Ezechiël
1-3 De hemel wordt geopend 4-14 De levende wezens 15-21 De wielen en hun beweging 22-25 Onder het gewelf 26-28 Boven het gewelf
De hemel wordt geopend

1In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het [dat] de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien. 2Op de vijfde van de maand – het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin – 3kwam het woord van de HEERE uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar, en de hand van de HEERE was daar op hem.

De woordvolgorde van vers 11In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het [dat] de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien. is in de oorspronkelijke tekst iets anders dan in de hier gebruikte HSV. Het boek begint in de oorspronkelijke tekst met “en het gebeurde”. Dat legt de nadruk op een activiteit, het handelen van God.

Voordat wordt gezegd wat er gebeurt, wat God doet, volgt eerst een tijdsaanduiding (vers 11In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het [dat] de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien.). [NB In het boek komen dertien nauwkeurige tijdsaanduidingen voor (Ez 1:1-31In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het [dat] de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien.2Op de vijfde van de maand – het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin –3kwam het woord van de HEERE uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar, en de hand van de HEERE was daar op hem.; 8:11Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Heere HEERE op mij viel.; 20:11Het gebeurde in het zevende jaar, in de vijfde [maand], op de tiende van de maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen om de HEERE te raadplegen, en zij gingen vóór mij zitten.; 24:11Het woord van de HEERE kwam tot mij in het negende jaar in de tiende maand, op de tiende van de maand:; 26:11Het gebeurde in het elfde jaar, op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:; 29:11Het woord van de HEERE kwam tot mij in het tiende jaar, in de tiende [maand], op de twaalfde van de maand:; 29:1717Verder gebeurde het in het zevenentwintigste jaar, in de eerste [maand], op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:; 30:2020Het gebeurde in het elfde jaar, in de eerste [maand], op de zevende van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:; 31:11Het gebeurde in het elfde jaar, in de derde [maand], op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:; 32:11Het gebeurde in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand, op de eerste van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:; 32:1717Het gebeurde in het twaalfde jaar, op de vijftiende [dag] van de maand, [dat] het woord van de HEERE tot mij kwam:; 33:2121Het gebeurde in het twaalfde jaar van onze ballingschap, in de tiende [maand], op de vijfde van de maand, [dat] er iemand die uit Jeruzalem ontkomen was, naar mij toe kwam en zei: De stad is verslagen.; 40:11In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, aan het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad was verslagen, op diezelfde dag was de hand van de HEERE op mij en bracht Hij mij erheen.)]. Dat is de datering van de roeping van Ezechiël tot profeet. Het is een onbepaalde tijdsaanduiding: “In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand. Er staat bijvoorbeeld niet bij dat het gaat om het dertigste jaar van een koning. Deze tijdsaanduiding is op verschillende manieren verklaard. De eenvoudigste, meest voor de hand liggende verklaring is dat het bij “het dertigste jaar” om de leeftijd van Ezechiël gaat.

Deze verklaring wordt ondersteund door het feit dat dertig jaar een leeftijd is waarop iemand priesterdienst mag gaan uitoefenen (Nm 4:1-3,231De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron:2Neem het aantal op van de nakomelingen van Kahath, uit het midden van de nakomelingen van Levi, [ingedeeld] naar hun geslachten [en] naar hun families,3van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, ieder die tot de dienst verplicht is, om het werk in de tent van ontmoeting te verrichten.23Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, moet u hen tellen, ieder die binnenkomt om nauwgezet dienst te doen, om de dienst in de tent van ontmoeting te verrichten.). Ezechiël behoort tot een priestergeslacht (vers 33kwam het woord van de HEERE uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar, en de hand van de HEERE was daar op hem.). Hij bevindt zich echter niet in Jeruzalem om daar in de tempel het bijzondere voorrecht van priesterdienst uit te oefenen, maar in ballingschap buiten het land.

Dat zal voor hem een bijzondere beproeving zijn geweest. Uit alles wat we van hem weten, zien we zijn innige omgang met God. Voor zo iemand leeft sterk de wens die de zonen van Korach uitspreken: “Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend [elders]; ik verkoos liever te staan op de drempel van het huis van mijn God dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid” (Ps 84:1111Want één dag in Uw voorhoven
is beter dan duizend [elders];
ik verkoos liever te staan op de drempel van het huis van mijn God
dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid.
)
. God heeft echter andere plannen met hem: Hij roept hem tot profeet.

Dan worden we geïnformeerd over de plaats van handeling. De schrijver van het boek zegt dat hij “te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar” is. Vers 33kwam het woord van de HEERE uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar, en de hand van de HEERE was daar op hem. verduidelijkt dat de rivier de Kebar “in het land van de Chaldeeën” is. Het gebruik van het woord “ik” maakt duidelijk dat de schrijver van het boek niemand anders is dan de profeet die de visioenen te zien krijgt: Ezechiël.

Ezechiël is daar, aan de rivier de Kebar, “te midden van de ballingen”. Hij is daar dus samen met andere ballingen. Hij mag dan priester zijn, zijn lot en zijn omstandigheden zijn daardoor niet anders. Hij deelt in de gevolgen van de totale ontrouw van het volk. God legt geen speciale bescherming rondom trouwe gelovigen als het gaat om tucht die Hij over het geheel brengt. Wat Hij wel in die omstandigheden doet, is de trouwe gelovigen steeds meer aan Zichzelf verbinden. Hij helpt hen om niet te bezwijken en gebruikt hen tot een getuigenis voor hun naasten, voor gelovigen én ongelovigen.

Op de vijfde dag van de vierde maand van het jaar waarin Ezechiël dertig is geworden – als de veronderstelling juist is dat het om zijn leeftijd gaat –, wordt in Babel voor hem “de hemel geopend” (vgl. Mt 3:1616Nadat nu Jezus was gedoopt, steeg Hij terstond op uit het water; en zie, de hemelen werden <Hem> geopend, en Hij zag <de> Geest van God neerdalen als een duif <en> op Zich komen;; Hd 7:5656en zei: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande aan Gods rechterhand.; 10:1111En hij zag de hemel geopend en een voorwerp neerdalen als een groot laken, dat aan [de] vier hoeken op de aarde werd neergelaten;; Op 4:11Hierna zag ik, en zie, een deur was geopend in de hemel, en de eerste stem die ik gehoord had als van een bazuin, die met mij sprak, zei: Kom hier op en Ik zal u tonen wat hierna moet gebeuren.; 19:1111En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard, en Hij Die daarop zit, <heet> Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert oorlog in gerechtigheid.) en krijgt hij “visioenen van God” te zien. Zijn oog wordt geopend voor wat een natuurlijk mens niet kan zien. De onzichtbare wereld wordt zichtbaar voor hem, zodat hij kan zien wat daar gebeurt.

Het dertigste jaar komt overeen met “het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin” (vers 22Op de vijfde van de maand – het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin –). Het is dus ook het vijfde jaar van de ballingschap van Ezechiël. Jojachin is na een regering van slechts drie maanden en tien dagen door Nebukadrezar naar Babel gebracht (2Kr 36:9-109Jojachin was acht jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden en tien dagen in Jeruzalem. Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.10Bij het aanbreken van het nieuwe jaar stuurde koning Nebukadnezar [een leger] en liet hem naar Babel brengen met de kostbare voorwerpen van het huis van de HEERE. En hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.). Dat is de wegvoering die rond 597 v.Chr. heeft plaatsgevonden.

Als Ezechiël vijf jaar in ballingschap is, komt op de nog eens nauwkeurig gedateerde dag – “de vijfde van de maand” (verzen 1,21In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het [dat] de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien.2Op de vijfde van de maand – het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin –)“het woord van de HEERE uitdrukkelijk” tot hem (vers 33kwam het woord van de HEERE uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar, en de hand van de HEERE was daar op hem.). Terwijl hij visioenen van God te zien krijgt, spreekt de HEERE in duidelijke, niet mis te verstane taal tot hem. Wat hij te horen krijgt, onderstreept dat wat hij in de visioenen ziet, werkelijkheid is en geen inbeelding. Tevens wordt de bron van de dienst van Ezechiël ondubbelzinnig vastgesteld. Hij heeft geen enkele inbreng in zijn roeping. De visioenen komen van God, de Almachtige (vers 11In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het [dat] de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien.). Het woord komt “van de HEERE”, de naam van God in verbinding met de mens en in het bijzonder met Zijn volk.

