Ezechiël
1-11 Straf over de afgodendienaars 12-23 Vier straffen en drie rechtvaardigen
Straf over de afgodendienaars

1Daarop kwamen er mannen uit de oudsten van Israël naar mij toe en gingen vóór mij zitten. 2Toen kwam het woord van de HEERE tot mij: 3Mensenkind, die mannen hebben hun stinkgoden in hun hart doen opkomen en hebben het struikelblok van hun ongerechtigheid vóór zich gezet. Zou Ik Mij dan werkelijk door hen laten raadplegen? 4Spreek daarom met hen, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Iedere man uit het huis van Israël die zijn stinkgoden in zijn hart doet opkomen en het struikelblok van zijn ongerechtigheid vóór zich zet en [dan] naar de profeet toe komt, Ik, de HEERE, zal hem als hij komt met de veelheid van zijn stinkgoden, Zelf antwoord geven, 5om het huis van Israël in hun hart te grijpen, omdat zij allemaal door hun stinkgoden van Mij vervreemd zijn. 6Zeg daarom tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Bekeer u, keer u af van uw stinkgoden en keer uw gezichten af van al uw gruweldaden. 7Voorzeker, iedere man uit het huis van Israël en uit de vreemdelingen die in Israël verblijven, die zich van achter Mij afwendt, zijn stinkgoden doet opkomen in zijn hart en het struikelblok van zijn ongerechtigheid vóór zich zet, en naar de profeet toe komt om Mij door hem te raadplegen – Ik ben de HEERE, door Mij zal hem antwoord gegeven worden. 8Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten en zal hem tot een spreekwoordelijk teken stellen en hem uitroeien uit het midden van Mijn volk. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben. 9Wanneer een profeet zich laat misleiden en een woord spreekt, zal Ik, de HEERE, die profeet Zelf misleiden, Mijn hand tegen hem uitstrekken en hem wegvagen uit het midden van Mijn volk Israël. 10Dan zullen zij hun ongerechtigheid dragen. Zoals de ongerechtigheid van de vrager, zo zal de ongerechtigheid van de profeet zijn, 11opdat het huis van Israël niet weer van achter Mij vandaan zal afdwalen en zij zich niet weer zullen verontreinigen met al hun overtredingen. Dan zullen zij Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.

Ezechiël krijgt bezoek van een delegatie oudsten van Israël (vers 11Daarop kwamen er mannen uit de oudsten van Israël naar mij toe en gingen vóór mij zitten.; vgl. Ez 8:11Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Heere HEERE op mij viel.; 20:11Het gebeurde in het zevende jaar, in de vijfde [maand], op de tiende van de maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen om de HEERE te raadplegen, en zij gingen vóór mij zitten.). Ze komen om door hem de HEERE om raad te vragen. Ze gaan vóór hem zitten, aan zijn voeten, een houding die aangeeft dat zij hem als een echte profeet van God erkennen en naar hem willen luisteren. Voordat een van deze oudsten ook maar een woord zegt, spreekt God Zelf tot Ezechiël (vers 22Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:). Hij kent hun huichelarij en vertelt Ezechiël wat Hij ziet in de harten van de oudsten (vgl. Ez 8:1212Daarop zei Hij tegen mij: Hebt u gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis van Israël in de duisternis doen, ieder in de kamer [waar] zijn afbeelding zich bevindt? Want zij zeggen: De HEERE ziet ons niet, de HEERE heeft het land verlaten.; Mt 15:1919Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moorden, overspel, hoererijen, diefstallen, valse getuigenissen, lasteringen.).

Hij ziet dat de harten van deze mensen vol zijn van “stinkgoden” die zij zelf in hun harten doen opkomen (vers 33Mensenkind, die mannen hebben hun stinkgoden in hun hart doen opkomen en hebben het struikelblok van hun ongerechtigheid vóór zich gezet. Zou Ik Mij dan werkelijk door hen laten raadplegen?). Meerdere keren zegt Hij dat hun hart vol is van die stinkgoden. Mogelijk dienen ze niet openlijk de afgoden, maar koesteren ze die in hun hart. Hierdoor hebben ze een struikelblok van hun ongerechtigheid vóór zich gezet. Die innerlijke afgoderij is de oorzaak van hun ellende.

