Ezechiël
Inleiding 1-7 Afkomst van Jeruzalem 8-14 Opkomst van Jeruzalem 15-22 Verval van Jeruzalem 23-29 Jeruzalem gaat maar door met zondigen 30-34 Jeruzalem, een bijzondere hoer 35-43 Jeruzalem geoordeeld door haar minnaars 44-52 Jeruzalem vergeleken met haar ‘zusters’ 53-59 Belofte van herstel 60-63 Het nieuwe verbond met Jeruzalem
Inleiding

Na de verklaring van het symbool van de wijnstok spreekt de HEERE een nieuwe gelijkenis uit die Ezechiël aan het volk moet doorgeven. Deze gelijkenis omvat de hele geschiedenis van Jeruzalem: haar afkomst, opkomst, schoonheid en heerlijkheid, afval en oordeel, redding en uiteindelijke zegen. Het is een uitvoerige verklaring van de gelijkenis van het korte vorige hoofdstuk.

Dit hoofdstuk kan het best in één adem doorgelezen worden, want het is één verhaal. Het bevat een pakkende en realistische beschrijving van bijzondere aard, waarvan sommige details ons mogelijk vreemd lijken. We zien het afstotelijke beeld van een prostitué. Er is echter geen beeld dat duidelijker de realiteit weergeeft van de door God uitgekozen stad die zich ondanks haar uitzonderlijke voorrechten van de enig ware God afkeert. De HEERE stelt de inwoners van Jeruzalem dit beeld juist daarom voor, opdat ze zullen erkennen hoe weerzinwekkend de zonde van ontrouw in Zijn ogen is.


Afkomst van Jeruzalem

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Mensenkind, laat Jeruzalem zijn gruweldaden weten, 3en zeg: Zo zegt de Heere HEERE tegen Jeruzalem: Uw oorsprong en uw geboorte zijn uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was die Amoriet en uw moeder een Hethitische. 4Wat uw geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld. 5Geen oog zag naar u om, om een van die dingen uit medelijden bij u te doen. U werd weggeworpen op het open veld uit afschuw voor uw leven op de dag dat u geboren werd. 6Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! 7Ik heb u even overvloedig gemaakt als het gewas op het veld. U groeide op, u werd groot en u kwam tot grote schoonheid. [Uw] borsten werden stevig, uw haar groeide, maar u was naakt en bloot.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). De HEERE spreekt hem als “mensenkind” aan en geeft hem de opdracht Jeruzalem haar gruweldaden te laten weten (vers 22Mensenkind, laat Jeruzalem zijn gruweldaden weten,). De gruweldaden hebben betrekking op de afgoderij die Jeruzalem heeft gepleegd en pleegt en die zij moet gaan zien zoals de HEERE die ziet en wel als gruweldaden.

De oorsprong van de stad ligt rond het jaar 3000 v.Chr. in het land van de Kanaänieten, het woongebied van de Amorieten en Hethieten (vers 33en zeg: Zo zegt de Heere HEERE tegen Jeruzalem: Uw oorsprong en uw geboorte zijn uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was die Amoriet en uw moeder een Hethitische.; Gn 10:15-1615Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, Heth,16en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet,). De naam van de stad is oorspronkelijk Jebus (Ri 19:1010De man wilde echter niet blijven overnachten, maar stond op en ging weg. En hij kwam tot bij Jebus (dat is Jeruzalem) met het span gezadelde ezels. Zijn bijvrouw was ook bij hem.; 1Kr 11:44David trok met heel Israël op naar Jeruzalem, dat is Jebus, want daar waren de Jebusieten, de inwoners van dat land.). De stad wordt herinnerd aan haar heidense wortels. Van nature onderscheidt de stad zich in niets van de heidenen en staat zij vanaf haar begin onder de sterke invloed van de goddeloze cultuur van Kanaän.

In de tijd van haar begin is er niets aantrekkelijks in de stad aanwezig (vers 44Wat uw geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld.). Integendeel. Ze lijkt op een ongewenst kind, dat het leven niet waard lijkt te zijn. Het niet afsnijden van de navelstreng duidt op een zekere dood voor het kind. De Hethitische moeder vindt het kennelijk niet de moeite waard om ook maar enige zorg aan het kind te besteden, het kind is het water niet waard. Het is net zo waardeloos als de wijnstok van het vorige hoofdstuk. Zelfs het inwrijven met zout als een afgodisch ritueel ter bescherming tegen boze machten en het wikkelen in doeken ter bescherming tegen de kou worden nagelaten.

Niemand kijkt naar de stad om, niemand wil er enige zorg aan besteden (vers 55Geen oog zag naar u om, om een van die dingen uit medelijden bij u te doen. U werd weggeworpen op het open veld uit afschuw voor uw leven op de dag dat u geboren werd.). Niemand die naar haar kijkt, krijgt een gevoel van medelijden om zich over de stad te ontfermen. Het is een waardeloze stad, die bij anderen alleen maar afschuw opwekt. Het enige wat men met de stad doet, is haar wegwerpen in het open veld. Het kind wordt niet eens te vondeling gelegd. Zo weinig waarde heeft het leven van de stad in het oog van anderen al vanaf het moment van haar geboorte. In plaats van de aantrekkelijkheid van wat pasgeboren is, is er afschuw, en in plaats van ontferming over wat weerloos is, is er verachting en verwerping. Toegepast op de geschiedenis van het volk Israël wordt hiermee mogelijk gedoeld op de periode van slavernij van het volk in Egypte.

Dan komt de HEERE voorbij (vers 66Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef!). Hij lijkt een ‘toevallige’ Voorbijganger te zijn (vergelijk de barmhartige Samaritaan, Lk 10:3333Een Samaritaan echter, die op reis was, kwam bij hem en toen hij [hem] zag, werd hij met ontferming bewogen.). Wanneer Hij het kind ziet en ziet hoe het eraan toe is, hoe het ligt te trappelen in zijn bloed en dus stervende is, spreekt Hij dat leven gevende woord: “Leef!” Terwijl met het bloed het leven uit het kind wegvloeit, geeft Hij het leven. Het wonder van de onverwachte redding wordt met nadruk herhaald. Het door de ouders versmade en aan de dood prijsgegeven kind wordt door de HEERE aangenomen. Hij schenkt het de mogelijkheid om te leven. Hij roept het als het ware uit de dood tot het leven. Toegepast op de geschiedenis van Israël hebben we hier mogelijk een zinspeling op de verlossing uit Egypte (vgl. Ex 2:2525En God zag naar de Israëlieten om en ontfermde Zich over hen.; 3:77De HEERE zei: Ik heb duidelijk de onderdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, gezien en heb hun geschreeuw [om hulp] vanwege hun slavendrijvers gehoord. Voorzeker, Ik ken hun leed.).

Door de grote zorg van de HEERE, die het kind eerst zo is onthouden, groeit het op als het gewas op het veld (vers 77Ik heb u even overvloedig gemaakt als het gewas op het veld. U groeide op, u werd groot en u kwam tot grote schoonheid. [Uw] borsten werden stevig, uw haar groeide, maar u was naakt en bloot.). Het komt tot grote bloei en schoonheid. Zo groeit de eens zo versmade stad op tot een stad die wordt vergeleken met een mooie, huwbare vrouw, wat wordt aangegeven door de stevige borsten. Het haar groeit en wordt lang, wat spreekt van afhankelijkheid. Ze is in alles afhankelijk van haar Ontfermer. Zelf bezit ze niets, ze is naakt en bloot. Zo is Israël in Egypte en in de woestijn volkomen afhankelijk van de HEERE geweest.


Opkomst van Jeruzalem

8Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u [een eed] en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en [zo] werd u van Mij. 9Daarop waste Ik u met water, spoelde uw bloed van u af en zalfde u met olie. 10Ik trok u kleurrijk geborduurde kleding aan, schoeide u met zeekoeien[huiden], omwikkelde u met fijn linnen en bedekte u met zijde. 11Ik tooide u met sieraden. Ik deed armbanden om uw polsen en een ketting om uw nek. 12[Ook] deed Ik een ring door uw neus, oorbellen aan uw oren en [zette] een sierlijke kroon op uw hoofd. 13Zo werd u getooid met goud en zilver. Uw kleding was van fijn linnen en zijde, en [voorzien van] kleurrijk borduurwerk. Meelbloem, honing en olie at u. U werd buitengewoon mooi, en werd geschikt voor het koningschap. 14Van u ging een naam uit onder de heidenvolken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt door Mijn glorie, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.

Wanneer de HEERE de tweede keer voorbijkomt, wordt het weggeworpen kind dat Hij uit medelijden het leven heeft gegeven, ook een voorwerp van Zijn liefde (vers 88Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u [een eed] en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en [zo] werd u van Mij.). De HEERE blijft niet haar Pleegvader, maar wordt haar Man. Zijn hart gaat naar Jeruzalem uit. Behalve verzorging biedt Hij de stad ook bescherming en bedekking, waarvan de “vleugel” spreekt (Ru 3:99En hij zei: Wie bent u? En zij zei: Ik ben Ruth, uw dienares. Spreid uw vleugel over uw dienares uit, want u bent de losser.; Mt 23:3737Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot haar zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild.). Ten slotte brengt Hij haar in de nauwste verbinding met Zichzelf. Hij gaat een verbond met haar aan en zo wordt zij Zijn bezit. Dit alles bekrachtigt Hij met een eed. In de geschiedenis van Israël zien we dit bij de Sinaï. Dit verbond wordt ook met het beeld van een huwelijk uitgedrukt (Js 54:55Want uw Maker is uw Man,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam,
en uw Verlosser is de Heilige van Israël,
de God van heel de aarde zal Hij genoemd worden.
; Jr 2:22Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
; Hs 2:15,1815Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE,
dat u [Mij] zult noemen: mijn Man,
en Mij niet meer zult noemen: mijn Baäl!18Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen:
ja, Ik zal u tot Mijn bruid nemen in gerechtigheid en in recht,
in goedertierenheid en in barmhartigheid.
)
.

