Ezechiël
Inleiding 1-7 De Man in linnen moet vuur uitstrooien 8-17 De cherubs 18-22 De heerlijkheid van de HEERE vertrekt
Inleiding

Dit hoofdstuk hangt nauw samen met Ezechiël 1. We vinden hier opnieuw de wagen die de troon draagt. Er worden enkele details herhaald en er worden ook nieuwe details toegevoegd. De hoofdgedachte van dit hoofdstuk is dat God alle oordeelsinstrumenten bestuurt die Hij gebruikt.


De Man in linnen moet vuur uitstrooien

1Daarna zag ik, en zie, boven het gewelf dat boven het hoofd van de cherubs was, was [iets] als een saffiersteen, met het uiterlijk van wat leek op een troon, [en] Hij verscheen boven hen. 2Toen zei Hij tegen de Man Die in linnen gekleed was: Ga onder de cherub de ruimte tussen de wielen binnen, vul Uw beide handen met vurige kolen uit de ruimte tussen de cherubs, en strooi ze uit over de stad. Toen ging Hij voor mijn ogen naar binnen. 3De cherubs stonden rechts van het huis toen de Man binnenkwam, en de wolk vervulde de binnenste voorhof. 4Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE. 5Het geluid van de vleugels van de cherubs was tot in de buitenste voorhof te horen, als de stem van de almachtige God wanneer Hij spreekt. 6En het gebeurde toen Hij de Man Die in linnen gekleed was, geboden had: Neem vuur uit de ruimte tussen de wielen, uit de ruimte tussen de cherubs, dat Hij naast een wiel ging staan. 7Daarop strekte de cherub vanuit de ruimte tussen de cherubs zijn hand uit naar het vuur dat in de ruimte tussen de cherubs was. Hij pakte [het] op en gaf het in de handen van Hem Die in linnen gekleed was. Die nam [het] aan en ging weg.

Wat Ezechiël in Ezechiël 1 slechts als ‘levende wezens’ heeft kunnen aanduiden, herkent hij nu als cherubs (vers 2020Dit is het levende wezen dat ik gezien had onder de God van Israël bij de rivier de Kebar. Toen wist ik dat het cherubs waren.). Wat hij ziet boven het gewelf dat boven het hoofd van de cherubs is (vers 11Daarna zag ik, en zie, boven het gewelf dat boven het hoofd van de cherubs was, was [iets] als een saffiersteen, met het uiterlijk van wat leek op een troon, [en] Hij verscheen boven hen.), heeft hij ook in Ezechiël 1:26 gezien. Hij ziet hier het uiterlijk van wat lijkt op een troon. In Ezechiël 1 ziet hij ook nog iets op de troon zitten wat lijkt op een Mens. Dat is hier niet het geval.

De HEERE geeft de Man in linnen de opdracht vurige kolen van tussen de cherubs te nemen, daarmee Zijn beide handen te vullen en ze over de stad uit te strooien (vers 22Toen zei Hij tegen de Man Die in linnen gekleed was: Ga onder de cherub de ruimte tussen de wielen binnen, vul Uw beide handen met vurige kolen uit de ruimte tussen de cherubs, en strooi ze uit over de stad. Toen ging Hij voor mijn ogen naar binnen.; vgl. Lk 12:4949Vuur ben Ik komen werpen op de aarde, en wat wil Ik, als het al ontstoken is?; Op 8:55En de Engel nam het wierookvat en vulde het met het vuur van het altaar en wierp dat op de aarde; en er kwamen donderslagen, stemmen, bliksemstralen en een aardbeving.). Dat betekent dat niet alleen het oordeel over de inwoners van Jeruzalem komt, maar dat ook de stad zelf met vuur zal worden verbrand. Daarmee ondergaat de stad hetzelfde oordeel dat eens over Sodom en Gomorra is gekomen (Gn 19:2424Toen liet de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen. [Het kwam] van de HEERE uit de hemel.; vgl. Op 11:8a8En hun lijk [zal liggen] op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is.).