Ook vandaag is er veel stiekeme afgoderij, innerlijke gebondenheid aan zonden die heimelijk worden gekoesterd. Bij innerlijke gebondenheid kunnen wij denken aan verslaving aan de ‘sociale media’ van het internet en het gebruik van de smartphone. Die verslaving wordt goedgepraat met ‘nodig hebben’, maar onderzoeken hebben uitgewezen dat velen niet meer zonder sociale media kunnen leven. Ieder die zegt een kind van God te zijn, doet er goed aan zich eerlijk voor de Heer af te vragen of bij hem of haar ook zo’n vorm van huichelarij is.

Nu komen deze aan afgoderij verslaafde oudsten tot de HEERE om Hem om raad te vragen. Ze komen naar Hem toe zoals ze ook naar hun afgoden gaan die ze in hun hart koesteren terwijl ze Hem raadplegen. Maar zal Hij Zich door hen, die zo in huichelarij leven, laten raadplegen? Deze dubbelhartigheid verafschuwt Hij (Mt 6:22-2422De lamp van het lichaam is het oog; als dan uw oog eenvoudig is, zal uw hele lichaam verlicht zijn;23maar als uw oog boos is, zal uw hele lichaam duister zijn. Als dan het licht dat in u is, duisternis is, hoe groot is de duisternis!24Niemand kan twee heren dienen, want hij zal òf de een haten en de ander liefhebben, òf zich aan de een hechten en de ander verachten. U kunt niet God dienen en Mammon.; Jk 4:88Nadert tot God en Hij zal tot u naderen. Reinigt [de] handen, zondaars, en zuivert [de] harten, wankelmoedigen.). Hij heeft recht op hun ongedeelde eerbied.

Ezechiël moet hun het woord van de HEERE doorgeven (vers 44Spreek daarom met hen, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Iedere man uit het huis van Israël die zijn stinkgoden in zijn hart doet opkomen en het struikelblok van zijn ongerechtigheid vóór zich zet en [dan] naar de profeet toe komt, Ik, de HEERE, zal hem als hij komt met de veelheid van zijn stinkgoden, Zelf antwoord geven,). Het antwoord is algemeen: het geldt voor “iedere man uit het huis van Israël” die deze verborgen afgoderij pleegt. Deze afgoderij vormt een struikelblok waarover zij ten val komen en waardoor zij de weg tot God voor zichzelf afsluiten. Iemand die tot God komt, terwijl hij aan de veelheid van zijn stinkgoden vasthoudt, mag rekenen op een persoonlijke reactie van God. Die reactie is niet een woord van de profeet, maar een directe daad van God Zelf. God zal antwoorden door een daad van oordeel.

Hoe waagt zo iemand het om in de tegenwoordigheid van de Heilige te verschijnen! De HEERE zal het huis van Israël “in hun hart grijpen”, daar waar de stinkgoden wonen (vers 55om het huis van Israël in hun hart te grijpen, omdat zij allemaal door hun stinkgoden van Mij vervreemd zijn.). Ze komen wel tot Hem, maar door hun stinkgoden zijn ze van Hem vervreemd. Ze kennen Hem niet meer en Hij kan hen niet meer erkennen.

Toch spreekt de HEERE in Zijn genade nog over een mogelijkheid om zich te bekeren (vers 66Zeg daarom tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Bekeer u, keer u af van uw stinkgoden en keer uw gezichten af van al uw gruweldaden.). Dan moeten ze zich afkeren van hun stinkgoden, wat betekent dat ze die veroordelen en verwerpen. Ook moeten ze hun gezichten afkeren van al hun gruweldaden, dat is stoppen met al hun afgodische praktijken die ze er stiekem op na houden. Echte bekering is zelfoordeel, belijdenis van het kwaad en ophouden met kwaad doen.

