Ezechiël
Inleiding 1-10 Gelijkenis van de twee arenden 11-21 Uitleg van de gelijkenis 22-24 Het twijgje van de HEERE
Inleiding

Dit hoofdstuk is een overgangshoofdstuk. Het vorige hoofdstuk gaat over de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van Jeruzalem. Het volgende hoofdstuk gaat over de persoonlijke verantwoordelijkheid. In dit hoofdstuk gaat het over Zedekia, de koning van Juda. Hij is de vertegenwoordiger van het volk, terwijl hij ook persoonlijk tegenover God verantwoordelijk is.

Zedekia, de huidige leider in Jeruzalem, wordt gesteld tegenover de toekomstige Zoon van David Die Gods volk zal leiden. De eerste wordt vergeleken met een lage wijnstok (verzen 2-212Mensenkind, geef een raadsel op en leg een gelijkenis voor aan het huis van Israël,3en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:
De grote arend
met grote vleugels,
lange vlerken,
vol veren,
[en] die veel kleuren had,
kwam naar de Libanon
en nam de kruin van een ceder mee.
4Hij plukte de top met zijn uitlopers af,
hij bracht hem in een land van kooplieden,
[en] zette hem in een stad van handelaars.
5Hij nam van het zaaigoed van het land
en legde het in een zaaiveld.
Hij nam het mee naar [een plaats waar] veel water [was],
[als] een wilg plantte hij het.
6Toen kwam het op en het werd een wijnstok,
breed uitgroeiend, laag van stam,
zodat zijn takken naar [de arend] gericht zouden zijn,
terwijl zijn wortels onder hem bleven.
Zo werd hij een wijnstok.
Hij kreeg ranken
en liet twijgen uitlopen.
7Maar er was een andere grote arend,
met grote vleugels
en vol veren.
En zie, deze wijnstok
richtte zijn wortels naar hem,
en zijn takken liet hij naar hem uitlopen,
opdat [de arend] hem bevochtigen zou
en niet het perk waarin hij geplant was.
8Hij was geplant
in een goed veld,
bij veel water,
om takken te vormen
en vrucht te dragen,
om een prachtige wijnstok te worden.
9Zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zal hij gedijen?
Zal hij niet zijn wortels uitrukken
en zijn vruchten afplukken, zodat hij verdort?
Hij zal met alle bladeren die aan hem ontspruiten, verdorren,
en er is geen grote arm en geen talrijk volk nodig
om hem van zijn wortels los te maken.
10En zie, zal hij, als hij geplant is, gedijen?
Zal hij niet zeker verdorren wanneer de oostenwind hem aanraakt?
Op het perk waar hij ontsproten is, zal hij verdorren!11Het woord van de HEERE kwam tot mij:12Zeg toch tegen dat opstandige huis: Weet u niet wat deze dingen [betekenen]? Zeg: Zie, de koning van Babel is [naar] Jeruzalem gekomen; hij nam zijn koning en zijn vorsten [gevangen] en bracht hen bij zich in Babel.13Vervolgens nam hij [iemand] uit het koninklijk nageslacht, sloot met hem een verbond en liet hem een eed zweren. De machthebbers van het land nam hij weg,14zodat het een onbeduidend koninkrijk werd, dat zich niet kon verheffen, maar zijn verbond in acht nam om te kunnen blijven bestaan.15Maar hij kwam in opstand tegen hem door zijn gezanten naar Egypte te sturen, opdat men hem paarden en veel volk zou geven. Zou hij [erin] slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen?16[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, in de [woon]plaats van de koning die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij verachtte en wiens verbond hij verbrak, bij hem, midden in Babel, zal hij sterven!17En de farao zal met een groot leger en een grote verzamelde [gemeenschap] in de strijd niets kunnen uitrichten, als men een belegeringsdam zal opwerpen en een schans zal bouwen om vele levens uit te roeien.18Hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken, en zie, hij had zijn hand [erop] gegeven! Nu hij dit alles gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.19Daarom, zo zegt de Heere HEERE: [Zo waar] Ik leef, voorwaar, Ik zal Mijn eed die hij veracht heeft en Mijn verbond dat hij verbroken heeft, op zijn hoofd doen neerkomen!20Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem naar Babel brengen en daar met hem een rechtszaak voeren over zijn trouwbreuk, die hij tegenover Mij gepleegd heeft.21En allen die onder al zijn troepen gevlucht zijn, zullen door het zwaard vallen en de overgeblevenen zullen naar alle wind[streken] verspreid worden. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, gesproken heb.
)
, de Laatste met een statige cederboom (verzen 22-2422Zo zegt de Heere HEERE: Ík zal Zelf [een deel] van de kruin van de hoge ceder nemen en [in de grond] zetten. Van de top met zijn jonge loten zal Ik een breekbaar [twijgje] afplukken en Ik zal dat Zelf op een hoge en verheven berg planten.23Op de hoge berg van Israël zal Ik het planten. Het zal takken dragen, vruchten vormen en een machtige ceder worden, zodat daaronder allerlei soorten vogels zullen wonen: in de schaduw van zijn takken zullen ze wonen.24Dan zullen alle bomen van het veld weten dat Ík, de HEERE, de boom die hoog [van stam] is, vernederd heb. De boom die laag [van stam] is, heb Ik verheven, de jonge boom doen verdorren en de verdorde boom heb Ik doen uitlopen. Ík, de HEERE, heb gesproken en zal [het] doen.).


