Ezechiël
Inleiding 1-20 Verantwoordelijkheid van elke generatie 21-32 Verantwoordelijkheid en bekering
Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het algemene beginsel van de persoonlijke verantwoordelijkheid voorgesteld, een van de grote beginselen van de Schrift. Het principe van de persoonlijke verantwoordelijkheid is de basis voor Gods handelen. Voor Hem draagt ieder mens zijn eigen persoonlijke verantwoordelijkheid en op grond daarvan oordeelt Hij ieder mens afzonderlijk.


Verantwoordelijkheid van elke generatie

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Wat is er met u dat u dit spreekwoord gebruikt over het land van Israël:
De vaders eten onrijpe druiven,
en de tanden van de kinderen worden stomp?
3[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, als u dit spreekwoord in Israël nog durft te gebruiken! 4Zie, alle [mensen]levens behoren Mij toe. Zowel het leven van de vader als het leven van de zoon, die behoren Mij toe. De mens die zondigt, die zal sterven. 5Wanneer nu iemand een rechtvaardige is en recht en gerechtigheid doet – 6hij eet geen [offermaaltijden] op de bergen, slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël, onteert de vrouw van zijn naaste niet, heeft geen gemeenschap met een afgezonderde vrouw, 7buit niemand uit, geeft aan de schuldenaar zijn onderpand terug, maakt geen roofgoed buit, geeft de hongerige zijn brood, bedekt de naakte met kleding, 8leent niet uit tegen rente en neemt geen winst, keert zijn hand af van onrecht, geeft een betrouwbaar oordeel [bij geschillen] tussen de een en de ander, 9gaat in Mijn verordeningen en neemt Mijn bepalingen in acht door betrouwbaar te handelen – die rechtvaardige zal zeker in leven blijven, spreekt de Heere HEERE. 10Maar heeft hij nu een gewelddadige zoon voortgebracht, een bloedvergieter, die helaas maar één van die dingen doet 11– terwijl [de vader] dat allemaal niet doet – ja, zelfs op de bergen [offermaaltijden] eet en de vrouw van zijn naaste onteert, 12de arme en de behoeftige uitbuit, roofgoed buitmaakt, een onderpand niet teruggeeft, en zijn ogen opslaat naar de stinkgoden [en] een gruweldaad doet, 13uitleent tegen rente en winst neemt – zou die [dan] in leven mogen blijven? Hij mag niet in leven blijven: al die gruweldaden heeft hij [namelijk] gedaan. Hij moet zeker gedood worden. Zijn bloed rust op hem! 14En zie, heeft hij een zoon voortgebracht die al de zonden van zijn vader die hij doet, ziet; hij ziet [ze], maar doet [zelf] die dingen niet – 15hij eet geen [offermaaltijden] op de bergen, slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël, onteert de vrouw van zijn naaste niet, 16buit niemand uit, houdt een onderpand niet in pand, maakt geen roofgoed buit, geeft zijn brood aan de hongerige en bedekt de naakte met kleding, 17blijft met zijn handen van de arme af, neemt geen rente en winst, voert Mijn bepalingen uit [en] gaat in Mijn verordeningen – die zal niet sterven vanwege de ongerechtigheid van zijn vader. Hij zal zeker in leven blijven. 18Zijn vader – omdat hij zich aan afpersing schuldig gemaakt heeft, roofgoed van [zijn] broeder buitgemaakt heeft en te midden van zijn volksgenoten gedaan heeft wat niet goed was – zie, hij zal sterven vanwege zijn ongerechtigheid. 19Maar u zegt: Waarom draagt de zoon de ongerechtigheid van [zijn] vader niet? Wel, de zoon heeft recht en gerechtigheid gedaan: al Mijn verordeningen heeft hij in acht genomen en hij heeft ze gehouden. Hij zal zeker in leven blijven. 20De mens die zondigt, díe zal sterven. De zoon zal de ongerechtigheid van de vader niet dragen, en de vader zal de ongerechtigheid van de zoon niet dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal op hemzelf zijn, en de goddeloosheid van de goddeloze zal op hemzelf zijn.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). In dat woord wijst Hij Zijn volk op een spreekwoord dat in de tijd van Ezechiël in omloop is (vers 22Wat is er met u dat u dit spreekwoord gebruikt over het land van Israël:
De vaders eten onrijpe druiven,
en de tanden van de kinderen worden stomp?
; Jr 31:29-3029In die dagen zullen zij niet meer zeggen:
De vaders hebben onrijpe druiven gegeten,
en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden.
30Maar ieder zal om zijn [eigen] ongerechtigheid sterven. Ieder mens die onrijpe druiven eet – zijn tanden zullen stomp worden.
; vgl. Kl 5:77Onze vaderen hebben gezondigd; zij zijn er niet [meer],
en wíj dragen hun ongerechtigheden.
)
. Het gaat over iets wat de vaders doen en waarvan de kinderen de gevolgen dragen. De vaders eten onrijpe druiven en de kinderen merken dat aan hun eigen tanden. Onrijpe, zure druiven geven aan de tanden een stroef gevoel. De kinderen eten zelf de druiven niet en toch voelen hun tanden alsof ze dat wel hebben gedaan.

De betekenis van dit spreekwoord is dat zij het niet eerlijk vinden dat zij lijden vanwege wat hun voorvaders hebben gedaan. Met dit spreekwoord schuiven ze de schuld van het komende oordeel van zich af. Zij zijn niet de schuldigen, zo stellen zij, maar voorgaande generaties. Ze beweren dat de zonden van de vaderen aan hen worden gewroken. Daarmee beschuldigen ze dus de HEERE van onrecht.

In onze tijd is deze zelfde opvatting te horen. Als iemand een misdrijf heeft gepleegd, wordt de oorzaak daarvan gezocht in zijn opvoeding of in zijn genen of in het milieu waarin hij terecht is gekomen. Deze houding is het automatisme dat in de mens zit om de schuld van zijn daden op anderen af te wentelen. Dit afwentelingsgedrag is zo oud als de mens. Wij zien dit gedrag bij Adam die Eva de schuld geeft en bij Eva die de slang de schuld geeft. Maar God veroordeelt ieder van de drie betrokkenen voor de eigen zonden.