Het woord over de stinkgoden in het hart en het struikelblok dat ieder daarmee vóór zich zet, geldt zowel de geboren Israëliet als de vreemdeling die in hun midden verblijft (vers 77Voorzeker, iedere man uit het huis van Israël en uit de vreemdelingen die in Israël verblijven, die zich van achter Mij afwendt, zijn stinkgoden doet opkomen in zijn hart en het struikelblok van zijn ongerechtigheid vóór zich zet, en naar de profeet toe komt om Mij door hem te raadplegen – Ik ben de HEERE, door Mij zal hem antwoord gegeven worden.). Wie met zijn stinkgoden in zijn hart bij de profeet komt om door hem God te raadplegen, zal het passende antwoord van God krijgen. Hij zal met God Zelf te maken krijgen, Die hem zal oordelen (vers 88Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten en zal hem tot een spreekwoordelijk teken stellen en hem uitroeien uit het midden van Mijn volk. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.). Dat zal gebeuren op een wijze dat men daarvan een spreekwoord zal maken. Zo zal die man uitgeroeid worden uit Gods volk en hij zal door het spreekwoord in de herinnering voortleven. Dat zal verbonden worden met het getuigenis van de HEERE dat Hij werkelijk de HEERE is.

Een profeet kan zich door deze mensen, met stinkgoden in hun hart, laten misleiden (vers 99Wanneer een profeet zich laat misleiden en een woord spreekt, zal Ik, de HEERE, die profeet Zelf misleiden, Mijn hand tegen hem uitstrekken en hem wegvagen uit het midden van Mijn volk Israël.). Het is voor hem zaak om dicht bij de HEERE te leven om niet misleid te worden (vgl. Jz 9:9-159Zij zeiden tegen hem: Uw dienaren zijn uit een zeer ver land gekomen, omwille van de Naam van de HEERE, uw God, want wij hebben Zijn roem gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft,10en alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen van de Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan [woonden]: Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, die in Astharoth [woonde].11Daarom zeiden onze oudsten en al de inwoners van ons land tegen ons: Neem proviand voor de reis mee, en ga hun tegemoet, en zeg tegen hen: Wij zijn uw dienaren. Nu dan, sluit een verbond met ons.12Dit brood van ons hebben wij warm als voedsel voor onderweg uit onze huizen meegenomen op de dag dat wij vertrokken om naar u toe te gaan. Maar zie, nu is het droog en kruimelig.13En deze leren wijnzakken waren nieuw toen wij ze vulden; maar zie, ze zijn gescheurd. En deze kleren van ons en onze schoenen zijn versleten door de zeer lange reis.14Toen namen de mannen van hun proviand en zij vroegen niet om een uitspraak van de HEERE.15En Jozua sloot vrede met hen en sloot een verbond met hen dat hij hen zou laten leven. En de leiders van de gemeenschap zwoeren hun [een eed].; 1Kn 14:1-51In die tijd werd Abia, de zoon van Jerobeam, ziek.2Toen zei Jerobeam tegen zijn vrouw: Sta toch op en verkleed u, zodat ze niet te weten komen dat u de vrouw van Jerobeam bent. Ga dan naar Silo. Zie, daar is de profeet Ahia, die over mij gesproken heeft dat ik koning over dit volk zou worden.3Neem tien broden, koeken en een kruik honing mee, en ga naar hem toe. Híj zal u vertellen wat de jongen overkomen zal.4Zo deed de vrouw van Jerobeam. Zij maakte zich gereed, ging naar Silo en kwam in het huis van Ahia. Nu kon Ahia niet [meer] zien, want zijn ogen waren star geworden vanwege zijn ouderdom.5Maar de HEERE zei tegen Ahia: Zie, de vrouw van Jerobeam komt u een uitspraak vragen over haar zoon, want deze is ziek. Zo en zo moet u tot haar spreken. Als zij binnenkomt zal het gebeuren dat zij zich als een vreemde voordoet.; Hd 5:1-5,7-91Een man nu genaamd Ananias, met zijn vrouw Saffira, verkocht een eigendom2en hield iets van de opbrengst achter met medeweten van zijn vrouw, en hij bracht een deel en legde het aan de voeten van de apostelen.3Petrus echter zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om te liegen tegen de Heilige Geest en van de opbrengst van het land achter te houden?4Als het [onverkocht] was gebleven, bleef het niet van u en was na de verkoop [de opbrengst] niet in uw macht? Waarom hebt u zich deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God.5Toen nu Ananias deze woorden hoorde, viel hij neer en stierf. En er kwam grote vrees over allen die het hoorden.7Het gebeurde nu ongeveer drie uur daarna, dat zijn vrouw binnenkwam, zonder te weten wat er was gebeurd.8Petrus nu antwoordde haar: Zeg mij: hebt u het land voor zóveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zóveel.9Petrus nu zei tot haar: Waarom bent u onderling overeengekomen de Geest van [de] Heer te verzoeken? Zie, de voeten van hen die uw man hebben begraven, zijn voor de deur en zij zullen u naar buiten dragen.). De HEERE zal duidelijk maken wat er moet gebeuren. Als er mensen naar een valse profeet toe komen om door hem de HEERE te raadplegen, zullen die mensen door de HEERE Zelf misleid worden. Dan geeft Hij hen over aan de “werking van [de] dwaling om de leugen te geloven” (2Th 2:1111En daarom zendt God hun een werking van [de] dwaling om de leugen te geloven,; 1Kn 22:2323Welnu, zie, de HEERE heeft een leugengeest in de mond van al deze profeten van u gegeven, en de HEERE heeft onheil over u uitgesproken.) en aan hun “verkeerde denken” (Rm 1:2828En daar het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verkeerd denken, om dingen te doen die niet betamen;). Het kwaad komt niet uit God voort (Jk 1:1313Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet door het kwade verzocht worden en Hijzelf verzoekt niemand.), maar Hij kan het in Zijn wijsheid en macht wel gebruiken om Zijn doel te bereiken (Jb 12:1616Bij Hem is kracht en wijsheid;
van Hem is degene die dwaalt, en degene die doet dwalen.
)
.

