Exodus
1-8 God belooft Zijn volk te verlossen 9-12 Mozes moet weer naar de farao 13-24 Enkele geslachtsregisters 25-26 Mozes en Aäron 27-29 Herhaling opdracht en verweer
God belooft Zijn volk te verlossen

1Toen sprak God tot Mozes en zei tegen hem: Ik ben de HEERE. 2Ik ben aan Abraham, Izak en Jakob verschenen als God de Almachtige, maar met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest. 3Ook heb Ik Mijn verbond met hen gesloten om hun het land Kanaän te geven, het land van hun vreemdelingschap, waarin zij als vreemdeling verbleven. 4Bovendien heb Ik Zelf het gekerm gehoord van de Israëlieten, die de Egyptenaren [voor zich] laten werken, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht. 5Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE. Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u redden uit hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en door zware strafgerichten. 6Ik zal u tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn. Dan zult u weten dat Ik de HEERE, uw God, ben, Die u uitleidt vanonder de dwangarbeid van de Egyptenaren. 7Ik zal u brengen in het land waarvoor Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak en Jakob geven zou. Ik zal het u in erfelijk bezit geven, Ik, de HEERE. 8Zo sprak Mozes tot de Israëlieten, maar zij luisterden niet naar Mozes, door hun moedeloosheid en de harde slavenarbeid.

Mozes is ontmoedigd. Hij heeft gezien wie de farao is, hij heeft gezien wie het volk is. Maar in plaats van hem verwijten te maken laat God Mozes zien wie Hij is. Hij stelt Zich als het ware voor Mozes en zegt: “Ik ben de HEERE.” Op grond van die Naam, Jahweh, is Hij met de Zijnen. Die Naam houdt in dat Hij altijd betrouwbaar en waarachtig is. Tevens is Hij, de HEERE, “God de Almachtige”.

Hij geeft Mozes een nieuwe indruk van Zichzelf en van Zijn goedheid en zegt tegen hem dat Hij Zich aan Zijn volk zal bekendmaken als de HEERE. De naam ‘HEERE’ is geen nieuwe naam. Het is Zijn Naam in verbinding met de mens (zie Genesis 2, waar deze naam voor het eerst voorkomt als het gaat om Zijn verbinding met Adam). Maar het is wel een nieuwe naam voor de relatie met een volk, Zijn volk. God ontvouwt deze nieuwe naam aan Mozes in verbinding met het plan dat Hij aan Mozes laat zien over de verlossing van Israël.

In de naam ‘HEERE’ komt de trouw van God ten aanzien van Zijn beloften tot uitdrukking. De aartsvaders waren vreemdelingen in het land van de belofte. Aan hen had God Zijn beloften gegeven. Nu zal Hij die beloften gaan vervullen. Het volk zal dit land in bezit mogen gaan nemen. In zeven stappen gaat God (“Ik zal”) dit plan uitvoeren (verzen 5-75Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE. Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u redden uit hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en door zware strafgerichten.6Ik zal u tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn. Dan zult u weten dat Ik de HEERE, uw God, ben, Die u uitleidt vanonder de dwangarbeid van de Egyptenaren.7Ik zal u brengen in het land waarvoor Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak en Jakob geven zou. Ik zal het u in erfelijk bezit geven, Ik, de HEERE.). Het onderstreept dat Hij een God is Die Zijn beloften waarmaakt.

“Ik zal”
1. “u uitleiden”,
2. “u redden”,
3. “u verlossen”,
4. “u tot Mijn volk aannemen”,
5. “u tot een God zijn”,
6. “u brengen in het land”
7. “het u in erfelijk bezit geven”.

Deze zeven stappen staan ingeklemd tussen Wie Hij is als de HEERE. Hij staat aan het begin (vers 55Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE. Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u redden uit hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en door zware strafgerichten.), zo begint Hij te spreken, en Hij staat aan het eind (vers 77Ik zal u brengen in het land waarvoor Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak en Jakob geven zou. Ik zal het u in erfelijk bezit geven, Ik, de HEERE.). In vers 77Ik zal u brengen in het land waarvoor Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak en Jakob geven zou. Ik zal het u in erfelijk bezit geven, Ik, de HEERE. zet Hij met de uitspraak “Ik, de HEERE” als het ware Zijn handtekening onder wat Hij zojuist heeft gezegd.

