Ezechiël
1-7 Het volk wordt afgeslacht 8-17 Het zwaardlied 18-23 Het orakel van Nebukadrezar 24-27 De laatste koning 28-32 Het oordeel over Ammon
Het volk wordt afgeslacht

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Mensenkind, richt uw gezicht op Jeruzalem, laat [uw woorden] stromen tegen de heiligdommen en profeteer tegen het land van Israël. 3Zeg tegen het land van Israël: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zál u, Ik zal Mijn zwaard uit zijn schede trekken en van u de rechtvaardige en de goddeloze uitroeien. 4Omdat Ik van u rechtvaardigen en goddelozen wil uitroeien, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede komen tegen alle vlees, van zuid [tot] noord. 5Dan zal alle vlees weten dat Ik, de HEERE, Mijn zwaard uit zijn schede getrokken heb. Het zal er niet meer [in] terugkeren. 6En u, mensenkind, zucht! U moet voor hun ogen zuchten, gebroken en terneergeslagen. 7En het zal gebeuren als zij tegen u zeggen: Waarom zucht u? dat u zeggen moet: Om het bericht dat komt! Dan zal elk hart smelten, alle handen zullen slap worden, elke geest zal wanhopen en het water zal allen [langs] de knieën lopen. Zie, het komt en het zal gebeuren, spreekt de Heere HEERE.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij krijgt de opdracht zijn gezicht op Jeruzalem te richten en zijn woorden te laten stromen tegen de heiligdommen (vers 22Mensenkind, richt uw gezicht op Jeruzalem, laat [uw woorden] stromen tegen de heiligdommen en profeteer tegen het land van Israël.; vgl. Ez 20:4646Mensenkind, richt uw gezicht in de richting van het zuiden, laat [uw woorden] naar het zuiden stromen en profeteer tegen het woud van het veld van het Zuiderland.). Na het Zuiderland in de vorige verzen (Ez 20:45-4945Het woord van de HEERE kwam tot mij:46Mensenkind, richt uw gezicht in de richting van het zuiden, laat [uw woorden] naar het zuiden stromen en profeteer tegen het woud van het veld van het Zuiderland.47Zeg tegen het woud van het Zuiderland: Hoor het woord van de HEERE! Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal een vuur in u aansteken, dat in u elke jonge boom en elke dorre boom verteren zal. De uitslaande vlam zal niet doven, daardoor zullen alle gezichten van zuid tot noord geblakerd worden.48Dan zal alle vlees zien dat Ik, de HEERE, dat ontstoken heb. Het zal niet doven.49Ik zei: Ach, Heere HEERE, zij zeggen [toch al] van mij: Is hij niet iemand die in raadselen spreekt?), waarmee Juda is bedoeld, is nu Jeruzalem aan de beurt om oordeelswoorden te horen. Het oordeel is vooral gericht tegen “de heiligdommen” waarmee gezien het meervoud mogelijk het tempelcomplex wordt bedoeld (vgl. Lv 26:3131Ik zal van uw steden een puinhoop maken en uw heiligdommen verwoesten. Ik wil de aangename geur [van] uw [offers] niet ruiken.; Mt 24:11En Jezus ging naar buiten en vertrok van de tempel; en Zijn discipelen kwamen naar Hem toe om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen.). Ezechiël moet ook tegen het hele land van Israël profeteren.

Het hele land is zozeer van de HEERE afgeweken, dat Hij daaruit zowel de rechtvaardige als de goddeloze zal uitroeien (vers 33Zeg tegen het land van Israël: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zál u, Ik zal Mijn zwaard uit zijn schede trekken en van u de rechtvaardige en de goddeloze uitroeien.). Zij zijn de jonge en de dorre boom van het vorige raadsel (Ez 20:4747Zeg tegen het woud van het Zuiderland: Hoor het woord van de HEERE! Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal een vuur in u aansteken, dat in u elke jonge boom en elke dorre boom verteren zal. De uitslaande vlam zal niet doven, daardoor zullen alle gezichten van zuid tot noord geblakerd worden.). Het vuur, waarvan daar sprake is, is nu een zwaard geworden. De HEERE zal voor het oordeel Zijn zwaard uit de schede trekken. Dat ziet op het bloedbad dat door Nebukadrezar, die Zijn zwaard is, zal worden aangericht.