Het woord komt “tot Ezechiël”. Hier noemt hij voor de eerste keer zijn naam, nadat hij in vers 11In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het [dat] de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien. tweemaal over “ik” heeft gesproken. Verder wordt in dit boek zijn naam alleen nog in Ezechiël 24:24 genoemd. Ezechiël heeft – in overeenstemming met de betekenis van zijn naam – de kracht van God door de Geest op bijzondere wijze tijdens zijn dienst ervaren.

Ezechiël is “de zoon van Buzi, de priester”. Van Buzi (betekent ‘veracht’, ‘versmaad’) is niets bekend dan alleen wat hier van hem staat, dat is zijn naam en zijn dienst. Hier zien we dat Ezechiël tot een geslacht van priesters behoort, net als zijn tijdgenoot Jeremia (Jr 1:11De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters die in Anathoth waren, in het land van Benjamin.). Daarin ligt ongetwijfeld de reden van het feit dat Jeruzalem en alles wat met de tempel en de offerdienst te doen heeft een centrale rol in zijn boek spelen. Hij is priester in hart en nieren.

Terwijl Ezechiël “in het land van de Chaldeeën bij de rivier Kebar” is, komt “de hand van de HEERE” op hem. Het land van de Chaldeeën is de landstreek rondom Babel. De Chaldeeën vormen de kern van het Babylonische rijk. In het vreemde land komt de hand van de HEERE op hem om hem in te leiden in Zijn gedachten. Hij wordt gegrepen door die hand en komt daardoor onder de macht en invloed van de Geest van God (Ez 3:14,2214Toen hief de Geest mij op en voerde mij weg en ik ging weg, bitter bedroefd en hevig ontdaan, en de hand van de HEERE was zwaar op mij.22De hand van de HEERE was daar op mij en Hij zei tegen mij: Sta op, vertrek naar de vallei en daar zal Ik met u spreken.; 8:11Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Heere HEERE op mij viel.; 33:2222Nu was de hand van de HEERE 's avonds op mij geweest, voordat de ontkomene aangekomen was. Hij had mijn mond geopend voordat hij 's morgens bij mij gekomen was. Zo werd mijn mond geopend en was ik niet langer stom.; 37:11De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.; 40:11In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, aan het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad was verslagen, op diezelfde dag was de hand van de HEERE op mij en bracht Hij mij erheen.). Zo wordt hij een instrument voor het meedelen van de waarheid van God en wordt hij ervoor bewaard zijn eigen gedachten mee te delen. De hand van de Heer kan ook ten oordeel op iemand zijn (Hd 13:1111En nu, zie, [de] hand van [de] Heer is op je, en je zult blind zijn en voor een tijd de zon niet zien. En onmiddellijk viel donkerheid en duisternis op hem, en hij ging rond en zocht [mensen] die hem bij de hand konden leiden.).

Het moet voor Ezechiël een grote bemoediging zijn geweest, nadat hij al zo’n lange tijd in Babel is, een blik in en een woord uit de hemel te krijgen. Hij zal dat ook nooit hebben verwacht, vertrouwd als hij is met de gedachte dat God in de tempel in Jeruzalem woont. Daar is hij ver van verwijderd. Maar God is niet gebonden aan plaats en tijd en maakt Zich bekend aan ieder van wie het hart naar Hem uitgaat. Hij geeft Ezechiël inzage in Zijn werk, dat doorgaat ondanks de ontrouw van Zijn volk. Hierdoor leert Ezechiël om boven de omstandigheden van het moment uit te stijgen en de dingen die op aarde gebeuren te bezien vanuit Gods perspectief.

De rest van het hoofdstuk is gewijd aan het visioen dat Ezechiël van de heerlijkheid van de HEERE ziet (vers 2828Zoals het uiterlijk van de regenboog, die in de wolken [verschijnt] op de dag van de regen, zo was het uiterlijk van de lichtglans rondom. Het was de verschijning van de gedaante van de heerlijkheid van de HEERE. Toen ik dat zag, wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde], en ik hoorde de stem van Iemand Die sprak.; vgl. Js 6:1-31In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.2Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte [ieder] zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
3De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
)
. Naar dit visioen wordt ook in Ezechiël 10-11 verwezen. De profeet probeert dit visioen waarmee zijn dienst als profeet wordt ingewijd te beschrijven. De woorden die hij gebruikt om te beschrijven wat hij ziet, maken duidelijk dat een volledige beschrijving de mogelijkheden van de menselijke taal te boven gaat.


De levende wezens

4Toen zag ik, en zie, een stormwind kwam uit het noorden, een grote wolk, flitsend vuur en een lichtglans eromheen. En uit het midden ervan [kwam] iets als de schittering van edelmetaal, uit het midden van het vuur. 5Uit het midden daarvan [kwam] een gedaante van vier levende wezens. Dit was hun uiterlijk: zij hadden de gedaante van een mens. 6Ieder afzonderlijk had vier gezichten en ieder afzonderlijk van hen had vier vleugels. 7Hun voeten waren rechte voeten en hun voetzolen waren als de voetzolen van een kalf, glinsterend als de schittering van gepolijst koper. 8Aan hun vier zijden, onder hun vleugels, waren mensenhanden. Wat betreft hun gezichten en hun vleugels [gold] van alle vier: 9Hun vleugels raakten elkaar. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen, zij gingen ieder recht voor zich uit. 10Hun gezicht leek op het gezicht van een mens, bij alle vier van rechts op de kop van een leeuw, bij alle vier van links op de kop van een rund, en alle vier hadden zij de kop van een arend. 11Hun gezichten en hun vleugels waren naar boven uitgestrekt. Ieder had twee vleugels die elkaar raakten, en ieder had twee [vleugels] die hun lichaam bedekten. 12Zij gingen ieder recht voor zich uit. Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen. 13Wat de gedaante van de levende wezens betreft: hun uiterlijk was als brandende kolen in het vuur, als het uiterlijk van fakkels. Dat [vuur] ging heen en weer tussen de levende wezens. Het vuur had lichtglans en uit het vuur schoot een bliksem. 14En de levende wezens schoten heen en weer als een bliksemschicht.

De visioenen beschrijven de heerlijkheid van de HEERE op Zijn troon. Een troon is het centrum van regering, wat betekent dat Ezechiël de HEERE in Zijn regering ziet. De troon heeft de vorm van een wagen, waardoor we kunnen spreken van de troonwagen van God. Menselijke woorden schieten tekort om God en Zijn regering te kunnen beschrijven. Vandaar dat Ezechiël steeds vergelijkingen maakt die hij laat voorafgaan door uitdrukkingen als “iets als” of “de gedaante van” of “leek op”. Zelfs de vergelijking blijft vaag. Hoe zouden mensen ook de heerlijkheid van de eeuwige, oneindige God ten volle kunnen omschrijven?

God rijdt op Zijn troonwagen door de geschiedenis. Hij houdt de geschiedenis in Zijn hand, zowel die van Zijn volk als die van Babel en elk ander volk. Als de troonwagen al zo heerlijk is, hoe groot is dan de heerlijkheid van Hem Die daarop troont. Geen macht kan die wagen tegenhouden. Gods Geest bepaalt de weg.

De beschrijving begint met de regering van God om aan Ezechiël en ons te laten zien dat God boven alles staat en dat Hij nooit de controle over de gebeurtenissen verliest. Alles ligt vast in Zijn handen, ook al worden wij, die vaak alleen “onder de zon” (Pr 1:99Wat er geweest is, dat zal er [weer] zijn.
Wat er plaatsvindt, dat zal [weer] plaatsvinden.
Er is niets nieuws onder de zon.
)
kijken, wel eens door twijfel en vrees overvallen. Dit besef kan iedereen troosten die in moeilijke omstandigheden is.

