Ezechiël
1-4 De vorsten van Jeruzalem bedenken onrecht 5-13 De vorsten van Jeruzalem bestraft 14-15 De broeders van de profeet 16-21 Belofte van herstel 22-23 Het vertrek van de heerlijkheid 24-25 Ezechiël weer bij de ballingen
De vorsten van Jeruzalem bedenken onrecht

1Toen hief de Geest mij op en bracht mij bij de Oostpoort van het huis van de HEERE, die naar het oosten gekeerd is. En zie, bij de ingang van de poort waren vijfentwintig mannen, en in hun midden zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, met Pelatja, de zoon van Benaja, leiders van het volk. 2Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, dit zijn de mannen die onrecht bedenken en verkeerde raad geven in deze stad, 3zij die zeggen: Voorlopig [moeten wij] geen huizen bouwen. Deze [stad] is de pot en wij zijn het vlees. 4Profeteer daarom tegen hen, profeteer, mensenkind!

Het visioen dat in Ezechiël 8 is begonnen, gaat hier nog steeds door. De Geest brengt Ezechiël naar de Oostpoort van het huis van de HEERE (vers 11Toen hief de Geest mij op en bracht mij bij de Oostpoort van het huis van de HEERE, die naar het oosten gekeerd is. En zie, bij de ingang van de poort waren vijfentwintig mannen, en in hun midden zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, met Pelatja, de zoon van Benaja, leiders van het volk.), waar de troonwagen van de HEERE is gaan staan (Ez 10:1919En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.). Bij de ingang van de poort zijn vijfentwintig mannen, de politieke leiders van het volk. Aan de poort is de gedachte verbonden dat het de plaats is waar recht wordt gesproken door de leiders van een stad (Ru 4:1,111Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.11En heel het volk dat in de poort was en de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen. Moge de HEERE deze vrouw, die in uw huis komt, maken als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben. Doe krachtige daden in Efratha en maak uw naam beroemd in Bethlehem.; Jb 5:44Zijn zonen zijn ver bij de redding vandaan;
zij worden verbrijzeld in de poort, en er is niemand die redt.
; Sp 8:33Terzijde van de poorten, voor aan de stad,
[bij] de ingang van de deuren, roept Zij luid:
)
. Daar komt ook het volk samen om naar de rechters te luisteren (Jr 26:10-1110Toen nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, kwamen zij uit het huis van de koning [naar] het huis van de HEERE, en gingen bij de ingang van de nieuwe poort [van het huis] van de HEERE, zitten.11Toen zeiden de priesters en de profeten tegen de vorsten en tegen heel het volk: Deze man heeft de doodstraf [verdiend], want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, zoals u met eigen oren gehoord hebt.).

Van de leiders worden er twee met name genoemd, terwijl met nadruk wordt vermeld dat zij “leiders van het volk” zijn. De HEERE zegt tegen Ezechiël wat deze leiders bedenken en welke raad ze in de stad geven (vers 22Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, dit zijn de mannen die onrecht bedenken en verkeerde raad geven in deze stad,). Hij kent hun gedachten en hun woorden door en door. Hun diepst verborgen gedachten zijn een open boek voor Hem. Hij ziet ook de verborgen overleggingen van het hart (1Ko 4:55Oordeelt daarom niets vóór [de] tijd, totdat de Heer komt, Die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal ieder zijn lof ontvangen van God.).

De raad die zij geven, gaat frontaal in tegen wat God heeft gezegd (vers 33zij die zeggen: Voorlopig [moeten wij] geen huizen bouwen. Deze [stad] is de pot en wij zijn het vlees.). Ze zijn niet alleen zelf goddeloos en ongelovig, maar ze leiden Gods volk op zondige wegen en bewegen hen in te gaan tegen de woorden van God die Hij hun door Zijn profeten heeft laten verkondigen. Dat is hier de meest voor de hand liggende gedachte omdat wat zij zeggen, herinnert aan wat God Jeremia heeft laten zeggen over het bouwen van huizen door de ballingen in Babel. God heeft namelijk gezegd dat de ballingen wel huizen moeten bouwen in Babel (Jr 29:4-5a4Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël, tegen alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel in ballingschap heb gevoerd:5Bouw huizen en woon [erin], leg tuinen aan en eet de vrucht ervan,). Daarmee geeft God aan dat de ballingen zich op een lang verblijf in Babel moeten voorbereiden.