Ezechiël ziet de Man naar binnen gaan in de ruimte tussen de cherubs. De plaats waar de cherubs staan als de Man binnenkomt, is rechts van het huis, dat is de zuidzijde van de tempel (vers 33De cherubs stonden rechts van het huis toen de Man binnenkwam, en de wolk vervulde de binnenste voorhof.). De wolk die de binnenste voorhof vervult, is de wolk van de heerlijkheid van de HEERE.

Daarna verheft de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub (enkelvoud) en gaat naar de drempel van het huis (vers 44Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.). Nog eenmaal, voordat de heerlijkheid de tempel verlaat, vervult de wolk van de heerlijkheid het huis. Het is alsof de HEERE een laatste keer op indrukwekkende wijze laat zien dat de tempel Zijn huis is.

Het geluid van de vleugels van de cherubs geeft aan dat zij zich in beweging zetten (vers 55Het geluid van de vleugels van de cherubs was tot in de buitenste voorhof te horen, als de stem van de almachtige God wanneer Hij spreekt.; vgl. Ez 1:2424Ik hoorde, toen zij gingen, het geruis van hun vleugels. [Het klonk] als het bruisen van machtige wateren, als de stem van de Almachtige, [als] het geluid van een gedruis, als het geluid van een leger. Als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen.). Ze gaan het huis verlaten. Dit geluid is tot in de buitenste voorhof te horen, waar mogelijk op dat moment Joden hun godsdienstige verplichtingen aan het verrichten zijn. Het geluid doet denken aan de stem van de almachtige God wanneer Hij spreekt, mogelijk de donder (vgl. Jh 12:28-2928Vader, verheerlijk Uw Naam! Er kwam dan een stem uit de hemel: Ik heb [hem] verheerlijkt én Ik zal [hem] opnieuw verheerlijken.29De menigte dan die [daar] stond en dit had gehoord, zei dat er een donderslag was geweest. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.; Ps 29:3-43De stem van de HEERE [klinkt] over de wateren,
de God der ere dondert;
de HEERE is op de grote wateren.
4De stem van de HEERE is [vol] kracht,
de stem van de HEERE is [vol] glorie.
)
. Het zijn als het ware Zijn afscheidswoorden die Hij vol dreiging spreekt tot het volk dat Hij gaat verlaten.

Dan wordt de blik weer gericht op de Man Die in linnen is gekleed en Die de opdracht heeft gekregen om vuur uit de ruimte tussen de wielen te nemen, dat is de ruimte tussen de cherubs (vers 66En het gebeurde toen Hij de Man Die in linnen gekleed was, geboden had: Neem vuur uit de ruimte tussen de wielen, uit de ruimte tussen de cherubs, dat Hij naast een wiel ging staan.). De Man neemt plaats naast een wiel. Het vuur, een beeld van het oordeel, wordt door de cherub die zich in de ruimte tussen de cherubs bevindt, genomen uit de ruimte tussen de cherubs (vers 77Daarop strekte de cherub vanuit de ruimte tussen de cherubs zijn hand uit naar het vuur dat in de ruimte tussen de cherubs was. Hij pakte [het] op en gaf het in de handen van Hem Die in linnen gekleed was. Die nam [het] aan en ging weg.). Het vuur dat hij in zijn hand heeft genomen, geeft hij in handen van de Man in linnen. Die neemt het aan en gaat weg. Hiermee sluit de beschrijving. Het uitstrooien van het vuur, waartoe bevolen is (vers 33De cherubs stonden rechts van het huis toen de Man binnenkwam, en de wolk vervulde de binnenste voorhof.), wordt niet beschreven. De aandacht van Ezechiël wordt in de eerste plaats geboeid door de verschijning van de Man en van de cherubs.