Hij zal de valse profeet oordelen en hem uit het midden van Zijn volk uitroeien. Hij kan geen enkele misleiding ongestraft laten. De profeet zal zijn ongerechtigheid dragen evenals de vrager (vers 1010Dan zullen zij hun ongerechtigheid dragen. Zoals de ongerechtigheid van de vrager, zo zal de ongerechtigheid van de profeet zijn,). De een (de profeet) heeft zijn eigen inzichten en de ander (de vrager) zijn eigen begeerten boven de waarheid van God gesteld en daarmee God en Zijn waarheid veracht.

Het doel van al Gods straffen is dat het kwaad wordt weggedaan en het resterende volk – dat is dan Zijn hele volk – niet meer van Hem afdwaalt (vers 1111opdat het huis van Israël niet weer van achter Mij vandaan zal afdwalen en zij zich niet weer zullen verontreinigen met al hun overtredingen. Dan zullen zij Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.). Wanneer ze niet meer afdwalen en zich ook “niet weer zullen verontreinigen met al hun overtredingen”, kan Hij hen weer als Zijn volk erkennen. Dan is de verbinding tussen Hem en Zijn volk hersteld; zij zijn Hem tot een volk en Hij is hun tot een God. Die situatie is wat Hij verlangt.

Hier licht een straal van hoop op in de overigens zo dreigende boodschap van Ezechiël. Hij kan de voorzegging van de oordelen niet achterwege laten, maar ziet ook de zilveren rand om de donkere, dreigende wolken. Uiteindelijk zal er ook iets goeds uit voortkomen. Gods voornemens zullen niet tenietgedaan worden door de verwoesting van het aardse Jeruzalem.


Vier straffen en drie rechtvaardigen

12Het woord van de HEERE kwam tot mij: 13Mensenkind, wanneer een land tegen Mij zondigt door trouwbreuk te plegen, dan zal Ik Mijn hand ertegen uitstrekken, het er aan brood laten ontbreken en hongersnood erin zenden, zodat Ik daar mens en dier uitroei. 14Al zouden te midden ervan deze drie mannen zijn, Noach, Daniël en Job, [dan] zouden zij [alleen] door hun gerechtigheid hun [eigen] leven redden, spreekt de Heere HEERE. 15Als Ik wilde dieren door het land zou laten trekken, zodat die het van kinderen beroven en het een woestenij wordt, omdat niemand erdoorheen trekt vanwege de wilde dieren, 16[als] die drie mannen in het midden ervan waren, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zelfs zonen en dochters niet kunnen redden. Zíj zouden alleen zelf worden gered en het land zou een woestenij worden. 17Of [als] Ik het zwaard over dat land zou brengen en zeggen zou: Zwaard, u moet door het land heen trekken, zodat Ik daaruit mens en dier uitroei, 18al zouden die drie mannen in het midden ervan zijn, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden geen zonen en dochters kunnen redden, maar alleen zíj zouden gered worden. 19Of als Ik de pest in dat land zou zenden en Mijn grimmigheid erover bloedig uitstorten om daar mens en dier uit te roeien, 20en al zouden Noach, Daniël en Job in het midden ervan zijn, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, geen zoon, geen dochter zouden zij kunnen redden, zíj zouden door hun gerechtigheid [alleen] hun [eigen] leven redden. 21Want zo zegt de Heere HEERE: Ook al zend Ik Mijn vier ergste oordelen – zwaard, honger, wilde dieren en pest – naar Jeruzalem om daar mens en dier uit te roeien, 22zie, dan zullen er [toch] in overblijven die ontkomen, [en] die naar buiten gebracht zullen worden, zonen en dochters. Zie, zij zullen naar u uittrekken en u zult hun weg en hun daden zien. Dan zult u getroost worden over het onheil dat Ik over Jeruzalem gebracht heb, al wat Ik over haar gebracht heb. 23Zo zullen zij u troost geven als u hun weg en hun daden zult zien. Dan zult u weten dat Ik al wat Ik er gedaan heb, niet zonder reden gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.