Het eerste wat Ezechiël ziet als de hemel is opengegaan, is een stormwind uit het noorden (vers 44Toen zag ik, en zie, een stormwind kwam uit het noorden, een grote wolk, flitsend vuur en een lichtglans eromheen. En uit het midden ervan [kwam] iets als de schittering van edelmetaal, uit het midden van het vuur.). De stormwind uit het noorden is het symbool voor het leed dat vijanden uit het noorden over Israël brengen (vgl. Jr 1:1414Toen zei de HEERE tegen mij:
Vanuit het noorden zal het onheil losbreken
over al de inwoners van het land.
)
, maar dat doen als een oordeel dat van God komt (Ez 13:11-1311Zeg tegen hen die met kalk bepleisteren, dat hij omvallen zal. Er komt een [alles] wegspoelende regen en u, hagelstenen, u zult neervallen en er zal een stormwind losbarsten.12Zie, als de muur omvalt, zal [dan] tegen u niet gezegd worden: Waar is de pleisterlaag die u aangebracht hebt?13Daarom, zo zegt de Heere HEERE: In Mijn grimmigheid zal Ik een stormwind doen losbarsten, in Mijn toorn zal er een [alles] wegspoelende regen komen, en hagelstenen in grimmigheid, tot een [vernietigend] einde.). Door de storm spreekt Hij tot Zijn volk (Ps 50:33Onze God komt en zal niet zwijgen;
voor Zijn aangezicht verteert een vuur,
rondom Hem stormt het geweldig.
)
.

Omdat de storm van God komt, is het niet alleen een oordelende stormwind. Er is ook “een grote wolk”, wat wijst op de heerlijkheid van de HEERE. Hij is in het oordeel aanwezig. Hoewel er flitsend vuur van oordeel uit komt, is er een “lichtglans” omheen. Die lichtglans wordt veroorzaakt door iets wat doet denken aan “de schittering van edelmetaal” die “uit het midden van het vuur” komt (vgl. vers 2727Toen zag ik [iets] als de schittering van edelmetaal, rondom van binnen als het uiterlijk van vuur. Vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar boven, en vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden, zag ik [iets] als het uiterlijk van vuur met een lichtglans eromheen.; Ez 8:22Ik zag, en zie, een gedaante [met] een uiterlijk als van vuur: vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden toe, was vuur, en [het deel] vanaf Zijn heupen naar boven was als een glanzend uiterlijk, als de schittering van edelmetaal.).

Het tafereel laat zien dat het oordeel uit het noorden van God komt, dat het van Hem uitgaat. De vijand dient het plan van God en kan niets doen dan alleen wat God wil. De “lichtglans eromheen” laat zien dat God de grens van het oordeel bepaalt. Hij verzoekt niet boven vermogen (1Ko 10:1313U heeft geen verzoeking getroffen dan menselijke; en God is getrouw, Die niet zal toelaten dat u verzocht wordt boven wat u kunt [verdragen]; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen.).

De uitdrukking “schittering van edelmetaal” komt nog twee keer voor in het Oude Testament, beide keren in dit boek (Ez 1:2727Toen zag ik [iets] als de schittering van edelmetaal, rondom van binnen als het uiterlijk van vuur. Vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar boven, en vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden, zag ik [iets] als het uiterlijk van vuur met een lichtglans eromheen.; 8:22Ik zag, en zie, een gedaante [met] een uiterlijk als van vuur: vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden toe, was vuur, en [het deel] vanaf Zijn heupen naar boven was als een glanzend uiterlijk, als de schittering van edelmetaal.). Het is de beschrijving van een kenmerk van Hem Die op de troon zit en regeert en daarbij een volkomen zuiver, onbuigzaam oordeel uitvoert. Vuur is een beeld van Gods oordeel. Het vuur verteert alles wat niet in overeenstemming is met Gods gerechtigheid. In het oordeel schittert Zijn gerechtigheid.

We zien in de beschrijving behalve diverse kenmerken of eigenschappen van God ook dat het een uit het ander voortkomt. Dat de schittering van edelmetaal uit het midden van het vuur komt, kan ook op de gelovige worden toegepast. God wil in het leven van de Zijnen bewerken dat Zijn eigenschappen in hen zichtbaar worden. In dit verband kunnen we zeggen dat Hij erop uit is de Zijnen als edelmetaal te maken, als mensen die Zijn beeld weerspiegelen. Daartoe bestuurt Hij alles. Hij werkt eraan dat alles uit ons leven verdwijnt wat die schittering bedekt (Hb 12:1010Zij tuchtigden [ons] wel voor weinige dagen, naar het hun goed dacht, maar Hij tot ons nut, opdat wij aan Zijn heiligheid deel zouden krijgen.; 1Pt 1:6-76Daarin verheugt u zich, zo nodig nu een korte tijd bedroefd door allerlei verzoekingen,7opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij [de] openbaring van Jezus Christus.).

Dan verschijnt er uit het midden van het vuur “een gedaante van vier levende wezens” (vers 55Uit het midden daarvan [kwam] een gedaante van vier levende wezens. Dit was hun uiterlijk: zij hadden de gedaante van een mens.; Op 4:6-96En vóór de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En in [het] midden van de troon en rond de troon vier levende wezens, vol ogen van voren en van achteren.7En het eerste levende wezen was een leeuw gelijk, en het tweede levende wezen een kalf gelijk, en het derde levende wezen had het gezicht als <van> een mens, en het vierde levende wezen was een vliegende arend gelijk.8En de vier levende wezens hadden elk afzonderlijk zes vleugels, rondom en van binnen waren zij vol ogen en zij hebben geen rust, dag en nacht, en zeggen: Heilig, heilig, heilig, Heer, God de Almachtige, Die was en Die is en Die komt.9En wanneer de levende wezens heerlijkheid en eer en dankzegging zullen geven aan Hem Die op de troon zit, Die leeft tot in alle eeuwigheid,; 5:6-11,146En ik zag in [het] midden van de troon en van de vier levende wezens en in [het] midden van de oudsten een Lam staan als geslacht; Het had zeven horens en zeven ogen, welke zijn de <zeven> Geesten van God, uitgezonden over de hele aarde.7En Het kwam en nam [het boek] uit de rechterhand van Hem Die op de troon zat.8En toen Het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen.9En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,10en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren.11En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rond de troon en de levende wezens en de oudsten, en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen,14En de vier levende wezens zeiden: Amen. En de oudsten vielen neer en aanbaden.; 6:1-71En ik zag, toen het Lam een van de zeven zegels opende, en ik hoorde een van de levende wezens zeggen als een stem van een donderslag: Kom!2En ik zag en zie, een wit paard, en hij die erop zat had een boog, en hem werd een kroon gegeven, en hij trok uit overwinnend en om te overwinnen.3En toen het [Lam] het tweede zegel opende, hoorde ik het tweede levende wezen zeggen: Kom!4En een ander paard, vuurrood, trok uit; en hem die erop zat werd gegeven de vrede van de aarde weg te nemen en [te maken] dat zij elkaar zouden slachten, en hem werd een groot zwaard gegeven.5En toen het [Lam] het derde zegel opende, hoorde ik het derde levende wezen zeggen: Kom! En ik zag en zie, een zwart paard, en hij die erop zat had een weegschaal in zijn hand.6En ik hoorde als een stem in [het] midden van de vier levende wezens zeggen: Een rantsoen tarwe voor een denaar en drie rantsoenen gerst voor een denaar; en breng geen schade toe aan de olie en de wijn.7En toen het [Lam] het vierde zegel opende, hoorde ik [de] stem van het vierde levende wezen zeggen: Kom!; 7:1111En alle engelen stonden rond de troon en de oudsten en de vier levende wezens, en zij vielen op hun gezicht neer voor de troon en aanbaden God; 14:33En zij zingen <als> een nieuw lied vóór de troon en vóór de vier levende wezens en de oudsten; en niemand kon het lied leren dan de honderdvierenveertigduizend die van de aarde gekocht waren.; 15:77En een van de vier levende wezens gaf aan de zeven engelen zeven gouden schalen, vol met de grimmigheid van God Die leeft tot in alle eeuwigheid.; 19:44En de vierentwintig oudsten en de vier levende wezens vielen neer en aanbaden God Die op de troon zat en zeiden: Amen, halleluja!). Het betreft hier cherubs (Ez 10:15,1915Toen verhieven de cherubs zich. Dit was hetzelfde levende wezen dat ik bij de rivier de Kebar gezien had.19En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich voor mijn ogen bij hun vertrek van de aarde, en de wielen tegelijk met hen. [Ieder] stond stil [bij] de ingang van de Oostpoort van het huis van de HEERE, met de heerlijkheid van de God van Israël van bovenaf boven hen.), dat zijn machtige wezens die als opdracht hebben te waken over de heiligheid, majesteit en heerschappij van God (vgl. Gn 3:2424Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.; Ps 99:11De HEERE regeert; laten de volken sidderen.
Hij troont tussen de cherubs; laat de aarde beven.
; Hb 9:55en daarboven de cherubs van [de] heerlijkheid die het verzoendeksel overschaduwden; het is niet mogelijk hierover nu in bijzonderheden te spreken.)
.