De Man in linnen Die de vurige kolen moet nemen, is Dezelfde als de Man met de schrijverskoker uit het vorige hoofdstuk. Hij ontvangt daar de opdracht om de trouwe gelovigen te verzegelen, zodat het oordeel aan hen zal voorbijgaan. Deze Man moet nu in opdracht van God het oordeel over de stad brengen. In het boek Openbaring zien we hetzelfde beeld. Dezelfde Engel Die vuur van het altaar moet nemen om het in oordeel op de aarde te werpen, heeft Zich vlak daarvoor beziggehouden met de gebeden van de heiligen (Op 8:3-53En een andere Engel kwam en ging bij het altaar staan met een gouden wierookvat; en Hem werden veel reukwerken gegeven, opdat Hij [kracht] zou geven aan de gebeden van alle heiligen op het gouden altaar dat vóór de troon was.4En de rook van de reukwerken steeg op met de gebeden van de heiligen uit [de] hand van de Engel vóór God.5En de Engel nam het wierookvat en vulde het met het vuur van het altaar en wierp dat op de aarde; en er kwamen donderslagen, stemmen, bliksemstralen en een aardbeving.). De Man in Ezechiël en de Engel in Openbaring zijn beiden de Persoon van de Heer Jezus. In Hem zien we dat God zowel liefde als licht is.


De cherubs

8Er was bij de cherubs onder hun vleugels [iets] zichtbaar met de vorm van een mensenhand. 9Toen zag ik, en zie, er waren vier wielen naast de cherubs: één wiel naast één cherub en een ander wiel naast een andere cherub. En het uiterlijk van de wielen was als de schittering van een turkooissteen. 10En wat betreft het uiterlijk ervan, ze hadden alle vier dezelfde gedaante, alsof het [ene] wiel midden in het [andere] wiel zat. 11Wanneer ze gingen, konden ze naar vier zijden gaan. Ze draaiden zich niet om wanneer ze gingen, want naar de plaats waarheen het hoofd zich wendde, [daar] gingen ze heen. Ze draaiden zich niet om wanneer ze gingen. 12Hun hele lichaam dan, hun rug, hun handen, hun vleugels, en de wielen zaten rondom vol ogen. Alle vier hadden zij hun wielen. 13Wat de wielen betreft, ze werden ten aanhoren van mij Galgal genoemd. 14Iedere [cherub] had vier gezichten: het eerste gezicht was het gezicht van een cherub, het tweede gezicht het gezicht van een mens, het derde de kop van een leeuw, en het vierde de kop van een arend. 15Toen verhieven de cherubs zich. Dit was hetzelfde levende wezen dat ik bij de rivier de Kebar gezien had. 16Wanneer de cherubs gingen, gingen de wielen naast hen mee. Wanneer de cherubs hun vleugels ophieven om zich van de aarde te verheffen, draaiden die wielen ook niet bij hen vandaan. 17Wanneer zij stilstonden, stonden die [ook] stil, en wanneer zij verheven werden, verhieven die zich [ook], want de geest van de levende wezens was in hen.

