Ezechiël
Inleiding 1-9 De leeuwin 10-14 De verdroogde wijnstok
Inleiding

Dit hoofdstuk is een klaaglied (vers 11En u, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël,
)
dat Ezechiël moet aanheffen. Daarmee geeft hij uiting aan Gods verdriet over Jeruzalem. Het klaaglied bestaat uit twee delen. In het eerste deel (verzen 2-92en zeg:
Wat was uw moeder? Een leeuwin!
Tussen de leeuwen lag zij.
Te midden van de jonge leeuwen
bracht ze haar welpen groot.
3Zij voedde een van haar welpen op;
hij werd een jonge leeuw,
leerde prooi te verscheuren,
at mensen op.
4Toen heidenvolken over hem hoorden,
werd hij gevangen in hun kuil.
Zij brachten hem aan haken
naar het land Egypte.
5Toen zij zag dat zij [tevergeefs] verwacht had,
[en] haar hoop vergaan was,
nam zij een van haar [andere] welpen,
[en] maakte er een jonge leeuw [van].
6Die ging rond te midden van de leeuwen,
werd een jonge leeuw,
leerde prooi te verscheuren,
at mensen op.
7Hij paarde met hun weduwen,
en verwoestte hun steden,
zodat het land met al wat het bevatte, verstarde
door het geluid van zijn gebrul.
8Maar de heidenvolken uit de omliggende gewesten
keerden zich tegen hem.
Zij spreidden hun net over hem uit.
In hun kuil werd hij gevangen.
9Zij zetten hem met haken [vast] in een kooi,
zodat zij hem naar de koning van Babel konden brengen.
Zij brachten hem in vestingen,
zodat zijn stem niet meer gehoord werd
op de bergen van Israël.
)
wordt de moeder van de vorsten van Juda vergeleken met een leeuwin. Het gaat daarin over het lot van de laatste koningen van Juda. In het tweede deel (verzen 10-1410Uw moeder was als een wijnstok, net als u,
geplant aan het water,
vruchtbaar en vol ranken
vanwege het vele water.
11Hij kreeg sterke takken,
voor scepters van heersers [geschikt],
hij rees omhoog tussen de dichte twijgen;
hij viel op door zijn hoogte, door de veelheid van zijn takken.
12Maar hij werd met grimmigheid uitgerukt,
tegen de aarde geworpen,
en de oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd.
Weggerukt [en] verdroogd
zijn zijn sterke takken,
vuur heeft hem verteerd.
13En nu is hij geplant in de woestijn,
in een dor en dorstig land.
14Er kwam vuur uit de takken, [dat] zijn uitlopers [en] zijn vrucht verteerde,
zodat er aan hem geen sterke tak [meer] zat, [geschikt voor] een scepter om te heersen.
Dit is een klaaglied en het werd een klaaglied.
)
worden de vorsten van Israël voorgesteld in het bekende beeld van een wijnstok. We horen daarin de klaagzang over de val van die vorsten.


De leeuwin

1En u, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël,
2en zeg:
Wat was uw moeder? Een leeuwin!
Tussen de leeuwen lag zij.
Te midden van de jonge leeuwen
bracht ze haar welpen groot.
3Zij voedde een van haar welpen op;
hij werd een jonge leeuw,
leerde prooi te verscheuren,
at mensen op.
4Toen heidenvolken over hem hoorden,
werd hij gevangen in hun kuil.
Zij brachten hem aan haken
naar het land Egypte.
5Toen zij zag dat zij [tevergeefs] verwacht had,
[en] haar hoop vergaan was,
nam zij een van haar [andere] welpen,
[en] maakte er een jonge leeuw [van].
6Die ging rond te midden van de leeuwen,
werd een jonge leeuw,
leerde prooi te verscheuren,
at mensen op.
7Hij paarde met hun weduwen,
en verwoestte hun steden,
zodat het land met al wat het bevatte, verstarde
door het geluid van zijn gebrul.
8Maar de heidenvolken uit de omliggende gewesten
keerden zich tegen hem.
Zij spreidden hun net over hem uit.
In hun kuil werd hij gevangen.
9Zij zetten hem met haken [vast] in een kooi,
zodat zij hem naar de koning van Babel konden brengen.
Zij brachten hem in vestingen,
zodat zijn stem niet meer gehoord werd
op de bergen van Israël.

Het klaaglied moet worden aangeheven “over de vorsten van Israël” waarmee de koningen Joahaz en Zedekia worden bedoeld (vers 11En u, hef een klaaglied aan over de vorsten van Israël,
)
. Zij zijn wel koningen van Juda, maar omdat Juda alleen is overgebleven – en er ook in de loop van de tijd mensen uit Israël naar Juda zijn gegaan –, geldt hun koningschap voor heel Israël.