Het woord ‘zwaard’ komt in de volgende verzen maar liefst dertien keer voor. Dat laat de ernst en de zekerheid van het oordeel wel zien. Het is ook een algemeen oordeel, want het zwaard zal tegen “alle vlees” zijn (vgl. Ez 20:4848Dan zal alle vlees zien dat Ik, de HEERE, dat ontstoken heb. Het zal niet doven.), “van zuid [tot] noord” (vers 44Omdat Ik van u rechtvaardigen en goddelozen wil uitroeien, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede komen tegen alle vlees, van zuid [tot] noord.), inclusief de vorsten (vers 1212Schreeuw het uit en weeklaag, mensenkind,
want het is tegen Mijn volk gericht,
het is tegen alle vorsten van Israël [gericht].
Zij zijn met Mijn volk aan het zwaard prijsgegeven.
Sla daarom op uw heup,
)
. Het oordeel zal niet te stuiten zijn (vers 55Dan zal alle vlees weten dat Ik, de HEERE, Mijn zwaard uit zijn schede getrokken heb. Het zal er niet meer [in] terugkeren.).

Terwijl Ezechiël zijn woorden laat stromen, moet hij zuchten en “gebroken en terneergeslagen” zijn (vers 66En u, mensenkind, zucht! U moet voor hun ogen zuchten, gebroken en terneergeslagen.). Het zuchten moet zo diep zijn, dat hij als een gebroken man is, zoals iemand gebogen of ineengekrompen is met zijn handen aan zijn buik vanwege een ondraaglijke buikpijn. Kracht om te lopen is er niet. Die terneergeslagenheid moet hij tonen omdat er geen hoop op herstel van de pijn is. Als het volk aan hem vraagt waarom hij dat doet, moet hij zeggen dat hij gebukt gaat onder de last die de HEERE hem oplegt (vers 77En het zal gebeuren als zij tegen u zeggen: Waarom zucht u? dat u zeggen moet: Om het bericht dat komt! Dan zal elk hart smelten, alle handen zullen slap worden, elke geest zal wanhopen en het water zal allen [langs] de knieën lopen. Zie, het komt en het zal gebeuren, spreekt de Heere HEERE.).

De profeet is betrokken bij zijn boodschap en hij gaat er zelf diep onder gebukt. De innerlijke gevoelens en uitingen waaruit dit blijkt, tonen aan dat hij zijn boodschap niet met genoegen brengt. Het lijden dat hij moet aankondigen dat over zijn volk zal komen, raakt hem zelf diep.

Als wij iemand moeten vermanen, moeten we er de juiste innerlijke gezindheid voor hebben en er de juiste uiting aan geven. Kennen wij ook het zuchten vanwege de rampen die de wereld en de christenheid zullen treffen?

Zoals het aanstaande lijden dat over zijn volk komt, hem alle kracht nu al bij de aankondiging ervan ontneemt, zo zal het zijn bij hen over wie binnenkort het zwaard van Gods oordeel komt. Ezechiël gebruikt vier uitdrukkingen om de lichamelijke en geestelijke reactie op het nieuws van de val Jeruzalem te beschrijven:
1. “Dan zal elk hart smelten (vgl. Ps 22:1515Als water ben ik uitgestort,
ontwricht zijn al mijn beenderen;
mijn hart is als was,
het is gesmolten diep in mijn binnenste.
; Js 13:77Daarom zullen alle handen slap worden
en elk hart van stervelingen zal wegsmelten.
; Na 2:1010Leeg, leeggeplunderd, verwoest,
het hart smelt weg en de knieën knikken,
en pijnscheuten zijn in al de lendenen
en de gezichten van hen allen verschieten van kleur.
),
2. alle handen zullen slap worden (vgl. 2Sm 4:11Toen de zoon van Saul hoorde dat Abner in Hebron gestorven was, verloor hij de moed en heel Israël werd door schrik overmand.; Js 13:77Daarom zullen alle handen slap worden
en elk hart van stervelingen zal wegsmelten.
; Jr 6:2424Wij hebben het gerucht over hem gehoord, wij hebben de moed verloren,
benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van een barende [vrouw].
; Ez 7:1717Alle handen zullen slap worden,
en water loopt [langs] alle knieën.
),
3. elke geest zal wanhopen (vgl. Js 61:33om aangaande de treurenden van Sion te beschikken dat hun gegeven zal worden
sieraad in plaats van as,
vreugdeolie in plaats van rouw,
een lofgewaad in plaats van een benauwde geest,
opdat zij genoemd worden eiken van de gerechtigheid,
een planting door de HEERE, om Hem te verheerlijken.
) en
4. het water zal allen [langs] de knieën lopen” (Ez 7:1717Alle handen zullen slap worden,
en water loopt [langs] alle knieën.
)
.

Als het bericht van de val en de verwoesting van Jeruzalem komt, zal dat de moed ontnemen aan allen die het horen. En het zal zeker komen, want de HEERE heeft het gezegd. Dit moet Ezechiël de ballingen, bij wie hij is, laten zien en horen.