De beschrijving van de cherubs in de verzen 8-148Er was bij de cherubs onder hun vleugels [iets] zichtbaar met de vorm van een mensenhand.9Toen zag ik, en zie, er waren vier wielen naast de cherubs: één wiel naast één cherub en een ander wiel naast een andere cherub. En het uiterlijk van de wielen was als de schittering van een turkooissteen.10En wat betreft het uiterlijk ervan, ze hadden alle vier dezelfde gedaante, alsof het [ene] wiel midden in het [andere] wiel zat.11Wanneer ze gingen, konden ze naar vier zijden gaan. Ze draaiden zich niet om wanneer ze gingen, want naar de plaats waarheen het hoofd zich wendde, [daar] gingen ze heen. Ze draaiden zich niet om wanneer ze gingen.12Hun hele lichaam dan, hun rug, hun handen, hun vleugels, en de wielen zaten rondom vol ogen. Alle vier hadden zij hun wielen.13Wat de wielen betreft, ze werden ten aanhoren van mij Galgal genoemd.14Iedere [cherub] had vier gezichten: het eerste gezicht was het gezicht van een cherub, het tweede gezicht het gezicht van een mens, het derde de kop van een leeuw, en het vierde de kop van een arend. komt grotendeels overeen met die in Ezechiël 1 (zie commentaar daar). We zien ook hier bij de cherubs onder hun vleugels iets wat de vorm van een mensenhand heeft (vers 88Er was bij de cherubs onder hun vleugels [iets] zichtbaar met de vorm van een mensenhand.). In de uitoefening van hun regering zijn de cherubs gericht op mensen, ze gaan te werk op een wijze die bij mensen past. De vleugels wekken de gedachte dat de oordelen van boven komen. De vier wielen laten zien dat Gods regering op aarde wordt uitgeoefend (vers 99Toen zag ik, en zie, er waren vier wielen naast de cherubs: één wiel naast één cherub en een ander wiel naast een andere cherub. En het uiterlijk van de wielen was als de schittering van een turkooissteen.). Ieder van de vier cherubs heeft een wiel naast zich. De wielen schitteren als een turkooissteen (zie commentaar bij Ezechiël 1:16).

De wielen zien er allemaal hetzelfde uit, “ze hadden alle vier dezelfde gedaante” (vers 1010En wat betreft het uiterlijk ervan, ze hadden alle vier dezelfde gedaante, alsof het [ene] wiel midden in het [andere] wiel zat.). Dat wijst erop dat er volstrekte eenheid in Gods regering is, dat God altijd volkomen consequent handelt. Dat het lijkt alsof het ene wiel in het midden van het andere wiel zit, wil zeggen dat al Gods regeringshandelingen op volmaakte wijze in elkaar grijpen. Bij Hem staan gebeurtenissen nooit op zichzelf, ze staan nooit los van elkaar. Het een heeft altijd met het ander te maken.

De weg die Hij in Zijn regeringswegen gaat, is onomkeerbaar (vers 1111Wanneer ze gingen, konden ze naar vier zijden gaan. Ze draaiden zich niet om wanneer ze gingen, want naar de plaats waarheen het hoofd zich wendde, [daar] gingen ze heen. Ze draaiden zich niet om wanneer ze gingen.). Zijn doel ligt vast. Hij gaat op Zijn doel af, ook al gaat Hij daarbij vaak wegen die wij niet kunnen begrijpen. Zoals de wielen zich niet draaien als zij gaan, zo hoeft Hij nooit terug te komen op een weg die Hij is gegaan. Hij gaat nooit een verkeerde weg, Hij vergist Zich nooit. Dat mag een grote troost voor ons zijn als we bepaalde dingen in ons leven niet begrijpen, waarom die zo zijn gegaan als ze zijn gegaan. Ze gaan “naar de plaats waarheen het hoofd zich wendde”. Het hoofd stelt onder andere gezag voor (vgl. 1Ko 11:33Maar ik wil dat u weet, dat Christus het Hoofd is van iedere man, en de man [het] hoofd van [de] vrouw, en God [het] Hoofd van Christus.). Dat wijst erop dat ze handelen op gezag van boven.

In Ezechiël 1 hebben we gezien dat de velgen van de cherubs vol ogen zijn. Hier zien we dat hun hele lichaam, “hun rug, hun handen, hun vleugels en de wielen rondom vol ogen zitten” (vers 1212Hun hele lichaam dan, hun rug, hun handen, hun vleugels, en de wielen zaten rondom vol ogen. Alle vier hadden zij hun wielen.). Dat laat ons op nog nadrukkelijker wijze zien dat God de Alwetende is Die met volmaakt inzicht handelt.