De “moeder”, de “leeuwin” (vers 22en zeg:
Wat was uw moeder? Een leeuwin!
Tussen de leeuwen lag zij.
Te midden van de jonge leeuwen
bracht ze haar welpen groot.
)
, stelt de koninklijke stam Juda voor. De Heer Jezus is “de Leeuw uit de stam van Juda” (Op 5:55En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.). In directe zin gaat het over Hamutal, de moeder van Joahaz en Zedekia (2Kn 23:3131Joahaz was drieëntwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna.; 24:1818Zedekia was eenentwintig jaar oud, toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna.; Jr 13:1818Zeg tegen de koning en tegen de koningin-moeder:
Verneder u, ga [op de laagste plaats] zitten,
want wat op uw hoofd is, uw sierlijke kroon,
is neergevallen.
)
. “De leeuwen” waar de “moeder” tussen ligt, zijn de volken rondom Israël. “De jonge leeuwen” zijn de vorsten van die volken. “Haar welpen” zijn haar zonen Joahaz en Zedekia. “Een van haar welpen” (vers 33Zij voedde een van haar welpen op;
hij werd een jonge leeuw,
leerde prooi te verscheuren,
at mensen op.
)
die ze opvoedt en die een jonge leeuw wordt, is Joahaz. Zijn korte regering is goddeloos (2Kn 23:30-3230Zijn dienaren vervoerden hem – gestorven – uit Megiddo; zij brachten hem naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf. De bevolking van het land nam Joahaz, de zoon van Josia, zalfde hem en maakte hem koning in de plaats van zijn vader.31Joahaz was drieëntwintig jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, uit Libna.32Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vaderen gedaan hadden.). Hij is een bloeddorstige koning, iemand die zich aan geweldpleging schuldig maakt. Hij buit het volk uit, hij eet hen op.

De omringende heidenvolken spreken over hem (vers 44Toen heidenvolken over hem hoorden,
werd hij gevangen in hun kuil.
Zij brachten hem aan haken
naar het land Egypte.
)
. Naar de beeldspraak van de wijze waarop men leeuwen vangt – in kuilen die met takken gecamoufleerd zijn –, neemt farao Necho Joahaz gevangen. Necho brengt Joahaz als balling naar Egypte, waar hij sterft (2Kn 23:33-3433Farao Necho zette hem in Ribla gevangen, in het land van Hamath, zodat hij niet in Jeruzalem kon regeren, en hij legde het land een boete op van honderd talent zilver en een talent goud.34Bovendien maakte farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning in de plaats van zijn vader Josia en veranderde zijn naam in Jojakim. Joahaz nam hij echter mee, [en] toen die in Egypte aankwam, stierf hij daar.; Jr 22:10-1210Ween niet over de dode, beklaag hem niet,
ween liever over wie weggegaan is,
want hij zal niet meer terugkeren
en zijn geboorteland zien.
11Want zo zegt de HEERE over Sallum, de zoon van Josia, de koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia koning is geworden, die uit deze plaats is vertrokken: Hij zal daar niet meer terugkeren.12Want in de plaats waarheen zij hem in ballingschap hebben gevoerd, daar zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien.
)
.

“Zij”, de moeder, Hamutal, maakt Zedekia, “een van haar [andere] welpen”, koning (vers 55Toen zij zag dat zij [tevergeefs] verwacht had,
[en] haar hoop vergaan was,
nam zij een van haar [andere] welpen,
[en] maakte er een jonge leeuw [van].
). Dat doet zij na de gevangenneming en wegvoering van Joahaz. Zedekia wordt wel door Nebukadrezar koning gemaakt, maar dat kan ook wel gebeurd zijn op voorspraak van Hamutal. Zij stelt al haar hoop op hem. Het is een groot kwaad als wij onze hoop stellen op iets of iemand anders dan de Heer. Dit hoofdstuk is het hoofdstuk van de valse hoop.

Deze Zedekia gaat fier rond onder de omringende volken (vers 66Die ging rond te midden van de leeuwen,
werd een jonge leeuw,
leerde prooi te verscheuren,
at mensen op.
)
. Hij, de jonge leeuw, laat zich niet door de andere jonge leeuwen imponeren. Van hem klinkt hetzelfde getuigenis als van Joahaz (vers 33Zij voedde een van haar welpen op;
hij werd een jonge leeuw,
leerde prooi te verscheuren,
at mensen op.
)
.