Dan gaat Hij door met haar mooi te maken (verzen 9-139Daarop waste Ik u met water, spoelde uw bloed van u af en zalfde u met olie.10Ik trok u kleurrijk geborduurde kleding aan, schoeide u met zeekoeien[huiden], omwikkelde u met fijn linnen en bedekte u met zijde.11Ik tooide u met sieraden. Ik deed armbanden om uw polsen en een ketting om uw nek.12[Ook] deed Ik een ring door uw neus, oorbellen aan uw oren en [zette] een sierlijke kroon op uw hoofd.13Zo werd u getooid met goud en zilver. Uw kleding was van fijn linnen en zijde, en [voorzien van] kleurrijk borduurwerk. Meelbloem, honing en olie at u. U werd buitengewoon mooi, en werd geschikt voor het koningschap.). Dat zien we gebeuren vanaf de tijd dat David de stad Jeruzalem verovert (1049 v.Chr.) en deze stad tot koninklijke hoofdstad maakt. Dat is de tijd van de liefde. De HEERE kiest deze stad uit en verleent haar buitengewone heerlijkheid.

Hij begint haar te wassen om het bloed van haar af te spoelen (vers 99Daarop waste Ik u met water, spoelde uw bloed van u af en zalfde u met olie.). Zo wordt ze gereinigd van het verleden. Daarna zalft Hij haar met olie, waarmee Hij tot uitdrukking brengt welke grote waarde zij voor Hem heeft (vgl. Jh 12:33Maria dan nam een pond balsem van onvervalste, kostbare nardus, zalfde de voeten van Jezus en droogde Zijn voeten met haar haren af; en het huis werd met de geur van de balsem vervuld.). Bij wassen en zalven kunnen we ook denken aan het klaarmaken van een bruid voor het huwelijk (vgl. Ru 3:33Was je dan en zalf je en doe je [beste] kleren aan en ga naar de dorsvloer, [maar zorg ervoor] dat je niet door de man wordt opgemerkt, voordat hij klaar is met eten en drinken.; Es 2:1212En wanneer een meisje aan de beurt was om bij koning Ahasveros te komen, nadat zij twaalf maanden lang behandeld was volgens de bepaling voor de vrouwen – want zoveel dagen duurde hun schoonheidsbehandeling: zes maanden [werden zij behandeld] met mirreolie en zes maanden met specerijen en schoonheidsmiddelen voor de vrouwen –).

Vervolgens trekt Hij haar, de weggeworpen vondeling, prachtige kleding aan (vers 1010Ik trok u kleurrijk geborduurde kleding aan, schoeide u met zeekoeien[huiden], omwikkelde u met fijn linnen en bedekte u met zijde.; vgl. Ps 45:14-15a14De koningsdochter is innerlijk één en al heerlijkheid;
haar kleding bestaat uit borduurwerk van gouddraad.
15In kleurrijk geborduurde kleding wordt zij naar de Koning geleid;
jonge meisjes, haar vriendinnen in haar gevolg,
worden bij U gebracht.
)
. Hij geeft haar die kleding niet om die zelf aan te trekken, maar Hij bekleedt haar. We kunnen hierbij denken aan alle mogelijke voorrechten die de HEERE de stad heeft gegeven. Deze voorrechten zijn als “zeekoeien[huiden]”, onaantastbaar voor het verderf. “De kleding van fijn linnen en zijde” toont het verfijnde en kostbare karakter van haar voorrechten.

Na de kleding komen de sieraden (verzen 11-1211Ik tooide u met sieraden. Ik deed armbanden om uw polsen en een ketting om uw nek.12[Ook] deed Ik een ring door uw neus, oorbellen aan uw oren en [zette] een sierlijke kroon op uw hoofd.). Het zijn de versierselen van een bruid (vgl. Gn 24:2222En het gebeurde, toen de kamelen genoeg gedronken hadden, dat de man een gouden ring pakte, waarvan het gewicht een halve sikkel was, en twee armbanden voor haar armen, waarvan het gewicht tien sikkel goud was,). De “sierlijke kroon” is de bruidskroon, die tevens de koninklijke hoogheid toont waartoe zij wordt verheven. Vervolgens zegt de HEERE als het ware dat ze in de spiegel mag kijken en zegt dan: “Zo werd u getooid …” (vers 1313Zo werd u getooid met goud en zilver. Uw kleding was van fijn linnen en zijde, en [voorzien van] kleurrijk borduurwerk. Meelbloem, honing en olie at u. U werd buitengewoon mooi, en werd geschikt voor het koningschap.). Hij wijst haar op het goud en het zilver, het fijne linnen en de zijde waarmee Hij haar heeft bekleed. Het moet voor haar, die zo verworpen en ellendig is geweest, een adembenemend gezicht geweest zijn om te zien wat Hij met haar heeft gedaan en van haar heeft gemaakt.

Daarnaast geeft Hij haar het kostelijkste voedsel, de beste voeding voor haar groei (Dt 32:13-1413Hij liet hem rijden op de hoogten van de aarde,
en hij at de opbrengsten van het veld.
Hij liet hem honing zuigen uit de rots,
en olie uit hard gesteente;
14boter van runderen, en melk van kleinvee,
[samen] met het vet van lammeren,
van rammen die in Basan weiden, en van bokken,
[samen] met het allerbeste van de tarwe,
en druivenbloed, goede wijn, hebt u gedronken.
)
. Het land waar ze is, is een land dat overvloeit van melk en honing. Van dat voedsel kan ze naar hartenlust genieten. Ook dit gezonde voedsel draagt bij aan de ontwikkeling van haar schoonheid. Ze wordt “buitengewoon mooi”. De HEERE heeft er alles aan gedaan om van deze verachte vrouw iemand te maken die geschikt is voor het koningschap.

De faam van de stad gaat over de landsgrenzen (vers 1414Van u ging een naam uit onder de heidenvolken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt door Mijn glorie, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.). De omringende volken spreken met bewondering over haar schoonheid. Die schoonheid is niet haar eigen schoonheid, maar die van de HEERE. Hij heeft Zijn glorie op haar gelegd. Dat zien we in de tijd van Salomo, wanneer het gerucht over Salomo “in verband met de Naam van de HEERE” tot in ver weg gelegen gebieden wordt gehoord (1Kn 10:11Toen de koningin van Sjeba het gerucht over Salomo in verband met de Naam van de HEERE hoorde, kwam zij om hem met raadsels op de proef te stellen.).


Verval van Jeruzalem

15Maar u vertrouwde op uw schoonheid en bedreef hoererij, [trots] op uw naam. U hebt uw hoererijen uitgestort over ieder die voorbijtrok, [uw schoonheid] was voor hem! 16U nam [een deel] van uw kleding, maakte [daarmee] voor uzelf de hoogten kleurrijk en bedreef er hoererij op. Nooit is [zoiets] voorgekomen en het zal nooit [meer] gebeuren. 17U nam uw sieraden van Mijn goud en van Mijn zilver dat Ik u gegeven had, en maakte voor uzelf mannenbeelden en daarmee bedreef u hoererij. 18U nam uw kleurrijk geborduurde kleding en bedekte ze [daarmee]. U zette Mijn olie en Mijn reukwerk voor hen neer. 19En Mijn brood, dat Ik u had gegeven, [en de] meelbloem, olie en honing, die Ik u te eten had gegeven, hebt u hun aangeboden als een aangename geur. Zo gebeurde dat, spreekt de Heere HEERE. 20U nam uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard had en bracht ze als offer voor hen om te eten. Waren uw hoererijen niet genoeg, 21dat u Mijn kinderen geslacht hebt, ze prijsgegeven hebt, toen u ze voor hen door [het vuur] liet gaan? 22Ook hebt u bij al uw gruweldaden en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen van uw jeugd, toen u naakt en bloot was, trappelend in uw bloed.

Dan komt de dramatische omkeer die wordt ingeleid met het woord “maar” (vers 1515Maar u vertrouwde op uw schoonheid en bedreef hoererij, [trots] op uw naam. U hebt uw hoererijen uitgestort over ieder die voorbijtrok, [uw schoonheid] was voor hem!). Er komt een lange tirade over de vreselijke ondankbaarheid die zij heeft betoond tegenover de HEERE voor alle goedheid waarmee Hij haar heeft welgedaan. Na alle verleende weldaden en voorrechten breekt de tijd aan dat ze vergeet van Wie ze dat alles heeft gekregen. Ze gaat vertrouwen op haar schoonheid en vergeet Hem Die haar die schoonheid heeft verleend, aan Wie ze die te danken heeft (Dt 32:1515Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit
– u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest –
toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft,
hij versmaadde de Rots van zijn heil.
)
.

