Ezechiël
Inleiding 1-16 De bloedstad: Jeruzalem en haar zonden 17-22 De smeltoven: de zonden van de bloedstad bestraft 23-29 Het verdorven land 30-31 Niemand in de bres
Inleiding

Dit hoofdstuk bevat drie afzonderlijke Godsspraken, die elk beginnen met de zin: “Het woord van de HEERE kwam tot mij” (verzen 1,17,231Het woord van de HEERE kwam tot mij:17Het woord van de HEERE kwam tot mij:23Het woord van de HEERE kwam tot mij:). De Godsspraken hebben als gemeenschappelijk thema de verontreiniging van Israël. De boodschappen kunnen de volgende titels gegeven worden:
1. De bloedstad (verzen 1-161Het woord van de HEERE kwam tot mij:2En u, mensenkind, wilt u berechten, wilt u de bloedstad berechten? Dan moet u haar al haar gruweldaden bekendmaken.3U moet zeggen: Zo zegt de Heere HEERE: Stad die bloed vergiet in haar midden, zodat haar tijd gekomen is, en die stinkgoden voor zichzelf gemaakt heeft om zich te verontreinigen –4door uw bloed, dat u vergoten hebt, bent u schuldig geworden en door uw stinkgoden, die u gemaakt hebt, hebt u zich verontreinigd. U hebt uw dagen dichtbij gebracht en bent tot uw jaren gekomen. Daarom heb Ik u aan de heidenvolken overgegeven [tot] smaad en aan al de landen [tot] spot.5Zij die dicht bij [u] zijn en ver bij u vandaan zijn, drijven de spot met u, onreine van naam en vol verwarring!6Zie, de vorsten van Israël zijn in u geweest, ieder [vertrouwde] op zijn [eigen] kracht om bloed te vergieten.7Vader en moeder hebben zij bij u veracht. In uw midden hebben zij de vreemdeling met afpersing bejegend. Wees en weduwe hebben zij bij u uitgebuit.8De voor Mij geheiligde [gaven] hebt u veracht en Mijn sabbatten hebt u ontheiligd.9Lasteraars zijn bij u geweest om bloed te vergieten en zij hebben op de bergen bij u gegeten. In uw midden hebben zij zich schandelijk gedragen.10De schaamte van de vader heeft men bij u ontbloot. Haar die vanwege afzondering onrein was, hebben zij bij u verkracht.11De een heeft een gruweldaad gedaan met de vrouw van zijn naaste. De ander heeft zijn schoondochter door schandelijk gedrag verontreinigd. [Weer] een ander heeft zijn zuster, de dochter van zijn vader, bij u verkracht.12Zij hebben bij u geschenken aangenomen om bloed te vergieten. Rente en winst hebt u genomen, u hebt uw naaste door afpersing afgezet, en u bent Mij vergeten, spreekt de Heere HEERE.13Zie nu, Ik sla Mijn handen [ineen] om uw winstbejag, waar u op uit bent geweest, en om uw bloed, dat in uw midden heeft gevloeid.14Zal uw hart het volhouden [of] zullen uw handen sterk [genoeg] zijn in de dagen dat Ik met u ga afrekenen? Ík, de HEERE, heb gesproken, en zal het doen.15Ik zal u verspreiden onder de heidenvolken, Ik zal u verstrooien over de landen en Ik zal aan uw onreinheid onder u een einde maken.16Zo zult u door eigen toedoen voor de ogen van de heidenvolken ontheiligd worden. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.).
2. De smeltoven (verzen 17-2217Het woord van de HEERE kwam tot mij:18Mensenkind, zij die van het huis van Israël zijn, zijn voor Mij schuim geworden. Zij zijn allen koper, tin, ijzer en lood, midden in een oven. Zij zijn schuim van zilver geworden.19Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u allen schuim bent geworden, zie, daarom breng Ik u bijeen in het midden van Jeruzalem.20[Zoals] zilver, koper, ijzer, lood en tin in het midden van een oven bijeengebracht worden [en] er een vuur over wordt aangeblazen om het te laten smelten, zo zal Ik u bijeenbrengen in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid. Dan zal Ik [u daarin] zetten en laten smelten.21Ik zal u verzamelen en Ik zal op u blazen in het vuur van Mijn verbolgenheid, zodat u in het midden ervan gesmolten wordt.22Zoals het smelten van zilver midden in een oven, zo zult u in het midden ervan gesmolten worden. Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, Mijn grimmigheid over u uitgestort heb.).
3. Het verdorven land (verzen 23-3123Het woord van de HEERE kwam tot mij:24Mensenkind, zeg tegen [het land]: U bent een land dat niet gereinigd is, dat zijn regen niet [heeft gekregen] op de dag van de gramschap.25Er is een samenzwering van zijn profeten in zijn midden. Zoals een brullende leeuw die een prooi verscheurt, eten zij de mensen op. Rijkdom en kostbaarheden nemen zij mee. Talrijk maken zij zijn weduwen in zijn midden.26Zijn priesters hebben Mijn wet geweld aangedaan, zij hebben de aan Mij geheiligde [gaven] ontheiligd. Tussen heilig en onheilig hebben zij geen onderscheid gemaakt en [het verschil] tussen onrein en rein hebben zij niet duidelijk gemaakt. Zij hebben hun ogen gesloten voor Mijn sabbatten. Ik word in hun midden ontheiligd.27Zijn vorsten zijn in zijn midden als wolven die een prooi verscheuren om bloed te vergieten, om mensen om te brengen, omdat zij uit zijn op winstbejag.28Zijn profeten bepleisteren hen met witkalk. Zij zien valse [visioenen] en voorspellen hun leugens door te zeggen: Zo zegt de Heere HEERE. En de HEERE heeft niet gesproken!29De bevolking van het land doet niets dan afpersen, doet niets dan roven. De ellendige en arme persen zij af, en de vreemdeling buiten zij uit zonder recht.30Ik zocht naar iemand onder hen die een muur kon optrekken en voor Mijn aangezicht in de bres kon staan voor het land, zodat Ik het niet te gronde hoefde te richten, maar Ik vond niemand.31Daarop stortte Ik Mijn gramschap over hen uit. Door het vuur van Mijn verbolgenheid heb Ik een einde aan hen gemaakt. Hun weg heb Ik op hun [eigen] hoofd doen neerkomen, spreekt de Heere HEERE.).