Niemand is ertoe gedwongen het slechte gedrag van ouders of van anderen te imiteren. De mens heeft een keuze dat wel of niet te doen. Verder is het voor ieder mens mogelijk om van de last van zijn verleden bevrijd te worden als hij zijn zonden aan God belijdt. Dan volgt Gods vergeving.

De HEERE neemt de mensen in Israël deze houding zeer kwalijk en bezweert hun – “[zo waar] Ik leef” – dat zij dit spreekwoord niet meer zullen gebruiken (vers 33[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, als u dit spreekwoord in Israël nog durft te gebruiken!). Krachtig verwerpt Hij de gedachte dat men de persoonlijke verantwoordelijkheid kan afschuiven. Hij laat in dit gedeelte zien dat Hij rechtvaardig is wanneer Hij straft, omdat Hij ieder straft naar zijn eigen daden. Het gevolg zal zijn dat het volk, wanneer het van zijn eigen schuld overtuigd is, van deze ijdele zelfrechtvaardiging zal afzien.

De HEERE begint met erop te wijzen dat elk mensenleven Hem toebehoort (vers 44Zie, alle [mensen]levens behoren Mij toe. Zowel het leven van de vader als het leven van de zoon, die behoren Mij toe. De mens die zondigt, die zal sterven.; Jb 12:1010In Zijn hand is de ziel van alles wat leeft,
en de geest van al het menselijk vlees.
)
. Daarom is ieder mens persoonlijk tegenover Hem verantwoordelijk. Het leven van de vader behoort de HEERE toe én het leven van de zoon behoort Hem toe. Hoewel vader en zoon als familie met elkaar verbonden zijn, is ieder afzonderlijk persoonlijk voor God verantwoordelijk. Of de vader nu zondigt of de zoon: degene die zondigt zal sterven, “want het loon van de zonde is [de] dood” (Rm 6:23a23Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.). Er is geen sprake van het afwijzen van de eigen verantwoordelijkheid of van het doorschuiven of erven van de schuld.

De vraag kan nu worden gesteld of het voorgaande niet in strijd is met wat de wet zegt, dat de HEERE de zonde van de vaderen bezoekt “aan het derde en vierde [geslacht]” (Ex 20:5b5U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,). Het is duidelijk niet in tegenspraak met elkaar. Het verband in Exodus wijst op afgoderij die in de geslachten doorwerkt. Kinderen volharden vaak in de zonden van hun ouders. Het is een ernstig woord voor ouders. Het is geen woord voor kinderen om de verantwoordelijkheid voor hun daden op hun ouders of de omgeving af te schuiven. Kinderen worden gestraft vanwege hun eigen zonden. Mozes heeft ook geschreven dat niemand om de zonden van een ander wordt gedood, maar dat de ziel die zondigt, moet sterven (Dt 24:1616De vaders mogen niet ter dood gebracht worden om de kinderen, en de kinderen mogen niet ter dood gebracht worden om de vaders. Ieder zal [alleen] om zijn [eigen] zonde ter dood gebracht worden.).

Het ongeloof van ouders heeft zeker een verwoestende uitwerking op de opvoeding van de kinderen, maar toch blijft ieder persoonlijk verantwoordelijk tegenover God. Elke generatie moet zelf beslissen welke weg ze gaat: de weg van trouw aan en eerbied voor de Heer, of de weg van eigengereidheid en opstand tegen de Heer. God zal ieder in overeenstemming met zijn verantwoordelijkheid ter verantwoording roepen.

De HEERE geeft aan Ezechiël verschillende voorbeelden. Hij doet dat aan de hand van drie elkaar opvolgende geslachten (waarvan we in Hizkia, Manasse en Josia een voorbeeld hebben):
1. De (groot)vader die gerechtigheid doet (Hizkia), zal leven (verzen 5-95Wanneer nu iemand een rechtvaardige is en recht en gerechtigheid doet –6hij eet geen [offermaaltijden] op de bergen, slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël, onteert de vrouw van zijn naaste niet, heeft geen gemeenschap met een afgezonderde vrouw,7buit niemand uit, geeft aan de schuldenaar zijn onderpand terug, maakt geen roofgoed buit, geeft de hongerige zijn brood, bedekt de naakte met kleding,8leent niet uit tegen rente en neemt geen winst, keert zijn hand af van onrecht, geeft een betrouwbaar oordeel [bij geschillen] tussen de een en de ander,9gaat in Mijn verordeningen en neemt Mijn bepalingen in acht door betrouwbaar te handelen – die rechtvaardige zal zeker in leven blijven, spreekt de Heere HEERE.).
2. De gewelddadige zoon van de rechtvaardige (Manasse) zal sterven (verzen 10-1310Maar heeft hij nu een gewelddadige zoon voortgebracht, een bloedvergieter, die helaas maar één van die dingen doet11– terwijl [de vader] dat allemaal niet doet – ja, zelfs op de bergen [offermaaltijden] eet en de vrouw van zijn naaste onteert,12de arme en de behoeftige uitbuit, roofgoed buitmaakt, een onderpand niet teruggeeft, en zijn ogen opslaat naar de stinkgoden [en] een gruweldaad doet,13uitleent tegen rente en winst neemt – zou die [dan] in leven mogen blijven? Hij mag niet in leven blijven: al die gruweldaden heeft hij [namelijk] gedaan. Hij moet zeker gedood worden. Zijn bloed rust op hem!).
3. De rechtvaardige (klein)zoon (Josia), zoon van de gewelddadige vader, zal leven, terwijl zijn gewelddadige vader zal sterven (verzen 14-1814En zie, heeft hij een zoon voortgebracht die al de zonden van zijn vader die hij doet, ziet; hij ziet [ze], maar doet [zelf] die dingen niet –15hij eet geen [offermaaltijden] op de bergen, slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël, onteert de vrouw van zijn naaste niet,16buit niemand uit, houdt een onderpand niet in pand, maakt geen roofgoed buit, geeft zijn brood aan de hongerige en bedekt de naakte met kleding,17blijft met zijn handen van de arme af, neemt geen rente en winst, voert Mijn bepalingen uit [en] gaat in Mijn verordeningen – die zal niet sterven vanwege de ongerechtigheid van zijn vader. Hij zal zeker in leven blijven.18Zijn vader – omdat hij zich aan afpersing schuldig gemaakt heeft, roofgoed van [zijn] broeder buitgemaakt heeft en te midden van zijn volksgenoten gedaan heeft wat niet goed was – zie, hij zal sterven vanwege zijn ongerechtigheid.).