Er komt een nieuw woord van de HEERE tot Ezechiël (vers 1212Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Heel algemeen spreekt de HEERE over “een land” (vers 1313Mensenkind, wanneer een land tegen Mij zondigt door trouwbreuk te plegen, dan zal Ik Mijn hand ertegen uitstrekken, het er aan brood laten ontbreken en hongersnood erin zenden, zodat Ik daar mens en dier uitroei.). Het betreft dus niet alleen Israël, hoewel het later wel weer speciaal op Israël wordt toegepast en ook het woord “trouwbreuk” wel sterk aan Israël doet denken. Toch heeft God er recht op dat elk land Hem vreest en dient. Zijn straffen zijn dan ook algemeen. Hij strekt Zijn hand uit tegen elk land dat geen rekening met Hem houdt.

In Zijn oordeel over de ontrouw aan Hem gebruikt Hij vier middelen, die Hij verderop in dit hoofdstuk “Mijn vier ergste oordelen” noemt (vgl. vers 2121Want zo zegt de Heere HEERE: Ook al zend Ik Mijn vier ergste oordelen – zwaard, honger, wilde dieren en pest – naar Jeruzalem om daar mens en dier uit te roeien,). Het getal vier wijst op de heerschappij over de aarde (vgl. “de vierde dag”, Gn 1:14-1914En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren!15En laten zij tot lichten zijn aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde! En het was zo.16En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren.17En God plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde,18om de dag en de nacht te beheersen en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was.19Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vierde dag.). Elk land, overal op aarde in elk van de vier windstreken, staat onder de heerschappij van God. De vier middelen die Hij gebruikt om te oordelen, horen bij de aarde.

Het eerste oordeel is een “hongersnood”. Hij zal die zenden in landen die Hem aan de kant hebben gezet. Het gevolg is dat Hij door deze plaag daar mens en dier uitroeit. Er is wel de mogelijkheid om aan dit oordeel te ontkomen, namelijk door persoonlijke bekering en het doen van gerechtigheid (vers 1414Al zouden te midden ervan deze drie mannen zijn, Noach, Daniël en Job, [dan] zouden zij [alleen] door hun gerechtigheid hun [eigen] leven redden, spreekt de Heere HEERE.). De HEERE wijst op drie voortreffelijke mensen, Noach, Daniël en Job, die ondanks hun gerechtigheid hun land toch niet zouden kunnen redden van dit oordeel (vgl. Jr 15:1-41De HEERE zei tegen mij: Al stond Mozes of Samuel voor Mijn aangezicht, dan [nog] zou Mijn ziel niet met dit volk van doen willen hebben. Stuur [hen] van voor Mijn aangezicht weg, laten zij weggaan!2En het zal gebeuren, wanneer zij tegen u zeggen: Waar moeten wij naartoe gaan? dat u tegen hen moet zeggen: Zo zegt de HEERE:
Wie [bestemd is] voor de dood, naar de dood;
wie [bestemd is] voor het zwaard, naar het zwaard;
wie [bestemd is] voor de honger, naar de honger;
en wie [bestemd is] voor de gevangenis, naar de gevangenis.
3Ik zal hen [op] vier manieren straffen, spreekt de HEERE: [door] het zwaard om [hen] te doden, [door] de honden om [hen] weg te slepen, [door] de vogels in de lucht en de dieren op de aarde om [hen] te verslinden en te gronde te richten.4Ik zal hen stellen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, de zoon van Hizkia, de koning van Juda, om wat hij in Jeruzalem gedaan heeft.
)
. Door hun gerechtigheid zouden zij alleen hun eigen leven redden.