Het zwaardlied

8Het woord van de HEERE kwam tot mij: 9Mensenkind, profeteer, en zeg: Zo zegt de HEERE. Zeg:
Een zwaard, een zwaard is gescherpt,
en ook gepolijst.
10Om een slachting aan te richten is het gescherpt.
Om het te laten glinsteren is het gepolijst.
Of wij [dan] vrolijk zijn?
Het is de roede van Mijn zoon, die elk hout versmaadt.
11Hij heeft het gegeven om het te polijsten,
om het met de hand vast te pakken.
Het is gescherpt, het zwaard,
en het is gepolijst
om het een moordenaar in handen te geven.
12Schreeuw het uit en weeklaag, mensenkind,
want het is tegen Mijn volk gericht,
het is tegen alle vorsten van Israël [gericht].
Zij zijn met Mijn volk aan het zwaard prijsgegeven.
Sla daarom op uw heup,
13want er is beproeving.
Wat dan als ook de roede die versmaadt, er niet [meer] zal zijn?
spreekt de Heere HEERE.
14En u, mensenkind, profeteer,
en sla uw handen ineen.
Verdubbeld zal het zwaard worden, verdrievoudigd.
Het is het zwaard van dodelijk gewonden,
het zwaard van dodelijk gewonden onder de groten,
dat onder hen rondwaart,
15zodat harten smelten
en struikelblokken talrijk worden.
Ik heb bij al hun poorten
een zwaard ter slachting gezet.
Ach, het is gemaakt om te glinsteren,
gepolijst om te slachten!
16Wees vastberaden, naar rechts, op de plaats, naar links,
waarheen u ook maar kijkt!
17Ook Ik zal Mijn handen [ineen]slaan,
Ik zal Mijn grimmigheid [op u] doen rusten.
Ík, de HEERE, heb gesproken.

Opnieuw komt het woord van de HEERE tot Ezechiël (vers 88Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij krijgt nu de opdracht om te profeteren over het zwaard, over de komst van het zwaard en wat het zwaard zal doen (vers 99Mensenkind, profeteer, en zeg: Zo zegt de HEERE. Zeg:
Een zwaard, een zwaard is gescherpt,
en ook gepolijst.
)
. Hij spreekt in dichterlijke taal, in de vorm van een lied, over de verschrikkingen die het zwaard zal brengen. Hij begint met de beschrijving van het zwaard. Het zwaard wordt twee keer achter elkaar genoemd, zo’n indruk maakt het. Het is geen zwaard dat voor de sier aan de muur hangt, maar een zwaard dat is gescherpt en opgepoetst om het te gebruiken.

Het zwaard is gescherpt om er een slachting mee aan te richten en het is gepolijst om het te laten glinsteren als er flitsend mee heen en weer wordt geslagen (vers 1010Om een slachting aan te richten is het gescherpt.
Om het te laten glinsteren is het gepolijst.
Of wij [dan] vrolijk zijn?
Het is de roede van Mijn zoon, die elk hout versmaadt.
)
. Het zal komen met de snelheid van de bliksem. Bij die aanblik verdwijnt elke vrolijkheid. Het is, zegt de HEERE, de roede waarmee Hij Zijn zoon Israël moet tuchtigen omdat hij elke andere roede van hout heeft versmaad. Gods volk heeft naar geen enkele tucht willen luisteren (vgl. Dt 21:18-2118Wanneer iemand een opstandige, ongehoorzame zoon heeft die niet naar de stem van zijn vader en naar de stem van zijn moeder luistert, en hij, [ook] als zij hem gestraft hebben, niet naar hen luistert,19moeten zijn vader en zijn moeder hem grijpen en naar buiten brengen, naar de oudsten van zijn stad, naar de poort van zijn [woon]plaats.20Zij moeten tegen de oudsten van zijn stad zeggen: Deze zoon van ons is opstandig en ongehoorzaam, hij luistert niet naar onze stem, hij gaat zich te buiten en is een dronkaard.21Dan moeten alle mannen van zijn stad hem met stenen stenigen, zodat hij sterft. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen. Laat heel Israël het horen en bevreesd zijn.).

God heeft het zwaard aan Nebukadrezar gegeven (vers 1111Hij heeft het gegeven om het te polijsten,
om het met de hand vast te pakken.
Het is gescherpt, het zwaard,
en het is gepolijst
om het een moordenaar in handen te geven.
)
. Die heeft het in zijn hand genomen om Gods raad uit te voeren. Hij heeft daarbij echter alleen zijn eigen boze, wrede plannen nagejaagd. Als “een moordenaar” is hij met het zwaard dat hij van God heeft gekregen te werk gegaan. Hij heeft de hem verleende opdracht alleen tot eigen eer en genoegen uitgevoerd.