De rechtvaardige is de mens die “recht en gerechtigheid doet” (vers 55Wanneer nu iemand een rechtvaardige is en recht en gerechtigheid doet –). Waaruit het recht en de gerechtigheid van de rechtvaardige bestaan, wordt breed uitgemeten (verzen 6-96hij eet geen [offermaaltijden] op de bergen, slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël, onteert de vrouw van zijn naaste niet, heeft geen gemeenschap met een afgezonderde vrouw,7buit niemand uit, geeft aan de schuldenaar zijn onderpand terug, maakt geen roofgoed buit, geeft de hongerige zijn brood, bedekt de naakte met kleding,8leent niet uit tegen rente en neemt geen winst, keert zijn hand af van onrecht, geeft een betrouwbaar oordeel [bij geschillen] tussen de een en de ander,9gaat in Mijn verordeningen en neemt Mijn bepalingen in acht door betrouwbaar te handelen – die rechtvaardige zal zeker in leven blijven, spreekt de Heere HEERE.). Het is iemand die de geboden van de HEERE tot norm voor zijn leven stelt en gehoorzaam daarnaar handelt. De HEERE somt op wat zo iemand kenmerkt:

- “hij eet geen [offermaaltijden] op de bergen,” (vers 66hij eet geen [offermaaltijden] op de bergen, slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël, onteert de vrouw van zijn naaste niet, heeft geen gemeenschap met een afgezonderde vrouw,) – dit slaat op de afgodsdiensten op de bergen (Ez 6:2,132Mensenkind, richt uw blik op de bergen van Israël, en profeteer ertegen.13Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als hun gesneuvelden te midden van hun stinkgoden rondom hun altaren liggen, op elke hoge heuvel, op alle bergtoppen, onder elke bladerrijke boom en onder elke dicht[bebladerde] eik, [op] de plaats waar zij voor al hun stinkgoden een aangename geur hebben bereid.; 16:1616U nam [een deel] van uw kleding, maakte [daarmee] voor uzelf de hoogten kleurrijk en bedreef er hoererij op. Nooit is [zoiets] voorgekomen en het zal nooit [meer] gebeuren.; 20:2828Toen Ik hen naar het land gebracht had waarover Ik Mijn hand opgeheven had om het hun te geven, keken zij naar elke hoge heuvel en elk dicht geboomte en brachten daar hun slachtoffers, boden daar hun krenkende offergaven aan, zetten daar hun aangename reukwerk neer en goten daar hun plengoffers uit.; Jr 2:2020Want van oude tijden af heb Ik uw juk gebroken,
[en] uw banden verscheurd.
U zei: Ik wil niet dienen!
Maar op elke hoge heuvel
en onder elke bladerrijke boom
legt u zich [als] een hoer neer.
; Hs 4:1313Op de toppen van de bergen offeren zij,
op de heuvels brengen zij reukoffers,
onder eik, populier en terebint,
omdat hun schaduw goed is.
Daarom bedrijven uw dochters hoererij
en plegen uw schoondochters overspel.
)
;
- “slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël,” – hij houdt zich naar de wet ver van de gruwelijke afgoden die Israël dient (Ex 20:33U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.);
- “onteert de vrouw van zijn naaste niet,” – hij houdt zich aan het zevende gebod en pleegt geen overspel (Ex 20:1414U zult niet echtbreken.; Dt 22:2222Wanneer [ergens] een man aangetroffen wordt terwijl hij met een vrouw slaapt die met een [andere] man getrouwd is, dan moeten zij beiden sterven, de man die met de vrouw geslapen heeft, en de vrouw. Zo moet u het kwaad uit Israël wegdoen.);
- “heeft geen gemeenschap met een afgezonderde vrouw,” – hij houdt zich aan de voorschriften met betrekking tot seksualiteit (Lv 15:2424Als een man metterdaad met haar geslapen heeft, komt haar afzondering [ook] op hem. Hij is dan zeven dagen onrein, en [ook] is elk bed waarop hij gelegen heeft onrein.; 18:1919U mag niet naderen tot een vrouw die vanwege haar afzondering onrein is, om haar schaamdelen te ontbloten.; 20:1818Wanneer een man met een vrouw slaapt die ongesteld is, en hij haar schaamdelen ontbloot, [de] bron van haar [bloeding], en zijzelf [voor hem] de bron van haar bloeding ontbloot, dan moeten zij beiden uit het midden van hun volk uitgeroeid worden.);
- “buit niemand uit,” (vers 77buit niemand uit, geeft aan de schuldenaar zijn onderpand terug, maakt geen roofgoed buit, geeft de hongerige zijn brood, bedekt de naakte met kleding,) – hij misbruikt de zwakke sociale positie van anderen niet om zich ten koste van hem of haar te verrijken (Ex 22:21-2221U mag een vreemdeling niet uitbuiten en hem niet onderdrukken, want u bent [zelf] vreemdelingen geweest in het land Egypte.22U mag geen enkele weduwe of wees onderdrukken.; Dt 24:1717U mag het recht van de vreemdeling [en] de wees niet buigen, en u mag het kleed van een weduwe niet in onderpand nemen,);
- “geeft aan de schuldenaar zijn onderpand terug,” – hij erkent het recht van zijn naaste, ondanks de schuld die deze tegenover hem heeft (Ex 22:25-2625Als u [iemand] van Mijn volk, [een] van de armen onder u, geld leent, dan mag u zich niet als een schuldeiser tegenover hem gedragen. U mag hem geen rente opleggen.26Als u het kleed van uw naaste in onderpand neemt, moet u dat aan hem teruggeven voordat de zon ondergaat.; Dt 24:12-1312En als het een arme man is, mag u niet in diens onderpand gaan slapen,13maar u moet hem het onderpand zeker teruggeven als de zon ondergaat, zodat hij in zijn kleed kan gaan slapen, en hij u zegent. Dat zal u [tot] gerechtigheid zijn voor het aangezicht van de HEERE, uw God.; Jb 22:66Want je hebt zonder reden van je broeders een onderpand genomen,
en je hebt de kleding van naakten uitgetrokken.
; 24:33De ezel van de wezen drijven ze weg;
het rund van een weduwe nemen ze in onderpand.
; Am 2:88Zij strekken zich uit op kleren die zij in onderpand hebben,
naast elk altaar.
Zij drinken wijn die als boete was opgelegd,