Twee van deze drie mannen zijn in zeer kritieke situaties geweest, de derde leeft er nog in. Noach heeft geleefd in een wereld vol van verdorvenheid en geweld (Gn 6:6,136Toen kreeg de HEERE er berouw over dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het bedroefde Hem in Zijn hart.13Daarom zei God tegen Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met geweld; en zie, Ik ga hen met de aarde te gronde richten.). Daniël leeft in een omgeving die hem heeft willen verleiden toe te geven aan de begeerten van het vlees en zo het geloof van de vaderen, het geloof in de HEERE, de God van Israël te verloochenen (Dn 1:5-85De koning nu stelde een dagelijkse hoeveelheid voor hen vast van de gerechten van de koning en van de wijn die hij dronk, om hen in drie jaar zo op te voeden, dat zij aan het einde daarvan in dienst konden treden bij de koning.6Onder hen waren uit de Judeeërs: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja.7Het hoofd van de hovelingen gaf hun [andere] namen. Daniël noemde hij Beltsazar, Hananja Sadrach, Misaël Mesach en Azarja Abed-Nego.8Daniël nu nam zich in zijn hart voor om zich niet te verontreinigen met de gerechten van de koning of met de wijn die hij dronk. Daarom verzocht hij het hoofd van de hovelingen of hij zich niet zou hoeven te verontreinigen.). Job is het directe doelwit van de heftigste aanvallen van de duivel geweest (Jb 1:8-128De HEERE zei tegen de satan: Hebt u [ook] acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is Godvrezend en keert zich af van het kwaad.9Toen antwoordde de satan de HEERE en zei: Is het zonder reden dat Job God vreest?10Hebt Ú niet voor hem en voor zijn huis en alles wat hij heeft, een beschutting gemaakt? Het werk van zijn handen hebt U gezegend en zijn vee breidt zich [steeds verder] uit in het land.11Maar steek toch Uw hand uit en tref alles wat hij heeft. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen.12De HEERE zei tegen de satan: Zie, alles wat hij heeft, is in uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken. En de satan ging weg van het aangezicht van de HEERE.; 2:1-71[Opnieuw] was er een dag, toen de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam om zijn opwachting te maken bij de HEERE.2Toen zei de HEERE tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de HEERE en zei: Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover.3De HEERE zei tegen de satan: Hebt u [ook] acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is Godvrezend en keert zich af van het kwaad. Hij houdt nog steeds vast aan zijn vroomheid, hoewel u Mij tegen hem opgezet hebt om hem zonder reden te verslinden.4Toen antwoordde de satan de HEERE en zei: Huid voor huid! Alles wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.5Steek Uw hand maar eens uit en tref zijn beenderen en zijn vlees. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen.6En de HEERE zei tegen de satan: Zie, hij is in uw hand, maar spaar zijn leven.7Toen ging de satan weg van het aangezicht van de HEERE en hij trof Job met vreselijke zweren, van zijn voetzool af tot aan zijn schedel.). We zien in hen overwinnaars over de wereld (Noach), het vlees (Daniël) en de duivel (Job). Maar zij hebben alleen zichzelf gered, zonder dat ze de situatie om zich heen hebben kunnen veranderen. Ieder wordt alleen gered door een leven in gerechtigheid, dat alleen kan worden geleefd als er bekering tot en geloof in God is.

Bij de ballingen leeft de hoop dat God het in afgoderij vervallen volk wel zal sparen ter wille van enkele Godvrezenden die spaarzaam in Jeruzalem worden gevonden. Hij zou immers ook Sodom hebben gespaard als daar tien rechtvaardigen gevonden zouden zijn (Gn 18:3232Verder zei hij: Laat de Heere toch niet [in toorn] ontbranden, omdat ik nog eenmaal spreek: Misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die tien.). De HEERE slaat die volledig onterechte hoop de bodem in. Er is geen enkele grond om zoiets te denken. De mannen die Hij noemt en die vanwege hun rechtvaardigheid en Godsvrucht bij Hem in hoog aanzien staan, zouden, als zij in het bedreigde land zouden leven, alleen zichzelf redden, maar niemand anders. Niemand mag zich erachter verschuilen dat hij een biddende moeder heeft en dat het daarom met hem wel goed zal komen, terwijl hij voortgaat met leven in de zonde.