De algemene aanblik van de wezens is dat ze “de gedaante van een mens” hebben. Dat laat enerzijds zien dat Gods regering door een Mens, de Zoon des mensen, wordt uitgevoerd (Jh 5:2727en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.). Anderzijds is Gods regering gericht op de mens en doet Hij wat past bij de mens, opdat deze zal beantwoorden aan Zijn doel. De Zoon, Die Mens is geworden, heeft op volmaakte wijze beantwoord aan wat God van de mens vraagt. Voor ons, mensen, is dat een grote genade. We mogen weten dat we worden geregeerd door de levende God Die als Mens niet dichter bij ons kan komen.

In onze tijd zijn twee ontwikkelingen te zien die de mens zijn menselijkheid ontnemen. De eerste ontwikkeling is de ‘ontmenselijking’ van de mens, dat wil zeggen dat de mens zich steeds beestachtiger en steeds meer mechanisch gaat gedragen. De tweede ontwikkeling is dat de computer steeds ‘menselijker’ wordt gemaakt. God heeft ons laten zien welke waarde de mens voor Hem heeft door in Christus Mens te worden. Hij laat de waarde van de mens ook in het oordeel zien dat Hij over hem voltrekt.

Ieder van de wezens heeft “vier gezichten” (vers 66Ieder afzonderlijk had vier gezichten en ieder afzonderlijk van hen had vier vleugels.). Bij de mens is het ‘gezicht’ het voornaamste onderdeel van het lichaam, want daaraan kan men elkaar als individu herkennen. Daarnaast kan men aan bepaalde gezichtsuitdrukkingen vaak gevoelens aflezen (Gn 31:22Ook lette Jakob op het gezicht van Laban, en zie, het stond ten opzichte van hem niet [meer] als voorheen.). We kennen het gezegde: Zijn gezicht spreekt boekdelen. In de “vier gezichten” die ieder van de vier wezens heeft, laat God zien op welke wijze Hij regeert en wat Zijn bedoelingen daarmee zijn.

Ieder van hen heeft ook “vier vleugels”. Bij ‘vleugels’ kunnen we denken aan bewegingsvrijheid. Vogels gebruiken hun vleugels om zich los van en boven de aarde te verplaatsen. Vleugels spreken ervan dat Gods handelen verheven is en door niets op aarde kan worden tegengehouden. De vleugels laten zien dat de levende wezens in Gods nabijheid kunnen komen (vgl. Ex 19:44U hebt zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en [hoe] Ik u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht heb.). Ze spreken ook van bescherming, veiligheid, geborgenheid (Ps 91:44Hij zal u beschutten met Zijn vlerken,
onder Zijn vleugels zult u de toevlucht nemen,
Zijn trouw is een schild en een pantser.
; Op 12:1414En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven, opdat zij in de woestijn zou vliegen naar haar plaats, waar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd, buiten [het] gezicht van de slang.; Ru 2:1212Moge de HEERE uw daad vergelden, en moge uw loon volkomen zijn van de HEERE, de God van Israël, onder Wiens vleugels u gekomen bent om toevlucht te nemen.).

“Hun voeten waren rechte voeten”, wat wil zeggen dat hun wandel of de weg die zij gaan om Gods recht te handhaven, nooit kronkelend, maar – in tegenstelling tot de wandel van de mens – altijd kaarsrecht is (vers 77Hun voeten waren rechte voeten en hun voetzolen waren als de voetzolen van een kalf, glinsterend als de schittering van gepolijst koper.). Niemand kan Hem van Zijn doel doen afwijken. De “voetzolen als de voetzolen van een kalf” zien op de volharding (waarvan het kalf een symbool is) waarmee God Zijn weg gaat.

Het “gepolijst koper” spreekt van Gods gerechtigheid. Dat is af te leiden uit de geschiedenis van het oordeel over Korach, Dathan en Abiram (Numeri 16). De opstandelingen komen om door het vuur van Gods oordeel, maar de koperen vuurschalen worden er niet door verteerd (Nm 16:3939Eleazar, de priester, nam de koperen vuurschalen waarmee zij die verbrand waren, geofferd hadden, en zij pletten ze [om] als beslag van het altaar [te dienen],). Zo is Gods gerechtigheid bestand tegen Zijn oordelen. Zijn oordelen zijn altijd rechtvaardig, en als Hij oordeelt, glinstert en schittert Zijn heerlijkheid.

“Onder hun vleugels”, die zij “aan hun vier zijden” hebben, dat wil zeggen naar alle windrichtingen, bevinden zich “mensenhanden” (vers 88Aan hun vier zijden, onder hun vleugels, waren mensenhanden. Wat betreft hun gezichten en hun vleugels [gold] van alle vier:). Handen zien op werken, iets doen. Het zijn hier ‘mensenhanden’, waaraan we zien dat hun snelle handelingen plaatsvinden op een voor mensen gebruikelijke wijze. Het kan ook zijn dat dit betekent dat zij mensen gebruiken voor het uitvoeren van hun dienst.

Dan worden “hun gezichten en hun vleugels” nader beschreven. De beschrijving geldt “van alle vier”. Dat wordt gezegd “hun vleugels raakten elkaar” (vers 99Hun vleugels raakten elkaar. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen, zij gingen ieder recht voor zich uit.), lijkt erop te wijzen dat zij een kring vormen, zoals wij doen als we met vier mensen hand in hand staan en zo een kring vormen. Het toont aan dat ze een eenheid vormen. Die eenheid tonen ze ook in de weg die ze gaan. Zonder zich om te draaien gaan zij “ieder recht voor zich uit”. Dat laat zien dat Gods regering doorgaat en dat Hij niet op zaken terugkomt als ze eenmaal uitgevoerd zijn. Hij hoeft ook nooit op iets terug te komen of iets terug te nemen, want Zijn regering is altijd volmaakt. Tot die erkenning zullen wij altijd komen (vgl. Ez 14:22-2322zie, dan zullen er [toch] in overblijven die ontkomen, [en] die naar buiten gebracht zullen worden, zonen en dochters. Zie, zij zullen naar u uittrekken en u zult hun weg en hun daden zien. Dan zult u getroost worden over het onheil dat Ik over Jeruzalem gebracht heb, al wat Ik over haar gebracht heb.23Zo zullen zij u troost geven als u hun weg en hun daden zult zien. Dan zult u weten dat Ik al wat Ik er gedaan heb, niet zonder reden gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.).

Het gezicht van de levende wezens heeft vier kenmerken (vers 1010Hun gezicht leek op het gezicht van een mens, bij alle vier van rechts op de kop van een leeuw, bij alle vier van links op de kop van een rund, en alle vier hadden zij de kop van een arend.; vgl. Op 4:77En het eerste levende wezen was een leeuw gelijk, en het tweede levende wezen een kalf gelijk, en het derde levende wezen had het gezicht als <van> een mens, en het vierde levende wezen was een vliegende arend gelijk.). Deze vier kenmerken komen overeen met de vier groepen levende wezens die God in Genesis 1 schept: de mens, de wilde dieren, het vee en de gevleugelde vogels.