Dit woord van Jeremia wordt hier door de autoriteiten in Jeruzalem belachelijk gemaakt. Zij zeggen dat voor hen het bouwen van een huis in Babel niet aan de orde is. Jeruzalem mag dan omsingeld zijn door de legers van de koning van Babel, maar natuurlijk zal de stad niet in handen van die legers vallen. Integendeel, ze sussen het volk met de beeldspraak van een pot en het vlees. Jeruzalem, zo zeggen zij, is de pot, en wij, de bewoners, zijn het vlees. Zoals een ijzeren pot het vlees tegen het vuur beschermt, zo beschermt de stad haar inwoners.

Misschien verwijzen ze ook naar wat Jeremia heeft gezien en gezegd over “een kokende pot” waarmee God het oordeel over Jeruzalem symboliseert (Jr 1:13-1413Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot mij: Wat ziet u daar? Ik zei: Ik zie een kokende pot en zijn open kant verschijnt vanuit het noorden.
14Toen zei de HEERE tegen mij:
Vanuit het noorden zal het onheil losbreken
over al de inwoners van het land.
)
. We zouden dit van deze spotters kunnen verwachten. Iemand die met God spot, kent geen grens, maar maakt alles belachelijk.

Vanwege hun grote ongehoorzaamheid moet Ezechiël “tegen hen” profeteren (vers 44Profeteer daarom tegen hen, profeteer, mensenkind!). Het woord “profeteer” staat er twee keer en geeft de ernst van de opdracht aan. God wil hun laten weten dat Hij hun schaamteloze woorden hoort en dat Hij hen daarvoor zal straffen.


De vorsten van Jeruzalem bestraft

5Toen viel de Geest van de HEERE op mij en Hij zei tegen mij: Zeg: Zo zegt de HEERE: Dit hebt u gezegd, huis van Israël. Wat in uw geest opkomt, weet Ik. 6U hebt in deze stad uw gesneuvelden talrijk gemaakt en haar straten met gesneuvelden gevuld. 7Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Uw gesneuvelden die u in het midden ervan hebt neergelegd, die zijn het vlees en deze [stad] is de pot. U echter zal Ik uit het midden ervan doen vertrekken. 8Het zwaard hebt u gevreesd en het zwaard zal Ik over u brengen, spreekt de Heere HEERE. 9Ik zal u uit het midden ervan doen vertrekken, u in de hand van vreemden geven en Ik zal strafgerichten over u voltrekken. 10U zult door het zwaard vallen. Op het [grond]gebied van Israël zal Ik u berechten. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben. 11Deze [stad] zal voor u niet als een pot zijn en ú zult in het midden ervan [niet] als vlees zijn: op het [grond]gebied van Israël zal Ik u berechten. 12Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, omdat u niet in Mijn verordeningen bent gegaan. Overeenkomstig Mijn bepalingen hebt u niet gehandeld, maar overeenkomstig de bepalingen van de heidenvolken die rondom u zijn, hebt u gehandeld. 13En het gebeurde terwijl ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde] en riep met luide stem: Ach, Heere HEERE, maakt U een [vernietigend] einde aan het overblijfsel van Israël?

Na de opdracht om te profeteren valt de Geest van de HEERE op Ezechiël (vers 55Toen viel de Geest van de HEERE op mij en Hij zei tegen mij: Zeg: Zo zegt de HEERE: Dit hebt u gezegd, huis van Israël. Wat in uw geest opkomt, weet Ik.). Profeteren wat God zegt, kan alleen door de Geest. Ezechiël krijgt ook van de HEERE te horen wat hij moet profeteren. Profeten mogen alleen het Woord van God doorgeven. Hier zien we de nauwe samenhang tussen de Geest en het Woord. Profetie maakt de overlegging van de harten van de hoorders openbaar (1Ko 14:2525het verborgene van zijn hart wordt openbaar, en dus zal hij op zijn aangezicht neervallen en God aanbidden en verkondigen dat God werkelijk onder u is.). De HEERE weet wat er in de geest van deze mensen opkomt. Voor Hem zijn alle dingen naakt en geopend (Hb 4:1313En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.; Jr 17:10a10Ik, de HEERE, doorgrond het hart,
beproef de nieren,
en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen,
overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
; Ps 139:1-41Een psalm van David, voor de koorleider.
HEERE, U doorgrondt en kent mij.
2Ú kent mijn zitten en mijn opstaan,
U begrijpt van verre mijn gedachten.
3U onderzoekt mijn gaan en mijn liggen,
U bent met al mijn wegen vertrouwd.
4Al is er [nog] geen woord op mijn tong,
zie, HEERE, U weet het alles.
)
.

