Ezechiël
Inleiding 1-5 Het nutteloze hout van de wijnstok 6-8 De toepassing van de gelijkenis
Inleiding

De rechtvaardiging van Gods oordeel tegenover Juda gaat verder in Ezechiël 15-17, maar de aard van de verdediging verandert. Ezechiël maakt in deze hoofdstukken gebruik van gelijkenissen om de ondankbaarheid, zonde en opstandigheid van Gods volk te schilderen. Hij beschrijft

1.de nutteloze wijnstok (Ezechiël 15:1-8);
2. de trouweloze vrouw (Ezechiël 16:1-43);
3. de diep gezonken zuster (Ezechiël 16:44-63);
4. de nederige wijnstok (Ezechiël 17:1-21);
5. de statige ceder (Ezechiël 17:22-24).

Ezechiël 15 gaat in op de mening die onder het volk heerst, dat het onmogelijk is dat de HEERE hen, nota bene Zijn uitverkoren volk, zal prijsgeven. Zij menen dat hun uitverkiezing gebaseerd is op een voorkeur die de HEERE voor hen heeft, omdat zij beter zijn dan andere volken. Om die reden geloven ze de boodschap van Ezechiël niet. Daarom moet Ezechiël van de HEERE de gelijkenis van de nutteloze wijnstok uitspreken. Ze moeten goed bedenken dat ze niet Gods welgevallen kunnen hebben als ze geen vrucht dragen.

Het beeld van de wijnstok is uitermate geschikt om die boodschap te illustreren. Deze mensen denken dat ze vanwege hun geboorte takken van de ware wijnstok zijn die nooit kan worden vernietigd. Ezechiël gebruikt de wilde wijnstok om aan te tonen hoe totaal ongegrond deze gedachte is. Later zal de grote Mensenzoon de gelijkenis van de wijnstok ook gebruiken om de ware bedoeling ervan uit te leggen (Jh 15:1-21Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de Landman.2Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg; en elke [rank] die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht draagt.). Hij laat zien dat de enige manier waardoor iemand vrucht kan dragen, is door gemeenschap te hebben met Hem (Jh 15:44Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft.). Dit geldt zowel persoonlijk als voor Israël en de gemeente.


Het nutteloze hout van de wijnstok

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Mensenkind, wat heeft het hout van de wijnstok vóór op elk [ander] rankendragend hout dat onder de bomen van het woud is? 3Kan er hout uit gehaald worden om er een gebruiksvoorwerp van te maken? Kan men er een pin uit halen om er welk voorwerp dan ook aan op te hangen? 4Zie, het wordt als brandstof aan het vuur overgegeven, het vuur verteert de beide uiteinden ervan en het midden ervan is zwartgeblakerd. Zou het voor een gebruiksvoorwerp geschikt zijn? 5Zie, toen het gaaf was, kon er geen gebruiksvoorwerp van gemaakt worden. Hoeveel te minder nu het vuur het verteerd heeft, zodat het zwartgeblakerd is. Zal er dan nog een gebruiksvoorwerp van gemaakt kunnen worden?

Het woord komt weer tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Ezechiël wordt weer aangesproken als “mensenkind” (vers 22Mensenkind, wat heeft het hout van de wijnstok vóór op elk [ander] rankendragend hout dat onder de bomen van het woud is?). De HEERE stelt hem enkele vragen over het hout van de wijnstok. De eerste vraag is wat de voortreffelijkheid van dat hout is boven ander hout dat rankendragend is. De bomen van het woud stellen de volken voor (Js 10:33-3433Zie, de Heere, de HEERE van de legermachten,
zal met geweld de takken afhouwen;
de statige [woud]reuzen zullen worden omgehakt,
en de hoge [bomen] neergeworpen.
34Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,
en de Libanon zal vallen door de Machtige.
)
. In vergelijking met de volken is Israël niet meer dan een wijnstok. De tweede vraag is of er van het hout van een wijnstok iets kan worden gemaakt waar iemand nut van heeft, bijvoorbeeld om er een pin van te maken om iets aan op te hangen (vers 33Kan er hout uit gehaald worden om er een gebruiksvoorwerp van te maken? Kan men er een pin uit halen om er welk voorwerp dan ook aan op te hangen?; vgl. Js 22:23-2523Ik zal hem [als] een pin vastslaan in een stevige plaats,
zodat hij een erezetel zal zijn voor het huis van zijn vader.
24Dan zal men heel het gewicht van het huis van zijn vader aan hem hangen, de spruiten en de loten, al het kleine vaatwerk, van het vaatwerk van de schalen tot het vaatwerk van de kruiken toe.25Op die dag, spreekt de HEERE van de legermachten, zal die pin, vastgeslagen in een stevige plaats, weggenomen worden. Hij zal er afgehakt worden en vallen, en de last die eraan hangt, zal afgesneden worden, want de HEERE heeft gesproken.
; Zc 10:44Daaruit zal de hoeksteen, daaruit zal de [tent]pin,
daaruit zal de strijdboog,
daaruit zullen alle onderdrukkers tezamen voortkomen.
)
. De vraag stellen is haar beantwoorden. Het hout van de wijnstok is lelijk hout en onbruikbaar om er ook maar iets nuttigs van te maken.