“Hun rug” ziet op het verleden. God is niets vergeten van vroeger. Hij heeft volmaakte kennis van en inzicht in het verleden. Zijn handelingen in het heden sluiten daar op aan. Die handelingen zijn morgen weer verleden tijd, maar de uitwerking ervan niet. Ze werken door, ze zijn actief (“hun handen”) in het heden. De handen dragen bij aan het verwerkelijken van de toekomst, het bereiken van het doel dat God voor ogen staat en dat Hij altijd voor de aandacht heeft. Dit wordt gesymboliseerd door “de vleugels en de wielen”. De vier wielen van de cherubs brengen Hem waar Hij heen wil. De vleugels wijzen erop dat Hij alles op aarde vanuit de hemel bestuurt.

De wielen hebben ook een naam, “Galgal” (vers 1313Wat de wielen betreft, ze werden ten aanhoren van mij Galgal genoemd.), dat ‘rad of wiel van een strijdwagen’ betekent (Ez 23:2424Zij zullen over u komen met een leger van strijdwagens en [andere] voertuigen en een menigte volken, grote en kleine schilden en helmen. Van alle kanten zullen zij zich tegen u opstellen. Dan zal Ik hun het strafgericht [in handen] geven en zij zullen u oordelen overeenkomstig hun [eigen] bepalingen.; 26:1010Vanwege de menigte van zijn paarden, zal hun stof u overdekken. Uw muren zullen beven vanwege het geraas van ruiters, wielen en strijdwagens, wanneer hij door uw poorten zal binnentrekken, zoals men een opengebroken stad binnentrekt.; Js 5:2828Hun pijlen zullen scherp zijn,
al hun bogen gespannen,
de hoeven van hun paarden zullen als keisteen beschouwd worden,
de wielen [van] hun [wagens] als een wervelwind.
; Jr 47:33vanwege het geluid van het stampen van de hoeven van zijn machtige [paarden],
vanwege het gedreun van zijn strijdwagens, het ratelen van zijn wielen.
Vaders zien niet om naar [hun] kinderen,
vanwege het verslappen van [hun] handen,
)
. Het is ook wel vertaald met ‘werveling’ wat dan op de snelheid van de beweging ziet, en met ‘raderwerk’ wat dan op de organische eenheid van de troonwagen ziet.

Vervolgens worden de gezichten van de cherubs beschreven (vers 1414Iedere [cherub] had vier gezichten: het eerste gezicht was het gezicht van een cherub, het tweede gezicht het gezicht van een mens, het derde de kop van een leeuw, en het vierde de kop van een arend.), wat ook in Ezechiël 1 gebeurt. Iedere cherub heeft, net als de beschrijving in Ezechiël 1, vier gezichten. Drie gezichten zijn gelijk aan die in Ezechiël 1. Het eerste gezicht dat hier wordt genoemd, “het gezicht van een cherub”, wijkt echter af van de beschrijving in Ezechiël 1, waar we in plaats daarvan het gezicht van een rund hebben. Dat betekent dat het gezicht van een cherub er uitziet als het gezicht van een rund (vers 2222Verder, waar hun gezichten op leken: het waren dezelfde gezichten die ik gezien had bij de rivier de Kebar, hun uiterlijk en zijzelf. Zij gingen ieder recht voor zich uit.).

De levende wezens uit Ezechiël 1 die Ezechiël bij de rivier de Kebar heeft gezien, zijn cherubs (vers 1515Toen verhieven de cherubs zich. Dit was hetzelfde levende wezen dat ik bij de rivier de Kebar gezien had.). Ze worden hier voorgesteld als één levend wezen (“hetzelfde levende wezen”). De profeet ziet dit op het moment dat de cherubs zich verheffen. Hij ziet opnieuw de eenheid tussen de cherubs en hun vleugels en de wielen (verzen 16-1716Wanneer de cherubs gingen, gingen de wielen naast hen mee. Wanneer de cherubs hun vleugels ophieven om zich van de aarde te verheffen, draaiden die wielen ook niet bij hen vandaan.17Wanneer zij stilstonden, stonden die [ook] stil, en wanneer zij verheven werden, verhieven die zich [ook], want de geest van de levende wezens was in hen.; Ez 1:19-2119Wanneer de levende wezens gingen, gingen die wielen naast hen mee, en wanneer de levende wezens werden opgeheven van de aarde, werden [ook] de wielen opgeheven.20Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij, [zij gingen] waar de Geest heen wilde gaan. De wielen werden tegelijk met hen opgeheven, want de Geest van de levende wezens was in die wielen.21Wanneer zij gingen, gingen die [ook]. Wanneer zij stilstonden, stonden die [ook] stil. Wanneer zij van de aarde werden opgeheven, werden de wielen tegelijk met hen opgeheven, want de Geest van de levende wezens was in die wielen.). Deze eenheid betreft zowel hun beweging als hun stilstaan (vers 1717Wanneer zij stilstonden, stonden die [ook] stil, en wanneer zij verheven werden, verhieven die zich [ook], want de geest van de levende wezens was in hen.). Dit komt doordat de geest van de levende wezens ook in de wielen is. Wat de levende wezens bepalen, doen de wielen.