De HEERE neemt het beeld over dat zij gebruiken en zegt dat de stad inderdaad de pot is en dat zij het vlees zijn, maar Hij geeft er wel een andere betekenis aan (verzen 6-76U hebt in deze stad uw gesneuvelden talrijk gemaakt en haar straten met gesneuvelden gevuld.7Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Uw gesneuvelden die u in het midden ervan hebt neergelegd, die zijn het vlees en deze [stad] is de pot. U echter zal Ik uit het midden ervan doen vertrekken.). Zeker, Jeruzalem is de pot, maar dan wel een pot die vol is met het vlees van gesneuvelden. Die gesneuvelden zijn daar door hen zelf neergelegd, want ze liggen daar als gevolg van hun dwaze raad. De leiders zullen in ‘de pot’ niet de vermeende bescherming vinden, maar eruit worden weggevoerd. Daar zal de HEERE Zelf voor zorgen.

De HEERE zal dat doen door het zwaard, waarvoor de leiders zo bang zijn, over hen te brengen (vers 88Het zwaard hebt u gevreesd en het zwaard zal Ik over u brengen, spreekt de Heere HEERE.). Hier zien we dat deze leiders, ondanks hun grootspraak, zelf ook bang zijn. Dat Hij zal doen wat Hij zegt, wordt onderstreept door de woorden “spreekt de Heere HEERE”. Hun angst is terecht. De HEERE zal hen in de hand van “vreemden”, de Babyloniërs, geven en hen uit Jeruzalem doen vertrekken (vers 99Ik zal u uit het midden ervan doen vertrekken, u in de hand van vreemden geven en Ik zal strafgerichten over u voltrekken.; Ez 7:2121Ik zal het als prooi in de hand van de vreemden geven,
en als buit aan de goddelozen van de aarde,
zodat zij het ontheiligen zullen.
)
. Door deze ‘vreemden’ zal Hij Zijn strafgerichten over deze leiders voltrekken (2Kn 25:1-71Het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem kwam, hij en heel zijn leger. Zij belegerden [de stad] en bouwden er rondom schansen tegenaan.2Zo werd de stad belegerd, tot het elfde jaar van koning Zedekia.3Op de negende van de [vierde] maand, toen de hongersnood in de stad zo sterk geworden was dat de bevolking van het land geen brood [meer] had,4werd de stad opengebroken. Alle strijdbare mannen [vluchtten en trokken] ‘s nachts [de stad uit] via de poort tussen de twee muren, die zich bij de tuin van de koning bevond, terwijl de Chaldeeën rondom voor de stad lagen. En [de koning] ging in de richting van de Vlakte.5Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning en zij haalden hem in op de vlakten van Jericho. Heel zijn leger werd van hem [gescheiden] en verspreid.6Toen grepen zij de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla. En zij spraken het vonnis over hem uit.7Zij slachtten de zonen van Zedekia voor diens ogen af. Verder maakte men de ogen van Zedekia blind en men bond hem met twee bronzen ketenen en bracht hem naar Babel.; Jr 39:1-91In het negende jaar van Zedekia, de koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, met heel zijn leger naar Jeruzalem en zij belegerden het.2In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van die maand, werd de stad opengebroken.3Toen kwamen alle vorsten van de koning van Babel naar binnen en zij vatten post bij de Middenpoort, [namelijk] Nergal-Sarezer, Samgar-Nebu, Sarsechim, de bevelhebber van de hofhouding, Nergal-Sarezer, de rab-mag, en al de overige vorsten van de koning van Babel.4En het gebeurde zodra Zedekia, de koning van Juda, en al de strijdbare mannen hen zagen, dat zij op de vlucht sloegen en 's nachts uit de stad vertrokken, in de richting van de tuin van de koning, door de poort tussen de twee muren. [Zelf] vertrok hij in de richting van de Vlakte.5Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde hen en zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Zij namen hem [gevangen] en brachten hem naar Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit.6De koning van Babel [liet] de zonen van Zedekia in Ribla voor diens ogen afslachten. Ook [liet] de koning van Babel alle edelen van Juda afslachten.7Verder [liet] hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden om hem naar Babel te brengen.8Het huis van de koning en de huizen van het volk verbrandden de Chaldeeën met vuur, en de muren van Jeruzalem braken zij af.9De rest van het volk dat in de stad was overgebleven, de overlopers die naar hem waren overgelopen, en de rest van het volk dat was overgebleven, voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap naar Babel.; 52:9-10,24-279Toen grepen zij de koning en brachten hem naar de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath. En die sprak het vonnis over hem uit.10De koning van Babel [liet] de zonen van Zedekia voor diens ogen afslachten. Ook [liet] hij in Ribla alle vorsten van Juda afslachten.24Ook nam de bevelhebber van de lijfwacht Seraja, de hoofdpriester, Zefanja, de tweede priester, en de drie deurwachters mee.25En uit de stad nam hij een hoveling mee die over de strijdbare mannen aangesteld was, en zeven mannen uit degenen die het aangezicht van de koning [mochten] zien, die in de stad werden aangetroffen, met de schrijver van de bevelhebber van het leger, die ten behoeve van de oorlog de bevolking van het land inschreef, en zestig man van de bevolking van het land, die binnen de stad werden aangetroffen.26Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel in Ribla.27De koning van Babel [liet] hen neerslaan en doden in Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap weggevoerd.). Waar ze zich veilig wanen, zullen ze door de HEERE berecht worden en hun verdiende straf krijgen (vers 1010U zult door het zwaard vallen. Op het [grond]gebied van Israël zal Ik u berechten. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.). Daardoor zullen ze weten dat Hij de HEERE is (Ez 6:77In uw midden zullen de gesneuvelden liggen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.).