Het enige waarvoor het hout van de wijnstok nog nuttig is, is om als brandhout te worden gebruikt. Als het vuur een wijnstok aan de beide kanten heeft verteerd en er is nog een klein middenstuk over, dan is dat middenstuk zwartgeblakerd (vers 44Zie, het wordt als brandstof aan het vuur overgegeven, het vuur verteert de beide uiteinden ervan en het midden ervan is zwartgeblakerd. Zou het voor een gebruiksvoorwerp geschikt zijn?). Kan dat dan nog voor iets nuttigs worden gebruikt? Als het gave hout al nergens voor deugt, dan kan hout dat in het vuur is geweest helemaal nergens meer voor dienen (vers 55Zie, toen het gaaf was, kon er geen gebruiksvoorwerp van gemaakt worden. Hoeveel te minder nu het vuur het verteerd heeft, zodat het zwartgeblakerd is. Zal er dan nog een gebruiksvoorwerp van gemaakt kunnen worden?).

De waarde van de wijnstok is gelegen in de vrucht die eraan hoort te zijn, maar daarover wordt hier niet gesproken. Met de wijnstok wordt, zoals gebruikelijk, Israël bedoeld (Ps 80:9-179U hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven,
de heidenvolken verdreven en hém geplant.
10U hebt [een plaats] voor hem bereid
en hem wortel doen schieten,  
zodat hij [heel] het land vulde.
11De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest,
zijn takken waren [als] machtige ceders.
12Hij breidde zijn ranken uit tot aan de zee,
zijn jonge loten tot aan de rivier.
13Waarom hebt U een bres geslagen in zijn muren,
zodat alle voorbijgangers op de weg hem leegplukken?
14Het zwijn uit het woud heeft hem losgewroet,
het wild van het veld heeft hem afgegraasd.15O God van de legermachten, keer toch terug;
kijk [neer] uit de hemel en zie.
Zie om naar deze wijnstok,
16de stam die Uw rechterhand geplant heeft,
en dat om de Zoon, Die U voor Uzelf sterk gemaakt hebt.
17[De wijnstok] is met vuur verbrand, is afgekapt;
[Uw volk] komt om door de bestraffing van Uw aangezicht.
; Jr 2:2121Ík had u evenwel geplant, een edele wijnstok,
een volkomen betrouwbare stek.
Hoe bent u tegenover Mij dan veranderd [in] wilde [ranken]
van een uitheemse wijnstok?
; Hs 10:11Israël is een weelderige wijnstok,
hij brengt zijn vrucht voort.
Hoe groter zijn vrucht is,
hoe meer er voor de altaren is.
Hoe beter zijn land,
hoe mooier de gewijde stenen.
; 14:88Zij zullen opnieuw in zijn schaduw zitten,
koren verbouwen en in bloei staan als de wijnstok;
zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.
)
. God heeft vrucht van Israël verwacht. Die vrucht is dat ze Hem zullen eren als een koninklijk priesterschap en een heilige natie (Ex 19:5-65Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.6U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.). Maar Israël heeft geweigerd Hem Zijn vrucht te geven (Js 5:1-71Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
; Mt 21:33-4133Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes die een wijngaard plantte, en hij zette er een omheining omheen, groef een persbak daarin en bouwde een toren; en hij verhuurde hem aan landlieden en ging buitenslands.34Toen nu de tijd van de vruchten was genaderd, zond hij zijn slaven naar de landlieden om zijn vruchten te ontvangen.35En de landlieden namen zijn slaven, sloegen de een, doodden de ander en stenigden de derde.36Opnieuw zond hij andere slaven, meer dan de eersten, en zij deden met hen hetzelfde.37Ten slotte nu zond hij tot hen zijn zoon en zei: Zij zullen mijn zoon ontzien.38Toen de landlieden echter de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen.39En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.40Wanneer dan de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die landlieden doen?41Zij zeiden tot Hem: Die kwaden zal hij een kwade dood laten sterven en de wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen afgeven.)
.