De bloedstad: Jeruzalem en haar zonden

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2En u, mensenkind, wilt u berechten, wilt u de bloedstad berechten? Dan moet u haar al haar gruweldaden bekendmaken. 3U moet zeggen: Zo zegt de Heere HEERE: Stad die bloed vergiet in haar midden, zodat haar tijd gekomen is, en die stinkgoden voor zichzelf gemaakt heeft om zich te verontreinigen – 4door uw bloed, dat u vergoten hebt, bent u schuldig geworden en door uw stinkgoden, die u gemaakt hebt, hebt u zich verontreinigd. U hebt uw dagen dichtbij gebracht en bent tot uw jaren gekomen. Daarom heb Ik u aan de heidenvolken overgegeven [tot] smaad en aan al de landen [tot] spot. 5Zij die dicht bij [u] zijn en ver bij u vandaan zijn, drijven de spot met u, onreine van naam en vol verwarring! 6Zie, de vorsten van Israël zijn in u geweest, ieder [vertrouwde] op zijn [eigen] kracht om bloed te vergieten. 7Vader en moeder hebben zij bij u veracht. In uw midden hebben zij de vreemdeling met afpersing bejegend. Wees en weduwe hebben zij bij u uitgebuit. 8De voor Mij geheiligde [gaven] hebt u veracht en Mijn sabbatten hebt u ontheiligd. 9Lasteraars zijn bij u geweest om bloed te vergieten en zij hebben op de bergen bij u gegeten. In uw midden hebben zij zich schandelijk gedragen. 10De schaamte van de vader heeft men bij u ontbloot. Haar die vanwege afzondering onrein was, hebben zij bij u verkracht. 11De een heeft een gruweldaad gedaan met de vrouw van zijn naaste. De ander heeft zijn schoondochter door schandelijk gedrag verontreinigd. [Weer] een ander heeft zijn zuster, de dochter van zijn vader, bij u verkracht. 12Zij hebben bij u geschenken aangenomen om bloed te vergieten. Rente en winst hebt u genomen, u hebt uw naaste door afpersing afgezet, en u bent Mij vergeten, spreekt de Heere HEERE. 13Zie nu, Ik sla Mijn handen [ineen] om uw winstbejag, waar u op uit bent geweest, en om uw bloed, dat in uw midden heeft gevloeid. 14Zal uw hart het volhouden [of] zullen uw handen sterk [genoeg] zijn in de dagen dat Ik met u ga afrekenen? Ík, de HEERE, heb gesproken, en zal het doen. 15Ik zal u verspreiden onder de heidenvolken, Ik zal u verstrooien over de landen en Ik zal aan uw onreinheid onder u een einde maken. 16Zo zult u door eigen toedoen voor de ogen van de heidenvolken ontheiligd worden. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

Dit hoofdstuk is één lange opsomming van zonden. Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Weer aangesproken met “mensenkind” krijgt hij de opdracht de bloedstad, dat is Jeruzalem, te berechten (vers 22En u, mensenkind, wilt u berechten, wilt u de bloedstad berechten? Dan moet u haar al haar gruweldaden bekendmaken.). De aanspreektitel “mensenkind” doet weer denken aan de Heer Jezus Die als de Mensenzoon heel het oordeel van de Vader in handen heeft gekregen (Jh 5:2727en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.). De stad is zo verdorven geraakt, dat God de stad “bloedstad” noemt (Ez 24:6,96Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Wee de bloedstad, [zij is] een pot met aanslag eraan, waar de aanslag niet af is gegaan! Haal [het vlees] er stuk voor stuk uit zonder dat het lot erover gevallen is.9Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Wee de bloedstad! Ik zal ook de brandstapel groot maken!). Ninevé krijgt een vergelijkbare naam (Na 3:11Wee de bloedstad,
een en al leugen,
vol buit!
Het roven houdt niet op.
)
. Jeruzalem krijgt die naam vanwege het bloed dat binnen haar muren heeft gevloeid. Ezechiël moet de stad haar gruweldaden voorhouden. ‘Gruwel’ heeft altijd te maken met afgoderij. Alle onrecht vloeit daaruit voort.