1. Het eerste kenmerk van het gezicht is dat het lijkt “op het gezicht van een mens”. De mens is geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God (Ps 8:6-96Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen
en hem met eer en glorie gekroond.
7U doet hem heersen over de werken van Uw handen,
U hebt alles onder zijn voeten gelegd:
8schapen en runderen, die allemaal,
en ook de dieren van het veld,
9de vogels in de lucht en de vissen in de zee,
al wat over de paden van de zeeën gaat.
)
. De wezens hebben de gedaante van een mens (vers 55Uit het midden daarvan [kwam] een gedaante van vier levende wezens. Dit was hun uiterlijk: zij hadden de gedaante van een mens.), handen van een mens (vers 66Ieder afzonderlijk had vier gezichten en ieder afzonderlijk van hen had vier vleugels.) en hier lezen we dat hun gezicht lijkt op het gezicht van een mens.
2. Een volgend kenmerk is dat de gezichten van de wezens als we die “van rechts” bezien, lijken “op de kop van een leeuw”. Het Oude Testament tekent de leeuw als een dier vol kracht (2Sm 1:2323Saul en Jonathan, bemind en geliefd in hun leven,
in hun dood niet gescheiden,
waren sneller dan arenden, sterker dan leeuwen.
)
en met een dapper hart (2Sm 17:1010Dan zal zelfs iemand die een dapper man is, van wie het hart als dat van een leeuw is, beslist smelten [van angst], want heel Israël weet dat uw vader een held is en dat [zij] die bij hem zijn, dappere mannen zijn.). Hij jaagt met zijn gebrul angst aan en hij verscheurt zijn tegenstanders (Ps 22:1414Zij hebben hun muil tegen mij opengesperd
[als] een verscheurende en brullende leeuw.
)
.
3. Het derde kenmerk is dat hun gezicht “van links” bezien “op de kop van een rund” lijkt. Het rund wordt gekenmerkt door horens en gespleten hoeven (vgl. vers 77Hun voeten waren rechte voeten en hun voetzolen waren als de voetzolen van een kalf, glinsterend als de schittering van gepolijst koper.). De mensen gebruiken het rund om lasten te dragen en bij het ploegen. Het rund kent zijn eigenaar (Js 1:33Een rund kent zijn bezitter
en een ezel de kribbe van zijn eigenaar,
[maar] Israël heeft geen kennis,
Mijn volk heeft geen inzicht.
)
. Bij de opsomming van het vee wordt het rund meestal als eerste genoemd (denk aan de uitdrukking ‘os en ezel’) als het meest waardevolle dier op de boerderij.
4. Ten slotte hebben ze “alle vier … de kop van een arend”. De arend spreekt van snelheid (2Sm 1:2323Saul en Jonathan, bemind en geliefd in hun leven,
in hun dood niet gescheiden,
waren sneller dan arenden, sterker dan leeuwen.
; Jb 9:2626Zij zijn voorbijgegaan als boten van riet,
zoals een arend op voedsel afvliegt.
; Jr 4:1313Zie, als wolken komt [de vijand] opzetten,
als een wervelwind komen zijn wagens,
sneller dan arenden zijn zijn paarden.
Wee ons, want wij worden verwoest!
; Kl 4:1919Onze vervolgers waren sneller /koph/
dan arenden in de lucht!
Op de bergen achtervolgden zij ons fel,
in de woestijn legden zij een hinderlaag voor ons.
)
en het vermogen om op te stijgen naar de hemel (Jb 39:3030Is het op uw bevel dat de arend zich verheft,
en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?
; Js 40:3131maar wie de HEERE verwachten, zullen [hun] kracht vernieuwen,
zij zullen [hun] vleugels uitslaan als arenden,
zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,
zij zullen lopen en niet moe worden.
)
. De arend heeft een scherp zicht (Jb 39:3232Daarvandaan speurt hij naar voedsel;
zijn ogen zien van veraf.
)
.

Vermeldenswaard is nog wat over de vier levende wezens in een oud rabbijns commentaar, de zogeheten Midrasj, wordt opgemerkt (in diverse commentaren wordt deze opmerking aangehaald):

1. De mens is verheven boven alle schepselen.
2. De leeuw is verheven boven alle wilde dieren.
3. Het rund is verheven boven alle vee.
4. De arend is verheven boven alle vogels.

Het onderstreept dat al het geschapene, hoe verheven ook onder hun gelijke, aan God onderworpen is.

Deze vier kenmerken zien we ook terug in de vier beschrijvingen die we van de Heer Jezus in de evangeliën hebben. De leeuw wijst op de Koning, over Wie Mattheüs schrijft. Het rund doet denken aan de volhardende dienst, die we in de Heer Jezus als de ware Dienaar zien en over Wie Markus schrijft. Het gezicht van een mens komt overeen met de volkomen Mens Die ons door Lukas wordt voorgesteld. De arend ten slotte is het symbool voor de Zoon van God Die van de hemel kwam om ons de Vader te verklaren en Die zal komen om te oordelen. De evangelist Johannes stelt Hem zo aan ons voor in zijn evangelie.

“Hun gezichten en hun vleugels waren naar boven uitgestrekt” (vers 1111Hun gezichten en hun vleugels waren naar boven uitgestrekt. Ieder had twee vleugels die elkaar raakten, en ieder had twee [vleugels] die hun lichaam bedekten.), wat wil zeggen dat ze alleen oog hebben voor de hemel. Daarvandaan ontvangen ze hun opdrachten. Die opdrachten voeren ze in eenheid uit, wat wordt voorgesteld in de “twee vleugels die elkaar raakten”. Er is een ongestoorde samenwerking. Bij de uitvoering van hun werk bedekken ze met twee vleugels hun lichaam, want het gaat niet om hen, maar om hun werk.

Als ze gaan, gaat “ieder recht voor zich uit” (vers 1212Zij gingen ieder recht voor zich uit. Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen.). Ze gaan dus een rechte weg, recht op het gestelde doel af. In hun gaan worden ze geleid door “de Geest”. Waarheen Hij wil gaan, daarheen gaan zij. Elk eigenmachtig optreden is hun vreemd. Daarom hoeven ze zich ook niet om te draaien als ze gaan. Ze gaan de goede weg en doen de juiste dingen. Ze moeten op geen enkel punt hun route ‘herberekenen’. Er is ook niets wat ze moeten herzien omdat ze het verkeerd zouden hebben gedaan.

In de voorgaande verzen 4-124Toen zag ik, en zie, een stormwind kwam uit het noorden, een grote wolk, flitsend vuur en een lichtglans eromheen. En uit het midden ervan [kwam] iets als de schittering van edelmetaal, uit het midden van het vuur.5Uit het midden daarvan [kwam] een gedaante van vier levende wezens. Dit was hun uiterlijk: zij hadden de gedaante van een mens.6Ieder afzonderlijk had vier gezichten en ieder afzonderlijk van hen had vier vleugels.7Hun voeten waren rechte voeten en hun voetzolen waren als de voetzolen van een kalf, glinsterend als de schittering van gepolijst koper.8Aan hun vier zijden, onder hun vleugels, waren mensenhanden. Wat betreft hun gezichten en hun vleugels [gold] van alle vier:9Hun vleugels raakten elkaar. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen, zij gingen ieder recht voor zich uit.10Hun gezicht leek op het gezicht van een mens, bij alle vier van rechts op de kop van een leeuw, bij alle vier van links op de kop van een rund, en alle vier hadden zij de kop van een arend.11Hun gezichten en hun vleugels waren naar boven uitgestrekt. Ieder had twee vleugels die elkaar raakten, en ieder had twee [vleugels] die hun lichaam bedekten.12Zij gingen ieder recht voor zich uit. Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen. zijn de dragers van de troon, de cherubs, beschreven. In de verzen 13-1413Wat de gedaante van de levende wezens betreft: hun uiterlijk was als brandende kolen in het vuur, als het uiterlijk van fakkels. Dat [vuur] ging heen en weer tussen de levende wezens. Het vuur had lichtglans en uit het vuur schoot een bliksem.14En de levende wezens schoten heen en weer als een bliksemschicht. volgt een beschrijving van wat hen kenmerkt. Die kenmerken maken duidelijk dat de troon een troon van oordeel is (vgl. Dn 7:9-109Ik bleef kijken,
totdat er tronen werden geplaatst,
en de Oude van dagen Zich neerzette.
Zijn kleed was wit als sneeuw
en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol.
Zijn troon waren vuurvlammen
en de wielen ervan waren laaiend vuur.
10Een rivier van vuur stroomde
en ging voor Zijn aangezicht uit.
Duizendmaal duizenden dienden Hem
en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Zijn aangezicht.
Het gerechtshof hield zitting
en de boeken werden geopend.
)
. Hun gedaante is niet die van lieflijke engeltjes, maar is “als brandende kolen in het vuur, als het uiterlijk van fakkels” (vers 1313Wat de gedaante van de levende wezens betreft: hun uiterlijk was als brandende kolen in het vuur, als het uiterlijk van fakkels. Dat [vuur] ging heen en weer tussen de levende wezens. Het vuur had lichtglans en uit het vuur schoot een bliksem.). Dit vuur gaat tussen hen “heen en weer”, wat op de beweeglijkheid van het oordeel ziet waardoor de dreiging die van hen uitgaat, wordt vergroot.

Het vuur heeft twee kenmerken. Het heeft een “lichtglans” en er schiet “een bliksem” uit. De lichtglans maakt alles openbaar, niets kan verborgen blijven. De bliksem oordeelt alles wat openbaar is gemaakt door de lichtglans. Het oordeel vindt plaats in het volle licht en met de onnavolgbare snelheid en onvoorspelbaarheid van de bliksem.