Jeruzalem zal voor hen geen pot zijn die hen beschermt tegen het oordeel (vers 1111Deze [stad] zal voor u niet als een pot zijn en ú zult in het midden ervan [niet] als vlees zijn: op het [grond]gebied van Israël zal Ik u berechten.). Zij zijn ook niet het vlees dat behouden zal worden. De straf wordt wel door de Babyloniërs voltrokken, maar het is omdat de HEERE hen gebruikt. Zo zullen ze weten dat Hij de HEERE is (vers 1212Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, omdat u niet in Mijn verordeningen bent gegaan. Overeenkomstig Mijn bepalingen hebt u niet gehandeld, maar overeenkomstig de bepalingen van de heidenvolken die rondom u zijn, hebt u gehandeld.). Hij maakt Zich bekend in het oordeel dat Hij moet voltrekken omdat de leiders niet in Zijn verordeningen hebben gewandeld. Ze hebben integendeel gedaan naar de bepalingen van de heidenvolken rondom hen. Daarmee hebben ze Hem tot het uiterste getergd. Hij is een na-ijverig God Die niet met Zich laat spotten.

God bevestigt op indrukwekkende wijze Zijn woord door de plotselinge dood van een van de leiders, Pelatja, de zoon van Benaja (vers 1313En het gebeurde terwijl ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde] en riep met luide stem: Ach, Heere HEERE, maakt U een [vernietigend] einde aan het overblijfsel van Israël?; vers 11Toen hief de Geest mij op en bracht mij bij de Oostpoort van het huis van de HEERE, die naar het oosten gekeerd is. En zie, bij de ingang van de poort waren vijfentwintig mannen, en in hun midden zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, met Pelatja, de zoon van Benaja, leiders van het volk.). Hierdoor laat Hij ook op aanschouwelijke wijze het lot zien dat allen zal treffen. Dit is een werkelijkheid in het visioen. De mannen in Jeruzalem hebben de woorden van God die Ezechiël heeft geprofeteerd, niet gehoord. Door dit plotselinge oordeel worden de woorden van God bevestigd. Als Ezechiël later zijn boodschap aan de ballingen brengt, kan hij naar deze gebeurtenis verwijzen.