God zegt tegen Ezechiël wat hij tegen Jeruzalem moet zeggen (vers 33U moet zeggen: Zo zegt de Heere HEERE: Stad die bloed vergiet in haar midden, zodat haar tijd gekomen is, en die stinkgoden voor zichzelf gemaakt heeft om zich te verontreinigen –). Hij gebruikt geen vleiende woorden. Geweld en afgoderij worden in één adem genoemd. Het geweld en de afgoderij hebben de stad schuldig en onrein gemaakt (vers 44door uw bloed, dat u vergoten hebt, bent u schuldig geworden en door uw stinkgoden, die u gemaakt hebt, hebt u zich verontreinigd. U hebt uw dagen dichtbij gebracht en bent tot uw jaren gekomen. Daarom heb Ik u aan de heidenvolken overgegeven [tot] smaad en aan al de landen [tot] spot.). Daardoor is het einde van de stad ook in zicht. God zal de stad overgeven aan de heidenvolken. In plaats van een zegen te zijn voor de omringende landen – wat Gods bedoeling is voor Jeruzalem – smaden de volken Jeruzalem en drijven de spot met haar.

Die bespotting komt zowel van de volken in de buurt van Jeruzalem als van de volken die ver bij haar vandaan wonen (vers 55Zij die dicht bij [u] zijn en ver bij u vandaan zijn, drijven de spot met u, onreine van naam en vol verwarring!). Haar schuld en onreinheid zijn zo groot, dat er tot in ver weg gelegen landen over wordt gesproken. God houdt haar voor dat zij een “onreine van naam en vol verwarring” is. Onreinheid, zonde, is het einde van alle saamhorigheid. Er ontstaat chaos. Niemand denkt meer aan anderen, want ieder is alleen met en voor zichzelf bezig.

De vorsten, de verantwoordelijken, hebben hun macht misbruikt (vers 66Zie, de vorsten van Israël zijn in u geweest, ieder [vertrouwde] op zijn [eigen] kracht om bloed te vergieten.). Ze zijn gewelddadig tekeergegaan. Daarbij hebben ze op hun macht vertrouwd. In hun machtspositie hebben ze de draak gestoken met het recht. Ze hebben mensen vermoord om er beter van te worden. Om de wet van God malen ze niet.

Het gebod om vader en moeder te eren vertrappen ze verachtelijk (vers 77Vader en moeder hebben zij bij u veracht. In uw midden hebben zij de vreemdeling met afpersing bejegend. Wees en weduwe hebben zij bij u uitgebuit.). Ze geven niets om hun ouders (Ex 21:1717En wie zijn vader of zijn moeder vervloekt, moet zeker gedood worden.; Lv 20:99Ja, iedereen die zijn vader of zijn moeder vervloekt, moet zeker gedood worden. Hij heeft zijn vader of zijn moeder vervloekt. Zijn bloed rust op hemzelf.; Dt 27:1616Vervloekt is wie zijn vader of zijn moeder veracht! En heel het volk moet zeggen: Amen.; Sp 20:2020Wie zijn vader of zijn moeder vervloekt,
diens lamp zal in volslagen duisternis uitgedoofd worden.
)
. Ook de vreemdeling in hun midden moet het ontgelden. Deze sociaal geïsoleerde groep is van de goedheid van anderen afhankelijk om een inkomen te hebben. Maar de vorsten zien in deze groep alleen een mogelijkheid om geld te verdienen. Zij ontzien de sociaal zwakken als wees en weduwe niet. In plaats van hen te ondersteunen in hun verdrukking onderdrukken zij hen nog zwaarder.