Voor God heeft Israël geen enkele waarde in zichzelf. Net als het hout van de wijnstok niet meer waard is dan ander hout, is Israël niet méér waard dan de andere volken. Hij heeft hen in Zijn vrijmachtige liefde uitgekozen om Zijn volk te zijn om door hen gediend en verheerlijkt te worden en door middel van hen Zijn Naam op aarde groot te maken (Dt 7:7-87Niet omdat u groter was dan al de [andere] volken heeft de HEERE liefde voor u opgevat en u uitgekozen, want u was het kleinste van al de volken.8Maar vanwege de liefde van de HEERE voor u, en om de eed die Hij uw vaderen gezworen had, in acht te nemen, heeft de HEERE u met sterke hand uitgeleid en heeft Hij u verlost uit het slavenhuis, uit de hand van de farao, de koning van Egypte.).


De toepassing van de gelijkenis

6Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zoals het hout van de wijnstok onder het hout van het woud is – dat geef Ik als brandstof over aan het vuur – zo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven. 7Want Ik zal Mijn aangezicht tegen hen keren. Als zij aan het [ene] vuur ontsnappen, zal het [andere] vuur hen verteren. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn aangezicht tegen hen keer. 8Ik zal van het land een woestenij maken, omdat zij trouwbreuk gepleegd hebben, spreekt de Heere HEERE.

De waarde van de wijnstok voor de HEERE ligt in het vrucht dragen voor Hem, en dat heeft Israël schuldig nagelaten. Daarom geeft Hij de inwoners van Jeruzalem over als brandstof aan het vuur (vers 66Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zoals het hout van de wijnstok onder het hout van het woud is – dat geef Ik als brandstof over aan het vuur – zo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven.). Hij heeft al eerder “de beide uiteinden ervan” (vers 44Zie, het wordt als brandstof aan het vuur overgegeven, het vuur verteert de beide uiteinden ervan en het midden ervan is zwartgeblakerd. Zou het voor een gebruiksvoorwerp geschikt zijn?) aan het vuur prijsgegeven. Daarbij kunnen we denken aan de wegvoering van de tien stammen in 722 v.Chr. en een transport van een aantal voorname mensen uit de twee stammen rond 606 v.Chr. Het zwartgeblakerde midden ervan (vers 33Kan er hout uit gehaald worden om er een gebruiksvoorwerp van te maken? Kan men er een pin uit halen om er welk voorwerp dan ook aan op te hangen?) zijn de inwoners die nog in het midden van Jeruzalem zijn overgebleven. Zij zijn aan het ene vuur ontkomen, maar de HEERE keert Zijn aangezicht tegen hen en zal ook dat middendeel met vuur verbranden (vers 77Want Ik zal Mijn aangezicht tegen hen keren. Als zij aan het [ene] vuur ontsnappen, zal het [andere] vuur hen verteren. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn aangezicht tegen hen keer.). Hierdoor zullen ze weten dat Hij de HEERE is.

Dat zal gebeuren wanneer Nebukadrezar de stad zal innemen en helemaal zal verwoesten (vers 88Ik zal van het land een woestenij maken, omdat zij trouwbreuk gepleegd hebben, spreekt de Heere HEERE.). De oorzaak van deze brand is hun “trouwbreuk” die zij “gepleegd hebben”. Ze hebben de trouw die ze plechtig hebben beloofd door te zeggen dat ze alles zullen doen wat de HEERE heeft geboden, met voeten getreden. Huwelijksontrouw, trouwbreuk, is een van de schokkendste dingen die iemand kan overkomen. Israël is niet slechts een keer ontrouw geweest, maar hun hele geschiedenis is er een van ontrouw en bedrog.

Wij zijn ook ontrouw als onze belangstelling naar de wereld en de wereldse dingen uitgaat. Dat is geestelijke trouwbreuk. Wij beantwoorden dan niet aan het doel, dat wij hier zijn om voor God vrucht te dragen. Wij zijn niet in deze wereld om naar onze eigen wensen en ideeën te leven. De Zoon heeft alle dingen geschapen voor Zichzelf (Ko 1:1616want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.), ook ons. We hebben dan ook niet meer voor onszelf te leven, maar voor Hem Die voor ons gestorven is (2Ko 5:1515En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem Die voor hen is gestorven en opgewekt.). De Heer Jezus zegt tegen ons: “U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld dat u zou heengaan en vrucht dragen en dat uw vrucht zou blijven” (Jh 15:1616U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld dat u zou heengaan en vrucht dragen en dat uw vrucht zou blijven, opdat alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, Hij u dat geeft.).


Lees verder