Daarom krijgt Ezechiël de opdracht het uit te schreeuwen en te weeklagen (vers 1212Schreeuw het uit en weeklaag, mensenkind,
want het is tegen Mijn volk gericht,
het is tegen alle vorsten van Israël [gericht].
Zij zijn met Mijn volk aan het zwaard prijsgegeven.
Sla daarom op uw heup,
)
, omdat Gods volk zo zwaar te lijden krijgt. Het is God niet onverschillig wat mensen uit eigen beweging, gedreven door moordzuchtige motieven, Zijn volk aandoen. Hij wil Zijn volk straffen, maar zij die door Hem worden gebruikt, willen Zijn volk uitroeien. Dat gaat Hem aan het hart. Hier zien we dat God geen wrede God is, maar alles gebruikt tot Zijn doel, zonder dat het ook maar in de geringste mate de verantwoordelijkheid vermindert van hen van wie Hij gebruikmaakt. Het volk en hun vorsten zijn aan het zwaard prijsgegeven. Dat is een zaak om intens verdriet over te hebben, waarvan het slaan op de heup een uiting is (Jr 31:19a19Want nadat ik bekeerd was,
heb ik berouw gekregen.
Nadat ik met mijzelf bekend ben gemaakt,
heb ik mij op de heup geslagen.
Ik ben beschaamd, ja, ook te schande geworden,
omdat ik de smaad van mijn jeugd meedraag.
)
.

Maar wat gebeurt er als ook deze beproefde roede zijn werk heeft gedaan en wordt weggenomen, zo vraagt de HEERE (vers 1313want er is beproeving.
Wat dan als ook de roede die versmaadt, er niet [meer] zal zijn?
spreekt de Heere HEERE.
)
? Om te voorkomen dat er geen uitwerking is, moet de profeet verder profeteren (vers 1414En u, mensenkind, profeteer,
en sla uw handen ineen.
Verdubbeld zal het zwaard worden, verdrievoudigd.
Het is het zwaard van dodelijk gewonden,
het zwaard van dodelijk gewonden onder de groten,
dat onder hen rondwaart,
)
. Hij moet de handen ineenslaan als teken van ontzetting. Het zwaard zal namelijk met dubbele kracht, ja, met driedubbele kracht op Juda neerkomen. Het zal zo in woede op de groten, de voornamen van het volk, neerkomen, dat velen dodelijk gewond zullen neervallen. Het zal grote angst veroorzaken. Velen zullen neergeveld zijn en zo een struikelblok vormen voor hen die willen vluchten (vers 1515zodat harten smelten
en struikelblokken talrijk worden.
Ik heb bij al hun poorten
een zwaard ter slachting gezet.
Ach, het is gemaakt om te glinsteren,
gepolijst om te slachten!
)
. En als ze bij de poort komen om de stad uit te gaan, zullen ze daar tegen het zwaard aanlopen en gedood worden. Daarvoor is het zwaard immers opgepoetst.

Dan wordt het zwaard toegesproken (vers 1616Wees vastberaden, naar rechts, op de plaats, naar links,
waarheen u ook maar kijkt!
)
. De korte zinnen klinken als zwaardslagen. Het zwaard staat onder Gods bevel en het bevel luidt dat het zwaard naar alle kanten dood en verderf moet zaaien, naar welke kant het zich ook maar wendt. Wat Ezechiël in vers 1414En u, mensenkind, profeteer,
en sla uw handen ineen.
Verdubbeld zal het zwaard worden, verdrievoudigd.
Het is het zwaard van dodelijk gewonden,
het zwaard van dodelijk gewonden onder de groten,
dat onder hen rondwaart,
moet doen, zal God Zelf ook doen (vers 1717Ook Ik zal Mijn handen [ineen]slaan,
Ik zal Mijn grimmigheid [op u] doen rusten.
Ík, de HEERE, heb gesproken.
)
als Zijn zwaard bezig is dood en verderf te zaaien. Hij zal de handen ineenslaan en Zijn grimmigheid op het volk laten neerkomen. Hij zal in heilige toorn Zich verblijden over het oordeel over de goddelozen en het zwaard aanmoedigen om te verdelgen, tot Zijn toorn gestild is. Hij heeft het gesproken en dus zal het gebeuren.