Gelijkenis van de twee arenden

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Mensenkind, geef een raadsel op en leg een gelijkenis voor aan het huis van Israël, 3en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:
De grote arend
met grote vleugels,
lange vlerken,
vol veren,
[en] die veel kleuren had,
kwam naar de Libanon
en nam de kruin van een ceder mee.
4Hij plukte de top met zijn uitlopers af,
hij bracht hem in een land van kooplieden,
[en] zette hem in een stad van handelaars.
5Hij nam van het zaaigoed van het land
en legde het in een zaaiveld.
Hij nam het mee naar [een plaats waar] veel water [was],
[als] een wilg plantte hij het.
6Toen kwam het op en het werd een wijnstok,
breed uitgroeiend, laag van stam,
zodat zijn takken naar [de arend] gericht zouden zijn,
terwijl zijn wortels onder hem bleven.
Zo werd hij een wijnstok.
Hij kreeg ranken
en liet twijgen uitlopen.
7Maar er was een andere grote arend,
met grote vleugels
en vol veren.
En zie, deze wijnstok
richtte zijn wortels naar hem,
en zijn takken liet hij naar hem uitlopen,
opdat [de arend] hem bevochtigen zou
en niet het perk waarin hij geplant was.
8Hij was geplant
in een goed veld,
bij veel water,
om takken te vormen
en vrucht te dragen,
om een prachtige wijnstok te worden.
9Zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zal hij gedijen?
Zal hij niet zijn wortels uitrukken
en zijn vruchten afplukken, zodat hij verdort?
Hij zal met alle bladeren die aan hem ontspruiten, verdorren,
en er is geen grote arm en geen talrijk volk nodig
om hem van zijn wortels los te maken.
10En zie, zal hij, als hij geplant is, gedijen?
Zal hij niet zeker verdorren wanneer de oostenwind hem aanraakt?
Op het perk waar hij ontsproten is, zal hij verdorren!

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:), waarbij de HEERE hem weer als “mensenkind” aanspreekt (vers 22Mensenkind, geef een raadsel op en leg een gelijkenis voor aan het huis van Israël,). Ezechiël moet het volk een raadsel opgeven en een gelijkenis voorleggen. Een raadsel is een duistere uitspraak, het is iets wat op indirecte wijze wordt gezegd en waarvoor een verklaring nodig is. Een gelijkenis is de voorstelling van een geestelijke waarheid door tastbare beelden. De gelijkenis is een raadsel dat door de HEERE Zelf wordt verklaard (verzen 11-2111Het woord van de HEERE kwam tot mij:12Zeg toch tegen dat opstandige huis: Weet u niet wat deze dingen [betekenen]? Zeg: Zie, de koning van Babel is [naar] Jeruzalem gekomen; hij nam zijn koning en zijn vorsten [gevangen] en bracht hen bij zich in Babel.13Vervolgens nam hij [iemand] uit het koninklijk nageslacht, sloot met hem een verbond en liet hem een eed zweren. De machthebbers van het land nam hij weg,14zodat het een onbeduidend koninkrijk werd, dat zich niet kon verheffen, maar zijn verbond in acht nam om te kunnen blijven bestaan.15Maar hij kwam in opstand tegen hem door zijn gezanten naar Egypte te sturen, opdat men hem paarden en veel volk zou geven. Zou hij [erin] slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen?16[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, in de [woon]plaats van de koning die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij verachtte en wiens verbond hij verbrak, bij hem, midden in Babel, zal hij sterven!17En de farao zal met een groot leger en een grote verzamelde [gemeenschap] in de strijd niets kunnen uitrichten, als men een belegeringsdam zal opwerpen en een schans zal bouwen om vele levens uit te roeien.18Hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken, en zie, hij had zijn hand [erop] gegeven! Nu hij dit alles gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.19Daarom, zo zegt de Heere HEERE: [Zo waar] Ik leef, voorwaar, Ik zal Mijn eed die hij veracht heeft en Mijn verbond dat hij verbroken heeft, op zijn hoofd doen neerkomen!20Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem naar Babel brengen en daar met hem een rechtszaak voeren over zijn trouwbreuk, die hij tegenover Mij gepleegd heeft.21En allen die onder al zijn troepen gevlucht zijn, zullen door het zwaard vallen en de overgeblevenen zullen naar alle wind[streken] verspreid worden. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, gesproken heb.). Gelijkenissen en raadsels worden gebruikt om de aandacht te trekken en de hoorders tot nadenken te stemmen.