in het huis van hun goden.
)
;
- “maakt geen roofgoed buit,” – hij is geen dief of rover die zijn naaste berooft om zijn bezit te vergroten (Ex 20:1515U zult niet stelen.; Lv 19:1313U mag uw naaste niet afpersen en niet beroven. Het arbeidsloon van de dagloner mag niet de nacht bij u overblijven tot de [volgende] morgen.);
- “geeft de hongerige zijn brood,” – in plaats van anderen te bestelen geeft hij brood waar honger is (Dt 15:7-117[Maar] als er onder u een arme zal zijn, iemand uit uw broeders, binnen een van uw poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, dan mag u uw hart niet verstokken, of uw hand sluiten voor uw broeder die arm is.8Integendeel, u moet uw hand wijd voor hem opendoen en hem overvloedig lenen, genoeg voor wat hem ontbreekt.9Wees op uw hoede dat niet de verderfelijke gedachte in uw hart opkomt dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, naderbijkomt – waardoor u uw broeder die arm is niets gunt en hem niets geeft, en hij over u tot de HEERE roept en er zonde in u is.10U moet hem overvloedig geven, en laat uw hart niet verdrietig zijn als u hem geeft. Want vanwege deze zaak zal de HEERE, uw God, u zegenen in al uw werk en in alles wat u ter hand neemt.11Want armen zullen binnen uw land nooit ontbreken. Daarom gebied ik u: U moet uw hand wijd opendoen voor uw broeder, de onderdrukte en de arme in uw land.; Js 58:77Is het niet [dit], dat u uw brood deelt met wie hongerlijdt,
en de ellendige ontheemden een thuis biedt,
dat, als u een naakte ziet, u hem kleedt,
en dat u zich voor eigen vlees [en bloed] niet verbergt?
; Jk 2:15-1615Als een broeder of zuster zonder kleding zijn en gebrek hebben aan het dagelijkse voedsel16en iemand van u zegt tot hen: Gaat heen in vrede, warmt u en verzadigt u, maar u geeft hun niet het voor het lichaam benodigde, wat baat het?)
;
- “bedekt de naakte met kleding,” – in plaats van iemand uit te kleden zal hij hem voorzien van wat nodig is om warm te worden (Js 58:77Is het niet [dit], dat u uw brood deelt met wie hongerlijdt,
en de ellendige ontheemden een thuis biedt,
dat, als u een naakte ziet, u hem kleedt,
en dat u zich voor eigen vlees [en bloed] niet verbergt?
; Jk 2:15-1615Als een broeder of zuster zonder kleding zijn en gebrek hebben aan het dagelijkse voedsel16en iemand van u zegt tot hen: Gaat heen in vrede, warmt u en verzadigt u, maar u geeft hun niet het voor het lichaam benodigde, wat baat het?)
;
- “leent niet uit tegen rente,” (vers 88leent niet uit tegen rente en neemt geen winst, keert zijn hand af van onrecht, geeft een betrouwbaar oordeel [bij geschillen] tussen de een en de ander,) – de Israëliet mag alleen rente nemen van buitenlanders, niet van volksgenoten (Ex 22:2525Als u [iemand] van Mijn volk, [een] van de armen onder u, geld leent, dan mag u zich niet als een schuldeiser tegenover hem gedragen. U mag hem geen rente opleggen.; Lv 25:36-3736U mag geen rente of winst van hem nemen, maar u moet uw God vrezen, zodat uw broeder bij u in leven blijft.37U mag uw geld niet met rente aan hem lenen en u mag uw voedsel niet tegen winst geven.; Dt 23:19-2019U mag van uw broeder geen rente vragen: rente over geld, rente over voedsel [of] rente over enig ding waarover men rente betaalt.20Van de buitenlander mag u rente vragen, maar van uw broeder mag u geen rente vragen, opdat de HEERE, uw God, u zegent in alles wat u ter hand neemt in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen.; Sp 28:88Wie met rente en met winst zijn bezit vermeerdert,
brengt het bijeen voor hem die zich over armen ontfermt.
)
;
- “en neemt geen winst,”(Lv 25:3737U mag uw geld niet met rente aan hem lenen en u mag uw voedsel niet tegen winst geven.; Sp 28:88Wie met rente en met winst zijn bezit vermeerdert,
brengt het bijeen voor hem die zich over armen ontfermt.
)
;
- “keert zijn hand af van onrecht,” – hierbij kunnen we denken aan het gebruik van valse gewichten en maten in de handel (Lv 19:35-3635U mag geen onrecht doen in de rechtspraak, met de lengtemaat, met het gewicht en met de inhoudsmaat.36U moet een zuivere weegschaal hebben, zuivere gewichten, een zuivere efa en een zuivere hin. Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte geleid heeft.);
- “geeft een betrouwbaar oordeel [bij geschillen] tussen de een en de ander,” – er is geen aanzien des persoons bij de beoordeling van een geschil, maar eerlijke rechtspraak (Lv 19:1515U mag geen onrecht doen in de rechtspraak, u mag geen partij trekken voor de arme en de aanzienlijke niet voortrekken. Op rechtvaardige wijze moet u uw naaste oordelen.; Sp 16:1010Een beslissend vonnis ligt op de lippen van een koning,
in de rechtspraak pleegt zijn mond geen trouwbreuk.
)
;
- “gaat in Mijn verordeningen” (vers 99gaat in Mijn verordeningen en neemt Mijn bepalingen in acht door betrouwbaar te handelen – die rechtvaardige zal zeker in leven blijven, spreekt de Heere HEERE.) – zo iemand gaat niet zijn eigen weg, maar gaat zijn weg in gehoorzaamheid aan de HEERE, terwijl hij Zijn verordeningen liefheeft, overdenkt, zich daarover verheugt en ze wil leren (Lv 18:44Mijn bepalingen moet u houden en Mijn verordeningen moet u in acht nemen door daarnaar te wandelen. Ik ben de HEERE, uw God.; Ps 119:1616Ik verblijd mij in Uw verordeningen,
Uw woord vergeet ik niet.
)
;
- “en neemt Mijn bepalingen in acht door betrouwbaar te handelen” – het gaat daarbij niet slechts om een uiterlijke gehoorzaamheid, maar dat er wordt gehandeld in de juiste gezindheid van het hart (vers 3131Werp al uw overtredingen, waarmee u overtreden hebt, van u af en maak u een nieuw hart en een nieuwe geest. Waarom zou u sterven, huis van Israël?).