Gods oordeel over Pelatja en zijn eigen aankondiging van het oordeel maken bij de profeet weer een heftige reactie los (vgl. Ez 9:7-87Hij zei tegen hen: Verontreinig het huis, vul de voorhoven met gesneuvelden, ga naar buiten. Toen gingen zij naar buiten en zij sloegen toe in de stad.8En het gebeurde terwijl zij toesloegen, dat ik [alleen] achterbleef. Toen wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde] en riep: Ach, Heere HEERE, gaat U heel het overblijfsel van Israël te gronde richten door Uw grimmigheid over Jeruzalem uit te storten?). Weer treedt hij heftig geëmotioneerd als voorbidder voor zijn volk op. Als het overblijfsel van Juda en Jeruzalem wordt vernietigd, betekent dat het absolute einde van Israël. Dat kan toch niet zo zijn? Misschien ligt in deze klacht ook een zinspeling op de naam Pelatja, die betekent ‘Jah doet ontkomen’.


De broeders van de profeet

14Toen kwam het woord van de HEERE tot mij: 15Mensenkind, het zijn uw broeders, uw broeders, mannen met het recht van lossing voor u, en heel het huis van Israël in zijn geheel, tegen wie de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Houd u ver van de HEERE, ons is dit land als erfelijk bezit gegeven.

De HEERE antwoordt op de klacht van Ezechiël (vers 1414Toen kwam het woord van de HEERE tot mij:). De profeet heeft voorbede gedaan, eerst voor de inwoners van Jeruzalem (Ez 9:8b8En het gebeurde terwijl zij toesloegen, dat ik [alleen] achterbleef. Toen wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde] en riep: Ach, Heere HEERE, gaat U heel het overblijfsel van Israël te gronde richten door Uw grimmigheid over Jeruzalem uit te storten?) en daarna voor de leiders (vers 13b13En het gebeurde terwijl ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde] en riep met luide stem: Ach, Heere HEERE, maakt U een [vernietigend] einde aan het overblijfsel van Israël?). Hij heeft God gevraagd of Hij heel het overblijfsel van Israël zou vernietigen. God antwoordt nu (vers 1515Mensenkind, het zijn uw broeders, uw broeders, mannen met het recht van lossing voor u, en heel het huis van Israël in zijn geheel, tegen wie de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Houd u ver van de HEERE, ons is dit land als erfelijk bezit gegeven.) dat zijn broeders, in wie hij zoveel belangstelt, niet deze inwoners van Jeruzalem en deze leiders zijn, maar de Israëlieten die in ballingschap zijn gevoerd.

De ballingen worden door deze inwoners van Jeruzalem beschouwd als afgesneden van het volk van God. De herhaling van “uw broeders” dient om Ezechiël ervan te verzekeren dat zij zijn echte, ware broeders zijn, in tegenstelling tot de Israëlieten, die alleen de naam van Israël hebben en zich daar ook op beroemen, maar er niet naar leven. Zijn broeders hebben het recht van lossing (Lv 25:2525Wanneer uw broeder in armoede raakt en [een deel] van zijn bezit moet verkopen, dan moet zijn losser komen die nauw aan hem verwant is, en vrijkopen wat zijn broeder heeft verkocht.; Ru 2:20b20Toen zei Naomi tegen haar schoondochter: Moge hij, die zijn goedertierenheid niet onthouden heeft aan de levenden en aan de doden, gezegend worden door de HEERE. Verder zei Naomi tegen haar: Die man is nauw aan ons verwant, hij is een van onze lossers.).

De HEERE verwijst met het vermelden van “het recht van lossing” op het onvervreemdbare recht op het land waaruit ze zijn weggevoerd. Daarin ligt al een belofte van herstel opgesloten. De kern van het volk zijn de ballingen, bij wie zich spoedig nieuwe ballingen zullen voegen. God erkent hen als Zijn volk. Uit hen zal Hij Zich een overblijfsel vormen dat het land weer naar recht zal bezitten. Ze zijn het niet voorgoed kwijt, wat de inwoners van Jeruzalem in hoogmoed wel van hen menen.

Ook door de woorden ‘heel’ en ‘geheel’ in het zinsdeel “heel het huis van Israël in zijn geheel” wordt de nadruk gelegd op het totaal van wat God als Zijn volk ziet. Met dit geheel vormen “de inwoners van Jeruzalem” een contrast. Voor de inwoners van Jeruzalem, die zich het recht op het land aanmatigen, is het omgekeerde het geval. Hen ziet God niet meer als Zijn volk. Zij kijken met minachting naar de weggevoerde ballingen van wie zij vinden dat die ver van God zijn. De verdrijving uit het land betekent voor deze mensen in Jeruzalem de verwijdering uit Gods tegenwoordigheid.