Natuurlijk moet ook God het ontgelden (vers 88De voor Mij geheiligde [gaven] hebt u veracht en Mijn sabbatten hebt u ontheiligd.). Ze geven Hem niet waar Hij recht op heeft. En dat niet alleen, ze behandelen de gaven die voor Hem geheiligd zijn met verachting – net zoals ze met hun ouders doen. Om het recht bekommeren ze zich al helemaal niet (vers 99Lasteraars zijn bij u geweest om bloed te vergieten en zij hebben op de bergen bij u gegeten. In uw midden hebben zij zich schandelijk gedragen.). Ze ontvangen lasteraars met open armen. Ze huren die lasteraars in en sturen hen er op uit om mensen uit de weg te ruimen (vgl. 1Kn 21:4-134Toen kwam Achab thuis, somber gestemd en woedend vanwege het woord dat Naboth uit Jizreël tot hem had gesproken; dat deze had gezegd: Ik geef u het erfelijk bezit van mijn vaderen niet. Hij ging op zijn bed liggen, wendde zijn gezicht af en nam geen voedsel tot zich.5Toen kwam Izebel, zijn vrouw, bij hem. Zij sprak tot hem: Wat is er, dat uw geest somber gestemd is en dat u geen voedsel tot u neemt?6Hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth uit Jizreël heb gesproken en tegen hem heb gezegd: Geef mij uw wijngaard voor geld. Of, als u dat liever hebt, zal ik u er een wijngaard voor in de plaats geven. Hij heeft echter gezegd: Ik geef u mijn wijngaard niet.7Toen zei Izebel, zijn vrouw, tegen hem: Moet ú nu het koningschap over Israël uitoefenen? Sta op, neem voedsel tot u, laat uw hart vrolijk zijn, dan zal ík u de wijngaard van Naboth uit Jizreël, geven.8Vervolgens schreef zij brieven in de naam van Achab, verzegelde die met zijn zegel, en zij stuurde de brieven naar de oudsten en naar de edelen die bij Naboth in diens stad woonden.9In die brieven schreef zij: Roep een vasten uit en laat Naboth aan het hoofd van het volk zitten.10En laat twee mannen tegenover hem zitten, verdorven lieden, die tegen hem getuigen: U hebt God en de koning vaarwel gezegd. Breng hem dan naar buiten en stenig hem, zodat hij sterft.11En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel hun opgedragen had, zoals geschreven was in de brieven die zij hun gestuurd had.12Zij riepen een vasten uit, en zij lieten Naboth aan het hoofd van het volk zitten.13Toen kwamen er twee mannen, verdorven lieden, tegenover hem zitten, en die verdorven lieden getuigden tegen hem, tegen Naboth, ten overstaan van het volk: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. Daarop brachten zij hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, zodat hij stierf.). Daarna gaan ze met hen naar de bergen om aan de afgoden te offeren en bij die gelegenheid ook van de afgodenoffers te eten. Het schandelijke gedrag van deze lasteraars laten ze ongemoeid in hun midden voortbestaan.

Zij zetten ook alle geboden over huwelijk en seksualiteit die God heeft gegeven aan de kant (verzen 10-1110De schaamte van de vader heeft men bij u ontbloot. Haar die vanwege afzondering onrein was, hebben zij bij u verkracht.11De een heeft een gruweldaad gedaan met de vrouw van zijn naaste. De ander heeft zijn schoondochter door schandelijk gedrag verontreinigd. [Weer] een ander heeft zijn zuster, de dochter van zijn vader, bij u verkracht.). Er wordt op schandelijke en meervoudige wijze incest gepleegd. Met “de schaamte van de vader” wordt de vrouw van de vader bedoeld (vgl. Dt 27:2020Vervloekt is wie met de vrouw van zijn vader slaapt, want hij heeft het kleed van zijn vader opengeslagen! En heel het volk moet zeggen: Amen.; 2Sm 16:21-2321En Achitofel zei tegen Absalom: Ga naar de bijvrouwen van uw vader, die hij achtergelaten heeft om zorg te dragen voor het huis. Dan zal heel Israël horen dat u bij uw vader in een kwade reuk gekomen bent, en zullen allen die bij u zijn, moed grijpen.22Toen spanden zij voor Absalom een tent op het dak; en Absalom ging naar de bijvrouwen van zijn vader, voor de ogen van heel Israël.23In die tijd was de raad die Achitofel gaf, alsof men naar het woord van God vroeg. Zo was elke raad van Achitofel, zowel voor David als voor Absalom.; 1Ko 5:11Men hoort algemeen van hoererij onder u, en zo’n hoererij als zelfs onder de volken niet [bestaat], dat iemand [de] vrouw van zijn vader heeft.). Ze malen niet om Gods verbod om geen gemeenschap te hebben met een vrouw die ongesteld is (Lv 18:1919U mag niet naderen tot een vrouw die vanwege haar afzondering onrein is, om haar schaamdelen te ontbloten.), maar verkrachten haar. Hetzelfde geldt voor gemeenschap met de vrouw van zijn naaste (Lv 18:2020U mag niet met de vrouw van uw naaste de geslachtsdaad verrichten om gemeenschap [met haar] te hebben. Dan verontreinigt u zich met haar.). Ook de vrouw van de zoon is niet veilig, maar men neemt haar tot eigen bevrediging (Lv 18:1515U mag de schaamdelen van uw schoondochter niet ontbloten. Zij is de vrouw van uw zoon, u mag haar schaamdelen niet ontbloten.). Hetzelfde geldt voor de zus (Lv 18:9,119De schaamdelen van uw zuster, de dochter van uw vader of de dochter van uw moeder, [of ze nu in dit] gezin of daarbuiten geboren is, hun schaamdelen mag u niet ontbloten.11De schaamdelen van de dochter van de vrouw van uw vader, die bij uw vader geboren is – zij is uw zuster – haar schaamdelen mag u niet ontbloten.; Dt 27:2222Vervloekt is wie slaapt met zijn zuster, de dochter van zijn vader, of [met] de dochter van zijn moeder! En heel het volk moet zeggen: Amen.; 2Sm 13:1212Maar zij zei tegen hem: Nee, mijn broer, verkracht mij niet, want zoiets doet men niet in Israël; doe deze schandelijke daad niet.).