Dat deze drie mannen worden genoemd, spreekt er ook voor dat het bij deze oordelen niet alleen om Israël gaat. Noach en Job zijn geen Israëlieten, Daniël wel, maar die heeft het grootste deel van zijn leven in ballingschap buiten Israël gewoond. Deze drie mannen hebben wel iets voor anderen kunnen betekenen. Noach heeft zijn huis gered (Gn 6:1818Maar met u zal Ik Mijn verbond maken; en u moet in de ark gaan, u, uw zonen, uw vrouw en de vrouwen van uw zonen met u.) en Daniël en Job hun vrienden (Dn 2:17-1817Daarop vertrok Daniël naar zijn huis en liet hij de zaak aan zijn metgezellen Hananja, Misaël en Azarja weten,18opdat zij het aangezicht van de God van de hemel zouden zoeken om barmhartigheid met betrekking tot deze verborgenheid, opdat men Daniël en zijn metgezellen niet met de rest van de wijzen van Babel zou doen omkomen.; Jb 42:7-107Nadat de HEERE deze woorden tot Job gesproken had, gebeurde het dat de HEERE tegen Elifaz, de Temaniet, zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.8Neem daarom zeven jonge stieren en zeven rammen voor u, en ga naar Mijn dienaar Job. Breng brandoffers voor u en laat Mijn dienaar Job voor u bidden. Want alleen zijn gebed zal Ik aannemen, zodat Ik met u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.9Toen gingen Elifaz, de Temaniet, en Bildad, de Suhiet [en] Zofar, de Naämathiet, heen, en deden zoals de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het gebed van Job aan.10En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. De HEERE vermeerderde alles wat Job [bezeten] had tot het dubbele toe.). Zo groot is hun gerechtigheid voor God en mensen (Noach), hun voorspraak bij de machtigen van de aarde, Nebukadrezar (Daniël), en hun voorbede voor vrienden bij God (Job) geweest.

Dat betekent niet dat de gerechtigheid van deze drie mannen voor hun gezin en vrienden ook de redding van de zielen van hun gezin en hun vrienden voor God heeft betekend. Ieder moet met zijn eigen zonden voor God komen en die belijden. Alleen de Heer Jezus heeft plaatsvervangend voor anderen geleden. Op grond van Zijn werk hebben ook Noach, Daniël en Job gerechtigheid voor God gekregen.

Het tweede oordeel dat God gebruikt, is dat van de “wilde dieren” die Hij door het land laat trekken (vers 1515Als Ik wilde dieren door het land zou laten trekken, zodat die het van kinderen beroven en het een woestenij wordt, omdat niemand erdoorheen trekt vanwege de wilde dieren,). Die wilde dieren zullen het volk van kinderen beroven en het land tot een woestenij maken. Niemand zal het land durven bewerken of erdoorheen trekken uit angst voor het wild gedierte. Ook bij dit oordeel zouden deze drie voortreffelijke mannen, als die in hun midden zouden zijn geweest, geen uitkomst hebben kunnen bieden (vers 1616[als] die drie mannen in het midden ervan waren, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zelfs zonen en dochters niet kunnen redden. Zíj zouden alleen zelf worden gered en het land zou een woestenij worden.). De zonen en dochters zullen sterven en het land zal tot een woestenij worden, terwijl alleen die drie mannen gered zouden worden.

Het derde oordeel is dat van “het zwaard” (vers 1717Of [als] Ik het zwaard over dat land zou brengen en zeggen zou: Zwaard, u moet door het land heen trekken, zodat Ik daaruit mens en dier uitroei,). God zal ook het zwaard kunnen gebieden door het land heen te trekken, bijvoorbeeld in de vorm van een oorlog. Daardoor worden mens en dier door Hem uitgeroeid. Ook hier geldt dat voortreffelijke gelovigen als de drie genoemde mannen niet zouden kunnen helpen om te ontkomen aan dit oordeel (vers 1818al zouden die drie mannen in het midden ervan zijn, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden geen zonen en dochters kunnen redden, maar alleen zíj zouden gered worden.). Ze zouden geen zonen en dochters kunnen redden. Zij zelf alleen zouden gered worden.