De persoon die “rechtvaardige” wordt genoemd, is de mens die gekenmerkt wordt door het doen van recht en gerechtigheid en daarin laat zien de HEERE lief te hebben. Die “zal zeker in leven blijven, spreekt de Heere HEERE”. Zo iemand verdient het leven en zal het krijgen. Hij zal niet omkomen door de oordelen, wat zijn voorgeslacht ook heeft gedaan.

In de verzen 10-1310Maar heeft hij nu een gewelddadige zoon voortgebracht, een bloedvergieter, die helaas maar één van die dingen doet11– terwijl [de vader] dat allemaal niet doet – ja, zelfs op de bergen [offermaaltijden] eet en de vrouw van zijn naaste onteert,12de arme en de behoeftige uitbuit, roofgoed buitmaakt, een onderpand niet teruggeeft, en zijn ogen opslaat naar de stinkgoden [en] een gruweldaad doet,13uitleent tegen rente en winst neemt – zou die [dan] in leven mogen blijven? Hij mag niet in leven blijven: al die gruweldaden heeft hij [namelijk] gedaan. Hij moet zeker gedood worden. Zijn bloed rust op hem! wordt het geval voorgesteld dat de rechtvaardige van de vorige verzen een zoon heeft, die niet als zijn vader rechtvaardig is (vers 1010Maar heeft hij nu een gewelddadige zoon voortgebracht, een bloedvergieter, die helaas maar één van die dingen doet). We zien dat bij Hizkia, die rechtvaardig is, en zijn zoon Manasse, die niet rechtvaardig is. Die zoon is een gewelddadige, een bloedvergieter, en dus iemand die het leven van een ander veracht. Hij doet dingen die zijn vader allemaal niet doet, en het doen van slechts één van die dingen maakt al dat hij de dood verdient.

De HEERE herinnert eraan dat de vader alle hiervoor opgesomde dingen niet doet (vers 1111– terwijl [de vader] dat allemaal niet doet – ja, zelfs op de bergen [offermaaltijden] eet en de vrouw van zijn naaste onteert,). De zoon laat het ook niet bij het ene geval van goddeloosheid, zijn geweldpleging. Hij stapelt zonde op zonde. Met de woorden “ja, zelfs” intensiveert de HEERE Zijn afschuw van het kwaad van de zoon die zo in contrast met zijn vader handelt. Hij is het tegenbeeld van zijn vader, want hij is iemand die

- “ja, zelfs op de bergen [offermaaltijden] eet“
- “en de vrouw van zijn naaste onteert,“
- “de arme en de behoeftige uitbuit,“ (vers 1212de arme en de behoeftige uitbuit, roofgoed buitmaakt, een onderpand niet teruggeeft, en zijn ogen opslaat naar de stinkgoden [en] een gruweldaad doet,)
- “roofgoed buitmaakt,“
- “een onderpand niet teruggeeft,“
- “en zijn ogen opslaat naar de stinkgoden“
- “[en] een gruweldaad doet,“
- “uitleent tegen rente en winst neemt –“ (vers 1313uitleent tegen rente en winst neemt – zou die [dan] in leven mogen blijven? Hij mag niet in leven blijven: al die gruweldaden heeft hij [namelijk] gedaan. Hij moet zeker gedood worden. Zijn bloed rust op hem!).

Na deze opsomming van wandaden stelt de HEERE het volk de vraag: “Zou die [dan] in leven mogen blijven?” Hij wacht het antwoord niet af, maar geeft het Zelf: “Hij mag niet in leven blijven: al die gruweldaden heeft hij [namelijk] gedaan. Hij moet zeker gedood worden. Zijn bloed rust op hem!” De gerechtigheid van zijn vader kan hem niet redden. Hij alleen draagt de verantwoordelijkheid voor zijn leven in de zonde. Het is duidelijk: de kinderen krijgen niet de rekening gepresenteerd voor de misdaden van hun ouders én ze krijgen niet de beloning voor de gerechtigheden van hun ouders.