Niets is heilig, niets is veilig, niemand wordt ontzien. Gods geboden met betrekking tot huwelijk en seksualiteit worden op weerzinwekkende wijze overtreden. Ze maken zich schuldig aan afschuwelijke incest. Geen enkele onreinheid is hun te smerig. In hun uitspattingen handelen ze als “redeloze levende wezens” (Jd 1:1010Maar dezen, alles wat zij niet kennen, lasteren zij, en in alles wat zij van nature weten, zoals de redeloze levende wezens, daarin verderven zij zich.), en niet als schepselen die verstand hebben.

Zo gemakkelijk als ze het huwelijks- en familierecht vertrappen, zo gemakkelijk laten ze zich omkopen om onschuldigen te veroordelen en om te brengen (vers 1212Zij hebben bij u geschenken aangenomen om bloed te vergieten. Rente en winst hebt u genomen, u hebt uw naaste door afpersing afgezet, en u bent Mij vergeten, spreekt de Heere HEERE.). Ze eisen bovenmatige rente en woekerwinsten van wie in hun macht zijn. Ze persen de naaste, de volksgenoot, af. Ze maken misbruik van de ellende van de naaste om zichzelf te bevoordelen.

De grondoorzaak van alle in detail genoemde zonden wordt aan het slot van vers 1212Zij hebben bij u geschenken aangenomen om bloed te vergieten. Rente en winst hebt u genomen, u hebt uw naaste door afpersing afgezet, en u bent Mij vergeten, spreekt de Heere HEERE. genoemd: ze zijn God vergeten. Wie met God leeft en naar Zijn wil vraagt, zal Zijn wet niet overtreden. Zij hebben geen boodschap aan de wet omdat ze niet met God leven en niet naar Zijn wil vragen. Daardoor kennen ze geen rem op hun walgelijke gedrag. De enige grens die zij voor hun afschuwelijke daden kennen, is die van hun mogelijkheden.

In grote verontwaardiging over het misdadige gedrag van Jeruzalem slaat de HEERE de handen ineen (vers 1313Zie nu, Ik sla Mijn handen [ineen] om uw winstbejag, waar u op uit bent geweest, en om uw bloed, dat in uw midden heeft gevloeid.). De geldzucht van haar inwoners als een wortel van alle kwaad heeft hen tot moord gebracht. Het bloed van de slachtoffers heeft in haar midden gevloeid. Wanneer de HEERE met de inwoners gaat afrekenen, zal het gedaan zijn met hun praatjes. Hun hart zal het begeven en hun kracht zal verdwijnen wanneer Hij hen zal oordelen (vers 1414Zal uw hart het volhouden [of] zullen uw handen sterk [genoeg] zijn in de dagen dat Ik met u ga afrekenen? Ík, de HEERE, heb gesproken, en zal het doen.). Ze hoeven er niet aan te twijfelen dat het zal gebeuren, want gebeuren zal het omdat de HEERE gesproken heeft. Zijn spreken is Zijn handelen.

Hij zal de inwoners van Jeruzalem uit het land verdrijven en hen verspreiden en verstrooien onder de heidenvolken in de landen om hen heen (vers 1515Ik zal u verspreiden onder de heidenvolken, Ik zal u verstrooien over de landen en Ik zal aan uw onreinheid onder u een einde maken.). Op die manier zal de HEERE Jeruzalem reinigen van onreinheid. Ze heeft het aan zichzelf te wijten dat ze zo voor de ogen van de heidenvolken ontheiligd wordt (vers 1616Zo zult u door eigen toedoen voor de ogen van de heidenvolken ontheiligd worden. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.). Tevens is dat het bewijs dat de HEERE het gedaan heeft. Jeruzalem zal daardoor weten dat Hij de HEERE is.


De smeltoven: de zonden van de bloedstad bestraft

17Het woord van de HEERE kwam tot mij: 18Mensenkind, zij die van het huis van Israël zijn, zijn voor Mij schuim geworden. Zij zijn allen koper, tin, ijzer en lood, midden in een oven. Zij zijn schuim van zilver geworden. 19Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u allen schuim bent geworden, zie, daarom breng Ik u bijeen in het midden van Jeruzalem. 20[Zoals] zilver, koper, ijzer, lood en tin in het midden van een oven bijeengebracht worden [en] er een vuur over wordt aangeblazen om het te laten smelten, zo zal Ik u bijeenbrengen in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid. Dan zal Ik [u daarin] zetten en laten smelten. 21Ik zal u verzamelen en Ik zal op u blazen in het vuur van Mijn verbolgenheid, zodat u in het midden ervan gesmolten wordt. 22Zoals het smelten van zilver midden in een oven, zo zult u in het midden ervan gesmolten worden. Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, Mijn grimmigheid over u uitgestort heb.