In haar trots en hoogmoed wordt ze Hem ontrouw en gaat ontuchtig handelen, ze gaat hoererij bedrijven. Hoe diep zinkt ze! Voor ieder die voorbijtrekt, dat wil zeggen voor elk volk waarmee ze in aanraking komt, stort ze haar hoererij uit. Haar schoonheid, die alleen voor de HEERE moet zijn, geeft ze weg aan vreemden. We zien dat deze ontwikkeling al in de dagen van Salomo begint. Salomo haalt met zijn liefde voor veel vrouwen ook de goden van die vrouwen in huis (1Kn 11:1-81Koning Salomo had veel uitheemse vrouwen lief, en dat naast de dochter van de farao: Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische, en Hethitische [vrouwen],2uit de volken waarvan de HEERE tegen de Israëlieten had gezegd: U mag niet naar hen toe gaan en zij mogen niet bij u komen. Zij zouden ongetwijfeld uw hart doen afwijken, achter hun goden aan. Aan hen hechtte Salomo zich in liefde.3Hij had zevenhonderd vrouwen – vorstinnen – en driehonderd bijvrouwen. Zijn vrouwen deden zijn hart afwijken.4Het was in de tijd van Salomo’s ouderdom [dat] zijn vrouwen zijn hart deden afwijken, achter andere goden aan, zodat zijn hart niet volkomen was met de HEERE, zijn God, zoals het hart van zijn vader David,5want Salomo ging achter Astoreth aan, de god van de Sidoniërs, en achter Milkom, de afschuwelijke [afgod] van de Ammonieten.6Zo deed Salomo wat slecht was in de ogen van de HEERE: hij volhardde er niet in de HEERE na te volgen, zoals zijn vader David.7Toen bouwde Salomo een [offer]hoogte voor Kamos, de afschuwelijke [afgod] van de Moabieten, op de berg die voor Jeruzalem ligt, en voor Molech, de afschuwelijke [afgod] van de Ammonieten.8Zo deed hij voor al zijn uitheemse vrouwen, die hun afgoden reukoffers en slachtoffers brachten.).

Wat Jeruzalem van de HEERE heeft gekregen als een versiering voor haar zelf, wordt gebruikt tot versiering van de plaatsen waar ze haar afgodische hoererij bedrijft (vers 1616U nam [een deel] van uw kleding, maakte [daarmee] voor uzelf de hoogten kleurrijk en bedreef er hoererij op. Nooit is [zoiets] voorgekomen en het zal nooit [meer] gebeuren.). Ze doet als de hoeren, die ook gewoon zijn hun bedden te versieren om mannen tot ontucht te verleiden (Sp 7:15-1715Daarom ben ik naar buiten gegaan, jou tegemoet
om je ijverig te zoeken en – [daar] vond ik je!
16Ik heb mijn rustbank opgemaakt met dekens,
kleurige spreien van Egyptisch linnen.
17Mijn slaapplaats heb ik besprenkeld
met mirre, aloë en kaneel.
)
. Haar gedrag is ongeëvenaard. Hier geldt het gezegde dat het verval van het beste het ergste verval is. We horen de smart in de stem van de HEERE als Hij zegt hoe zij de sieraden van goud en zilver die Hij haar heeft gegeven, gebruikt om daar afgodsbeelden van te maken en zich daarvoor te buigen en er zo hoererij mee te bedrijven (vers 1717U nam uw sieraden van Mijn goud en van Mijn zilver dat Ik u gegeven had, en maakte voor uzelf mannenbeelden en daarmee bedreef u hoererij.).

Een ander deel van de prachtige kleding die haar door de HEERE is gegeven, gebruikt zij om haar afgoden mee te versieren (vers 1818U nam uw kleurrijk geborduurde kleding en bedekte ze [daarmee]. U zette Mijn olie en Mijn reukwerk voor hen neer.; Jr 10:99Geplet zilver wordt uit Tarsis gebracht en goud uit Ufaz;
werk van een vakman, en van de handen van een edelsmid
– blauwpurper en roodpurper is hun gewaad –
alles is het werk van kundige [mensen].
)
. Voor deze opgetuigde afgodsbeelden zet zij vervolgens “Mijn olie en Mijn reukwerk” neer. De HEERE wordt opzijgezet, verbannen, grof beledigd. Door zo om te gaan met alles wat Hij haar in Zijn ontferming en Zijn liefde heeft gegeven, wordt Hem geen krenking bespaard. Ook het voedsel dat Hij haar heeft gegeven en waardoor ze zo mooi is geworden, wordt als een aangename geur aan de afgoden van de heidenen aangeboden (vers 1919En Mijn brood, dat Ik u had gegeven, [en de] meelbloem, olie en honing, die Ik u te eten had gegeven, hebt u hun aangeboden als een aangename geur. Zo gebeurde dat, spreekt de Heere HEERE.). In de woorden “zo gebeurde dat”, horen we hoe diep de HEERE Zich gegriefd voelt.

Alsof al die afschuwelijke hoererijen niet genoeg zijn, brengt ze ook haar kinderen, die zij Hem gebaard heeft, als offers aan de afgoden (vers 2020U nam uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard had en bracht ze als offer voor hen om te eten. Waren uw hoererijen niet genoeg,). De kinderen die op grond van het verbond Hem toebehoren (Dt 14:11U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag [uw lichaam] vanwege een dode niet kerven of een kale plek maken tussen uw ogen.; Js 1:22Luister, hemel,
neem ter ore, aarde!
Want de HEERE spreekt:
Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.
)
, worden van Hem afgenomen. Ze worden geslacht en vervolgens als brandoffer gebracht (vers 2121dat u Mijn kinderen geslacht hebt, ze prijsgegeven hebt, toen u ze voor hen door [het vuur] liet gaan?; 2Kn 16:33maar hij ging in de weg van de koningen van Israël; ja, zelfs deed hij zijn zoon door het vuur gaan, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had.; 17:1717Ook deden zij hun zonen en dochters door het vuur gaan, pleegden waarzeggerijen en deden aan wichelarij, en verkochten zich om te doen wat slecht was in de ogen van de HEERE [en] Hem tot toorn te verwekken.; 21:66Hij liet zijn zoon door het vuur gaan, duidde wolken en deed aan wichelarij. Ook stelde hij dodenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed zeer veel kwaad in de ogen van de HEERE, om [Hem] tot toorn te verwekken.; Ps 106:3737[Bovendien] offerden zij hun zonen
en hun dochters aan de demonen.
; Jr 32:3535Zij bouwden de hoogten van de Baäl, die in het dal Ben-Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters voor de Molech door [het vuur] te laten gaan, wat Ik hun niet geboden had. En in Mijn hart was het niet opgekomen dat zij deze gruweldaad zouden doen, zodat ze Juda zouden doen zondigen.)
.

Geen enkel ouderpaar heeft een absoluut recht op zijn kinderen. God geeft het leven en het behoort Hem toe. Talloze ouders malen echter niet om God. Ook in christelijke gezinnen denken ouders er vaak niet aan dat ze hun kinderen hebben gekregen om ze voor God op te voeden (Ef 6:44En u, vaders, prikkelt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in [de] tucht en vermaning van de Heer.). Veel ouders willen dat hun kinderen aan hún idealen beantwoorden, opdat zij met hen kunnen pronken. Ze beseffen niet dat ze hun kinderen op deze wijze aan de moderne afgoden offeren.

Bij het begaan van al deze gruweldaden en hoererijen heeft Jeruzalem niet teruggedacht aan haar verleden, hoe ze eraan toe is geweest, en dus helemaal niet aan wat de HEERE daarna met haar heeft gedaan (vers 2222Ook hebt u bij al uw gruweldaden en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen van uw jeugd, toen u naakt en bloot was, trappelend in uw bloed.). Letterlijk alles heeft Jeruzalem aan de HEERE te danken. Hij heeft Zich, toen ze volkomen hulpeloos, naakt en bloot en trappelend in haar bloed lag, over haar ontfermd met een eeuwige liefde. Hij heeft haar uit die ellende gered. Maar ze is alle weldaden totaal vergeten.

Zijn wij ook niet vaak vergeetachtig? Als wij vergeten waar wij vandaan komen en wat de Heer met ons heeft gedaan, zullen we tot de grofste zonden en grootste gruwelen kunnen vervallen. Daarom is het zo belangrijk dat wij met ons hart zeggen: “Loof de HEERE, mijn ziel, en vergeet niet een van Zijn weldaden” (Ps 103:22Loof de HEERE, mijn ziel,
en vergeet niet een van Zijn weldaden.
)
.


Jeruzalem gaat maar door met zondigen

23Na al uw kwaad gebeurde het – wee, wee u! spreekt de Heere HEERE – 24dat u voor uzelf een verhoging bouwde en voor uzelf op elk plein een hoogte maakte. 25Bij elk kruispunt bouwde u uw hoogten. U misbruikte uw schoonheid afschuwelijk, u spreidde uw benen voor ieder die voorbijtrok en maakte uw hoererijen talrijk. 26U bedreef hoererij met de Egyptenaren, uw zwaargeschapen buren. U maakte uw hoererijen talrijk, zodat u Mij tot toorn verwekte. 27Zie, daarop strekte Ik Mijn hand tegen u uit en verminderde het u toegewezen deel, en Ik gaf u over aan de willekeur van hen die u haten, aan de dochters van de Filistijnen, die te schande werden vanwege uw schandelijk gedrag. 28Daarna bedreef u hoererij met de Assyriërs, omdat u onverzadigbaar was. U bleef hoererij met hen bedrijven, en nog raakte u niet verzadigd. 29Vervolgens maakte u uw hoererij talrijk tot in het land van de kooplieden, Chaldea. En ook daardoor raakte u niet verzadigd.

Het kwaad dat Jeruzalem bedrijft, kent geen einde (vers 2323Na al uw kwaad gebeurde het – wee, wee u! spreekt de Heere HEERE –). De Heere HEERE (Adonai Jahweh) spreekt er een tweevoudig “wee” over uit, zo gruwelijk is het voor Hem. Jeruzalem gaat door met afgoderij en bouwt een verhoging voor zichzelf en maakt hoogten voor zichzelf op elk plein (vers 2424dat u voor uzelf een verhoging bouwde en voor uzelf op elk plein een hoogte maakte.). Ze gebruikt niet alleen al bestaande hoogten, maar voegt er naar believen nieuwe aan toe.