In hun ongelovige aanmatiging menen zij dat de weggevoerden weg zijn bij de God van Israël, Die immers in Jeruzalem woont. Zo maken zij God naar de gewoonte van de afgoderij om hen heen tot een lokale god. Tegelijk eisen ze het land van de weggevoerden voor zichzelf op. Dat de heerlijkheid van God bezig is hen te verlaten, daar zijn ze blind voor.


Belofte van herstel

16Zeg daarom: Zo zegt de Heere HEERE: Hoewel Ik hen ver weggedreven heb onder de heidenvolken en hoewel Ik hen in de landen verspreid heb, toch zal Ik voor hen een heiligdom zijn, [hoe] kort [ook], in de landen waarin zij gekomen zijn. 17Zeg daarom: Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal u verzamelen uit de volken, en Ik zal u bijeenbrengen uit de landen waarover u [overal] verspreid bent, en Ik zal u het land van Israël geven. 18Zij zullen daarheen komen en daaruit al zijn afschuwelijke [afgoden] en al zijn gruweldaden wegdoen. 19Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit hun vlees wegdoen en hun een hart van vlees geven, 20zodat zij in Mijn verordeningen gaan en Mijn bepalingen in acht nemen en die houden. Dan zullen zij Mij een volk zijn, en zal Ík hun een God zijn. 21Maar wat betreft het hart van hen die het hart van hun afschuwelijke [afgoden] en hun gruweldaden navolgen, hun [eigen] weg zal Ik op hun hoofd doen neerkomen, spreekt de Heere HEERE.

De inwoners van Jeruzalem zien de weggevoerden als door God verworpen, terwijl ze zichzelf als de trouwe Joden beschouwen. Op hun aanmatiging reageert God met beloften voor de weggevoerden (vers 1616Zeg daarom: Zo zegt de Heere HEERE: Hoewel Ik hen ver weggedreven heb onder de heidenvolken en hoewel Ik hen in de landen verspreid heb, toch zal Ik voor hen een heiligdom zijn, [hoe] kort [ook], in de landen waarin zij gekomen zijn.). Het zijn de eerste beloften van herstel in dit boek. God heeft hen wel ver weggedreven onder de heidenen en verspreid in de landen, maar daar zal Hij bij hen zijn. Ze zijn dan wel verstoken van de prachtige tempel en de dienst daarin, maar Hij zal Zelf een heiligdom voor hen zijn in het vreemde land (vgl. Js 57:15a15Want zo zegt de Hoge en Verhevene,
Die [in] de eeuwigheid woont en Wiens Naam heilig is:
Ik woon [in] de hoge hemel en [in] het heilige,
en bij de verbrijzelde en nederige van geest,
om levend te maken de geest van de nederigen,
en om levend te maken het hart van de verbrijzelden.
)
.

Ze zullen Zijn tegenwoordigheid op een bijzondere manier ervaren. De tegenwoordigheid van God is voor hen niet meer verbonden aan een bepaald gebouw (vgl. Jh 4:21,2421Jezus zei tot haar: Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat u noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden.24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.). In de tijd waarin wij leven, een tijd waarin de kinderen van God ook verstrooid zijn (vgl. Jh 11:5252en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooide kinderen van God tot een zou vergaderen.), is het voor ons een grote bemoediging te weten en te ervaren dat de Heer Jezus een heiligdom voor ons wil zijn, ook al zijn we maar met enkelen (Mt 18:2020Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.).

Voor de ballingen zal Hij slechts kort een heiligdom zijn. “Kort” kan ook “beperkt” betekenen. Dat Hij voor hen in Babel een beperkt heiligdom is, moeten we dan zo opvatten, dat zij geen tempel hebben en geen tempeldienst kunnen verrichten en tijdens de feesten van de HEERE geen plaats hebben om naar toe te gaan. Daardoor zijn ze beperkt in de uitingen van hun dienen van God. Maar God Zelf is hun heiligdom en dat kan natuurlijk niet beperkt zijn. Voor hen die op Hem hun vertrouwen stellen, verbindt Hij Zich niet aan een gebouw en inzettingen.