Het orakel van Nebukadrezar

18Het woord van de HEERE kwam tot mij: 19En u, mensenkind, teken voor uzelf twee wegen waarlangs het zwaard van de koning van Babel kan komen. Ze moeten beide uit één land voortkomen. Plaats dan een wegwijzer [en] plaats [hem] aan het begin van de weg naar de stad. 20U moet een weg tekenen waarlangs het zwaard kan binnenkomen tegen Rabba van de Ammonieten en tegen Juda met het versterkte Jeruzalem. 21Want de koning van Babel zal bij de splitsing van de weg staan, aan het begin van de twee wegen, om waarzeggerij te plegen. Hij zal zijn pijlen schudden, hij zal de afgodsbeeldjes om [raad] vragen [en] de lever bezien. 22In zijn rechterhand zal de waarzeggerij over Jeruzalem zijn: om er stormrammen neer te zetten, de mond te openen met een strijdkreet, luid geschreeuw aan te heffen, stormrammen neer te zetten tegen de poorten, een belegeringsdam op te werpen, een schans te bouwen. 23Al zal het voor hen als een valse voorspelling in hun ogen zijn – zij hadden hun [immers] eden van trouw gezworen – dan zal hij zelf de ongerechtigheid in herinnering brengen waarvoor zij gegrepen worden.

Weer komt het woord van de HEERE tot Ezechiël (vers 1818Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij krijgt de opdracht om twee wegen te tekenen (vers 1919En u, mensenkind, teken voor uzelf twee wegen waarlangs het zwaard van de koning van Babel kan komen. Ze moeten beide uit één land voortkomen. Plaats dan een wegwijzer [en] plaats [hem] aan het begin van de weg naar de stad.; vgl. Ez 4:11En u, mensenkind, neem u een tegel, leg die vóór u neer en teken daarop een stad, Jeruzalem.). Hij moet dat “voor uzelf” doen. Dat geeft aan dat hij in de geest moet indringen in wat gaat gebeuren. Zo moeten wij ons ook met de toekomstige gebeurtenissen bezighouden. We moeten als het ware die voor onszelf kunnen uittekenen, waardoor ons helder voor de geest komt te staan wat er met Israël, Europa en de wereld gaat gebeuren.

De weg die Ezechiël moet tekenen, is één weg, die zich in twee wegen splitst. Het is de weg die het zwaard zal gaan om in Juda te komen. Nu wordt ook de naam vermeld van hem die het zwaard houdt. Het is de koning van Babel. De twee wegen komen uit één land. Op de plaats waar de weg zich in twee wegen splitst, moet Ezechiël een wegwijzer plaatsen. Daarop staan twee bestemmingen. De ene weg voert naar Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten; de andere weg voert naar Juda met het versterkte Jeruzalem (vers 2020U moet een weg tekenen waarlangs het zwaard kan binnenkomen tegen Rabba van de Ammonieten en tegen Juda met het versterkte Jeruzalem.). De weg van Babel naar Rabba en naar Jeruzalem is tot Damascus dezelfde weg. Bij Damascus moet worden gekozen waar men heen wil gaan.

Dan zegt de HEERE tegen Ezechiël waarom hij de weg en de splitsing in twee wegen moet tekenen. Bij de splitsing zal de koning van Babel halt houden om te overleggen welke richting hij zal gaan (vers 2121Want de koning van Babel zal bij de splitsing van de weg staan, aan het begin van de twee wegen, om waarzeggerij te plegen. Hij zal zijn pijlen schudden, hij zal de afgodsbeeldjes om [raad] vragen [en] de lever bezien.). Zal hij de weg naar Rabba inslaan of die naar Jeruzalem? Om zijn keus te bepalen zal hij, zoals voor hem gebruikelijk is, afgodische methoden van de waarzeggerij gebruiken om tot een beslissing te komen. Hij gebruikt drie methoden. Dat laat wel zien hoe onzeker hij een bepaalde methode vindt. Het is voor de hand liggend ervan uit te gaan dat hij, door er drie te gebruiken, de weg zal nemen die door minstens twee methoden wordt aangewezen.

Het “pijlen schudden” kan betekenen dat hij twee pijlen neemt en op elk van de pijlen de naam van een richting zet. Hij schudt ze dan en trekt er een. Dat is dan de richting die hij zal nemen. Bij het raadplegen van de “afgodsbeeldjes” lijkt het te gaan om terafim ofwel kleine huisgoden die door de eigenaar op reis worden meegenomen (Gn 31:1919Laban was [op weg] gegaan om zijn schapen te scheren; Rachel stal toen de afgodsbeeldjes die haar vader toebehoorden.). “De lever bezien” is het onderzoeken van de kleur en kenmerken van een lever van een offerdier. Deze vorm van waarzeggerij is in die tijd overal bij de Babyloniërs in gebruik.