Ook de wezens zelf schieten “heen en weer als een bliksemschicht” (vers 1414En de levende wezens schoten heen en weer als een bliksemschicht.). Behalve dat de levende wezens recht voor zich uit gaan, bewegen zij zich ook met de snelheid en grilligheid van de bliksem. Mensen hebben daar geen grip op, maar worden erdoor verteerd als zij zich niet buigen voor Gods regering.


De wielen en hun beweging

15Toen ik die levende wezens zag, zie, er was een wiel op de grond naast die levende wezens, bij alle vier aan de voorkant ervan. 16Het uiterlijk van de wielen en hoe zij gemaakt waren, was als de schittering van een turkoois. Alle vier hadden dezelfde gedaante: hun uiterlijk en hun bouw waren zo, alsof er een wiel midden in een ander wiel zat. 17Wanneer zij gingen, konden zij naar vier zijden gaan. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen. 18Wat hun velgen betreft: die waren hoog en die waren vreeswekkend. Verder zaten hun velgen rondom vol ogen, bij alle vier. 19Wanneer de levende wezens gingen, gingen die wielen naast hen mee, en wanneer de levende wezens werden opgeheven van de aarde, werden [ook] de wielen opgeheven. 20Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij, [zij gingen] waar de Geest heen wilde gaan. De wielen werden tegelijk met hen opgeheven, want de Geest van de levende wezens was in die wielen. 21Wanneer zij gingen, gingen die [ook]. Wanneer zij stilstonden, stonden die [ook] stil. Wanneer zij van de aarde werden opgeheven, werden de wielen tegelijk met hen opgeheven, want de Geest van de levende wezens was in die wielen.

Na de vleugels worden nu de wielen van de levende wezens beschreven. De vleugels zijn voor de hemel, de wielen voor de aarde. Ieder levend wezen heeft “een wiel op de grond naast” zich en tegelijk ook “aan de voorkant ervan” (vers 1515Toen ik die levende wezens zag, zie, er was een wiel op de grond naast die levende wezens, bij alle vier aan de voorkant ervan.). De wielen verbinden de troonwagen met de aarde. Een wiel wijst erop dat de troon van God niet statisch, maar dynamisch is. Er is geen stilstand. Alles is in beweging en voortgang, op weg naar Gods doel.

De wielen staan ‘op de grond’. Dat betekent dat God Zijn weg op aarde gaat. Hij bepaalt de loop van de geschiedenis en de gebeurtenissen. Hij is Degene Die was en is, en ook Degene Die komt, waarin we Zijn handelend optreden zien (Op 1:88Ik ben de Alfa en de Oméga, zegt [de] Heer, God, Hij Die is en Die was en Die komt, de Almachtige.).

De wielen wijzen op de omwenteling van de tijd, waarbij de omwenteling door God gebeurt. God is de handelende God. Hij heeft hemel en aarde geschapen, maar die vervolgens niet aan zichzelf overgelaten. Hij draagt de schepping sinds haar ontstaan voortdurend “door het woord van Zijn kracht” (Hb 1:33Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,). In het woord ‘dragen’ zit beweging. Hij draagt of brengt de schepping naar Zijn doel.

De wielen stralen “als de schittering van een turkoois” (vers 1616Het uiterlijk van de wielen en hoe zij gemaakt waren, was als de schittering van een turkoois. Alle vier hadden dezelfde gedaante: hun uiterlijk en hun bouw waren zo, alsof er een wiel midden in een ander wiel zat.). Een turkoois is een edelsteen. Het is de eerste steen van de vierde rij van edelstenen op het borstschild van de hogepriester (Ex 28:2020Ten slotte de vierde rij: een turkoois, een onyx en een jaspis; ze moeten in hun zettingen in goud gevat zijn.; 39:1313Ten slotte de vierde rij: een turkoois, een onyx en een jaspis; ze waren in hun kassen in goud gevat.). Dat doet denken aan het evangelie van Johannes, het vierde evangelie. Daarin zien we de hemelse Mens, God de Zoon, op aarde. De kleur van de turkoois is blauwgroen.

Ezechiël ziet “het uiterlijk van de wielen”, een aanzicht, maar ook “hoe zij gemaakt waren”, de bouw, de samenstelling. Het is “alsof er een wiel midden in een ander wiel” zit. Daardoor lijkt het er soms op dat de wielen tegen elkaar in lopen. Zo kan het ook in ons leven wel eens lijken. Maar de wielen grijpen in elkaar als de raderen van een uurwerk, waarin ook radertjes zijn die tegengesteld draaien, terwijl zij toch meewerken om de wijzers vooruit te laten gaan. Zo is het met de wegen van God. Ze grijpen altijd in elkaar en zitten elkaar nooit dwars, maar werken steeds samen om Gods doel in de geschiedenis en ook in ons leven te bereiken.

De wielen van Gods troon kunnen alle kanten op, maar ze draaien zich niet om (vers 1717Wanneer zij gingen, konden zij naar vier zijden gaan. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen.). Dat ze alle kanten op kunnen, wil niet zeggen dat er willekeur is of, zoals wij zeggen, dat iets nog alle kanten op kan, wat onzekerheid over het verloop geeft. Bij God is dat niet zo. Hij bepaalt de weg en kent geen beperkingen in Zijn handelen. Hij weet voor alles en iedereen de beste weg en dat door de tijd heen. De tijd is ook in Zijn handen. We zien een indrukwekkend voorbeeld van Gods regering in de hele geschiedenis van Jozef (Gn 37-50). Alles wat Jozef is overkomen, is door God zo bestuurd om met hem tot Zijn doel te komen. Zo gaat het ook in ons leven.

Als God handelt, hoeft Hij daar nooit op terug te komen (Nm 23:19a19God is geen man, dat Hij liegen zou,
of een mensenkind, dat Hij [ergens] berouw over hebben zou.
Zou Híj [iets] zeggen en [het] dan niet doen?
Zou Híj spreken en het niet gestand doen?
)
. Zijn werk is altijd volmaakt, want al Zijn wegen zijn [een en al] recht (Dt 32:4a4Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.
)
. Een illustratie daarvan zien we in de wagens van de volken die niet kunnen gaan waarheen ze willen omdat ze “tussen twee bergen … van koper” rijden (Zc 6:11Opnieuw sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, vier wagens kwamen tevoorschijn tussen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper.). Dit betekent dat God de loop van die wagens bepaalt.

Wij kunnen God daarin niet narekenen. Zijn wegen zijn “hoog” (vers 1818Wat hun velgen betreft: die waren hoog en die waren vreeswekkend. Verder zaten hun velgen rondom vol ogen, bij alle vier.), hemelhoog. Zijn weg is in het heiligdom in de hemel en daarom hoger dan onze wegen (vgl. Js 55:99Want [zoals] de hemel hoger is dan de aarde,
zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen
en Mijn gedachten dan uw gedachten.
)
. Als we dat zien, zijn Gods wegen voor ons “vreeswekkend”, dat wil zeggen dat ze ons vrees of ontzag voor Hem inboezemen. Dat is ook terecht en gepast. We voelen onze nietigheid in het licht van Zijn soevereiniteit en heerlijkheid.

Verder zien we dat “bij alle vier” wielen “hun velgen rondom vol ogen” zitten. Dat wijst erop dat Gods regering niet blindelings uitgevoerd wordt of van toevalligheden aan elkaar hangt, maar dat God al Zijn regeringshandelingen met inzicht verricht. Hij weet op volmaakte wijze al Zijn handelingen met elkaar te verbinden, zodat Hij daar komt waar Hij heen wil. Dat geldt ook voor alle handelingen van alle mensen en alle volken. Hij is Alwetend en Zijn ogen doorlopen de hele aarde om naar Zijn wijsheid ten gunste van de Zijnen te handelen (2Kr 16:9a9Want de ogen van de HEERE trekken over de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan [hen] van wie het hart volkomen is met Hem. U hebt hierin dwaas gehandeld, want vanaf nu zullen oorlogen uw deel zijn.; Sp 15:33De ogen van de HEERE zijn op elke plaats:
ze slaan slechte en goede [mensen] gade.
)
.