De heerlijkheid van de HEERE vertrekt

18Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan. 19En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen. 20Dit is het levende wezen dat ik gezien had onder de God van Israël bij de rivier de Kebar. Toen wist ik dat het cherubs waren. 21Ieder afzonderlijk had vier gezichten en ieder afzonderlijk had vier vleugels met onder hun vleugels [iets] wat leek op mensenhanden. 22Verder, waar hun gezichten op leken: het waren dezelfde gezichten die ik gezien had bij de rivier de Kebar, hun uiterlijk en zijzelf. Zij gingen ieder recht voor zich uit.

In Ezechiël 1 heeft Ezechiël de troonwagen in Babel gezien. Hier ziet hij de troonwagen in Jeruzalem. Het is alsof de troonwagen komt voorrijden om de heerlijkheid van de HEERE op te halen, zodat Hij daarop plaats kan nemen en kan vertrekken.

Dan gaat de heerlijkheid van de HEERE weg van boven de drempel van het huis en neemt plaats boven de cherubs (vers 1818Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.). Hij neemt Zijn plaats op Zijn troonzetel weer in om door de cherubs naar een volgende halte begeleid te worden (vers 1919En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.). Ezechiël ziet hoe de cherubs hun vleugels opheffen om van de aarde te vertrekken. Hij ziet ook hoe de wielen hetzelfde doen.

Ze vertrekken niet direct naar de hemel. Ze houden eerst halt bij de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE. Daar blijft “de heerlijkheid van de God van Israël”, die zich boven hen bevindt, staan. Het is alsof er terughoudendheid bij God is om Zijn huis te verlaten.

Wat we tot nu toe hebben gezien van het vertrek van de HEERE en nog zullen zien, toont aan dat dit vertrek in etappen gebeurt.
1. Ezechiël ziet de heerlijkheid van de HEERE eerst in de binnenste voorhof (Ez 8:3-43Hij strekte [iets] uit [met] de vorm van een hand en pakte mij bij mijn hoofdhaar. Toen hief de Geest mij op tussen de aarde en de hemel en in visioenen van God bracht Hij mij naar Jeruzalem, naar de ingang van de poort van de binnenste [voorhof] die naar het noorden gekeerd is, waar zich de zetel van het afgodsbeeld van de na-ijver bevond, dat na-ijver oproept.4En zie, daar was de heerlijkheid van de God van Israël, overeenkomstig de verschijning die ik in de vallei gezien had.). De HEERE heeft dan het allerheiligste verlaten.
2. Vervolgens gaat de HEERE naar de drempel van het huis (Ez 9:33De heerlijkheid van de God van Israël verhief zich van boven de cherub waarop Hij rustte, naar de drempel van het huis, en Hij riep naar de Man Die in linnen gekleed was, Die de schrijverskoker aan Zijn middel had.), waar Hij met Zijn heerlijkheid de hele voorhof vervult (Ez 10:3-43De cherubs stonden rechts van het huis toen de Man binnenkwam, en de wolk vervulde de binnenste voorhof.4Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.).
3. Van de drempel verplaatst Hij Zich naar boven de cherubs (Ez 10:1818Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.), om met hen in de richting van de Oostpoort te gaan (Ez 10:1919En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.).
4. Vandaar vertrekt de heerlijkheid van de HEERE via het Kidrondal naar de Olijfberg om daarna volledig te verdwijnen (Ez 11:22-2322Daarna hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen [verhieven zich] tegelijk met hen. En de heerlijkheid van de God van Israël was vanboven over hen.23Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.).