Wij zien hier dat God al de overleggingen van Nebukadrezar kent en dat Hij de uitkomst bepaalt. Hij zal ervoor zorgen dat de koning van Babel naar Jeruzalem zal optrekken (vers 2222In zijn rechterhand zal de waarzeggerij over Jeruzalem zijn: om er stormrammen neer te zetten, de mond te openen met een strijdkreet, luid geschreeuw aan te heffen, stormrammen neer te zetten tegen de poorten, een belegeringsdam op te werpen, een schans te bouwen.). Nebukadrezar denkt dat zijn goden hem raad hebben gegeven, maar God bepaalt zijn weg. Nebukadrezar heeft zijn strijdplan en zijn wapens klaar om de belegering van een sterke vesting als Jeruzalem te beginnen. De inwoners van Jeruzalem zullen dat ervaren als een ‘valse voorspelling’, omdat zij de koning van Babel toch trouw hebben beloofd (vers 2323Al zal het voor hen als een valse voorspelling in hun ogen zijn – zij hadden hun [immers] eden van trouw gezworen – dan zal hij zelf de ongerechtigheid in herinnering brengen waarvoor zij gegrepen worden.; Ez 17:16-1816[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, in de [woon]plaats van de koning die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij verachtte en wiens verbond hij verbrak, bij hem, midden in Babel, zal hij sterven!17En de farao zal met een groot leger en een grote verzamelde [gemeenschap] in de strijd niets kunnen uitrichten, als men een belegeringsdam zal opwerpen en een schans zal bouwen om vele levens uit te roeien.18Hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken, en zie, hij had zijn hand [erop] gegeven! Nu hij dit alles gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.).

Maar hun eden zijn niets waard. Meerdere keren hebben Zedekia en de vorsten zich met plechtige eden verbonden om trouw te blijven aan de koning van Babel. Maar dat hebben ze gedaan om hem daarmee zand in de ogen te strooien, want in het geheim hebben ze afspraken met Egypte gemaakt (Ez 17:7,15,177Maar er was een andere grote arend,
met grote vleugels
en vol veren.
En zie, deze wijnstok
richtte zijn wortels naar hem,
en zijn takken liet hij naar hem uitlopen,
opdat [de arend] hem bevochtigen zou
en niet het perk waarin hij geplant was.
15Maar hij kwam in opstand tegen hem door zijn gezanten naar Egypte te sturen, opdat men hem paarden en veel volk zou geven. Zou hij [erin] slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen?17En de farao zal met een groot leger en een grote verzamelde [gemeenschap] in de strijd niets kunnen uitrichten, als men een belegeringsdam zal opwerpen en een schans zal bouwen om vele levens uit te roeien.
; Jr 37:55[Inmiddels] was het leger van de farao uit Egypte uitgetrokken. Toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, [dit] bericht daarover hoorden, trokken zij van Jeruzalem weg.; 46:1717Daar riepen zij: De farao,
de koning van Egypte, is een grootspreker: hij heeft het juiste moment voorbij laten gaan!
)
. Juist hun ontrouw is een reden voor Nebukadrezar om tegen hen op te trekken. Hij zal hun de eigen ongerechtigheid in herinnering brengen en hen daarvoor grijpen en wegvoeren.


De laatste koning

24Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u zich uw ongerechtigheid in herinnering brengt, waardoor uw overtredingen openbaar worden en uw zonden gezien worden in al uw daden; omdat men zich u herinnert, zult u met [harde] hand gegrepen worden. 25Wat u betreft, onheilige, goddeloze vorst van Israël, wiens dag gekomen is in de tijd van uiterste ongerechtigheid, 26zo zegt de Heere HEERE: Doe die tulband weg en zet die kroon af! Niets blijft hetzelfde! Wie nederig is, zal [Ik] verheffen, en wie hoogmoedig is, zal [Ik] vernederen. 27Omkeren, omkeren, omkeren zal Ik die! Ja, dat [wat er was], zal er niet [meer] zijn, totdat Hij komt Die er recht op heeft, en [Hem] zal Ik het geven!

Juda zorgt er zelf voor dat hun ongerechtigheid in herinnering blijft omdat zij maar doorgaan met zondigen (vers 2424Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u zich uw ongerechtigheid in herinnering brengt, waardoor uw overtredingen openbaar worden en uw zonden gezien worden in al uw daden; omdat men zich u herinnert, zult u met [harde] hand gegrepen worden.). Een aanklager is niet nodig, want het volk klaagt zichzelf aan met hun zonden die openbaar worden. Die zijn er de oorzaak van dat ze worden overgegeven aan het oordeel van de harde hand van Nebukadrezar.