De grote, mooie arend (vers 33en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:
De grote arend
met grote vleugels,
lange vlerken,
vol veren,
[en] die veel kleuren had,
kwam naar de Libanon
en nam de kruin van een ceder mee.
)
stelt Nebukadrezar voor (vers 1212Zeg toch tegen dat opstandige huis: Weet u niet wat deze dingen [betekenen]? Zeg: Zie, de koning van Babel is [naar] Jeruzalem gekomen; hij nam zijn koning en zijn vorsten [gevangen] en bracht hen bij zich in Babel.), die koning van de koningen is, zoals de arend de koning van de vogels is. Zijn grote vleugels en lange vlerken wijzen op grote macht en heerschappij over een uitgestrekt gebied. De veelkleurigheid ziet op de verscheidenheid van de volken die hij aan zich heeft onderworpen. Libanon, waar de arend naartoe komt, stelt Jeruzalem voor omdat het paleis en de tempel zijn gemaakt van cederhout van de Libanon. David en Salomo hebben voor hun bouwwerken veel cederhout gebruikt; Salomo heeft in Jeruzalem het cederhout overvloedig gemaakt (1Kn 10:2727De koning maakte het zilver in Jeruzalem zo [overvloedig] als stenen, en de ceders maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen die in het Laagland [voorkomen].; 2Kr 1:1515De koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem zo [overvloedig] als stenen, en de ceders maakte hij zo talrijk als de wilde vijgenbomen die in het Laagland [voorkomen].).

De “ceder” is een beeld van het huis van David. De “kruin van een ceder” stelt Jojachin voor, de kleinzoon van Josia, de laatste telg uit de koninklijke lijn. Hij is “de top” (vers 44Hij plukte de top met zijn uitlopers af,
hij bracht hem in een land van kooplieden,
[en] zette hem in een stad van handelaars.
)
. Samen “met zijn uitlopers”, dat wil zeggen met nog enkele andere aanzienlijken, wordt Jojachin naar “een land van kooplieden” – dat is het land van de Chaldeeën – en “in een stad van handelaars” – dat is Babel (Ez 16:2929Vervolgens maakte u uw hoererij talrijk tot in het land van de kooplieden, Chaldea. En ook daardoor raakte u niet verzadigd.) – gebracht (2Kn 24:8-168Jojachin was achttien jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Nehusta, de dochter van Elnathan, uit Jeruzalem.9Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vader gedaan had.10In die tijd trokken de dienaren van Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem, en de stad werd belegerd.11Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam [zelf] naar de stad, toen zijn dienaren die belegerden.12Toen ging Jojachin, de koning van Juda, [de stad] uit naar de koning van Babel, hij, zijn moeder, zijn dienaren, zijn vorsten en zijn hovelingen. De koning van Babel nam hem [gevangen] in het achtste jaar van zijn regering.13En hij voerde vandaar alle schatten van het huis van de HEERE weg, en [ook] de schatten van het huis van de koning. Hij haalde alle gouden voorwerpen weg die Salomo, de koning van Israël, in de tempel van de HEERE gemaakt had, zoals de HEERE gesproken had.14Hij voerde heel Jeruzalem in ballingschap: al de vorsten, alle strijdbare helden, tienduizend gevangenen, en alle ambachtslieden en smeden. Niemand werd overgelaten behalve de arme bevolking van het land.15Hij voerde Jojachin weg naar Babel. Ook de moeder van de koning, de vrouwen van de koning, zijn hovelingen en de heersers van het land voerde hij in ballingschap uit Jeruzalem naar Babel.16Ook alle strijdbare mannen, zevenduizend [in aantal], en de ambachtslieden en smeden, duizend [in aantal, en] alle helden die geoefend waren in de strijd. De koning van Babel voerde hen in ballingschap naar Babel.).