De wielen zijn onlosmakelijk aan de levende wezens verbonden (vers 1919Wanneer de levende wezens gingen, gingen die wielen naast hen mee, en wanneer de levende wezens werden opgeheven van de aarde, werden [ook] de wielen opgeheven.). Niet de wielen bepalen de weg, maar de levende wezens. De wielen zijn de middelen waarmee de levende wezens zich verplaatsen. De levende wezens die Gods troon dragen, bepalen de weg. De wielen wijzen op de weg die Gods regering gaat. Soms wordt de wagen van Gods regering van de aarde opgeheven. Dat wijst erop dat er tijden zijn dat God Zich terugtrekt en de mens aan zichzelf overlaat (Js 18:44Ja, zo heeft de HEERE tegen mij gezegd:
Ik zal rustig toezien vanuit Mijn [woon]plaats,
als de zinderende hitte bij [zon]licht,
als een nevel van dauw in de hitte van de oogst[tijd].
; Hs 5:1515Ik ga en keer terug naar Mijn woonplaats,
totdat zij zich schuldig weten en Mijn aangezicht zoeken.
In hun benauwdheid zullen zij Mij ernstig zoeken.
)
, zonder echter in de geringste mate de controle over de aarde te verliezen. Hij blijft er als het ware boven hangen.

De wezens worden bestuurd door de Geest van God (vers 2020Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij, [zij gingen] waar de Geest heen wilde gaan. De wielen werden tegelijk met hen opgeheven, want de Geest van de levende wezens was in die wielen.). De Geest is de werkzame Persoon. Door Hem doen God en Christus alles. We zien dat al in het begin van de Bijbel (Gn 1:22De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.). De Geest werkt in de wezens, die gaan waarheen de Geest wil dat ze gaan. Er is geen enkele weerspannigheid of aarzeling. Alles is zeker. Wanneer zij van de aarde worden opgeheven, verheffen ook de wielen zich van de aarde.

Nog eens wordt de eenheid van de wezens en de wielen benadrukt (vers 2121Wanneer zij gingen, gingen die [ook]. Wanneer zij stilstonden, stonden die [ook] stil. Wanneer zij van de aarde werden opgeheven, werden de wielen tegelijk met hen opgeheven, want de Geest van de levende wezens was in die wielen.). Beide gaan of staan stil. Deze volkomen eenheid tussen de wezens en de wielen zien we ook als de wezens van de aarde worden opgeheven, want dan worden “de wielen tegelijk met hen opgeheven”. Dat komt omdat de Geest niet alleen de levende wezens bestuurt, maar ook de wielen. Alles in de regering van God, alles wat de troon van God betreft, is volmaakt harmonieus omdat de Geest van God alles leidt. Alle middelen staan Hem ten dienste en Hij bepaalt welke Hij gebruikt en wanneer.


Onder het gewelf

22En boven de hoofden van de levende wezens was [iets] wat leek op een gewelf, als de schittering van ontzagwekkend ijs[kristal], vanboven over hun hoofden uitgespannen. 23Onder het gewelf stonden hun vleugels recht naar elkaar toe. Ieder had er twee die [hun lichamen] vanvoren bedekten, en ieder had er twee die hun lichamen vanachteren bedekten. 24Ik hoorde, toen zij gingen, het geruis van hun vleugels. [Het klonk] als het bruisen van machtige wateren, als de stem van de Almachtige, [als] het geluid van een gedruis, als het geluid van een leger. Als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen. 25Toen kwam er een stem van boven het gewelf dat boven hun hoofden was. Als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen.

Dan ziet Ezechiël boven de hoofden van de levende wezens een soort gewelf (vers 2222En boven de hoofden van de levende wezens was [iets] wat leek op een gewelf, als de schittering van ontzagwekkend ijs[kristal], vanboven over hun hoofden uitgespannen.). Dat gewelf herinnert aan de tweede scheppingsdag, toen God het gewelf maakte (Gn 1:6-86En God zei: Laat er een gewelf zijn in het midden van het water, en laat dat scheiding maken tussen water en water!7En God maakte dat gewelf en maakte scheiding tussen het water dat onder het gewelf is, en het water dat boven het gewelf is. En het was zo.8En God noemde het gewelf hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag.). We kunnen bij dit gewelf denken aan het voor ons zichtbare hemelgewelf. De schittering ervan doet Ezechiël denken aan “ontzagwekkend ijs[kristal]” (vgl. Op 4:6a6En vóór de troon was als een glazen zee, kristal gelijk. En in [het] midden van de troon en rond de troon vier levende wezens, vol ogen van voren en van achteren.; 22:11En hij toonde mij een rivier van levenswater, blinkend als kristal, die uitging vanuit de troon van God en van het Lam.). Het fonkelt en schittert en is doorzichtig en vast. Het is een overweldigende aanblik van Gods vaste regering over de hele aarde, waarin niets aanwezig is wat verontreinigt. Water kan verontreinigd worden, maar niets kan de reinheid en glans van kristal aantasten.

Weer beschrijft Ezechiël de vleugels van de wezens (vers 2323Onder het gewelf stonden hun vleugels recht naar elkaar toe. Ieder had er twee die [hun lichamen] vanvoren bedekten, en ieder had er twee die hun lichamen vanachteren bedekten.), die hier in directe verbinding met dit gewelf worden gebracht. De wielen worden niet genoemd, want we bevinden ons bij de hemel, waar de regering haar oorsprong heeft. De vleugels staan “recht naar elkaar toe” gericht, ze zijn recht, evenals de voeten (verzen 7,127Hun voeten waren rechte voeten en hun voetzolen waren als de voetzolen van een kalf, glinsterend als de schittering van gepolijst koper.12Zij gingen ieder recht voor zich uit. Waar de Geest heen wilde gaan, [daarheen] gingen zij. Zij draaiden zich niet om wanneer zij gingen.). Dat toont aan dat al Gods wegen in de hemel en Zijn wegen op aarde recht zijn. Gods regering over de engelen in de hemel is net zo recht als Zijn regering over de mensen op aarde.

Behalve dat hun vleugels recht naar elkaar toe staan, bedekken ze er ook hun lichamen mee. Ze werken harmonieus samen aan de handhaving van Gods recht. In het bedekken van zichzelf van voren en van achteren zien we dat ze zichzelf wegcijferen zowel wat hun toekomst (“vanvoren”) als wat hun verleden (“vanachteren”) betreft (vgl. Js 6:22Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte [ieder] zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
)
.

In de vorige verzen heeft Ezechiël bepaalde dingen gezien, maar nu hoort hij ook iets (vers 2424Ik hoorde, toen zij gingen, het geruis van hun vleugels. [Het klonk] als het bruisen van machtige wateren, als de stem van de Almachtige, [als] het geluid van een gedruis, als het geluid van een leger. Als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen.). Als de wezens hun vleugels gebruiken om te gaan, klinkt dat “als het bruisen van machtige wateren” (vgl. Ez 43:22En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten, en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid.), waarin “de stem van de Almachtige” doorklinkt (vgl. Op 1:15b15en Zijn voeten aan blinkend koper gelijk, als gloeiden zij in een oven, en Zijn stem als een gedruis van vele wateren.). Zijn stem klinkt als de donder (Jb 37:44Daarna brult Hij met [Zijn] stem;
Hij dondert met de stem van Zijn majesteit.
Hij houdt die dingen niet terug,
als Zijn stem gehoord wordt.
; Ps 29:3-43De stem van de HEERE [klinkt] over de wateren,
de God der ere dondert;
de HEERE is op de grote wateren.
4De stem van de HEERE is [vol] kracht,
de stem van de HEERE is [vol] glorie.
)
. Het geluid doet denken aan “gedruis”, rumoer en tumult, en aan “het geluid van een leger”. Al deze vergelijkingen die Ezechiël gebruikt om te beschrijven wat hij hoort, passen bij de hele beschrijving van Gods regering.

Ezechiël hoort het geluid zolang de wezens gaan en dus hun vleugels gebruiken. Als ze stilstaan, gebruiken ze hun vleugels niet en laten die hangen. Dan wordt het stil. De wezens staan in rust, klaar om een volgend bevel te krijgen en uit te voeren.

In de stilte klinkt er een stem van boven het gewelf (vers 2525Toen kwam er een stem van boven het gewelf dat boven hun hoofden was. Als zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen.). Nog eens wordt er gewezen op de houding van rust van de wezens, waardoor de stilte is ontstaan. Het is alsof tot hen het bekende militaire bevel heeft geklonken: ‘Op de plaats: rust!’ Die houding van rust en stilte en tevens eerbied is belangrijk om te kunnen luisteren naar de stem die nu gaat spreken.


