezicht het heiligdom van God binnen te komen (vers 3939Toen zij hun kinderen voor hun stinkgoden geslacht hadden, kwamen zij op die dag Mijn heiligdom binnen om het te ontheiligen, en zie, dat hebben zij midden in Mijn huis gedaan.). Het is de opperste brutaliteit. Het is totale ongevoeligheid en onverschilligheid voor wat passend is voor de tegenwoordigheid van God.

De HEERE beklaagt Zich erover dat zij hebben gedurfd zich zo in het midden van Zijn huis te misdragen. Het is een brute miskenning van Zijn heiligheid. Hun praktijk komt erop neer dat zij de HEERE, hun God, als een van de afgoden zien, maar dan wel een die ze niet al te serieus nemen.

En nog is dat niet alles. Er komt nog bij dat ze afgodische heidenen hebben uitgenodigd bij hen te komen (vers 4040Daar komt bij dat zij [een boodschap] stuurden naar mannen die van ver moesten komen – er werd een gezant naar hen gestuurd – en zie, zij kwamen. Voor hen hebt u zich gewassen, uw ogen opgemaakt en u met uw sieraden getooid.). Ze hebben hun best gedaan om een goede indruk op die heidenen te maken. Ze wassen zich, maken zich op en versieren zich (vgl. Sp 7:10-2110En zie, een vrouw kwam hem tegemoet,
uitgedost als een hoer en arglistig van hart.
11Zij was onrustig en opstandig,
haar voeten bleven niet thuis.
12Nu eens op straat, dan weer op de pleinen,
zij loerde bij alle hoeken.13Zij greep hem vast en kuste hem.
Zij trok een stalen gezicht en zei tegen hem:
14Ik moet dankoffers brengen,
ik ben vandaag mijn geloften nagekomen.
15Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet
om je ijverig te zoeken en – [daar] vond ik je!
16Ik heb mijn rustbank opgemaakt met dekens,
kleurige spreien van Egyptisch linnen.
17Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld
met mirre, aloë en kaneel.
18Kom, laten we dronken worden van liefde, tot de morgen toe,
laten we samen genieten van grote liefde.
19Want mijn man is niet thuis,
hij is voor een verre reis vertrokken.
20Hij heeft de geldbuidel in zijn hand meegenomen,
op de dag van de volle maan zal hij thuiskomen.21Zij haalde hem over door haar grote overredingskracht,
zij verleidde hem door het gevlei van haar lippen.
)
. Met heidenen willen ze zich verbinden om zich sterk te maken.

Om de genodigden in een goede stemming te brengen zorgen ze voor een goed decor: een prachtig bed dat uitnodigt om gemeenschap te hebben en een gereedgemaakte tafel om de buik goed te vullen (vers 4141U bent op een prachtig bed gaan zitten, met daarvoor een gereedgemaakte tafel, waarop u Mijn reukwerk en Mijn olie had gezet.). Op die tafel staan ook reukwerk en olie die voor de HEERE bestemd zijn. Ze nemen van de HEERE af wat van Hem is en zetten het de heidenen voor. Dit is grof misbruik en een belediging van de HEERE.

De menigte neemt de uitnodiging aan (vers 4242Het geluid van een geruste menigte was erbij [te horen]. En [zij stuurden een boodschap] naar mannen uit die mensenmassa – dronkaards die uit de woestijn gebracht waren. Die deden armbanden om hun polsen en een sierlijke kroon op hun hoofd.). Ze komen, en ze gaan bij de beide vrouwen aan de gereedgemaakte tafel aanliggen. Het feestgewoel trekt nog andere mannen aan. Het zijn mannen van de laagste soort die zich heel voornaam voordoen. Ze brengen geschenken voor de vrouwen mee, waarmee ze hen versieren. Deze versierselen werken als boeien, want de vrouwen worden door deze mensen die zij hebben uitgenodigd, gevangengenomen.