Vervolgens neemt de arend van “het zaaigoed van het land” en legt het in “een zaaiveld”, dat wil zeggen dat hij Zedekia als koning over het vruchtbare Juda aanstelt (vers 5a5Hij nam van het zaaigoed van het land
en legde het in een zaaiveld.
Hij nam het mee naar [een plaats waar] veel water [was],
[als] een wilg plantte hij het.
; 2Kn 24:1717En de koning van Babel maakte Mattanja, de oom van [Jojachin], koning in zijn plaats en veranderde zijn naam in Zedekia.)
. Door de goedheid van de koning van Babel kan het koninkrijk zich onder Zedekia enige tijd goed ontwikkelen (verzen 5b-65Hij nam van het zaaigoed van het land
en legde het in een zaaiveld.
Hij nam het mee naar [een plaats waar] veel water [was],
[als] een wilg plantte hij het.
6Toen kwam het op en het werd een wijnstok,
breed uitgroeiend, laag van stam,
zodat zijn takken naar [de arend] gericht zouden zijn,
terwijl zijn wortels onder hem bleven.
Zo werd hij een wijnstok.
Hij kreeg ranken
en liet twijgen uitlopen.
)
. Hij groeit wel breed uit, maar blijft “laag van stam”, dat wil zeggen ondergeschikt.

In plaats van zich aan de heerschappij van Babel te onderwerpen wil Zedekia het juk van Babel afschudden (2Kn 24:20b20Want het gebeurde, vanwege de toorn van de HEERE tegen Jeruzalem en tegen Juda, dat Hij hen verwierp van voor Zijn aangezicht. En Zedekia kwam in opstand tegen de koning van Babel.). Daarvoor richt hij zich tot “een andere grote arend”, dat is Egypte (vers 77Maar er was een andere grote arend,
met grote vleugels
en vol veren.
En zie, deze wijnstok
richtte zijn wortels naar hem,
en zijn takken liet hij naar hem uitlopen,
opdat [de arend] hem bevochtigen zou
en niet het perk waarin hij geplant was.
; vers 1515Maar hij kwam in opstand tegen hem door zijn gezanten naar Egypte te sturen, opdat men hem paarden en veel volk zou geven. Zou hij [erin] slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen?)
. Van hem verwacht hij zijn hulp, door hem wil hij groot en sterk worden en niet door de koning van Babel, door wie hij toch tot “een prachtige wijnstok” is geworden (vers 88Hij was geplant
in een goed veld,
bij veel water,
om takken te vormen
en vrucht te dragen,
om een prachtige wijnstok te worden.
)
.

De HEERE spreekt er Zijn oordeel over uit (vers 99Zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zal hij gedijen?
Zal hij niet zijn wortels uitrukken
en zijn vruchten afplukken, zodat hij verdort?
Hij zal met alle bladeren die aan hem ontspruiten, verdorren,
en er is geen grote arm en geen talrijk volk nodig
om hem van zijn wortels los te maken.
)
. De inspanningen van Zedekia om met zijn wortels zijn levenskracht uit de andere grote arend te trekken zullen niets opleveren. Integendeel, van hem zullen zijn wortels worden uitgerukt, dat wil zeggen dat hij zijn zelfstandigheid en zijn nageslacht zal kwijtraken. Ook alles wat nog mooi is, al zijn vorsten, zal met Zedekia verdorren. Er zal niet veel kracht en er zal geen talrijk volk voor nodig zijn om hem van al zijn heerlijkheid te ontdoen. De oostenwind (vers 1010En zie, zal hij, als hij geplant is, gedijen?
Zal hij niet zeker verdorren wanneer de oostenwind hem aanraakt?
Op het perk waar hij ontsproten is, zal hij verdorren!
)
, dat is de koning van Babel, zal hem oordelen, terwijl Egypte hem geen hulp zal kunnen bieden (Jr 37:5-105[Inmiddels] was het leger van de farao uit Egypte uitgetrokken. Toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, [dit] bericht daarover hoorden, trokken zij van Jeruzalem weg.6Toen kwam het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia:7Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zo moet u zeggen tegen de koning van Juda, die u naar Mij toegestuurd heeft om Mij te raadplegen: Zie, het leger van de farao dat u te hulp is uitgetrokken, keert terug naar zijn land, [naar] Egypte.8Dan zullen de Chaldeeën terugkeren om tegen deze stad te strijden. Zij zullen haar innemen en haar met vuur verbranden.9Zo zegt de HEERE: Bedrieg uzelf niet door te zeggen: De Chaldeeën zullen beslist bij ons weggaan, want zij zullen niet weggaan!10Ja, al zou u [ook] heel het leger van de Chaldeeën die tegen u strijden, verslaan, en zouden er bij hen [slechts enkele] zwaargewonde mannen overblijven, zij zouden opstaan, ieder in zijn tent, en deze stad met vuur verbranden.). Jeruzalem zal verwoest en Zedekia onttroond worden.