De grote schuldige is de “onheilige, goddeloze vorst van Israël”, waarmee Zedekia wordt bedoeld (vers 2525Wat u betreft, onheilige, goddeloze vorst van Israël, wiens dag gekomen is in de tijd van uiterste ongerechtigheid,). In zijn volle toepassing gaat hier om de antichrist. De dag van de afrekening is gekomen omdat zijn ongerechtigheid tot het toppunt is gestegen. Hij zal zijn koningschap verliezen. De kroon als teken daarvan zal hem worden ontnomen (vers 2626zo zegt de Heere HEERE: Doe die tulband weg en zet die kroon af! Niets blijft hetzelfde! Wie nederig is, zal [Ik] verheffen, en wie hoogmoedig is, zal [Ik] vernederen.). Ook de tulband wordt hem ontnomen. De tulband is een sieraad van de hogepriester (Ex 28:44Dit zijn dan de kledingstukken die zij moeten maken: een borsttas, een efod, een bovenkleed, een onderkleed van bewerkte stof, een tulband en een gordel. Zij moeten namelijk voor uw broer Aäron en voor zijn zonen geheiligde kleding maken om Mij als priester te dienen.; 29:66Dan moet u de tulband op zijn hoofd zetten en de heilige diadeem aan de tulband vastmaken.; Lv 8:99Daarna zette hij de tulband op zijn hoofd, en bevestigde aan de voorkant van de tulband de gouden plaat, de heilige diadeem, zoals de HEERE Mozes geboden had.). Mogelijk dat hij zich een priesterlijke waardigheid heeft aangematigd.

Er zal een volkomen verandering in zijn omstandigheden plaatsvinden. Dit gebeurt naar het beginsel dat God verheft wie zichzelf vernedert en vernedert wie zichzelf verhoogt (Lk 14:1111Want ieder die zichzelf verhoogt, zal worden vernederd; en die zichzelf vernedert, zal worden verhoogd.). Wie zich buigt voor Zijn oordeel dat Hij door Nebukadrezar over hen brengt, zal Hij verheffen (vgl. 2Kn 25:27-3027Het gebeurde in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zevenentwintigste van de maand, dat Evil-Merodach, de koning van Babel, in het jaar dat hij koning werd, Jojachin, de koning van Juda, gratie verleende [en hem] uit de gevangenis [haalde].28Hij sprak vriendelijk met hem en stelde zijn zetel boven de zetel van de koningen die met hem in Babel waren.29[Jojachin] legde zijn gevangeniskleren af en gebruikte steeds de maaltijd bij hem, al de dagen van zijn leven. 30 En wat betreft zijn levensonderhoud: een voortdurend levensonderhoud werd hem door de koning verstrekt, een dagelijkse hoeveelheid, al de dagen van zijn leven.). Wie zich verheft tegen dat oordeel, zal Hij aan het oordeel prijsgeven, zoals Zedekia zal ervaren.

Het drie keer herhaalde “omkeren” geeft het oordeel over Jeruzalem aan (vers 2727Omkeren, omkeren, omkeren zal Ik die! Ja, dat [wat er was], zal er niet [meer] zijn, totdat Hij komt Die er recht op heeft, en [Hem] zal Ik het geven!). Die stad zal een ongekende puinhoop worden. Dat het drie keer wordt herhaald, duidt aan dat het oordeel onherroepelijk en uiterst krachtdadig zal gebeuren.

De verwoesting van Jeruzalem en de onttroning van Zedekia – en de toekomstige onttroning van de antichrist – zullen echter niet het einde zijn. God zal ook deze toestand veranderen. De onheilsprofetie eindigt met een belofte. God zal het land en de kroon geven aan Iemand Die er recht op heeft, dat is de Messias. Aan Hem zal Hij de troon van David geven.


Het oordeel over Ammon

28En u, mensenkind, profeteer, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE over de Ammonieten en over hun gesmaad. Zeg dan: Het zwaard, het zwaard is getrokken voor een slachting, gepolijst om toe te slaan, om te glinsteren, 29terwijl men voor u een vals [visioen] zag, terwijl men u leugen voorspelde, om u op de nek te zetten van onheilige goddelozen, van wie de dag gekomen is in de tijd van uiterste ongerechtigheid. 30Doe [uw zwaard] terug in zijn schede! Op de plaats waar u geschapen werd, in het land van uw oorsprong, zal Ik u berechten. 31Ik zal over u Mijn gramschap uitstorten, Ik zal met het vuur van Mijn verbolgenheid op u blazen. Ik zal u geven in de hand van brute mannen, die verderf smeden. 32U zult het vuur tot voedsel zijn, in het midden van het land zal uw bloed zijn. Men zal zich u niet [meer] herinneren, want Ík, de HEERE, heb gesproken.