De hoogten worden op de drukste plaatsen, de kruispunten, gebouwd, om zich daar schaamteloos aan ontucht in geestelijke zin over te geven (vers 2525Bij elk kruispunt bouwde u uw hoogten. U misbruikte uw schoonheid afschuwelijk, u spreidde uw benen voor ieder die voorbijtrok en maakte uw hoererijen talrijk.). Jeruzalem is een aantrekkelijke handelspartner, die haar aantrekkelijkheid op afschuwelijke wijze misbruikt om betrekkingen met andere volken aan te knopen. Ze gaat diep in het verderf om bij anderen in het gevlei te komen. Ze gaat ook breed in het verderf, want van haar hoererijen sluit ze niemand uit.

De HEERE noemt enkele van de voornaamste hoererijen. Jeruzalem bedrijft hoererij “met de Egyptenaren”, dat wil zeggen dat ze de goden van de Egyptenaren overneemt en die dient (vers 2626U bedreef hoererij met de Egyptenaren, uw zwaargeschapen buren. U maakte uw hoererijen talrijk, zodat u Mij tot toorn verwekte.). Dat is begonnen in de tijd van koning Salomo. Mogelijk ziet dit ook op de politieke stroming in Israël die haar toevlucht heeft gezocht bij Egypte en die de Egyptische gebruiken heeft nagevolgd. De zwaargebouwde postuur van de Egyptenaren is misschien voor Jeruzalem iets geweest om jaloers op te zijn. Zo wil zij er ook uitzien en indruk maken. Jeruzalem importeert als het ware de Egyptische cultuur. Dat is een klap in het gezicht van de HEERE, Die in Jeruzalem wil wonen en Zijn volk uit Egypte heeft verlost. Jeruzalem verwekt Hem met die hang naar Egypte tot toorn.

Ook wij moeten beseffen dat wij de Heer grote oneer aandoen als wij dingen van de wereld weer een plaats geven in ons leven. Hij heeft ons getrokken uit “de tegenwoordige boze eeuw” (Gl 1:44Die Zichzelf heeft gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit de tegenwoordige boze eeuw, naar de wil van onze God en Vader,). Hoe zouden we dat waaruit Hij ons getrokken heeft weer op de een of andere manier opzoeken en in ons leven ruimte bieden om daar onze steun bij te zoeken? Wij lijken dan op een hond die is teruggekeerd naar zijn eigen uitbraaksel of op een gewassen varken dat teruggaat naar de modder om zich daarin weer rond te wentelen (2Pt 2:2222Hun is overkomen wat het ware spreekwoord zegt: ‘[De] hond is teruggekeerd naar zijn eigen braaksel’, en: ‘[De] gewassen zeug tot [het] wentelen in [de] modder’.). Als we dat doen, verwekken wij Hem tot toorn en zal Hij ons moeten tuchtigen. “Als wij ontrouw zijn – Hij blijft trouw” (2Tm 2:1313als wij ontrouw zijn – Hij blijft trouw, want Zichzelf kan Hij niet verloochenen.), dat wil zeggen trouw aan Zichzelf, wat inhoudt dat Hij ons in Zijn trouw zal tegenkomen als wij een weg van ontrouw gaan.

De HEERE strekt Zijn hand in oordeel tegen Jeruzalem uit en maakt haar gebied kleiner door toe te staan dat de vijand er zeggenschap over krijgt (vers 2727Zie, daarop strekte Ik Mijn hand tegen u uit en verminderde het u toegewezen deel, en Ik gaf u over aan de willekeur van hen die u haten, aan de dochters van de Filistijnen, die te schande werden vanwege uw schandelijk gedrag.; vgl. Hs 2:5-65Daarom, zie, Ik ga uw weg met dorens omheinen,
Ik zal haar met een muur omgeven,
zodat zij haar paden niet zal kunnen vinden.6Zij zal haar minnaars najagen, maar hen niet inhalen;
hen zoeken, maar hen niet vinden.
Dan zal zij zeggen:
Ik ga, ik keer terug naar mijn vorige Man,
want toen had ik het beter dan nu.
; 3:33En ik zei tegen haar: U moet veel dagen bij mij blijven, u mag geen hoererij bedrijven; u mag geen [andere] man toebehoren, en ook ik [zal niet] bij u [komen].)
. In de tijd van de richters zijn het vooral de Filistijnen die de HEERE tot tuchtiging van Zijn volk gebruikt (Ri 10:77Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël en Hij leverde hen over in de hand van de Filistijnen en in de hand van de Ammonieten.; 15:1111Daarop kwamen drieduizend man uit Juda naar de kloof van de rots Etam en zij zeiden tegen Simson: Wist u niet dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dit dan aangedaan? Maar hij zei tegen hen: Zoals zij bij mij gedaan hebben, zo heb ik bij hen gedaan.; 1Sm 4:1-101Het woord van Samuel kwam tot heel Israël. En Israël trok ten strijde, de Filistijnen tegemoet. Zij sloegen hun kamp op bij Eben-Haëzer, terwijl de Filistijnen hun kamp opsloegen bij Afek.2De Filistijnen stelden zich op tegenover Israël. Toen de strijd zich uitbreidde, werd Israël door de Filistijnen verslagen; want zij doodden in de gelederen in het [open] veld ongeveer vierduizend man.3Toen het volk in het kamp [terug]gekomen was, zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft de HEERE ons vandaag vóór de Filistijnen verslagen? Laten wij vanuit Silo de ark van het verbond van de HEERE bij ons nemen, en laat die in ons midden komen, opdat die ons zal verlossen uit de hand van onze vijanden.4Toen zond het volk [boden] naar Silo, en men bracht vandaar de verbondsark van de HEERE van de legermachten, Die tussen de cherubs troont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God.5En het gebeurde, toen de ark van het verbond van de HEERE in het kamp kwam, dat heel Israël zo’n uitbundig gejuich aanhief dat de aarde dreunde.6Toen de Filistijnen het geluid van het gejuich hoorden, zeiden zij: Wat betekent het geluid van dit uitbundige gejuich in het kamp van de Hebreeën? Toen zij vernamen dat de ark van de HEERE in het kamp gekomen was,7werden de Filistijnen bevreesd, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want iets dergelijks is er sinds jaar en dag niet gebeurd.8Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze machtige goden? Dit zijn dezelfde goden die de Egyptenaren met alle plagen getroffen hebben, bij de woestijn.9Filistijnen, vat moed en wees mannen, anders zult u de Hebreeën moeten dienen zoals zij u gediend hebben. Wees mannen, en strijd!10Toen streden de Filistijnen, en Israël werd verslagen, en zij vluchtten, ieder naar zijn tent. De nederlaag was zeer groot, er viel van Israël dertigduizend [man] voetvolk.). Zij zijn in die tijd Israëls erfvijanden en dat zijn ze nog steeds. Zelfs zij zien het schandelijk gedrag van Jeruzalem. Met “de dochters van de Filistijnen” worden de steden van de Filistijnen bedoeld.

Na het zich overgeven aan de afgodendienst van Egypte bedrijft Jeruzalem hoererij “met de Assyriërs”, dat wil zeggen dat ze de afgoden van Assyrië omarmt (vers 2828Daarna bedreef u hoererij met de Assyriërs, omdat u onverzadigbaar was. U bleef hoererij met hen bedrijven, en nog raakte u niet verzadigd.). Deze afgoden worden door de koningen Achaz en Manasse in Jeruzalem binnengehaald (2Kn 16:77Toen stuurde Achaz boden naar Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, om te zeggen: Ik ben uw dienaar en uw zoon. Kom en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië en uit de hand van de koning van Israël, die mij aan [willen] vallen.; 21:33Hij herbouwde de offerhoogten die Hizkia, zijn vader, vernield had; hij richtte altaren op voor de Baäl, maakte een gewijde paal zoals Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neer voor heel het leger aan de hemel en diende het.). Jeruzalem is werkelijk onverzadigbaar in haar drang naar afgoderij. Hoererij met de Assyriërs ziet ook op de partij die politieke en militaire steun zoekt bij de koning van Assyrië (2Kr 28:1616In die tijd stuurde koning Achaz [een verzoek] aan de koningen van Assyrië om hem te helpen.; Hs 5:1313Toen Efraïm zijn ziekte zag
en Juda zijn gezwel,
ging Efraïm naar Assyrië
en stuurde hij boden naar koning Jareb.
Maar die zal u niet kunnen genezen,
en van u het gezwel niet wegnemen.
; 7:1111Efraïm is als een duif, onnozel, zonder verstand;
Egypte roepen zij te hulp, naar Assyrië gaan zij!
)
.

Nadat Assyrië als wereldmacht heeft afgedaan en Babel de wereldmacht in handen heeft, zoekt Jeruzalem handelsbetrekkingen met Chaldea, dat is Babel (vers 2929Vervolgens maakte u uw hoererij talrijk tot in het land van de kooplieden, Chaldea. En ook daardoor raakte u niet verzadigd.). Dat opent de deur voor het binnenkomen van de Babylonische afgoderij. En als een afschuwelijk refrein klinkt het, dat ze ook daardoor niet van afgoderij verzadigd raakt.


Jeruzalem, een bijzondere hoer

30Wat moet uw hart verkommerd zijn – spreekt de Heere HEERE – bij het doen van dit alles: werk van een schaamteloze vrouw die een hoer is! 31Toen u uw verhoging bouwde op elk kruispunt en uw hoogte maakte op elk plein, was u, door met het hoerenloon de spot te drijven, niet als een [echte] hoer. 32[U,] vrouw die overspel pleegt, neemt in plaats van haar [eigen] man vreemde [mannen]! 33Alle hoeren pleegt men een beloning te geven, maar u geeft uw geschenk zelf aan al uw minnaars en beloont ze, zodat zij van rondom naar u toe komen vanwege uw hoererijen. 34Zo gebeurt bij u in uw hoererijen het tegendeel van [wat er gebeurt bij] die vrouwen: men ging niet als in hoererij achter u aan. Als u immers [zelf] hoerenloon geeft en het hoerenloon niet aan u wordt gegeven – [dan] bent u het tegendeel geworden.