Uitleg van de gelijkenis

11Het woord van de HEERE kwam tot mij: 12Zeg toch tegen dat opstandige huis: Weet u niet wat deze dingen [betekenen]? Zeg: Zie, de koning van Babel is [naar] Jeruzalem gekomen; hij nam zijn koning en zijn vorsten [gevangen] en bracht hen bij zich in Babel. 13Vervolgens nam hij [iemand] uit het koninklijk nageslacht, sloot met hem een verbond en liet hem een eed zweren. De machthebbers van het land nam hij weg, 14zodat het een onbeduidend koninkrijk werd, dat zich niet kon verheffen, maar zijn verbond in acht nam om te kunnen blijven bestaan. 15Maar hij kwam in opstand tegen hem door zijn gezanten naar Egypte te sturen, opdat men hem paarden en veel volk zou geven. Zou hij [erin] slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen? 16[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, in de [woon]plaats van de koning die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij verachtte en wiens verbond hij verbrak, bij hem, midden in Babel, zal hij sterven! 17En de farao zal met een groot leger en een grote verzamelde [gemeenschap] in de strijd niets kunnen uitrichten, als men een belegeringsdam zal opwerpen en een schans zal bouwen om vele levens uit te roeien. 18Hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken, en zie, hij had zijn hand [erop] gegeven! Nu hij dit alles gedaan heeft, zal hij niet ontkomen. 19Daarom, zo zegt de Heere HEERE: [Zo waar] Ik leef, voorwaar, Ik zal Mijn eed die hij veracht heeft en Mijn verbond dat hij verbroken heeft, op zijn hoofd doen neerkomen! 20Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem naar Babel brengen en daar met hem een rechtszaak voeren over zijn trouwbreuk, die hij tegenover Mij gepleegd heeft. 21En allen die onder al zijn troepen gevlucht zijn, zullen door het zwaard vallen en de overgeblevenen zullen naar alle wind[streken] verspreid worden. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, gesproken heb.

Het woord van de HEERE komt opnieuw tot Ezechiël (vers 1111Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Misschien is er enige tijd verlopen na de vertelling van de gelijkenis. Ze hebben erover kunnen nadenken. Ezechiël krijgt de opdracht om de oplossing van het raadsel aan “dat opstandige huis”, dat zijn zijn medeballingen, bekend te maken (vers 1212Zeg toch tegen dat opstandige huis: Weet u niet wat deze dingen [betekenen]? Zeg: Zie, de koning van Babel is [naar] Jeruzalem gekomen; hij nam zijn koning en zijn vorsten [gevangen] en bracht hen bij zich in Babel.). Zonder verwijzing naar de gebruikte beelden zegt de HEERE dat de koning van Babel naar Jeruzalem is gekomen en de koning en zijn vorsten gevangengenomen en naar Babel gebracht heeft (verzen 3-43en zeg: Zo zegt de Heere HEERE:
De grote arend
met grote vleugels,
lange vlerken,
vol veren,
[en] die veel kleuren had,
kwam naar de Libanon
en nam de kruin van een ceder mee.
4Hij plukte de top met zijn uitlopers af,
hij bracht hem in een land van kooplieden,
[en] zette hem in een stad van handelaars.
)
. Vervolgens heeft hij iemand van het koninklijke geslacht genomen, dat is Zedekia, en hem koning gemaakt (vers 1313Vervolgens nam hij [iemand] uit het koninklijk nageslacht, sloot met hem een verbond en liet hem een eed zweren. De machthebbers van het land nam hij weg,; verzen 5-65Hij nam van het zaaigoed van het land
en legde het in een zaaiveld.
Hij nam het mee naar [een plaats waar] veel water [was],
[als] een wilg plantte hij het.
6Toen kwam het op en het werd een wijnstok,
breed uitgroeiend, laag van stam,
zodat zijn takken naar [de arend] gericht zouden zijn,
terwijl zijn wortels onder hem bleven.
Zo werd hij een wijnstok.
Hij kreeg ranken
en liet twijgen uitlopen.
)
. Hij heeft een verbond met hem gesloten dat hij hem met een eed heeft laten bekrachtigen (2Kr 36:1313Bovendien kwam hij in opstand tegen koning Nebukadnezar, die hem een eed had laten afleggen bij God. Hij was halsstarrig, en verstokte zijn hart, zodat hij zich niet bekeerde tot de HEERE, de God van Israël.).