Het besluit van Nebukadrezar om naar Jeruzalem te trekken (verzen 20-2220U moet een weg tekenen waarlangs het zwaard kan binnenkomen tegen Rabba van de Ammonieten en tegen Juda met het versterkte Jeruzalem.21Want de koning van Babel zal bij de splitsing van de weg staan, aan het begin van de twee wegen, om waarzeggerij te plegen. Hij zal zijn pijlen schudden, hij zal de afgodsbeeldjes om [raad] vragen [en] de lever bezien.22In zijn rechterhand zal de waarzeggerij over Jeruzalem zijn: om er stormrammen neer te zetten, de mond te openen met een strijdkreet, luid geschreeuw aan te heffen, stormrammen neer te zetten tegen de poorten, een belegeringsdam op te werpen, een schans te bouwen.) betekent niet dat de Ammonieten aan het oordeel zullen ontkomen (vers 2828En u, mensenkind, profeteer, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE over de Ammonieten en over hun gesmaad. Zeg dan: Het zwaard, het zwaard is getrokken voor een slachting, gepolijst om toe te slaan, om te glinsteren,). Hun gesmaad over het vernederde en verwoeste Juda is een extra reden om hen te oordelen. Het zwaard van het oordeel dat in de hand van Nebukadrezar is, zal ook onder hen een slachting aanrichten (verzen 9-10,159Mensenkind, profeteer, en zeg: Zo zegt de HEERE. Zeg:
Een zwaard, een zwaard is gescherpt,
en ook gepolijst.
10Om een slachting aan te richten is het gescherpt.
Om het te laten glinsteren is het gepolijst.
Of wij [dan] vrolijk zijn?
Het is de roede van Mijn zoon, die elk hout versmaadt.
15zodat harten smelten
en struikelblokken talrijk worden.
Ik heb bij al hun poorten
een zwaard ter slachting gezet.
Ach, het is gemaakt om te glinsteren,
gepolijst om te slachten!
)
.

De Ammonieten denken dat zij gespaard zullen blijven (vers 2929terwijl men voor u een vals [visioen] zag, terwijl men u leugen voorspelde, om u op de nek te zetten van onheilige goddelozen, van wie de dag gekomen is in de tijd van uiterste ongerechtigheid.). Dat hebben hun leugenprofeten met hun valse visioenen hen wijs gemaakt. Die misleiders hebben zelfs gezegd dat zij met Nebukadrezar, wiens zijde zij hebben gekozen (2Kn 24:22Toen zond de HEERE de benden van de Chaldeeën tegen hem, de benden van Syrië, de benden van Moab en de benden van de Ammonieten. Hij zond hen tegen Juda om het om te brengen, overeenkomstig het woord van de HEERE dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn dienaren, de profeten.), naar Juda zullen trekken. Zij zullen dan hun voeten zetten op de nek van de onheilige goddelozen die bij Zedekia horen en van wie de ongerechtigheid het toppunt heeft bereikt (vgl. vers 2525Wat u betreft, onheilige, goddeloze vorst van Israël, wiens dag gekomen is in de tijd van uiterste ongerechtigheid,).

De oproep klinkt tot hen dat ze zich maar niet moeten wapenen. Ze zullen niet meestrijden met Nebukadrezar en zich ook niet tegen hem kunnen verzetten (vers 3030Doe [uw zwaard] terug in zijn schede! Op de plaats waar u geschapen werd, in het land van uw oorsprong, zal Ik u berechten.). Ze zullen in hun eigen land geoordeeld worden en dus niet zoals Juda in ballingschap worden gevoerd. God zal Zijn gramschap over hen uitstorten en met het vuur van Zijn verbolgenheid op hen blazen (vers 3131Ik zal over u Mijn gramschap uitstorten, Ik zal met het vuur van Mijn verbolgenheid op u blazen. Ik zal u geven in de hand van brute mannen, die verderf smeden.). Hij zal dit doen door hen te geven in de hand van brute mannen die hun verderf op het oog hebben.

Het vuur, beeld van het oordeel, zal zijn verwoestend en verterend werk onder hen doen (vers 3232U zult het vuur tot voedsel zijn, in het midden van het land zal uw bloed zijn. Men zal zich u niet [meer] herinneren, want Ík, de HEERE, heb gesproken.). Het land zal in het midden vol bloed van de verslagenen zijn. Hun rol zal volkomen uitgespeeld zijn en er zal niet meer naar hen worden gevraagd. Ze zijn verdwenen uit de herinnering. Het gebeurt zo, omdat de HEERE het heeft gesproken.


Lees verder