Het hart van Jeruzalem is volkomen in beslag genomen door hoererij (vers 3030Wat moet uw hart verkommerd zijn – spreekt de Heere HEERE – bij het doen van dit alles: werk van een schaamteloze vrouw die een hoer is!). Ze is de meest schaamteloze van alle hoeren geworden. Ze is alle goden van de volken schaamteloos nagelopen en heeft zich daarvoor neergebogen op elk kruispunt en elk plein. Daar staat ze met haar hoerenloon in de hand (vers 3131Toen u uw verhoging bouwde op elk kruispunt en uw hoogte maakte op elk plein, was u, door met het hoerenloon de spot te drijven, niet als een [echte] hoer.). Daarbij is ze niet eens een echte hoer die geld heeft gekregen voor haar misselijkmakende daad. Ze is een vrouw die het alleen maar om de hoererij, het overspel gaat. Het is als een vrouw die zich uit pure wellust aan vreemde mannen aanbiedt. Het is opperste ontrouw aan haar eigen Man, de HEERE (vers 3232[U,] vrouw die overspel pleegt, neemt in plaats van haar [eigen] man vreemde [mannen]!).

Haar hoererij is erger dan die van een ongetrouwde, omdat ze de plechtig beloofde trouw veracht. De hoererij van Jeruzalem is des te gruwelijker omdat het volk op grond van het verbond met de HEERE aan Hem toebehoort en gehouden is Hem alleen te dienen. Daar komt bij dat de HEERE in deze stad Zijn woning heeft. Er is in die tijd geen andere plaats op aarde waar mensen Hem kunnen offeren dan in de tempel in Jeruzalem.

Het hoerenloon dat ze in haar hand heeft, is om te betalen aan ieder die met haar hoererij wil bedrijven (vers 3333Alle hoeren pleegt men een beloning te geven, maar u geeft uw geschenk zelf aan al uw minnaars en beloont ze, zodat zij van rondom naar u toe komen vanwege uw hoererijen.). Ze versmaadt niet alleen het hoerenloon, maar betaalt een beloning uit of geeft een geschenk aan elke afgod die ze maar ziet. Ze brengt kostbare offers aan vreemde goden en betaalt schatting aan vreemde volken om zich van hun steun te verzekeren (vers 3434Zo gebeurt bij u in uw hoererijen het tegendeel van [wat er gebeurt bij] die vrouwen: men ging niet als in hoererij achter u aan. Als u immers [zelf] hoerenloon geeft en het hoerenloon niet aan u wordt gegeven – [dan] bent u het tegendeel geworden.). Daarmee is ze het tegendeel geworden van een ‘normale’ hoer die zich voor haar walgelijke diensten laat betalen en is ze dieper gezonken dan deze al zo diep gezonken vrouw.


Jeruzalem geoordeeld door haar minnaars

35Daarom, hoer, hoor het woord van de HEERE! 36Zo zegt de Heere HEERE: Omdat u uw brandende begeerte uitgestort hebt en uw schaamte ontbloot werd in uw hoererijen met uw minnaars en met al uw gruwelijke stinkgoden, en om het bloed van uw kinderen dat u hun gegeven hebt, 37daarom, zie, ga Ik al uw minnaars die u behaagd hebt, allen die u bemind hebt, met allen die u gehaat hebt, bijeenbrengen, ja, Ik zal hen van rondom bijeenbrengen tegen u en Ik zal uw schaamte voor hen ontbloten, zodat zij heel uw naaktheid zullen zien. 38Ik zal u oordelen [overeenkomstig] de bepalingen voor overspelige vrouwen en vrouwen die bloed vergieten. Ik zal u overgeven aan de bloeddorst van grimmigheid en van na-ijver. 39En Ik zal u in hun hand geven. Zij zullen uw verhoging afbreken, uw hoogten omverwerpen, u uw kleding uittrekken, uw sieraden nemen en u naakt en bloot achterlaten. 40Daarop zullen zij een menigte tegen u laten opkomen. Zij zullen u met stenen stenigen en u met hun zwaarden doorsteken. 41Zij zullen uw huizen met vuur verbranden. Voor de ogen van vele vrouwen zullen zij strafgerichten over u voltrekken. Dan zal Ik u laten ophouden een hoer te zijn en u zult ook geen hoerenloon meer geven. 42Zo zal Ik Mijn grimmigheid op u doen rusten en Mijn na-ijver zal van u wijken. Dan zal Ik tot rust komen en niet meer toornig zijn. 43Omdat u niet gedacht hebt aan de dagen van uw jeugd en Mij met al deze dingen ontzet hebt, zie, daarom zal Ik ook u uw weg op [uw eigen] hoofd doen neerkomen, spreekt de Heere HEERE, zodat u zich met al uw gruweldaden niet [meer] schandelijk gedragen zult.

Het woord van de HEERE komt tot de stad (vers 3535Daarom, hoer, hoor het woord van de HEERE!). De HEERE spreekt haar aan met de naam die ze verdient, die van “hoer”. Dan spreekt Hij Zijn oordeel uit. Eerst geeft Hij nog een korte opsomming van haar walgelijke daden die dit oordeel noodzakelijk maken (vers 3636Zo zegt de Heere HEERE: Omdat u uw brandende begeerte uitgestort hebt en uw schaamte ontbloot werd in uw hoererijen met uw minnaars en met al uw gruwelijke stinkgoden, en om het bloed van uw kinderen dat u hun gegeven hebt,). Het zijn de zonden van ontucht en mensenoffers. Hij zal haar minnaars, de volken met wie Jeruzalem zich verbonden heeft en van wie zij de afgoden heeft gediend, en ook allen die haar vijanden zijn gebleven of weer zijn geworden, bijeenbrengen (vers 3737daarom, zie, ga Ik al uw minnaars die u behaagd hebt, allen die u bemind hebt, met allen die u gehaat hebt, bijeenbrengen, ja, Ik zal hen van rondom bijeenbrengen tegen u en Ik zal uw schaamte voor hen ontbloten, zodat zij heel uw naaktheid zullen zien.).

Het zal een groot leger van vijanden worden dat tegen haar zal optrekken om haar diep te vernederen. De vijanden zullen met haar handelen als met hoeren en overspeelsters die naakt te schande worden gesteld (vers 3838Ik zal u oordelen [overeenkomstig] de bepalingen voor overspelige vrouwen en vrouwen die bloed vergieten. Ik zal u overgeven aan de bloeddorst van grimmigheid en van na-ijver.). “De bloeddorst van grimmigheid” betekent dat Jeruzalem zal worden gestraft met de dood. Zij heeft bloed vergoten door het brengen van mensenoffers en daarvoor zal haar bloed vergoten worden (Gn 9:66Vergiet iemand het bloed van de mens,
door de mens zal diens bloed vergoten worden;
want naar het beeld van God
heeft Hij de mens gemaakt.
)
. In het kielzog van overspel, afgoderij, heeft ze moord gepleegd. Overspel en moord gaan vaak hand in hand. We zien het zelfs bij koning David, die na zijn overspel met Bathseba haar man Uria laat vermoorden.

De “na-ijver” van de HEERE, dat is Zijn jaloersheid die is veroorzaakt door de echtbreuk, het breken van het verbond, zal hun ontrouw en moorden vergelden. Hij zal de stad in de macht van de heidense volken geven waarvan ze de afgoden heeft gediend (vers 3939En Ik zal u in hun hand geven. Zij zullen uw verhoging afbreken, uw hoogten omverwerpen, u uw kleding uittrekken, uw sieraden nemen en u naakt en bloot achterlaten.). Hij zal haar aan de Babyloniërs uitleveren. In dit wereldrijk zijn alle andere door Babel overwonnen volken vertegenwoordigd. Zij zullen de stad van kleren en sieraden ontdoen en haar naakt en bloot, dat is tot de grond toe afgebroken, achterlaten. Zo zal ze weer worden als vroeger, in de tijd van haar oorsprong, toen de HEERE haar vond (vers 66Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef!; vgl. Hs 2:2a2Anders zal Ik haar naakt uitkleden,
haar neerzetten als op haar geboortedag,
haar maken als de woestijn,
haar doen worden als een dor land
en haar doen sterven van de dorst.
)
.

De vijanden komen als een menigte tegen Juda en Jeruzalem op en zullen dood en verderf om zich heen zaaien (vers 4040Daarop zullen zij een menigte tegen u laten opkomen. Zij zullen u met stenen stenigen en u met hun zwaarden doorsteken.). De steniging die zij zal ondergaan, is een straf voor overspelige vrouwen (Jh 8:4-5a4Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt op overspel.5Nu heeft Mozes ons in de wet geboden zulke [vrouwen] te stenigen; U dan, wat zegt U?; Dt 22:2121dan moeten zij het meisje naar buiten brengen, naar de deur van het huis van haar vader, en de mannen van haar stad moeten haar met stenen stenigen, zodat zij sterft, want zij heeft een schandelijke daad in Israël begaan door hoererij te bedrijven in het huis van haar vader. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.). Die steniging zal letterlijk plaatsvinden wanneer de inwoners van de stad tijdens het beleg en de inname ervan onder het vallende puin worden bedolven en verpletterd. De huizen zullen ze verbranden (vers 4141Zij zullen uw huizen met vuur verbranden. Voor de ogen van vele vrouwen zullen zij strafgerichten over u voltrekken. Dan zal Ik u laten ophouden een hoer te zijn en u zult ook geen hoerenloon meer geven.).