Er is niet veel aantrekkelijks meer aan Samaria en Jeruzalem overgebleven, en willen de heidenen dan toch nog met hen overspel bedrijven (vers 4343Toen zei Ik: Overspelers bij zo'n [door hoererij] verouderde [vrouw]? Willen zij nu met háár – [met] die hoererijen van haar – hoererij bedrijven?)? Willen ze dat echt? Ja, want zolang er nog iets te halen valt, zullen de volken, zeker als ze uitgenodigd worden, die gemeenschap met Samaria en Jeruzalem willen hebben (vers 4444Zij hadden gemeenschap met haar, zoals men gemeenschap heeft met een vrouw die een hoer is. Zó hadden zij gemeenschap met Ohola en Oholiba, die vrouwen met dat schandelijk gedrag.). Het schandelijk gedrag van de twee zusters is heel vroeg begonnen, al in Egypte, en is door hen tot in hun ouderdom, tot het einde van hun volksbestaan, voortgezet.

Zij zullen voor hun overspel en hoererij berecht worden door “rechtvaardige mannen” (vers 4545Maar rechtvaardige mannen, die zullen hen berechten [overeenkomstig] de bepaling voor overspeelsters en de bepaling voor wie bloed vergoten hebben. Zij zijn immers overspeelsters en er kleeft bloed aan hun handen!). Daarmee worden de Assyriërs (vers 99Daarom gaf Ik haar in de hand van haar minnaars, in de hand van de Assyriërs, op wie zij verliefd was geworden.) en de Babyloniërs (vers 2222Daarom, Oholiba, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zet uw minnaars tegen u op, van wie uw ziel zich heeft losgerukt. Ik laat hen van rondom over u komen:) bedoeld. Deze volken worden ‘rechtvaardig’ genoemd omdat zij ondanks hun wrede praktijken de instrumenten zijn waarmee God Zijn oordeel over Zijn volk uitvoert. De overspeelsters worden naar de bepaling van de wet met de dood gestraft (Lv 20:1010Een man die met de vrouw van iemand [anders] overspel pleegt, die met de vrouw van zijn naaste overspel pleegt, moet zeker gedood worden, de overspeler en de overspeelster.; Dt 22:2222Wanneer [ergens] een man aangetroffen wordt terwijl hij met een vrouw slaapt die met een [andere] man getrouwd is, dan moeten zij beiden sterven, de man die met de vrouw geslapen heeft, en de vrouw. Zo moet u het kwaad uit Israël wegdoen.). Hoeveel te meer is deze straf verdiend door vrouwen die bovendien de vreselijkste bloedschuld op zich hebben geladen door hun eigen kinderen aan de afgoden te offeren.

De HEERE roept de volken op om tegen Jeruzalem en Samaria op te trekken (vers 4646Want zo zegt de Heere HEERE: Laat een verzamelde [gemeenschap] tegen hen opkomen en geef hen over tot een schrikbeeld en tot een prooi.). Hij geeft de opdracht hen tot een schrikbeeld en prooi te maken. De heidenvolken zullen de beide zusters met stenen stenigen en met het zwaard doden (vers 4747De verzamelde [gemeenschap] zal hen met stenen stenigen en hen met hun zwaarden neerhouwen. Hun zonen en dochters zullen zij doden en hun huizen zullen zij met vuur verbranden.). Zo zullen hun zonen en dochters omkomen en zal het nageslacht van boosdoeners worden uitgeroeid. De huizen, waar ze hun afgodische praktijken hebben voorbereid, zullen met vuur verbrand worden. Op die manier zal het schandelijk gedrag in het land ophouden (vers 4848Zo zal Ik het schandelijk gedrag uit het land doen ophouden, zodat alle vrouwen onderwezen worden en zij niet overeenkomstig uw schandelijk gedrag zullen handelen.). Het oordeel zal voor de vrouwen van andere volken onderwijs zijn om niet op een dergelijke manier te handelen.

Nog eens benadrukt God dat het oordeel dat hen treft, het gevolg is van hun eigen schandelijk gedrag (vers 4949Zij zullen uw schandelijk gedrag op u doen neerkomen, zodat u de zonden van uw stinkgoden zult dragen. Dan zult u weten dat Ik de Heere HEERE ben.). Ze zullen de zonden van hun aanbidding van hun stinkgoden dragen. Als God op deze manier het recht handhaaft, zal Zijn eigen eer daardoor schitteren. Hij maakt Zich hierdoor kenbaar, en overal waar Hij Zich kenbaar maakt, wordt Hij verheerlijkt.


Lees verder