Dat Hij kort, in de zin van voor een korte tijd, hun heiligdom zal zijn in de landen waarheen ze verspreid zijn, houdt in dat er een einde aan de ballingschap zal komen. Op deze gedachte sluit het volgende vers aan, waarin de belofte van terugkeer naar hun land wordt gegeven (vers 1717Zeg daarom: Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal u verzamelen uit de volken, en Ik zal u bijeenbrengen uit de landen waarover u [overal] verspreid bent, en Ik zal u het land van Israël geven.). Hij zal hen uit al de landen waarheen ze verdreven zijn, verzamelen en hun het land van Israël zal geven.

Hier geeft de HEERE deze belofte al voordat het hele volk uit het land is verdreven. Een eerste, voorlopige vervulling, op heel kleine schaal, is de terugkeer van een overblijfsel in de dagen van Ezra en Nehemia. In onze dagen beleven we in de terugkeer van de Joden naar hun land het begin van de uiteindelijke vervulling van deze belofte in de eindtijd.

Als de uiteindelijke vervulling plaatsvindt, zullen de Joden de afgoden en de afgoderij uit het land uitroeien (vers 1818Zij zullen daarheen komen en daaruit al zijn afschuwelijke [afgoden] en al zijn gruweldaden wegdoen.). Die afschuwelijke afgoden en gruweldaden zijn die, welke de antichrist zal invoeren. Deze situatie zal in Israël ontstaan na de opname van de gemeente.

Dat zij terugkeren en de afgoderij uitroeien, is het gevolg van het nieuwe hart dat de HEERE hun geeft (vers 1919Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit hun vlees wegdoen en hun een hart van vlees geven,; vgl. Dt 30:5-65En de HEERE, uw God, zal u naar het land brengen dat uw vaderen in bezit hadden, en u zult het [weer] in bezit nemen; en Hij zal u goeddoen en u talrijker maken dan uw vaderen.6De HEERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nageslacht besnijden, om de HEERE, uw God, lief te hebben met heel uw hart en met heel uw ziel, zodat u leven zult.). Dat nieuwe hart geeft Hij in de plaats van hun stenen hart. Het geven van nieuw leven en een nieuwe gezindheid is Zijn werk. Alleen God kan een zondaar veranderen. Een stenen hart is onaandoenlijk en hard. Een vlezen hart is een hart dat op het Woord van God reageert met geloof en gehoorzaamheid.

Door dat nieuwe hart zullen ze vanuit een andere geest leven. Ze krijgen één hart. Dit betekent dat alle dubbelhartigheid en huichelarij zijn verdwenen (Ps 86:1111Leer mij, HEERE, Uw weg,
ik zal in Uw waarheid wandelen,
maak mijn hart één om Uw Naam te vrezen.
)
. Het betekent ook dat ze in eenheid zullen leven, dat ze één van zin en één van gevoelen de HEERE zullen dienen.

God voorzegt hier een geestelijke vernieuwing (Ez 36:24-2624Ik zal u uit de heidenvolken halen en u uit alle landen bijeenbrengen. Dan zal Ik u naar uw land brengen.25Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.26Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.). Dan zullen ze Hem gehoorzamen en aan Zijn verlangens beantwoorden (vers 2020zodat zij in Mijn verordeningen gaan en Mijn bepalingen in acht nemen en die houden. Dan zullen zij Mij een volk zijn, en zal Ík hun een God zijn.). De verbinding tussen hen als Zijn volk en Hem als hun God (Jr 11:44dat Ik uw vaderen geboden heb op de dag dat Ik hen geleid heb uit het land Egypte, uit de ijzeroven: Luister naar Mijn stem en doe deze [woorden], overeenkomstig alles wat Ik u gebied. Dan zult u Mij tot een volk zijn en zal Ík u tot een God zijn,; 24:77Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben, en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart.; 30:2222En u zult Mij tot een volk zijn
en Ík zal u tot een God zijn.
; 31:1,331In die tijd, spreekt de HEERE, zal Ik al de geslachten van Israël tot een God zijn, en zíj zullen Mij tot een volk zijn.
33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.
; 32:3838Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ík zal hun tot een God zijn.; Ez 14:1111opdat het huis van Israël niet weer van achter Mij vandaan zal afdwalen en zij zich niet weer zullen verontreinigen met al hun overtredingen. Dan zullen zij Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.; 36:2828U zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, u zult een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor u zijn.; 37:23,2723Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke [afgoden] en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn.27Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.)
is dan volledig hersteld, tot grote vreugde van God en ook van Zijn volk. Dit zal in het vrederijk werkelijkheid worden.