“Vele vrouwen” zullen het voor hun ogen zien gebeuren als een afschrikwekkend voorbeeld om geen hoererij te bedrijven. De “vele vrouwen” zijn een beeld van steden en volken die de verwoesting van Jeruzalem zien. Dan zal de hoererij uitgedelgd zijn. Er zal geen verlangen meer zijn om nog langer hoererij te bedrijven. Niemand zal nog met haar van doen willen hebben. De aantrekkelijkheid van de stad is veranderd in afstotelijkheid. De stad is ook zo berooid, dat ze geen hoerenloon meer kan betalen en dus geen minnaars meer kan kopen. Dan zal de grimmigheid van de HEERE op hen rusten en tot rust komen (vers 4242Zo zal Ik Mijn grimmigheid op u doen rusten en Mijn na-ijver zal van u wijken. Dan zal Ik tot rust komen en niet meer toornig zijn.). Zijn toorn is tot bedaren gekomen.

We vinden in de voorgaande verzen dus drie straffen genoemd die een hoer in Israël kan krijgen en die op Jeruzalem worden toegepast. Ten eerste wordt ze naakt aan de schandpaal gebonden en zo aan de smaad van de omstanders prijsgegeven (vers 3939En Ik zal u in hun hand geven. Zij zullen uw verhoging afbreken, uw hoogten omverwerpen, u uw kleding uittrekken, uw sieraden nemen en u naakt en bloot achterlaten.). Daarna wordt ze gestenigd (vers 4040Daarop zullen zij een menigte tegen u laten opkomen. Zij zullen u met stenen stenigen en u met hun zwaarden doorsteken.). Ten slotte wordt ze met vuur verbrand (vers 4141Zij zullen uw huizen met vuur verbranden. Voor de ogen van vele vrouwen zullen zij strafgerichten over u voltrekken. Dan zal Ik u laten ophouden een hoer te zijn en u zult ook geen hoerenloon meer geven.).

Nog eens verklaart de HEERE waarom Hij haar dit alles moet aandoen (vers 4343Omdat u niet gedacht hebt aan de dagen van uw jeugd en Mij met al deze dingen ontzet hebt, zie, daarom zal Ik ook u uw weg op [uw eigen] hoofd doen neerkomen, spreekt de Heere HEERE, zodat u zich met al uw gruweldaden niet [meer] schandelijk gedragen zult.). Hij heeft haar weg van afdwaling en ontrouw op haar eigen hoofd doen neerkomen. Ze heeft de dagen van haar jeugd, toen Hij Zich zo over haar heeft ontfermd, niet in gedachtenis gehouden en Hem niet met dankbaarheid gediend. In plaats daarvan heeft ze Hem ontzet, Hem diep geschokt. Zijn oordeelshandelingen hebben tot doel dat ze zal ophouden met haar gruweldaden, dat is haar afgoderij, en dat zij zich niet meer schandelijk zal gedragen.


Jeruzalem vergeleken met haar ‘zusters’

44Zie, ieder die spreekwoorden gebruikt, zal over u [dit] spreekwoord gebruiken: Zo moeder, zo dochter. 45U bent een dochter van uw moeder, die walgde van haar man en haar kinderen. U bent een zus van uw zusters, die walgden van hun mannen en van hun kinderen. Uw moeder was een Hethitische en uw vader een Amoriet. 46Uw oudste zuster is Samaria, zij met haar dochters, die aan uw linkerhand woont, en uw zuster die jonger is dan u, die aan uw rechterhand woont, is Sodom met haar dochters. 47U bent niet in hun wegen gegaan en hebt niet overeenkomstig hun gruweldaden gedaan, nee, nog even, en u hebt het in al uw wegen meer te gronde gericht dan zij. 48[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Sodom, uw zuster, zij en haar dochters hebben niet zo gedaan als u en uw dochters gedaan hebben! 49Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: trots, overvloed van voedsel en zorgeloze rust had zij met haar dochters. De hand van de arme en de behoeftige ondersteunde zij echter niet. 50Zij verhieven zich en deden een gruweldaad voor Mijn aangezicht. Daarom deed Ik hen weg, zodra Ik het gezien had. 51Samaria heeft nog niet de helft van uw zonden gedaan, en u hebt uw gruweldaden talrijker gemaakt dan zij. U hebt uw zusters rechtvaardig doen lijken, vergeleken bij al uw gruweldaden, die u gedaan hebt! 52Draagt u, die uw zusters veroordeeld hebt, [dan] ook uw [eigen] smaad. Door uw zonden, waarin u afschuwelijker deed dan zij, lijken zij rechtvaardig, vergeleken bij u! Schaam u dan ook en draag uw smaad, omdat u uw zusters rechtvaardig hebt doen lijken.

De HEERE gaat verder met Jeruzalem haar zonden voor te houden. Hij gebruikt een spreekwoord om duidelijk te maken dat zij niet beter is dan de heidense moeder van wie de stad afstamt (vers 4444Zie, ieder die spreekwoorden gebruikt, zal over u [dit] spreekwoord gebruiken: Zo moeder, zo dochter.). De moeder is een ontrouwe vrouw die geen natuurlijke liefde heeft voor haar man en haar kinderen (vers 4545U bent een dochter van uw moeder, die walgde van haar man en haar kinderen. U bent een zus van uw zusters, die walgden van hun mannen en van hun kinderen. Uw moeder was een Hethitische en uw vader een Amoriet.). Zo is Jeruzalem ook. Daarbij is ze ook een zus van haar zusters, die dezelfde walging van natuurlijke liefde hebben. Met de uitdrukking “zusters” worden de steden Jeruzalem, Samaria en Sodom bedoeld. De heidense oorsprong ligt in de verbinding tussen de Hethieten en de Amorieten. Jeruzalem is even afgodisch als deze heidense volken.

De HEERE wijst Jeruzalem op Samaria en noemt die stad de “oudste zuster” van Jeruzalem (vers 4646Uw oudste zuster is Samaria, zij met haar dochters, die aan uw linkerhand woont, en uw zuster die jonger is dan u, die aan uw rechterhand woont, is Sodom met haar dochters.). Met Samaria wordt het hele gebied van het tienstammenrijk bedoeld dat veel groter is dan dat van Juda. De ligging ervan is links van Jeruzalem, dat is ten noorden ervan, omdat de kijkrichting het oosten is. De andere zuster, Sodom, is “jonger” dan Jeruzalem. Sodom woont rechts, of ten zuiden, van Jeruzalem. Die stad wordt ´jonger´ genoemd, omdat zij een kleiner grondgebied bezit. Met “haar dochters” worden de omliggende steden van Samaria en Sodom bedoeld.

Vervolgens wijst de HEERE op de wegen die deze steden zijn gegaan (vers 4747U bent niet in hun wegen gegaan en hebt niet overeenkomstig hun gruweldaden gedaan, nee, nog even, en u hebt het in al uw wegen meer te gronde gericht dan zij.). Jeruzalem weet heel goed wat er met Samaria en Sodom is gebeurd vanwege hun afvalligheid van de HEERE: ze zijn ten onder gegaan. Jeruzalem heeft zich echter niet laten waarschuwen, maar heeft het veel bonter gemaakt dan zij. Jeruzalem heeft de beide andere steden overtroffen in hun zonden (vgl. Mt 11:23-2423En u, Kapernaüm, zult u soms tot [de] hemel verhoogd worden? Tot [de] hades zult u worden neergestoten! Want als in Sodom de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, het zou tot op heden zijn gebleven.24Ik zeg u evenwel, dat het voor [het] land van Sodom draaglijker zal zijn in [de] dag van [het] oordeel dan voor u.; 2Kr 33:99Manasse liet Juda en de inwoners van Jeruzalem dwalen, zodat zij erger deden dan de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten weggevaagd had.; Jr 3:1111Daarom zei de HEERE tegen mij: Het afvallige Israël heeft zichzelf [nog] rechtvaardig doen lijken, vergeleken bij het trouweloze Juda.; Lk 10:1212Ik zeg u, dat het voor Sodom in die dag draaglijker zal zijn dan voor die stad.). Met een eedzwering bevestigt de HEERE Zijn waarneming dat Sodom en haar inwoners niet zo zwaar hebben gezondigd als Jeruzalem (vers 4848[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Sodom, uw zuster, zij en haar dochters hebben niet zo gedaan als u en uw dochters gedaan hebben!).

Om dit te bewijzen somt de HEERE de afschuwelijke zonden van Sodom op (verzen 49-5049Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: trots, overvloed van voedsel en zorgeloze rust had zij met haar dochters. De hand van de arme en de behoeftige ondersteunde zij echter niet.50Zij verhieven zich en deden een gruweldaad voor Mijn aangezicht. Daarom deed Ik hen weg, zodra Ik het gezien had.). Uit deze opsomming blijkt dat de zonden van Sodom niet alleen hebben bestaan uit de gruwelijke seksuele zonden waarvan de stad vol is geweest (Gn 18:20-2120Verder zei de HEERE: De roep van Sodom en Gomorra is groot en hun zonde heel zwaar.21Ik zal nu afdalen en zien of zij [werkelijk] alles gedaan hebben zoals de roep luidt die over haar tot Mij gekomen is. En zo niet, Ik zal het weten.; 19:4-54Nog voor zij zich te slapen legden, omsingelden de mannen van die stad, de mannen van Sodom, van jong tot oud, het huis; heel het volk, niemand uitgezonderd.5Zij riepen naar Lot en zeiden tegen hem: Waar zijn die mannen die vannacht bij u gekomen zijn? Breng hen naar buiten, naar ons toe, zodat wij gemeenschap met hen kunnen hebben.). God heeft Sodom rijk gezegend met natuurlijke welvaart (Gn 13:1010En Lot sloeg de ogen op en zag dat heel de Jordaanvlakte rijk aan water was; voordat de HEERE Sodom en Gomorra te gronde gericht had, was zij in de richting van Zoar als de hof van de HEERE, als het land Egypte.). Maar in plaats van Hem daarvoor te danken is ze vol geweest van zichzelf, vol egoïsme, zoals de Heer Jezus dat ook zegt (Lk 17:2828Evenzo, zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden;).