Het is mogelijk dat er mensen zijn die de zonden van hun vader zien en die deze zonden niet volgen (vers 1414En zie, heeft hij een zoon voortgebracht die al de zonden van zijn vader die hij doet, ziet; hij ziet [ze], maar doet [zelf] die dingen niet –). We zien dat bij de goddeloze Amon en zijn Godvrezende zoon Josia. Een Godvrezende zoon handelt niet naar het goddeloze voorbeeld dat hij heeft gezien. En weer somt de HEERE de wandaden op, maar nu in verbinding met iemand die de wandaden niet doet, maar doet wat de HEERE heeft gezegd:

- “hij eet geen [offermaaltijden] op de bergen (vers 1515hij eet geen [offermaaltijden] op de bergen, slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël, onteert de vrouw van zijn naaste niet,),
- slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël,
- onteert de vrouw van zijn naaste niet,
- buit niemand uit (vers 1616buit niemand uit, houdt een onderpand niet in pand, maakt geen roofgoed buit, geeft zijn brood aan de hongerige en bedekt de naakte met kleding,),
- houdt een onderpand niet in pand,
- maakt geen roofgoed buit,
- geeft zijn brood aan de hongerige en
- bedekt de naakte met kleding,
- blijft met zijn handen van de arme af (vers 1717blijft met zijn handen van de arme af, neemt geen rente en winst, voert Mijn bepalingen uit [en] gaat in Mijn verordeningen – die zal niet sterven vanwege de ongerechtigheid van zijn vader. Hij zal zeker in leven blijven.),
- neemt geen rente en winst,
- voert Mijn bepalingen uit [en]
- gaat in Mijn verordeningen.”

Deze zoon geeft er blijk van een rechtvaardige te zijn en daarom zal hij “niet sterven vanwege de ongerechtigheid van zijn vader”, maar “hij zal zeker in leven blijven”. Maar de vader zal sterven vanwege zijn ongerechtigheid (vers 1818Zijn vader – omdat hij zich aan afpersing schuldig gemaakt heeft, roofgoed van [zijn] broeder buitgemaakt heeft en te midden van zijn volksgenoten gedaan heeft wat niet goed was – zie, hij zal sterven vanwege zijn ongerechtigheid.). En opnieuw somt de HEERE op waaruit zijn ongerechtigheid bestaat. De aanklacht wordt weer voorgelezen. Het moet diep tot het volk doordringen dat de boze daden die door de persoon zijn gedaan de directe oorzaak van zijn dood zijn. “De vader” sterft “omdat hij
- zich aan afpersing schuldig gemaakt heeft,
- roofgoed van [zijn] broeder buitgemaakt heeft en
- te midden van zijn volksgenoten gedaan heeft wat niet goed was”.

Het is uitvoerig en overduidelijk aangetoond dat ieder persoonlijk voor zijn eigen daden verantwoordelijk is. De HEERE kijkt alleen naar de persoon in kwestie en naar zijn daden.

Toch blijkt er nog een vraag te leven, die ze God stellen: “Waarom draagt de zoon de ongerechtigheid van [zijn] vader niet?” (vers 19a19Maar u zegt: Waarom draagt de zoon de ongerechtigheid van [zijn] vader niet? Wel, de zoon heeft recht en gerechtigheid gedaan: al Mijn verordeningen heeft hij in acht genomen en hij heeft ze gehouden. Hij zal zeker in leven blijven.). Deze vraag is niet oprecht, maar is een laatste poging om onder de eigen verantwoordelijkheid uit te komen. De vraag lijkt te zijn ingegeven door wat de wet zegt, dat de kinderen de ongerechtigheid van de vaders dragen (Ex 20:5b5U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,; zie commentaar bij vers 44Zie, alle [mensen]levens behoren Mij toe. Zowel het leven van de vader als het leven van de zoon, die behoren Mij toe. De mens die zondigt, die zal sterven.).

Door deze vraag te stellen beschuldigen ze God van onrechtvaardigheid. God heeft duidelijk aangetoond dat ze de verantwoordelijkheid voor hun daden niet op hun vaders kunnen schuiven. Toch willen ze niet inzien dat ze zelf verantwoordelijk zijn voor hun gedrag. Als ze dan hun vaders niet de schuld in de schoenen kunnen schuiven, blijft hun niets anders over dan God de schuld geven.

Het antwoord dat God geeft, is de climax van deze hele verhandeling over de persoonlijke verantwoordelijkheid van de mens. De conclusie is glashelder: “Wel, de zoon heeft recht en gerechtigheid gedaan: al Mijn verordeningen heeft hij in acht genomen en hij heeft ze gehouden. Hij zal zeker in leven blijven. De mens die zondigt, díe zal sterven. De zoon zal de ongerechtigheid van de vader niet dragen, en de vader zal de ongerechtigheid van de zoon niet dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal op hemzelf zijn, en de goddeloosheid van de goddeloze zal op hemzelf zijn” (verzen 19b-2019Maar u zegt: Waarom draagt de zoon de ongerechtigheid van [zijn] vader niet? Wel, de zoon heeft recht en gerechtigheid gedaan: al Mijn verordeningen heeft hij in acht genomen en hij heeft ze gehouden. Hij zal zeker in leven blijven.20De mens die zondigt, díe zal sterven. De zoon zal de ongerechtigheid van de vader niet dragen, en de vader zal de ongerechtigheid van de zoon niet dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal op hemzelf zijn, en de goddeloosheid van de goddeloze zal op hemzelf zijn.). Slechte, goddeloze mensen dragen hun eigen verantwoordelijkheid. Zij zullen de gevolgen dragen van hun goddeloosheid. Hetzelfde geldt voor het tegendeel, het doen van gerechtigheid. Wie dat doet, draagt ook zijn eigen verantwoordelijkheid.