Maar ballingen die zich niet bekeren en zij die niet zijn weggevoerd en in Jeruzalem blijven, blijven volharden in hun afgoderij (vers 2121Maar wat betreft het hart van hen die het hart van hun afschuwelijke [afgoden] en hun gruweldaden navolgen, hun [eigen] weg zal Ik op hun hoofd doen neerkomen, spreekt de Heere HEERE.). Zij volgen met hun hart “het hart van hun afschuwelijke [afgoden] en hun gruweldaden” na. Afgoden van zilver en goud hebben geen hart, geen leven. Dat hebben demonen wel. De harten van de demonen en de harten van de afgodenaanbidders verbinden zich. De HEERE zal hen in hun eigen afschuwelijke handelingen laten omkomen.


Het vertrek van de heerlijkheid

22Daarna hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen [verhieven zich] tegelijk met hen. En de heerlijkheid van de God van Israël was vanboven over hen. 23Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.

Het visioen van Ezechiël nadert zijn einde. Ezechiël ziet het vertrek van “de heerlijkheid van de God van Israël” uit Jeruzalem (verzen 22-2322Daarna hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen [verhieven zich] tegelijk met hen. En de heerlijkheid van de God van Israël was vanboven over hen.23Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.). God vertrekt echter pas nadat Hij in de voorgaande verzen eerst vertroostende beloften over het herstel van een overblijfsel heeft gegeven. Dan trekt Hij Zich terug en laat stad en land aan hun lot over.

Als laatste halte neemt Hij plaats op de berg die ten oosten van Jeruzalem ligt, dat is de Olijfberg. Dat bepaalt ons erbij dat de heerlijkheid van God ook weer tot de stad zal terugkeren via de Olijfberg (Zc 14:4a4Op die dag zullen Zijn voeten staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, ten oosten [er]van. Dan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden naar het oosten en naar het westen. Er zal een zeer groot dal ontstaan, als de [ene] helft van de berg naar het noorden zal wijken en de [andere] helft ervan naar het zuiden.; Hd 1:9-129En terwijl Hij dit zei, werd Hij opgenomen, terwijl zij toekeken, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.10En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij heenging, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleren,11die ook zeiden: Galilese mannen, wat staat u naar de hemel te kijken? Deze Jezus Die van u is opgenomen naar de hemel, zal zó komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.12Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, Olijfberg geheten, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis er vandaan.) om de beloften van de vorige verzen te vervullen. De heerlijkheid zal weer haar intrek nemen in de nieuwe tempel in het vrederijk (Ez 43:1-51Daarop leidde Hij mij naar de poort, de poort die naar het oosten gekeerd was.2En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten, en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid.3En de aanblik van het visioen dat ik zag, was als het visioen dat ik gezien had, toen ik kwam om de stad te gronde te richten. Het waren visioenen als het visioen dat ik aan de rivier de Kebar gezien had. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde].4En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag.5Toen hief de Geest mij op en bracht mij in de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis vervuld.).


Ezechiël weer bij de ballingen

24Daarop hief de Geest mij op en bracht mij in een visioen door de Geest van God bij de ballingen in Chaldea. Toen steeg het visioen dat ik gezien had, op, bij mij vandaan. 25Toen sprak ik tot de ballingen al de woorden van de HEERE die Hij mij had doen zien.

Het visioen eindigt ermee dat Ezechiël zich door de Geest van God, Die hem het visioen heeft gegeven, opgeheven ziet en teruggebracht ziet bij de ballingen (vers 2424Daarop hief de Geest mij op en bracht mij in een visioen door de Geest van God bij de ballingen in Chaldea. Toen steeg het visioen dat ik gezien had, op, bij mij vandaan.). Al die tijd is hij lichamelijk bij de oudsten geweest (Ez 8:11Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Heere HEERE op mij viel.). Als een trouwe getuige, als een wachter, deelt Ezechiël de ballingen alles mee wat de HEERE hem in het visioen heeft laten zien (vers 2525Toen sprak ik tot de ballingen al de woorden van de HEERE die Hij mij had doen zien.).


Lees verder