Nebukadrezar neemt allen weg die enige invloed kunnen hebben om tot een opstand aan te zetten. Daardoor blijft er een onbeduidend, krachteloos koninkrijk over (vers 1414zodat het een onbeduidend koninkrijk werd, dat zich niet kon verheffen, maar zijn verbond in acht nam om te kunnen blijven bestaan.). Het wordt Zedekia als het ware gemakkelijk gemaakt om het verbond te houden dat hij met Nebukadrezar heeft gesloten. Door trouw te blijven aan het verbond kan Juda nog blijven voortbestaan.

Toch komt Zedekia in opstand, want hij weigert zich te buigen onder Gods tucht (vers 1515Maar hij kwam in opstand tegen hem door zijn gezanten naar Egypte te sturen, opdat men hem paarden en veel volk zou geven. Zou hij [erin] slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen?). Hij zoekt contact met Egypte om hem te helpen het juk van Babel af te werpen door hem paarden en veel soldaten te sturen. De HEERE reageert, als het ware met de grootste verbazing over zo’n vermetelheid, met drie vragen: “Zou hij [erin] slagen? Zou hij ontkomen die zulke dingen doet? Zou hij een verbond verbreken en ontkomen?” Het antwoord daarop ligt in de vragen opgesloten. Hij zal niet in zijn opzet slagen. Hij zal niet ontkomen aan het oordeel, omdat hij zulke dingen doet. Hij zal zijn straf niet ontlopen, een straf die hij verdient vanwege het verbreken van zijn verbond dat hij met de koning van Babel heeft gesloten.

De HEERE zweert dat Zedekia zal sterven in Babel, de woonplaats van Nebukadrezar (vers 1616[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, in de [woon]plaats van de koning die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij verachtte en wiens verbond hij verbrak, bij hem, midden in Babel, zal hij sterven!). Als reden noemt Hij dat Zedekia zijn eed heeft verbroken die hij Nebukadrezar heeft gedaan om het met hem gesloten verbond te bekrachtigen. De hulp die Zedekia van Egypte heeft ingeroepen, zal geen enkel effect hebben (vers 1717En de farao zal met een groot leger en een grote verzamelde [gemeenschap] in de strijd niets kunnen uitrichten, als men een belegeringsdam zal opwerpen en een schans zal bouwen om vele levens uit te roeien.). Nebukadrezar zal zijn belegering van Jeruzalem uitvoeren zonder dat er tegenstand van Egypte komt. Nog eens zegt de HEERE dat Zedekia en Jeruzalem dit oordeel ondergaan omdat ze het met een eed bekrachtigde verbond met Nebukadrezar schaamteloos hebben verbroken (vers 1818Hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken, en zie, hij had zijn hand [erop] gegeven! Nu hij dit alles gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.; 2Kr 36:13a13Bovendien kwam hij in opstand tegen koning Nebukadnezar, die hem een eed had laten afleggen bij God. Hij was halsstarrig, en verstokte zijn hart, zodat hij zich niet bekeerde tot de HEERE, de God van Israël.). Zedekia heeft zijn hand erop gegeven, maar zich niet aan zijn eed gehouden. Daarom zal hij niet aan het terechte oordeel van de HEERE ontkomen.