Direct volgt een nieuw spreken van de HEERE als vervolg op wat Hij zojuist heeft gezegd (vers 1717Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij zegt tegen Ezechiël dat Hij hen “die van het huis van Israël zijn”, vergelijkt met het afval van edelmetaal dat komt bovendrijven als het vuur heet gestookt wordt (vers 1818Mensenkind, zij die van het huis van Israël zijn, zijn voor Mij schuim geworden. Zij zijn allen koper, tin, ijzer en lood, midden in een oven. Zij zijn schuim van zilver geworden.; vgl. Ps 119:119119U doet alle goddelozen van de aarde weg [als] schuim,
daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
; Sp 25:44Doe het schuim van het zilver weg,
en er zal een voorwerp voor de edelsmid uit komen.
; Js 1:22,2522Uw zilver is tot schuim geworden,
uw wijn is vermengd met water.
25Ik zal Mij tegen u keren,
Ik zal uw schuim als met loog uitzuiveren
en Ik zal al uw tin wegnemen.
; Jr 6:27-3027Ik heb u aangesteld [tot] keurmeester onder Mijn volk, [tot] een vesting,
opdat u hun weg zou kennen en beproeven.
28Zij allen zijn de afvalligsten van de afvalligen,
zij gaan rond met lasterpraat, [als] koper en ijzer zijn ze,
verdervers zijn het, allemaal.
29De blaasbalg is verbrand,
het lood is door het vuur vergaan,
tevergeefs heeft [de smelter] zo ijverig gesmolten,
want de slechten zijn niet uitgezuiverd.
30Verworpen zilver noemt men hen,
want de HEERE heeft hen verworpen.
)
. Afval of schuim dat komt bovendrijven, kan van het edelmetaal worden weggeschept en weggeworpen. Israël, dat is de goddeloze massa, zal door het oordeel als waardeloos schuim openbaar worden en worden weggeschept en weggeworpen.

Wanneer de Babylonische strijdkrachten Juda binnentrekken, zullen de bewoners van het platteland binnen de muren van Jeruzalem vluchten (vers 1919Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u allen schuim bent geworden, zie, daarom breng Ik u bijeen in het midden van Jeruzalem.). Jeruzalem wordt dan de smeltoven en Gods oordeel wordt het smeltproces. De naar Jeruzalem gevluchte bevolking van het land en allen die zich al in Jeruzalem bevinden, worden met vijf metalen vergeleken (vers 2020[Zoals] zilver, koper, ijzer, lood en tin in het midden van een oven bijeengebracht worden [en] er een vuur over wordt aangeblazen om het te laten smelten, zo zal Ik u bijeenbrengen in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid. Dan zal Ik [u daarin] zetten en laten smelten.). Ze zijn in het midden van Jeruzalem als in een oven bijeengebracht, waarin ze zullen smelten. Bij hen komt echter geen Mensenzoon in de oven, zoals bij de vrienden van Daniël (Dn 3:2525Hij antwoordde en zei: Zie, ik zie vier mannen midden in het vuur vrij rondlopen! Zij hebben geen letsel en de aanblik van de vierde lijkt op [die van] een zoon van de goden.).

Hij heeft Zijn volk in de oven verzameld. Hij is het ook Die het vuur aansteekt, God Zelf. Hij zal het vuur van Zijn verbolgenheid aanblazen en hen smelten (vers 2121Ik zal u verzamelen en Ik zal op u blazen in het vuur van Mijn verbolgenheid, zodat u in het midden ervan gesmolten wordt.). Nog eens zegt Hij dat ze in het midden van de stad gesmolten zullen worden (vers 2222Zoals het smelten van zilver midden in een oven, zo zult u in het midden ervan gesmolten worden. Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, Mijn grimmigheid over u uitgestort heb.). Hierdoor zullen ze weten dat Hij Zijn grimmigheid over hen heeft uitgestort.