Verantwoordelijkheid en bekering

21Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden die hij gedaan heeft, al Mijn verordeningen in acht neemt en recht en gerechtigheid doet, zal hij zeker in leven blijven, hij zal niet sterven. 22Al zijn overtredingen, die hij begaan heeft, ze zullen hem niet in herinnering gebracht worden. Vanwege zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven. 23Zou Ik werkelijk behagen scheppen in de dood van de goddeloze? spreekt de Heere HEERE. Is het niet, wanneer hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij zal leven? 24Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, overeenkomstig al de gruweldaden die de goddeloze gedaan heeft [en] doet, zal hij in leven blijven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, ze zullen niet in herinnering gebracht worden. Vanwege zijn trouwbreuk, die hij gepleegd heeft en vanwege zijn zonde, die hij begaan heeft, alleen dáárom zal hij sterven. 25Verder zegt u: De weg van de Heere is niet recht. Luister toch, huis van Israël! Mijn weg is niet recht? Zijn niet [veeleer] uw wegen onrecht? 26Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet en daarom sterft, dan sterft hij vanwege zijn onrecht, dat hij gedaan heeft. 27Maar als een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, die hij gedaan heeft, en recht en gerechtigheid doet, zal hij zijn ziel in het leven behouden. 28Hij kwam tot inzicht en bekeerde zich van al zijn overtredingen, die hij gedaan had. Hij zal zeker in leven blijven, hij zal niet sterven. 29Het huis van Israël zegt desondanks: De weg van de Heere is niet recht. Huis van Israël, zijn Mijn wegen niet recht? Zijn niet [veeleer] uw wegen onrecht? 30Daarom zal Ik u berechten, huis van Israël, ieder overeenkomstig zijn wegen, spreekt de Heere HEERE. Keer terug en bekeer u van al uw overtredingen, dan zal de ongerechtigheid u geen struikelblok worden. 31Werp al uw overtredingen, waarmee u overtreden hebt, van u af en maak u een nieuw hart en een nieuwe geest. Waarom zou u sterven, huis van Israël? 32Ik schep immers geen behagen in de dood van een stervende, spreekt de Heere HEERE, dus bekeer u en leef!

God biedt de mens altijd de mogelijkheid om zich te bekeren (vers 2121Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden die hij gedaan heeft, al Mijn verordeningen in acht neemt en recht en gerechtigheid doet, zal hij zeker in leven blijven, hij zal niet sterven.), ja, Hij beveelt het zelfs (Hd 17:3030Met voorbijzien dan van de tijden der onwetendheid beveelt God nu aan de mensen, dat zij zich allen overal moeten bekeren,). Een onrechtvaardige kan op elk moment een rechtvaardige worden. Echte bekering zal blijken uit het doen van Gods wil. Iemand die zich bekeert en Zijn wil doet, zal “zeker in leven blijven, hij zal niet sterven”. Zo groot is Gods genade tegenover een berouwvolle zondaar. Zijn genade is zo groot, dat Hij zelfs de begane overtredingen niet meer bij de bekeerde zondaar in herinnering brengt (vers 2222Al zijn overtredingen, die hij begaan heeft, ze zullen hem niet in herinnering gebracht worden. Vanwege zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven.).

Gods vergeving is volledig. De bekeerde goddeloze zal leven “vanwege zijn gerechtigheid”. Leven vanwege zijn gerechtigheid betekent niet dat hij door zijn rechtvaardige leven het leven verdient. Uitgangspunt is zijn bekering. Dat is zijn eerste rechtvaardige daad. Vervolgens brengt het nieuwe leven dat God geeft, rechtvaardige daden voort.

De mogelijkheid die God de goddeloze geeft om zich te bekeren, heeft te maken met de goedertieren gezindheid van God. Hij heeft werkelijk geen behagen in de dood van de goddeloze (vers 2323Zou Ik werkelijk behagen scheppen in de dood van de goddeloze? spreekt de Heere HEERE. Is het niet, wanneer hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij zal leven?). Hij vindt het vreselijk mensen te moeten oordelen (vgl. 2Pt 3:9b9[De] Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.). Als een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloze wegen en leeft, is dat een vreugde voor Zijn hart. Dat leven is een leven in gemeenschap met Hem, in het volle genot van het echte leven. Leven is pas leven als het geleefd wordt vanuit en samen met Hem.

Het omgekeerde kan ook het geval zijn. Het kan gebeuren dat een rechtvaardige zich afkeert van het doen van gerechtigheid en goddeloos gaat handelen (vers 2424Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, overeenkomstig al de gruweldaden die de goddeloze gedaan heeft [en] doet, zal hij in leven blijven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, ze zullen niet in herinnering gebracht worden. Vanwege zijn trouwbreuk, die hij gepleegd heeft en vanwege zijn zonde, die hij begaan heeft, alleen dáárom zal hij sterven.). Zo iemand zal God niet in leven laten. Die rechtvaardige kan nog zoveel rechtvaardige daden hebben gedaan, maar die helpen hem niet om het oordeel over ook maar één gruweldaad te voorkomen. Het oordeel zal hem treffen en al zijn gerechtigheden vervallen, er wordt niet meer aan gedacht. Het oordeel komt over hem omdat hij trouwbreuk tegenover de HEERE heeft gepleegd en vanwege de zonde die hij begaan heeft.

Het volk waagt het om de Heere (Adonai) van onrecht te beschuldigen, van een onrechtvaardige handelwijze. Ze beschuldigen Hem ervan dat Hij kronkelwegen gaat, dat Hij wispelturig is in Zijn beleid (vers 2525Verder zegt u: De weg van de Heere is niet recht. Luister toch, huis van Israël! Mijn weg is niet recht? Zijn niet [veeleer] uw wegen onrecht?). Ze bedoelen dat God bij de goddeloze die zich bekeert, geen rekening houdt met diens vroegere zonden en die onbestraft laat en dat Hij bij de ontrouwe rechtvaardige geen rekening houdt met diens vorige goede daden en die niet beloont. Ze oordelen dat Hij dus willekeurig handelt en het recht niet zuiver toepast.

Dat laat toch wel een ongekende onbeschaamdheid van het volk zien. Verontwaardigd zegt God tegen hen dat ze eens goed moeten luisteren. Hoe durven ze het te zeggen! Ze moeten maar eens naar hun eigen wegen kijken, hoe die vol onrecht zijn. Het is een heel kwalijke trek van de mens om God onrechtvaardig te noemen om de eigen ongerechtigheid te rechtvaardigen.