De HEERE zal de ontrouwe handelwijze van Zedekia op zijn hoofd doen neerkomen (vers 1919Daarom, zo zegt de Heere HEERE: [Zo waar] Ik leef, voorwaar, Ik zal Mijn eed die hij veracht heeft en Mijn verbond dat hij verbroken heeft, op zijn hoofd doen neerkomen!). Hij spreekt erover als het verbreken van Zijn verbond. Zedekia had het verbond gesloten als vertegenwoordiger van de HEERE. Door het te verbreken heeft hij smaad op de Naam van de HEERE geworpen. Daarom zal de HEERE Zijn vangnet over hem uitspreiden en hem gevangen naar Babel voeren (vers 2020Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem naar Babel brengen en daar met hem een rechtszaak voeren over zijn trouwbreuk, die hij tegenover Mij gepleegd heeft.). De HEERE gebruikt Nebukadrezar als Zijn “vangnet” om Zijn oordeel over Zedekia uit te voeren. Nog eens wijst Hij erop dat de trouwbreuk, de woordbreuk van Zedekia, niet in de eerste plaats tegen Nebukadrezar is begaan maar tegen Hem, de Heere HEERE.

Door het sturen van ambassadeurs naar Egypte heeft hij de eed veracht en het verbond verbroken. De HEERE zegt daarvan “Mijn eed” en “Mijn verbond”. Een dergelijke opstand brengt niet alleen het ongenoegen van Babel over hem, maar ook de straf van de HEERE. Het geeft aan dat overeenkomsten en verplichtingen die door belijders van Gods Naam zijn aangegaan, zo bindend zijn alsof ze zijn gemaakt met God in eigen Persoon. Wat hier geldt voor landen, moeten we ook toepassen op sociale en persoonlijke relaties. Het verbreken van een verdrag, een contract, een belofte of een ander soort van verbond houdt in dat zowel God als de persoon wordt benadeeld.

Het oordeel zal niet alleen Zedekia treffen, maar ook allen die hem in zijn ontrouw hebben gesteund (vers 2121En allen die onder al zijn troepen gevlucht zijn, zullen door het zwaard vallen en de overgeblevenen zullen naar alle wind[streken] verspreid worden. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, gesproken heb.). Zijn troepen kunnen wel gevlucht zijn, maar ze zullen niet aan Gods oordeel ontkomen dat Hij door het zwaard van de vijanden zal uitvoeren. De gevangengenomen volgelingen van Zedekia zullen uit het land worden weggedaan en verspreid worden naar alle windstreken. Zo zal duidelijk worden dat de HEERE het Zelf heeft gezegd. Wat hier wordt gezegd, is tot op de letter vervuld (2Kn 25:3-73Op de negende van de [vierde] maand, toen de hongersnood in de stad zo sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had,4werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen [vluchtten en trokken] ‘s nachts [de stad uit] via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En [de koning] ging in de richting van de Vlakte.5Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning en zij haalden hem in op de vlakten van Jericho. Heel zijn leger werd van hem [gescheiden] en verspreid.6Toen grepen zij de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla. En zij spraken het vonnis over hem uit.7Zij slachtten de zonen van Zedekia voor diens ogen af. Verder maakte men de ogen van Zedekia blind en men bond hem met twee bronzen ketenen en bracht hem naar Babel.).


Het twijgje van de HEERE

22Zo zegt de Heere HEERE: Ík zal Zelf [een deel] van de kruin van de hoge ceder nemen en [in de grond] zetten. Van de top met zijn jonge loten zal Ik een breekbaar [twijgje] afplukken en Ik zal dat Zelf op een hoge en verheven berg planten. 23Op de hoge berg van Israël zal Ik het planten. Het zal takken dragen, vruchten vormen en een machtige ceder worden, zodat daaronder allerlei soorten vogels zullen wonen: in de schaduw van zijn takken zullen ze wonen. 24Dan zullen alle bomen van het veld weten dat Ík, de HEERE, de boom die hoog [van stam] is, vernederd heb. De boom die laag [van stam] is, heb Ik verheven, de jonge boom doen verdorren en de verdorde boom heb Ik doen uitlopen. Ík, de HEERE, heb gesproken en zal [het] doen.