Het verdorven land

23Het woord van de HEERE kwam tot mij: 24Mensenkind, zeg tegen [het land]: U bent een land dat niet gereinigd is, dat zijn regen niet [heeft gekregen] op de dag van de gramschap. 25Er is een samenzwering van zijn profeten in zijn midden. Zoals een brullende leeuw die een prooi verscheurt, eten zij de mensen op. Rijkdom en kostbaarheden nemen zij mee. Talrijk maken zij zijn weduwen in zijn midden. 26Zijn priesters hebben Mijn wet geweld aangedaan, zij hebben de aan Mij geheiligde [gaven] ontheiligd. Tussen heilig en onheilig hebben zij geen onderscheid gemaakt en [het verschil] tussen onrein en rein hebben zij niet duidelijk gemaakt. Zij hebben hun ogen gesloten voor Mijn sabbatten. Ik word in hun midden ontheiligd. 27Zijn vorsten zijn in zijn midden als wolven die een prooi verscheuren om bloed te vergieten, om mensen om te brengen, omdat zij uit zijn op winstbejag. 28Zijn profeten bepleisteren hen met witkalk. Zij zien valse [visioenen] en voorspellen hun leugens door te zeggen: Zo zegt de Heere HEERE. En de HEERE heeft niet gesproken! 29De bevolking van het land doet niets dan afpersen, doet niets dan roven. De ellendige en arme persen zij af, en de vreemdeling buiten zij uit zonder recht.

Het woord van de HEERE komt weer tot Ezechiël (vers 2323Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij – weer “mensenkind” genoemd – moet tegen het land en niet alleen tegen Jeruzalem spreken over hun schandelijk gedrag (vers 2424Mensenkind, zeg tegen [het land]: U bent een land dat niet gereinigd is, dat zijn regen niet [heeft gekregen] op de dag van de gramschap.). Vanwege hun weigering zich te reinigen blijft het land onrein. Daarom heeft het geen regen gekregen en is het onvruchtbaar. In plaats van vrucht voor de HEERE waar zij zelf ook van kunnen genieten, komt Zijn gramschap over hen.

Alle geledingen van het volk zijn betrokken in de ontrouw aan God. Eerst worden de profeten genoemd (vers 2525Er is een samenzwering van zijn profeten in zijn midden. Zoals een brullende leeuw die een prooi verscheurt, eten zij de mensen op. Rijkdom en kostbaarheden nemen zij mee. Talrijk maken zij zijn weduwen in zijn midden.). Zij, die Gods volk moeten oproepen tot terugkeer naar Hem, maken als ‘vakgenoten’ heimelijk ‘prijsafspraken’ om zich aan het volk te verrijken. Ze handelen als een brullende leeuw die een prooi verscheurt. Zo wreed gaan ze met Gods volk om ter wille van rijkdom en kostbaarheden die zij van het volk nemen. Ze moorden erop los, zodat veel vrouwen weduwen worden.

De tweede categorie zijn de priesters (vers 2626Zijn priesters hebben Mijn wet geweld aangedaan, zij hebben de aan Mij geheiligde [gaven] ontheiligd. Tussen heilig en onheilig hebben zij geen onderscheid gemaakt en [het verschil] tussen onrein en rein hebben zij niet duidelijk gemaakt. Zij hebben hun ogen gesloten voor Mijn sabbatten. Ik word in hun midden ontheiligd.). Zij moeten het volk de wet voorhouden en voorleven (Dt 33:1010Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
; Ml 2:77Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,
uit zijn mond moet men [onderwijs in] de wet zoeken,
want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.
)
, maar ze passen de wet aan en overtreden die zelf. Ze geven God niet de aan Hem geheiligde gaven, maar gebruiken die voor zichzelf (vgl. 1Sm 2:1616En wanneer die man tegen hem zei: Zij moeten dat vet beslist eerst in rook laten opgaan; neem daarna [maar] voor uzelf zoals uw ziel verlangt, [dan] zei hij tegen hem: Nee, u moet het nú geven, en zo niet, dan neem ik het met geweld.). Als priesters moeten zij als geen ander weten wat het onderscheid tussen heilig en onheilig is (Lv 10:1010zowel om onderscheid te kunnen maken tussen het heilige en het onheilige, tussen het onreine en het reine,; 11:4747om onderscheid te maken tussen het onreine en het reine, en tussen de dieren die men eten en de dieren die men niet eten mag.), maar voor hen is dat geen zaak van belang. Vermenging van goed en kwaad is voor hen een gewone zaak, als ze er zelf maar beter van worden.

Ze knijpen niet slechts één oog dicht met betrekking tot het houden van de sabbat, maar sluiten hun beide ogen. Wat God over de sabbat heeft gezegd, interesseert hen in het geheel niet. God wordt in hun midden niet geheiligd, maar ontheiligd.

De vorsten, de regeerders, zijn niet beter dan de al genoemde categorieën (vers 2727Zijn vorsten zijn in zijn midden als wolven die een prooi verscheuren om bloed te vergieten, om mensen om te brengen, omdat zij uit zijn op winstbejag.). In plaats van de burgers te beschermen en voor hun rechten op te komen denken ze alleen aan zichzelf. Ze doen op wrede wijze aan zelfverrijking. De vergelijking met wolven in het midden van Gods volk is veelzeggend. Ze verscheuren hun prooi alleen om bloed te vergieten. Zo brengen ze mensen om, met het doel er voordeel aan te behalen.