Wanneer de heerlijkheid van de God van Israël is vertrokken, is het volk niet meer Gods volk, maar “Lo-Ammi”, dat is ‘niet Mijn volk’ (Hs 1:99En Hij zei:
Geef hem de naam Lo-Ammi,
want u bent niet Mijn volk
en Ík zal er voor u niet zijn.
)
. Als de Joden na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap de tempel weer opbouwen, keert Gods heerlijkheid er niet in terug. In de Heer Jezus komt Zijn heerlijkheid voor korte tijd terug naar Zijn tempel (Ml 3:11Zie, Ik zend Mijn engel,
die voor Mij de weg bereiden zal.
Plotseling zal naar Zijn tempel komen
die Heere Die u aan het zoeken bent,
de Engel van het verbond,
in Wie u uw vreugde vindt.
Zie, Hij komt,
zegt de HEERE van de legermachten.
; Lk 2:2222En toen de dagen van hun reiniging naar de wet van Mozes waren vervuld, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem aan de Heer voor te stellen)
, maar Hij wordt verworpen en gaat vanaf dezelfde Olijfberg naar de hemel (Hd 1:9-129En terwijl Hij dit zei, werd Hij opgenomen, terwijl zij toekeken, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.10En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij heenging, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleren,11die ook zeiden: Galilese mannen, wat staat u naar de hemel te kijken? Deze Jezus Die van u is opgenomen naar de hemel, zal zó komen, op dezelfde wijze als u Hem naar de hemel hebt zien gaan.12Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, Olijfberg geheten, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis er vandaan.) als vanwaar de heerlijkheid van de HEERE nu voor de ogen van Ezechiël vertrekt, zeshonderd jaar eerder. In het begin van het vrederijk zal Gods heerlijkheid weer tot Zijn tempel terugkeren (Ez 43:1-61Daarop leidde Hij mij naar de poort, de poort die naar het oosten gekeerd was.2En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten, en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid.3En de aanblik van het visioen dat ik zag, was als het visioen dat ik gezien had, toen ik kwam om de stad te gronde te richten. Het waren visioenen als het visioen dat ik aan de rivier de Kebar gezien had. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde].4En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag.5Toen hief de Geest mij op en bracht mij in de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis vervuld.6Daarop hoorde ik Iemand uit het huis met mij spreken, terwijl de Man naast mij bleef staan,).

Nadat Ezechiël alles heeft gezien, weet hij dat de levende wezens die hij heeft gezien, cherubs zijn (vers 2020Dit is het levende wezen dat ik gezien had onder de God van Israël bij de rivier de Kebar. Toen wist ik dat het cherubs waren.). Hij is een goede waarnemer met verlangen om te begrijpen wat de HEERE hem laat zien. Zo’n verlangen beloont Hij met inzicht in Zijn Woord en Zijn wegen. Ezechiël bevestigt hoe iedere cherub er afzonderlijk uitziet (vers 2121Ieder afzonderlijk had vier gezichten en ieder afzonderlijk had vier vleugels met onder hun vleugels [iets] wat leek op mensenhanden.). Het zijn dezelfde gezichten die hij bij de rivier de Kebar heeft gezien. Dit betreft zowel hun uiterlijk als hun wezen en de rechte weg die zij gaan (vers 2222Verder, waar hun gezichten op leken: het waren dezelfde gezichten die ik gezien had bij de rivier de Kebar, hun uiterlijk en zijzelf. Zij gingen ieder recht voor zich uit.).


Lees verder