De HEERE vat nog eens samen wat er gebeurt met de rechtvaardige die onrecht gaat doen (vers 2626Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet en daarom sterft, dan sterft hij vanwege zijn onrecht, dat hij gedaan heeft.) en met de goddeloze die zich bekeert (verzen 27-2827Maar als een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, die hij gedaan heeft, en recht en gerechtigheid doet, zal hij zijn ziel in het leven behouden.28Hij kwam tot inzicht en bekeerde zich van al zijn overtredingen, die hij gedaan had. Hij zal zeker in leven blijven, hij zal niet sterven.). God handelt naar het beginsel dat Hij ieder mens voor zijn eigen daden ter verantwoording roept. Hij bewijst daarmee dat Hij de mens als volwaardig verantwoordelijke persoon beziet, die oogst wat hij zaait (Gl 6:77Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.).

Overigens gaat het in wat Ezechiël hier voorstelt over het natuurlijke leven en de dood op aarde – het is belangrijk dit bij het overdenken van de betekenis van dit hoofdstuk in gedachten te houden – en niet om het eeuwige leven of de eeuwige dood. In het Oude Testament is de behoudenis voor de eeuwigheid afhankelijk van het levend geloof in God en de Messias. Iemand die goddeloos is, kan niet door het doen van goede werken gered worden. Hij moet zich bekeren en kan daarna goede werken doen.

In het andere geval, wanneer iemand rechtvaardige daden doet, de wet houdt (zie de samenvatting in de verzen 5-95Wanneer nu iemand een rechtvaardige is en recht en gerechtigheid doet –6hij eet geen [offermaaltijden] op de bergen, slaat zijn ogen niet op naar de stinkgoden van het huis van Israël, onteert de vrouw van zijn naaste niet, heeft geen gemeenschap met een afgezonderde vrouw,7buit niemand uit, geeft aan de schuldenaar zijn onderpand terug, maakt geen roofgoed buit, geeft de hongerige zijn brood, bedekt de naakte met kleding,8leent niet uit tegen rente en neemt geen winst, keert zijn hand af van onrecht, geeft een betrouwbaar oordeel [bij geschillen] tussen de een en de ander,9gaat in Mijn verordeningen en neemt Mijn bepalingen in acht door betrouwbaar te handelen – die rechtvaardige zal zeker in leven blijven, spreekt de Heere HEERE.), wordt zo iemand ook niet gered door het houden van de wet. Zolang hij de wet houdt, verlengt hij zijn leven op aarde. Iemand wordt alleen gered voor de eeuwigheid op grond van geloof en niet op grond van werken (Ef 2:8-98Want uit genade bent u behouden, door [het] geloof; en dat niet uit u, het is de gave van God;9niet op grond van werken, opdat niemand roemt.). Wie zich eenmaal met oprecht berouw over zijn zonden tot God heeft gekeerd en nieuw leven heeft ontvangen, kan niet verloren gaan (Rm 8:1,35-391Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn;35Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of zwaard? –36zoals geschreven staat: ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. –37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.38Want ik ben verzekerd dat dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch tegenwoordige noch toekomstige dingen, noch machten,39noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer.; Jh 10:28-2928En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenszins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit Mijn hand.29Mijn Vader Die [ze] Mij heeft gegeven, is groter dan allen, en niemand kan [ze] rukken uit de hand van Mijn Vader.).

Nog eens – en dat bewijst hun hardnekkigheid – beschuldigt Israël de Heere (Adonai) ervan dat Zijn weg niet recht is (vers 2929Het huis van Israël zegt desondanks: De weg van de Heere is niet recht. Huis van Israël, zijn Mijn wegen niet recht? Zijn niet [veeleer] uw wegen onrecht?). Als reactie roept God Israël nog een keer op daar nog eens goed over na denken. Is het echt zo dat Zijn wegen niet recht zijn? Of is het toch eerder zo dat hun eigen wegen onrecht zijn? Deze grove beschuldiging, die hun totale verblinding bewijst, is de grond voor Zijn oordeel (vers 3030Daarom zal Ik u berechten, huis van Israël, ieder overeenkomstig zijn wegen, spreekt de Heere HEERE. Keer terug en bekeer u van al uw overtredingen, dan zal de ongerechtigheid u geen struikelblok worden.). Ieder zal rechtvaardig berecht worden overeenkomstig zijn wegen. En dan weer die grote genade van God. Hij roept hen zelfs nu nog op terug te keren tot Hem en zich te bekeren van al hun overtredingen. Als ze dat doen, zullen ze niet meer struikelen.

Laat ze toch al hun overtredingen van zich afwerpen en gaan handelen vanuit een nieuw hart en een nieuwe geest (vers 3131Werp al uw overtredingen, waarmee u overtreden hebt, van u af en maak u een nieuw hart en een nieuwe geest. Waarom zou u sterven, huis van Israël?). Dit veronderstelt een werk van God in hun innerlijk, maar toch wordt het hier als een verantwoordelijkheid voor de mens voorgesteld. Het is aan de mens om het verlangen te tonen om naar de wil van God te gaan leven. Dat betekent eerst breken met de zonden, anders gezegd: belijdenis van zonden en bekering tot God. Dat betekent vervolgens gaan leven vanuit het nieuwe leven. Waarom zouden ze sterven?

Het slotvers is de herhaling van de indrukwekkende verklaring van de Heere HEERE dat Hij geen behagen heeft in de dood van een stervende (vers 3232Ik schep immers geen behagen in de dood van een stervende, spreekt de Heere HEERE, dus bekeer u en leef!). Daarom klinkt tot slot nog een keer de oproep “bekeer u” met de prachtige belofte “en leef”. God “wil dat alle mensen behouden worden en tot de kennis van [de] waarheid komen” (1Tm 2:44Die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen.). Hij is werkelijk “een God [Die] menigvuldig vergeeft, genadig, barmhartig, geduldig, rijk aan goedertierenheid” (Ne 9:17b17Zij hebben geweigerd te luisteren en zij hebben niet gedacht aan Uw wonderen die U bij hen had gedaan. Zij zijn halsstarrig geweest en in hun opstandigheid hebben zij een hoofd aangesteld om terug te keren naar hun slavernij. Maar U bent een God [Die] menigvuldig vergeeft, genadig, barmhartig, geduldig, rijk aan goedertierenheid, en U hebt hen niet verlaten.).


Lees verder