Nog eens komen de profeten aan bod (vers 2828Zijn profeten bepleisteren hen met witkalk. Zij zien valse [visioenen] en voorspellen hun leugens door te zeggen: Zo zegt de Heere HEERE. En de HEERE heeft niet gesproken!). Deze categorie wordt gekenmerkt door leugen, de vorige door geweld (vers 2525Er is een samenzwering van zijn profeten in zijn midden. Zoals een brullende leeuw die een prooi verscheurt, eten zij de mensen op. Rijkdom en kostbaarheden nemen zij mee. Talrijk maken zij zijn weduwen in zijn midden.). Zij zorgen voor een fraai uiterlijk, ze doen alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Ze matigen zich aan in de Naam van de Heere HEERE te spreken, terwijl ze niets anders dan valse visioenen zien en leugens voorspellen. Ze zeggen wat de mensen graag horen in plaats van de vreselijke werkelijkheid voor te stellen en op te roepen tot bekering. Wat zij zeggen, heeft de HEERE niet gesproken, laat dat duidelijk zijn!

De laatste categorie is de bevolking van het land (vers 2929De bevolking van het land doet niets dan afpersen, doet niets dan roven. De ellendige en arme persen zij af, en de vreemdeling buiten zij uit zonder recht.). Deze groep is niet beter dan de vorige categorieën die een bepaalde verantwoordelijkheid hebben, maar doet hen na in hun schandelijk gedrag. Ook de bevolking van het land legt zich toe op afpersen en roven. Ellendigen en armen en vreemdelingen zijn de slachtoffers die zonder medelijden van hun bezit worden beroofd.


Niemand in de bres

30Ik zocht naar iemand onder hen die een muur kon optrekken en voor Mijn aangezicht in de bres kon staan voor het land, zodat Ik het niet te gronde hoefde te richten, maar Ik vond niemand. 31Daarop stortte Ik Mijn gramschap over hen uit. Door het vuur van Mijn verbolgenheid heb Ik een einde aan hen gemaakt. Hun weg heb Ik op hun [eigen] hoofd doen neerkomen, spreekt de Heere HEERE.

Dan beluisteren we de verbazing van de HEERE over wat Hij opmerkt, namelijk dat er niemand is die het volk de goede kant op weet te sturen (vers 3030Ik zocht naar iemand onder hen die een muur kon optrekken en voor Mijn aangezicht in de bres kon staan voor het land, zodat Ik het niet te gronde hoefde te richten, maar Ik vond niemand.; vgl. Js 59:16a16Omdat Hij zag dat er niemand was,
ontzette Hij Zich, want er was geen voorbidder.
Daarom bracht Zijn arm Hem heil,
en Zijn gerechtigheid, die ondersteunde Hem.
; Ps 106:2323Hij zei dat Hij hen zou wegvagen.
Als Mozes, Zijn uitverkorene,
niet voor Zijn aangezicht in de bres had gestaan
om Zijn grimmigheid af te wenden,
dan zou Hij hen te gronde gericht hebben.
; Jr 5:11Trek rond door de straten van Jeruzalem,
kijk toch en let op,
zoek op zijn pleinen,
of u iemand vindt,
of er een is die recht doet,
[een] die betrouwbaarheid nastreeft,
dan zal Ik [Jeruzalem] vergeven.
)
. Het kwaad is zo algemeen, dat er geen muur kan worden opgetrokken om het oordeel van God af te wenden. Er is niemand die voor Zijn aangezicht staat als vertegenwoordiger van het volk om Hem van Zijn voornemen af te houden. Er is geen voorbidder die het gat kan dichten dat in de muur van afzondering is geslagen, waardoor de afgoderij vrij naar binnen stroomt. Er is niemand om die stroom tegen te houden. Zo algemeen is de afval.

De HEERE is hierover zo ontzet, dat Hij Zijn gramschap over hen “uitstortte” (vers 3131Daarop stortte Ik Mijn gramschap over hen uit. Door het vuur van Mijn verbolgenheid heb Ik een einde aan hen gemaakt. Hun weg heb Ik op hun [eigen] hoofd doen neerkomen, spreekt de Heere HEERE.). Het staat hier in de verleden tijd, alsof het al heeft plaatsgevonden. Het volk is zo onveranderlijk in zijn zondig gedrag, dat Hij door het vuur van Zijn verbolgenheid een einde aan hen heeft gemaakt. Wat ze krijgen, is waar ze zelf om hebben gevraagd. Hun weg komt op hun eigen hoofd neer. Ze maaien wat ze hebben gezaaid.

Het is een aansporing voor ons om te midden van een afvallige christenheid voor Gods rechten op te komen en in de bres te staan. We kunnen bidden dat God in Zijn genade het oordeel nog niet laat komen, maar nog velen weer tot trouw aan Hem brengt. Dat is een van de grootste weldaden die we Gods volk kunnen bewijzen en waarmee we bovenal God eren. De Heer Jezus is de grote Voorbidder en Middelaar. Hij is ons Voorbeeld, Hem mogen we ook hierin navolgen.


Lees verder