Zedekia is ook in moreel opzicht een verwerpelijk man die seksuele gemeenschap met weduwen heeft (vers 77Hij paarde met hun weduwen,
en verwoestte hun steden,
zodat het land met al wat het bevatte, verstarde
door het geluid van zijn gebrul.
)
. Zijn leven draagt het karakter van geweld en verwoesting. Zijn schrikbewind, dat vergeleken wordt met het gebrul van een leeuw, verlamt het land. Onder leiding van de koning van Babel komen de omliggende heidenvolken naar hem toe en nemen hem gevangen (vers 88Maar de heidenvolken uit de omliggende gewesten
keerden zich tegen hem.
Zij spreidden hun net over hem uit.
In hun kuil werd hij gevangen.
)
. Evenals Joahaz wordt hij gevangengezet (vers 99Zij zetten hem met haken [vast] in een kooi,
zodat zij hem naar de koning van Babel konden brengen.
Zij brachten hem in vestingen,
zodat zijn stem niet meer gehoord werd
op de bergen van Israël.
)
. Joahaz gaat in ballingschap in Egypte en Zedekia gaat in ballingschap in Babel. Zo komt er aan zijn stem, het gebrul van de leeuw Zedekia, een einde.


De verdroogde wijnstok

10Uw moeder was als een wijnstok, net als u,
geplant aan het water,
vruchtbaar en vol ranken
vanwege het vele water.
11Hij kreeg sterke takken,
voor scepters van heersers [geschikt],
hij rees omhoog tussen de dichte twijgen;
hij viel op door zijn hoogte, door de veelheid van zijn takken.
12Maar hij werd met grimmigheid uitgerukt,
tegen de aarde geworpen,
en de oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd.
Weggerukt [en] verdroogd
zijn zijn sterke takken,
vuur heeft hem verteerd.
13En nu is hij geplant in de woestijn,
in een dor en dorstig land.
14Er kwam vuur uit de takken, [dat] zijn uitlopers [en] zijn vrucht verteerde,
zodat er aan hem geen sterke tak [meer] zat, [geschikt voor] een scepter om te heersen.
Dit is een klaaglied en het werd een klaaglied.

In de tweede gelijkenis wordt Israël, “uw moeder”, vergeleken met een wijnstok (vers 1010Uw moeder was als een wijnstok, net als u,
geplant aan het water,
vruchtbaar en vol ranken
vanwege het vele water.
; vgl. Jr 2:2121Ík had u evenwel geplant, een edele wijnstok,
een volkomen betrouwbare stek.
Hoe bent u tegenover Mij dan veranderd [in] wilde [ranken]
van een uitheemse wijnstok?
)
. Het is een weelderige wijnstok. De “sterke takken” herinneren aan machtige heersers die op de troon van David hebben geheerst (vers 1111Hij kreeg sterke takken,
voor scepters van heersers [geschikt],
hij rees omhoog tussen de dichte twijgen;
hij viel op door zijn hoogte, door de veelheid van zijn takken.
)
. Zedekia is de tak die omhoog rijst tussen de vele takken. Hij wordt tot koning verheven boven de hem omringende prinsen uit het huis van David en schittert te midden van hen. Hij lijkt toekomst te hebben door de zonen die hem geboren zijn, “de veelheid van zijn takken”.

De toorn van de HEERE ontbrandt echter tegen hem vanwege zijn goddeloosheid (vers 1212Maar hij werd met grimmigheid uitgerukt,
tegen de aarde geworpen,
en de oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd.
Weggerukt [en] verdroogd
zijn zijn sterke takken,
vuur heeft hem verteerd.
)
. Daarom wordt hij met grimmigheid van het koningschap weggenomen. Dat gebeurt door “de oostenwind”, dat zijn de Babyloniërs, die het instrument van de grimmigheid van God zijn. Die ‘oostenwind’ zorgt ervoor dat al de vrucht van de wijnstok opdroogt, dat wil zeggen dat al het welvarende van het land verdwijnt.

Het overblijfsel van Israël wordt “geplant in de woestijn”, dat wil zeggen dat het wordt weggevoerd naar Babel, “een dor en dorstig land” (vers 1313En nu is hij geplant in de woestijn,
in een dor en dorstig land.
)
. Babel is in die tijd een vruchtbaar land, maar voor de Israëliet is het figuurlijk een land zonder vrucht.

Het vuur dat uit de takken komt (vers 1414Er kwam vuur uit de takken, [dat] zijn uitlopers [en] zijn vrucht verteerde,
zodat er aan hem geen sterke tak [meer] zat, [geschikt voor] een scepter om te heersen.
Dit is een klaaglied en het werd een klaaglied.
)
, is een zinspeling op de opstand van Zedekia. Dat vuur verteert echter hemzelf en hen die zich onder zijn invloed bevinden, “zijn uitlopers [en] zijn vrucht”. Het resultaat is dat het over en uit is met de heerschappij van het huis van David: er zit “aan hem geen sterke tak [meer]”.

Ezechiël zingt dit klaaglied wanneer het oordeel nog niet over Zedekia is gekomen. Hij ziet echter in het geloof deze afloop van het koningshuis en heeft daarover diep getreurd. De loop van de gebeurtenissen bevestigt zijn profetische blik en maakt dat dit klaaglied in het geloof – “dit is een klaaglied” – tot een klaaglied over de werkelijkheid is geworden – “en het werd tot een klaaglied”.


Lees verder