Het vierde oordeel is dat van de dodelijke ziekte de “pest” (vers 1919Of als Ik de pest in dat land zou zenden en Mijn grimmigheid erover bloedig uitstorten om daar mens en dier uit te roeien,). Hiervan zegt God dat Hij Zijn grimmigheid bloedig over hen uitstort. Mens en dier worden erdoor gedood. Noach, Daniël en Job zouden ook deze plaag niet hebben kunnen keren als zij in het midden van het volk zouden wonen (vers 2020en al zouden Noach, Daniël en Job in het midden ervan zijn, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, geen zoon, geen dochter zouden zij kunnen redden, zíj zouden door hun gerechtigheid [alleen] hun [eigen] leven redden.). Zij zouden geen enkele nakomeling van het volk kunnen redden van Gods toorn. Het enige wat zij zouden kunnen redden, is hun eigen leven en dat is vanwege hun rechtvaardige leven.

Er is slechts één Rechtvaardige Die door Zijn gerechtigheid niet alleen Zijn eigen leven heeft gered, maar ook dat van talloze anderen. De Heer Jezus is de Rechtvaardige Die voor onrechtvaardigen heeft geleden opdat Hij hen tot God zou brengen (1Pt 3:18a18Want ook Christus heeft eenmaal voor [de] zonden geleden, [de] Rechtvaardige voor [de] onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Hij Die wel gedood is in [het] vlees, maar levend gemaakt in [de] Geest,). Hij verenigt alle voortreffelijkheden van de drie genoemde rechtvaardigen in Zich. Hij is in staat om zonen en dochters te redden en hen tot heerlijkheid te leiden (Hb 2:1010Want het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te leiden, de overste Leidsman van hun behoudenis door lijden volmaakte.).

God noemt de oordelen nog een keer en noemt ze “Mijn ergste vier oordelen” (vers 2121Want zo zegt de Heere HEERE: Ook al zend Ik Mijn vier ergste oordelen – zwaard, honger, wilde dieren en pest – naar Jeruzalem om daar mens en dier uit te roeien,). Hij zendt ze alle vier “naar Jeruzalem”. Hij noemt nu speciaal Jeruzalem en niet meer algemeen “een land” (vers 1313Mensenkind, wanneer een land tegen Mij zondigt door trouwbreuk te plegen, dan zal Ik Mijn hand ertegen uitstrekken, het er aan brood laten ontbreken en hongersnood erin zenden, zodat Ik daar mens en dier uitroei.). Hij zal mens en dier in Jeruzalem uitroeien. Toch spreekt Hij direct daarna over een overblijfsel (vers 2222zie, dan zullen er [toch] in overblijven die ontkomen, [en] die naar buiten gebracht zullen worden, zonen en dochters. Zie, zij zullen naar u uittrekken en u zult hun weg en hun daden zien. Dan zult u getroost worden over het onheil dat Ik over Jeruzalem gebracht heb, al wat Ik over haar gebracht heb.). Hij leidt dit in met het woord “zie”. Niet alle inwoners van Jeruzalem zullen omkomen. Er zijn er die er “in overblijven die ontkomen” zullen aan de vier plagen. Die zullen uit Jeruzalem worden gevoerd en “naar u uittrekken”, dat wil zeggen dat ze naar Babel worden gebracht, waar Ezechiël en zijn medeballingen nu zijn.

Als ze daar aankomen, zullen zij de ballingen vertellen over “hun weg en hun daden”. Daardoor zullen de ballingen “getroost” worden (vers 2323Zo zullen zij u troost geven als u hun weg en hun daden zult zien. Dan zult u weten dat Ik al wat Ik er gedaan heb, niet zonder reden gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.). De troost zit hem in het feit dat wat de HEERE over Jeruzalem heeft gebracht, de vervulling van Zijn woord is. Hij heeft niet anders kunnen handelen dan Hij heeft gedaan en Hij heeft gedaan wat Hij heeft gezegd. Ze zullen vrede hebben met het oordeel van God over Jeruzalem en erkennen dat het oordeel verdiend is. Het is altijd een troost om eraan te denken dat de Heer Zijn Woord waarmaakt.


Lees verder