Na het verwijderen van de ontrouwe twijg van het huis van David gaat de HEERE aan het werk ten gunste van Zijn beloften. Hij zal Zelf een twijgje nemen (vers 2222Zo zegt de Heere HEERE: Ík zal Zelf [een deel] van de kruin van de hoge ceder nemen en [in de grond] zetten. Van de top met zijn jonge loten zal Ik een breekbaar [twijgje] afplukken en Ik zal dat Zelf op een hoge en verheven berg planten.). Dat zal Hij als een loot op een hoge en verheven berg, dat is Sion, planten. Sion is hoog en verheven in de ogen van de HEERE omdat Hij het tot Zijn woning heeft gekozen (Ps 48:33Mooi van ligging,
een vreugde voor heel de aarde,
is de berg Sion [aan] de noordzijde,
de stad van de grote Koning!
; 68:1717Waarom, gebergte met al uw toppen, kijkt u met afgunst
naar deze berg, [die] God als Zijn woning heeft begeerd?
Ja, de HEERE zal er voor altijd wonen.
; 87:11Een psalm, een lied van de zonen van Korach.
Zijn fundament rust op de heilige bergen.
; Js 2:22Het zal in het laatste der dagen geschieden
dat de berg van het huis van de HEERE vast zal staan
als de hoogste van de bergen,
en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,
en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen.
; 11:99Men zal nergens kwaad doen of verderf aanrichten
op heel Mijn heilige berg,
want de aarde zal vol zijn van de kennis van de HEERE,
zoals het water [de bodem] van de zee bedekt.
)
. De jonge loot is de Messias, Christus, uit het huis van David (vgl. Js 11:11Want er zal een Twijgje opgroeien uit de [afgehouwen] stronk van Isaï,
en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.
; Jr 23:55Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.
Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,
Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.
; Zc 6:1212en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT –
zal uit Zijn plaats opkomen,
en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen.
)
. Hij zal de nieuwe Koning van Zijn volk zijn.

Deze loot zal eerst teder en gering zijn, maar uitgroeien tot een koninklijke ceder (vers 2323Op de hoge berg van Israël zal Ik het planten. Het zal takken dragen, vruchten vormen en een machtige ceder worden, zodat daaronder allerlei soorten vogels zullen wonen: in de schaduw van zijn takken zullen ze wonen.). Zo zal de Messias komen als “een loot”, als een “wortel uit dorre aarde”, zonder “gestalte of glorie” (Js 53:22Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
)
. Maar Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven, en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn” (Lk 1:32-3332Deze zal groot zijn en Zoon van [de] Allerhoogste worden genoemd, en [de] Heer, God, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,33en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn koningschap zal geen einde zijn.). Hij zal bescherming bieden aan allerlei vogels, dat wil hier zeggen aan allen die in verbinding met de hemel staan, die zich buigen voor Zijn gezag.

Alle andere volken, “alle bomen van het veld”, zullen dan weten dat Hij de HEERE is (vers 2424Dan zullen alle bomen van het veld weten dat Ík, de HEERE, de boom die hoog [van stam] is, vernederd heb. De boom die laag [van stam] is, heb Ik verheven, de jonge boom doen verdorren en de verdorde boom heb Ik doen uitlopen. Ík, de HEERE, heb gesproken en zal [het] doen.). Ze zullen dat in de eerste plaats weten doordat Hij de boom die hoog van stam is – dat is het trotse, hoogmoedige Israël –, heeft vernederd. In de tweede plaats zullen ze het weten doordat Hij de boom die laag van stam is – dat is het vernederde Israël, zij die hun schuld hebben beleden, het overblijfsel, en bovenal de Messias –, zal verheffen tot grote hoogte. Dat zal alles in het vrederijk zijn volle vervulling vinden. Een voorafschaduwing daarvan is te zien in de verhoging van Jojachin (2Kn 25:27-3027Het gebeurde in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zevenentwintigste van de maand, dat Evil-Merodach, de koning van Babel, in het jaar dat hij koning werd, Jojachin, de koning van Juda, gratie verleende [en hem] uit de gevangenis [haalde].28Hij sprak vriendelijk met hem en stelde zijn zetel boven de zetel van de koningen die met hem in Babel waren.29[Jojachin] legde zijn gevangeniskleren af en gebruikte steeds de maaltijd bij hem, al de dagen van zijn leven. 30 En wat betreft zijn levensonderhoud: een voortdurend levensonderhoud werd hem door de koning verstrekt, een dagelijkse hoeveelheid, al de dagen van zijn leven.).


Lees verder