Sodom is een volkomen geordende rechtsstaat geweest, met vrijheid van handel en verkeer, met voor iedereen eten en drinken. Ze heeft daarbij echter alleen aan zichzelf gedacht en niet aan anderen. Alles heeft gediend tot bevrediging van de eigen genoegens. Dat is de voedingsbodem geweest voor alle ontuchtigheden en gruweldaden om zich te ontwikkelen en die voor Gods aangezicht zijn uitgeleefd. Daarom heeft God de stad omgekeerd, zodra Hij “het gezien had” (vers 5050Zij verhieven zich en deden een gruweldaad voor Mijn aangezicht. Daarom deed Ik hen weg, zodra Ik het gezien had.; Gn 18:2121Ik zal nu afdalen en zien of zij [werkelijk] alles gedaan hebben zoals de roep luidt die over haar tot Mij gekomen is. En zo niet, Ik zal het weten.; 19:24-2524Toen liet de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen. [Het kwam] van de HEERE uit de hemel.25Hij keerde deze steden en heel de vlakte ondersteboven, met alle inwoners van de steden en het gewas op het land.). Toch heeft die stad zich niet aan trouwbreuk schuldig gemaakt, zoals Jeruzalem.

Wat we in Sodom zien, zien we ook in onze tijd. Alles draait om welvaart. Iedereen moet steeds rijker worden, steeds meer te besteden hebben, steeds meer kunnen genieten. Deze hebzucht wordt soms verdoezeld met wat geld voor ontwikkelingslanden, maar dat neemt de angel van de ongebreidelde genotzucht niet weg. Op deze bodem tiert de seksuele genotzucht welig, waarbij alle door God gestelde grenzen met de grootste minachting worden vertrapt.

De HEERE richt de blik van Jeruzalem vervolgens op Samaria (vers 5151Samaria heeft nog niet de helft van uw zonden gedaan, en u hebt uw gruweldaden talrijker gemaakt dan zij. U hebt uw zusters rechtvaardig doen lijken, vergeleken bij al uw gruweldaden, die u gedaan hebt!). Die stad heeft nog niet de helft van de zonden van Jeruzalem gedaan. Bij alle gruwelen die Jeruzalem heeft bedreven, lijken haar zusters Sodom en Samaria rechtvaardig. Dat is wel heel sterk gezegd. Dat gebeurt om Jeruzalem de enorme schuld duidelijk te maken die ze op zich heeft geladen vanwege haar goddeloze gedrag. Het betekent natuurlijk niet dat de schuld van Sodom en Samaria erdoor wordt verminderd. Het gaat erom dat hun schuld vergeleken bij die van Jeruzalem klein lijkt.

Sodom en Samaria hebben hun verdiende straf gekregen voor een kleinere schuld dan die van Jeruzalem. Daarom zal Jeruzalem zeker haar schande dragen (vers 5252Draagt u, die uw zusters veroordeeld hebt, [dan] ook uw [eigen] smaad. Door uw zonden, waarin u afschuwelijker deed dan zij, lijken zij rechtvaardig, vergeleken bij u! Schaam u dan ook en draag uw smaad, omdat u uw zusters rechtvaardig hebt doen lijken.). De stad heeft zich ook nog in hoogmoed een oordeel aangematigd over Sodom en Samaria en is daarbij volledig blind geweest voor haar eigen gruwelijke zonden. Nog eens zegt de HEERE dat haar eigen zonden zo afschuwelijk zijn, dat Sodom en Samaria daarbij vergeleken rechtvaardig lijken. Hij roept de stad op zich te schamen en haar smaad te dragen.


Belofte van herstel

53[Als] Ik een omkeer zal brengen in hun gevangenschap – [in] de gevangenschap van Sodom en haar dochters, [in] de gevangenschap van Samaria en haar dochters – [zal Ik ook een omkeer brengen in] de gevangenschap van uw gevangenen in hun midden, 54opdat u uw smaad draagt en te schande wordt vanwege alles wat u gedaan hebt, wanneer u hen troost. 55Wanneer uw zusters, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren naar hun vorige staat, en Samaria en haar dochters zullen terugkeren naar hun vorige staat, dan zullen [ook] u en uw dochters terugkeren naar uw vorige staat. 56Op de dag van uw trots is [de naam van] uw zuster Sodom niet over uw lippen gekomen, 57voordat uw kwaad openbaar werd! Zo is het de tijd voor de smaad van de dochters van Syrië en van allen rondom haar, [en] van de dochters van de Filistijnen, die u van rondom verachten. 58Ú zult uw schandelijk gedrag en uw gruweldaden dragen, spreekt de HEERE. 59Want zo zegt de Heere HEERE: Ik zal met u doen zoals u gedaan hebt: u hebt de eed veracht door het verbond te verbreken.

Dan is hier plotseling sprake van een omkeer die de HEERE zal brengen (vers 5353[Als] Ik een omkeer zal brengen in hun gevangenschap – [in] de gevangenschap van Sodom en haar dochters, [in] de gevangenschap van Samaria en haar dochters – [zal Ik ook een omkeer brengen in] de gevangenschap van uw gevangenen in hun midden,). Hij zal een omkeer brengen in de situatie waarin Sodom en de naburige steden en Samaria en de steden eromheen en Jeruzalem verkeren. Hoe groot is Gods genade! Tot beschaming van Jeruzalem zal dit herstel eerst gebeuren bij Sodom en Samaria (vers 5454opdat u uw smaad draagt en te schande wordt vanwege alles wat u gedaan hebt, wanneer u hen troost.). De troost waarvan hier sprake is, is ook tot beschaming van Jeruzalem, want het is de troost voor Sodom en Samaria dat hun boosheid minder erg is geweest dan die van Jeruzalem.

De HEERE zal deze drie steden met hun inwoners en bijbehorende steden herstellen in hun vorige staat, dat is de staat van de tijd vóór het begaan van hun gruweldaden (vers 5555Wanneer uw zusters, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren naar hun vorige staat, en Samaria en haar dochters zullen terugkeren naar hun vorige staat, dan zullen [ook] u en uw dochters terugkeren naar uw vorige staat.). In haar trots heeft Jeruzalem de naam van Sodom niet eens willen uitspreken (vers 5656Op de dag van uw trots is [de naam van] uw zuster Sodom niet over uw lippen gekomen,). Dat is gebeurd in de tijd dat de zonde van Jeruzalem nog niet ten volle openbaar is geworden (vers 5757voordat uw kwaad openbaar werd! Zo is het de tijd voor de smaad van de dochters van Syrië en van allen rondom haar, [en] van de dochters van de Filistijnen, die u van rondom verachten.). Maar die zonde is nu duidelijk aan het licht gekomen. Daardoor is Jeruzalem nu zelf een voorwerp van smaad van de volken om haar heen. Haar schandelijk gedrag en haar gruweldaden zullen op haar drukken (vers 5858Ú zult uw schandelijk gedrag en uw gruweldaden dragen, spreekt de HEERE.).

Dit alles overkomt Jeruzalem omdat zij de eed heeft veracht waarmee zij zich aan de HEERE heeft verbonden (vers 5959Want zo zegt de Heere HEERE: Ik zal met u doen zoals u gedaan hebt: u hebt de eed veracht door het verbond te verbreken.). Wat Jeruzalem tegenover de HEERE heeft gedaan, zal Hij nu tegenover de stad doen. Hij zal Zijn verbond met Jeruzalem ook verbreken en haar in smaad en schande neerwerpen.

Dat in vers 5555Wanneer uw zusters, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren naar hun vorige staat, en Samaria en haar dochters zullen terugkeren naar hun vorige staat, dan zullen [ook] u en uw dochters terugkeren naar uw vorige staat. wordt gesproken over een herstel van Sodom, werpt de vraag op hoe dat kan gebeuren. Sodom is immers volledig omgekeerd. Geen enkele Sodomiet heeft het overleefd en het gebied van Sodom is een eeuwige woestenij geworden (Dt 29:2323zeggen dat heel zijn land zwavel en zout, een brandplek, is; dat het niet wordt bezaaid, er niets op groeit en er geen enkel gewas opkomt, zoals bij de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm, die de HEERE omgekeerd heeft in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid –; Js 1:99Als de HEERE van de legermachten
ons niet een gering aantal ontkomenen had overgelaten,
als Sodom zouden wij geworden zijn;
wij zouden Gomorra gelijk geworden zijn.
; Jr 49:1818Zoals Sodom, Gomorra en hun naburige [plaatsen] ondersteboven zijn gekeerd, zegt de HEERE, zal daar niemand wonen en zal geen mensenkind erin verblijven.
; 2Pt 2:66en als Hij [de] steden Sodom en Gomorra tot as verbrand en <tot omkering> veroordeeld, en ze tot een voorbeeld gesteld heeft voor hen die goddeloos zouden leven;; Jd 1:77Zoals Sodom en Gomorra en de steden daaromheen, die op dezelfde wijze als dezen hoereerden en ander vlees achternagingen, daar liggen als een voorbeeld, doordat zij een straf van eeuwig vuur ondergaan.)
. Hoe zit het dan met het herstel waarover de HEERE hier spreekt? Op deze vraag geven de commentaren geen eenduidig antwoord.