Deze zeven stappen geven in het kort de geschiedenis van Israël weer van de bevrijding uit Egypte tot de aankomst in het beloofde land. Om Zijn volk uit Egypte te voeren en daardoor Zijn plan te vervullen gebruikt God Zijn “uitgestrekte arm” (vers 55Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE. Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u redden uit hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en door zware strafgerichten.). Dat betekent dat Hij Zijn macht daarvoor zal inzetten. Dat Hij Zijn volk vervolgens in het land zal invoeren, bevestigt Hij door te spreken over Zijn “hand” die Hij heeft “opgeheven” (vers 77Ik zal u brengen in het land waarvoor Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak en Jakob geven zou. Ik zal het u in erfelijk bezit geven, Ik, de HEERE.). Dit is het gebaar van het zweren van een eed.

Nadat Mozes zo bemoedigd is, gaat hij weer naar de Israëlieten en deelt hun de woorden van God mee. Maar het volk staat niet open voor wat Mozes namens de HEERE doorgeeft. Ze zijn ongeduldig en ongelukkig. Ongeduld is een kwaad dat in de loop van Israëls geschiedenis herhaaldelijk de kop op steekt. Ook in het leven van de christen richt dit kwaad veel schade aan.


Mozes moet weer naar de farao

9Verder sprak de HEERE tot Mozes: 10Ga [en] spreek tot de farao, de koning van Egypte, dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten gaan. 11Maar Mozes sprak voor het aangezicht van de HEERE: Zie, de Israëlieten hebben niet naar mij geluisterd; hoe zou de farao dan [wel] naar mij luisteren? Bovendien ben ik niet welbespraakt. 12De HEERE sprak echter tot Mozes en Aäron en gebood hun naar de Israëlieten en naar de farao, de koning van Egypte, [te gaan,] om de Israëlieten uit het land Egypte te leiden.

God komt niet onder de indruk van de reactie van het volk. Mozes wel. Hij is opnieuw ontmoedigd. Weer komt hij met het argument dat hij niet goed kan praten (Ex 4:1010Toen zei Mozes tegen de HEERE: Och Heere, ik ben geen man van [veel] woorden. [Dat ben ik] sinds jaar en dag [al] niet, zelfs niet vanaf het ogenblik dat U tot Uw dienaar gesproken hebt, want ik spreek onduidelijk en moeizaam.). Letterlijk staat er ‘onbesneden lippen’ (Jr 6:1010Tegen wie zal ik spreken,
en [wie] zal ik waarschuwen dat zij zullen luisteren?
Zie, onbesneden is hun oor,
zodat ze niet in staat zijn om er acht op te slaan,
zie, het woord van de HEERE is hun
tot smaad, ze vinden er geen vreugde in.
; Jr 9:2626Egypte en Juda, Edom en de Ammonieten, Moab en allen die kaalgeschoren zijn aan [hun] slapen, die in de woestijn wonen. Want alle heidenvolken zijn onbesneden, maar heel het huis van Israël is onbesneden van hart.)
. De besnijdenis is het teken van het verbond, het uiterlijke kenmerk dat iemand moet hebben om lid te zijn van Gods aardse volk (Gn 17:9-149Verder zei God tegen Abraham: En wat uzelf betreft, u moet Mijn verbond in acht nemen, u en uw nageslacht na u, [al] hun generaties door.10Dit is Mijn verbond dat u moet houden tussen Mij en u en uw nageslacht na u: al wie mannelijk is bij u moet besneden worden.11U moet het vlees van uw voorhuid laten besnijden en [dat] zal een teken zijn van het verbond tussen Mij en u.12Elk kind bij u van acht dagen [oud], al wie mannelijk is, moet besneden worden, [al] uw generaties door: degene die in [uw] huis geboren is én degene die van enige vreemdeling voor geld gekocht is, die niet tot uw nageslacht behoort.13Degene die in uw huis geboren is én degene die met uw geld gekocht is, moeten zeker besneden worden. Zo zal mijn verbond in uw vlees tot een eeuwig verbond zijn.14Maar hij die mannelijk [en] onbesneden is, van wie het vlees van zijn voorhuid niet besneden wordt, die persoon zal uitgeroeid worden uit zijn volk; hij heeft Mijn verbond verbroken.). Mozes voelt zich als iemand die iets mankeert, als een onvolwaardig lid van Gods volk, waardoor hij zichzelf onbekwaam vindt en niet in staat om met kracht te spreken. Hij voelt zich krachteloos.