Boven het gewelf

26En boven het gewelf dat boven hun hoofden was, was iets met het uiterlijk van een saffiersteen, [iets] wat leek op een troon. En daarboven, op wat op een troon leek, was iets wat leek op een mens. 27Toen zag ik [iets] als de schittering van edelmetaal, rondom van binnen als het uiterlijk van vuur. Vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar boven, en vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden, zag ik [iets] als het uiterlijk van vuur met een lichtglans eromheen. 28Zoals het uiterlijk van de regenboog, die in de wolken [verschijnt] op de dag van de regen, zo was het uiterlijk van de lichtglans rondom. Het was de verschijning van de gedaante van de heerlijkheid van de HEERE. Toen ik dat zag, wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde], en ik hoorde de stem van Iemand Die sprak.

In deze verzen worden we nog hoger gevoerd. We bevinden ons nu “boven het gewelf” (vers 2626En boven het gewelf dat boven hun hoofden was, was iets met het uiterlijk van een saffiersteen, [iets] wat leek op een troon. En daarboven, op wat op een troon leek, was iets wat leek op een mens.). Voordat Ezechiël de stem hoort spreken, ziet hij iets boven het gewelf dat boven de hoofden van de levende wezens is. Hij is al vaag geweest in de beschrijving van alles wat hij heeft gezien, maar nu wordt hij nog vager. Steeds komen de woorden ‘wat leek op’ of ‘had de gedaante van’ of ‘iets als’ terug. Wat en Wie hij ziet, is God op de troon van Zijn heerlijkheid. Maar hoe zou een mens dat volledig kunnen waarnemen en omschrijven?

Het eerste waaraan Ezechiël moet denken bij wat hij boven het gewelf ziet, is “iets met het uiterlijk van een saffiersteen”. Saffier is een kostbare, transparant blauwe edelsteen. Het is een van de meest waardevolle edelstenen. De kleur blauw is zó kenmerkend voor deze steen, dat in het verleden alle blauwe stenen ‘saffier’ zijn genoemd. De saffier is de tweede steen van de tweede rij van edelstenen op het borstschild van de hogepriester (Ex 28:1818De tweede rij: een smaragd, een saffier en een diamant.; 39:1111De tweede rij: een smaragd, een saffier en een diamant.). De blauwe saffier is een zinnebeeld van de hemelse dingen. Deze schitterende blauwe kleur straalt af van iets “wat op een troon leek”. Op wat op een troon lijkt, neemt hij iets waar “wat leek op een mens”. Als God verschijnt, is dat in de gedaante van een Mens.

Hier zien we dat de wereld wordt geregeerd door een Mens in de heerlijkheid. Van wat Ezechiël slechts vaag heeft gezien, kennen wij de werkelijkheid. Wij weten dat de Heer Jezus als Mens van de Vader het oordeel in handen heeft gekregen (Jh 5:2727en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.; Hd 17:3131omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij het aardrijk in gerechtigheid zal oordelen door een Man Die Hij [daartoe] heeft bestemd, waarvan Hij aan allen zekerheid heeft gegeven door Hem uit [de] doden op te wekken.) en dat Hem “alle macht in hemel en op <de> aarde” is gegeven (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.). Hij is de Mensenzoon aan Wie alle dingen onderworpen zijn, hoewel we dat op dit ogenblik nog niet zien. Maar we zien Hem in de hemel, met eer en heerlijkheid gekroond (Hb 2:8b-9a8alles hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Want door <Hem> alles te onderwerpen heeft Hij niets overgelaten dat Hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen;9maar wij zien Jezus, Die een weinig minder dan [de] engelen gemaakt was vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer gekroond, opdat Hij door [de] genade van God voor alles [de] dood smaakte.)!

Zijn regering doet denken aan “de schittering van edelmetaal” (vers 2727Toen zag ik [iets] als de schittering van edelmetaal, rondom van binnen als het uiterlijk van vuur. Vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar boven, en vanaf datgene wat eruitzag als Zijn heupen naar beneden, zag ik [iets] als het uiterlijk van vuur met een lichtglans eromheen.). Alle onrecht zal Hij verdelgen met het vuur van het oordeel dat uit Hem voorkomt. Zijn hele gestalte, vanaf “Zijn heupen naar boven” en vanaf “Zijn heupen naar beneden”, ziet eruit als “vuur met een lichtglans eromheen”. Hij is de Mens Die in verbinding met de hemel staat (“Zijn heupen naar boven”) en Zijn weg op aarde (“Zijn heupen naar beneden”) in gerechtigheid gaat. De heupen stellen de kracht voor die nodig is om te lopen. In Ezechiël gaat Hij Zijn weg in oordeel, zoals Hij eens op aarde Zijn weg in genade en vernedering is gegaan.

Het visioen eindigt niet met de verschijning van Christus als Rechter van de hele aarde, maar met “het uiterlijk van de regenboog” (vers 2828Zoals het uiterlijk van de regenboog, die in de wolken [verschijnt] op de dag van de regen, zo was het uiterlijk van de lichtglans rondom. Het was de verschijning van de gedaante van de heerlijkheid van de HEERE. Toen ik dat zag, wierp ik mij met mijn gezicht [ter aarde], en ik hoorde de stem van Iemand Die sprak.). Dit wijst op een indrukwekkende manier op Gods genade die ook bij de uitvoering van Zijn rechtvaardige oordelen aanwezig is (Gn 9:12-1712En God zei: Dit is het teken van het verbond dat Ik geef tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, [alle] generaties door [tot] in eeuwigheid:13Mijn boog heb Ik in de wolken gegeven; die zal dienen als teken van het verbond tussen Mij en de aarde.14Het zal gebeuren, als Ik wolken boven de aarde breng en de boog in de wolken gezien wordt,15dat Ik aan Mijn verbond zal denken, dat er is tussen Mij en u en alle levende wezens van alle vlees. Het water zal niet meer tot een vloed worden om alle vlees te gronde te richten.16Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en aan het eeuwig verbond denken tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is.17God zei dus tegen Noach: Dit is het teken van het verbond dat Ik gemaakt heb tussen Mij en alle vlees dat op de aarde is.; Op 4:33en Die daarop zat, was van aanzien een jaspis- en sardiussteen gelijk; en rondom de troon was een regenboog, van aanzien een smaragd gelijk;). Hij denkt in de toorn aan ontfermen (Hk 3:22HEERE, [toen] ik Uw tijding hoorde,
heb ik gevreesd.
HEERE, Uw werk, behoud het in het leven in het midden van de jaren,
maak [het] bekend in het midden van de jaren.
Denk in [Uw] toorn aan ontferming!
)
. Dit is voor ons een grote troost wanneer we, in Gods regeringswegen met ons, door grote beproevingen gaan. Gods regering is voor de Zijnen altijd vermengd met genade. Altijd zal Christus Zijn belofte nakomen dat Hij met ons zal zijn “alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw” (Mt 28:2020En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw.).

Dan dringt het tot Ezechiël door dat “de verschijning van de gedaante” die “van de heerlijkheid van de HEERE” is. De aanblik van de heerlijkheid van God in oordeel en genade doet hem op zijn gezicht vallen. We zien een dergelijke reactie bij Daniël en Johannes (Dn 8:1717Hij kwam naast [de plaats] waar ik stond [staan]. Toen hij kwam, werd ik door angst overvallen, en ik wierp me met het gezicht [ter aarde]. Toen zei hij tegen mij: Begrijp, mensenkind, dat het visioen betrekking heeft op de tijd van het einde.; 10:8-98Ik echter, ik bleef alleen achter. Toen ik dat grote visioen zag, bleef er in mij geen kracht over. Mijn [gezonde] uitstraling werd aan mij veranderd in verval en ik had geen kracht meer over.9Toen hoorde ik het geluid van Zijn woorden. En toen ik het geluid van Zijn woorden hoorde, viel ik in een diepe slaap op mijn gezicht, en met mijn gezicht op de grond.; Op 1:1717En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei: Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste,). Het is te hopen dat ook wij momenten kennen dat wij, overweldigd door de grootheid en majesteit van God, op ons gezicht vallen en Hem aanbidden.

In die houding van ontzag en aanbidding kan God tot hem – en ook tot ons – spreken. Tot nu toe heeft hij alleen geluid gehoord, nu hoort hij een stem die woorden spreekt die hij kan verstaan. Het spreken van God is een bewijs dat Hij bemoeienis met ons heeft.


Lees verder