De bekende Duitse Schriftverklaarder Keil gaat ervan uit dat dit vers over het letterlijke Sodom spreekt. Alleen ziet hij hierin geen herstel op aarde, maar hij ziet de vervulling van deze profetie in de eeuwigheid. Dat kan in het licht van Judas 1:7 echter niet de verklaring zijn. Daar staat: Zoals Sodom en Gomorra en de steden daaromheen, die op dezelfde wijze als dezen hoereerden en ander vlees achterna gingen, daar liggen als een voorbeeld, doordat zij een straf van eeuwig vuur ondergaan.” Een dergelijke verklaring leunt zelfs tegen de dwaalleer van de alverzoening aan. Aanhangers van de leer van de alverzoening gebruiken dit vers dan ook als argument voor hun dwaalleer. Dat is me gebleken uit een briefwisseling die ik met een aanhanger van deze leer heb gevoerd. [Zie het boekje ‘Verzoening’ op www.oudesporen.nl.]

Uit de diverse verklaringen spreekt de volgende verklaring mij het meest aan en die leg ik dan ook aan de lezer ter overweging voor. We kunnen hier bij Sodom denken aan Lot en zijn nageslacht. Lot en zijn dochters zijn uiteindelijk als enigen niet omgekomen in het oordeel dat God over Sodom heeft gebracht. Het nageslacht van Lot, dat hij bij zijn dochters heeft verwekt, bestaat uit Ammon en Moab (Gn 19:30-3830En Lot vertrok uit Zoar en ging met zijn twee dochters in het bergland wonen, want hij was bevreesd om in Zoar te [blijven] wonen. Hij woonde in een grot, samen met zijn twee dochters.31Toen zei de eerstgeborene tegen de jongste: Onze vader is oud en er is geen man in dit land om bij ons te komen op de manier die op de hele aarde gebruikelijk is.32Kom, laten we onze vader wijn te drinken geven en met hem slapen, zodat wij door onze vader het leven geven aan nageslacht.33Zij gaven die nacht hun vader wijn te drinken. De eerstgeborene kwam en sliep met haar vader. Hij merkte niet dat zij kwam liggen en evenmin dat zij [weer] opstond.34En het gebeurde de volgende dag dat de eerstgeborene tegen de jongste zei: Zie, ik heb de afgelopen nacht met mijn vader geslapen; laten we hem ook vannacht wijn te drinken geven. Kom, slaap met hem, zodat wij door onze vader het leven geven aan nageslacht.35Zij gaven hun vader ook die nacht wijn te drinken en de jongste stond op en sliep met hem. Hij merkte niet dat zij kwam liggen en evenmin dat zij [weer] opstond.36Zo werden de twee dochters van Lot zwanger van hun vader.37De eerstgeborene baarde een zoon en gaf hem de naam Moab. Hij is de vader van de Moabieten, tot op deze dag.38De jongste, ook zij, baarde een zoon en gaf hem de naam Ben-Ammi. Hij is de vader van de Ammonieten, tot op deze dag.). Het herstel zal, aldus deze verklaring, in werkelijkheid plaatsvinden in het herstel van Ammon en Moab (Jr 48:4747In later tijd echter, spreekt de HEERE,
zal ik een omkeer brengen in de gevangenschap van Moab.
Tot zover het oordeel over Moab.
; 49:66Maar daarna zal Ik een omkeer brengen in de gevangenschap van de Ammonieten, spreekt de HEERE.)
.


Het nieuwe verbond met Jeruzalem

60Toch zal Ík denken aan Mijn verbond met u in de dagen van uw jeugd. Ik zal met u een eeuwig verbond maken. 61Dan zult u zich uw wegen herinneren en te schande worden, wanneer u uw zusters die ouder zijn dan u en degenen die jonger zijn dan u, hebt aangenomen. Ik zal u hen tot dochters geven, maar niet op grond van het verbond met u. 62Want Ík zal met u Mijn verbond maken. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, 63opdat u [eraan] denkt, u schaamt en uw mond niet meer opendoet vanwege uw smaad, wanneer Ik voor u verzoening doe over alles wat u gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE.

In Zijn onwankelbare trouw, die in zo scherp contrast staat met de ontrouw van Jeruzalem, zal de HEERE denken aan Zijn verbond met hen in de dagen van hun jeugd (vers 6060Toch zal Ík denken aan Mijn verbond met u in de dagen van uw jeugd. Ik zal met u een eeuwig verbond maken.). Hij zal een nieuw verbond sluiten en dat Zelf vervullen (Jr 31:31-3431Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,32niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.; 32:4040Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij van achter hen niet zal afwenden, opdat Ik hun goeddoe. En Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, zodat zij niet van Mij afwijken.; Hb 8:6-136Maar nu heeft Hij een zoveel uitnemender bediening verkregen als Hij ook Middelaar is van een beter verbond, dat op betere beloften is gegrondvest.7Want als dat eerste onberispelijk was geweest, zou er voor een tweede geen plaats gezocht zijn.8Want hen berispend zegt Hij: ‘Zie, [de] dagen komen, zegt [de] Heer, dat Ik voor het huis van Israël en voor het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten;9niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen maakte ten dage dat Ik hen bij de hand nam om hen uit [het] land Egypte te leiden, want zij bleven niet in Mijn verbond en Ik sloeg geen acht [meer] op hen, zegt [de] Heer.10Want dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël zal maken, zegt [de] Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal ze in hun harten schrijven; en Ik zal hun tot een God en zij zullen Mij tot een volk zijn.11En zij zullen geenszins leren ieder zijn medeburger en ieder zijn broeder door te zeggen: ‘Ken de Heer’, want zij zullen Mij allen kennen, van [de] kleine tot [de] grote onder hen.12Want Ik zal jegens hun ongerechtigheden genadig zijn en hun zonden zal Ik geenszins meer gedenken’.13Door te zeggen: ‘een nieuw’, heeft Hij het eerste oud gemaakt. Wat nu oud is en verouderd, is dicht bij [de] verdwijning.). Omdat het een eenzijdig verbond is en alleen afhangt van Zijn trouw, is het “een eeuwig verbond”. Het kan niet verbroken worden, want Hij kan niet ontrouw worden. De zegen ervan zal tot Jeruzalem komen omdat Hij haar vergeving zal schenken en nieuw leven dat ernaar verlangt aan Hem gehoorzaam te zijn.

Om de zegeningen van dit verbond te kunnen genieten zal Jeruzalem tot inkeer en berouw komen (vers 6161Dan zult u zich uw wegen herinneren en te schande worden, wanneer u uw zusters die ouder zijn dan u en degenen die jonger zijn dan u, hebt aangenomen. Ik zal u hen tot dochters geven, maar niet op grond van het verbond met u.). Ze zal zich diep schamen over haar zonden en de wegen die ze is gegaan. In dat besef zal ze andere volken aannemen en niet meer met verachting op hen neerkijken. Jeruzalem zal een moeder zijn en andere volken tot dochters aannemen. Die volken worden haar door de HEERE geschonken. Hij doet dat niet op grond van Zijn eerste verbond met haar dat door haar zo schandelijk is verbroken. Hij doet dat op grond van het nieuwe verbond dat Hij met haar zal sluiten (vers 6262Want Ík zal met u Mijn verbond maken. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben,). Daardoor zal zij weten dat Hij de HEERE is.

Zijn handelen in genade met haar op grond van het nieuwe verbond zal bij haar schaamte veroorzaken (vers 6363opdat u [eraan] denkt, u schaamt en uw mond niet meer opendoet vanwege uw smaad, wanneer Ik voor u verzoening doe over alles wat u gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE.). Ze zal beseffen dat het onverdiend is en geen grote mond opzetten, omdat ze zich de smaad herinnert die over haar is gekomen vanwege haar zonden. Tegelijk is alle twijfel over haar aanneming door de HEERE verdwenen, want Hij zal verzoening hebben gedaan over alles wat zij heeft misdaan. Hoe indrukwekkend is het woord “alles”. Wat dat allemaal inhoudt, zien we in dit hoofdstuk. Dat is allemaal, zonder enige uitzondering, in de verzoening begrepen.

Die verzoening en dit glorieuze einde van Jeruzalem kunnen er alleen zijn omdat de Heer Jezus Zijn kostbaar bloed heeft gegeven. God handelt op grond van wat Hij, Zijn Zoon, heeft gedaan. Hij heeft alle voorwaarden van het nieuwe verbond vervuld en daarom kan de zegen voor Gods volk ten slotte toch komen. Tegenover zoveel zonde die in dit hoofdstuk uitvoerig is opgesomd, staat het alles te boven gaande werk van Christus aan Wie alle heerlijkheid is tot in alle eeuwigheid.

Ook ons mag deze geschiedenis aanspreken. Onze afkomst en ons gedrag (verzen 3-43en zeg: Zo zegt de Heere HEERE tegen Jeruzalem: Uw oorsprong en uw geboorte zijn uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was die Amoriet en uw moeder een Hethitische.4Wat uw geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld.) zijn geen liefde waard. “Maar God, Die rijk is aan barmhartigheid, heeft ons vanwege Zijn grote liefde … toen ook wij dood waren in de overtredingen … levend gemaakt met Christus” (Ef 2:4-5a4Maar God, Die rijk is aan barmhartigheid, heeft ons vanwege Zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad,5toen ook wij dood waren in de overtredingen, levend gemaakt met Christus (uit genade bent u behouden),). Hoe reageren wij op die liefde die ons is bewezen?


Lees verder