De HEERE reageert er niet op, maar geeft hem bevel om naar de Israëlieten en naar de farao te gaan. Dit bevel geldt ook voor Aäron die door Hem aan Mozes is toegevoegd voor het uitvoeren van de opdracht, juist met het oog op zijn argument dat hij niet goed kan praten (Ex 4:1414Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Mozes en Hij zei: Aäron, de leviet, is toch uw broer? Ik weet dat híj uitstekend spreken kan. Bovendien, zie, hij trekt u tegemoet. Zodra hij u ziet, zal hij zich van harte verblijden.). Hij geeft het doel van de opdracht erbij: om de Israëlieten uit Egypte te leiden.


Enkele geslachtsregisters

13Dit zijn hun familiehoofden: De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi. Dit zijn de geslachten van Ruben. 14De zonen van Simeon: Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw. Dit zijn de geslachten van Simeon. 15Dit zijn de namen van de zonen van Levi, met hun afstammelingen: Gerson, Kahath en Merari. De levensjaren van Levi waren honderdzevenendertig jaar. 16De zonen van Gerson: Libni en Simeï, [ingedeeld] naar hun geslachten. 17De zonen van Kahath: Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël. De levensjaren van Kahath waren honderddrieëndertig jaar. 18De zonen van Merari: Maheli en Musi. Dit zijn de geslachten van Levi, met hun afstammelingen. 19Amram nam Jochebed, zijn tante, voor zichzelf tot vrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes. De levensjaren van Amram waren honderdzevenendertig jaar. 20De zonen van Jizhar: Korach, Nefeg en Zichri. 21De zonen van Uzziël: Misaël, Elzafan en Sithri. 22Aäron nam Eliseba, dochter van Amminadab [en] zuster van Nahesson, voor zichzelf tot vrouw. Zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. 23De zonen van Korach waren: Assir, Elkana en Abiasaf. Dit zijn de geslachten van de Korachieten. 24Eleazar, de zoon van Aäron, nam een van de dochters van Putiël voor zichzelf tot vrouw, en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de familiehoofden van de Levieten, naar hun geslachten.

Zo midden in het verhaal lijken de geslachtsregisters van Ruben, Simeon en Levi een verdwaalde plaats te hebben. Maar dat is natuurlijk niet zo. We kunnen erin zien dat God, al worden de Zijnen nog zo verdrukt, hen allen persoonlijk en ook hun afkomst kent. Hij vergeet er geen.

Alleen de oudste drie zonen van Israël worden genoemd. Van Ruben worden vier kinderen genoemd. Van Simeon worden er zes genoemd. Maar verder wordt er aan hen voorbijgegaan. Alle aandacht valt op de nakomelingen van de derde zoon, Levi. Om hem en zijn nageslacht en vooral Mozes en Aäron gaat het. Daarom stopt het geslachtsregister met Levi en zijn zonen, om verder alle aandacht te richten op Mozes en Aäron.

Verschillende namen zullen we later nog eens tegenkomen, zoals Gerson, Kahath en Merari. Het belangrijkste is echter dat uit Levi de bevrijder, Mozes, voortkomt, terwijl uit deze stam ook de hogepriester en alle priesters voortkomen. Mozes en Aäron zullen namens de HEERE optreden tegenover de farao.


Mozes en Aäron

25Deze Aäron en Mozes zijn het tegen wie de HEERE zei: Leid de Israëlieten uit het land Egypte, [ingedeeld] naar hun legereenheden. 26Zij zijn het die tot de farao, de koning van Egypte, spraken om de Israëlieten uit Egypte te leiden. Deze Mozes en Aäron zijn het.

Voordat God nu Zijn plannen tot verlossing uitvoert, worden Mozes en Aäron als Zijn uitvoerders bevestigd. Samen zijn ze een beeld van de Heer Jezus. Mozes is de middelaar tussen God en mensen; hij vertegenwoordigt God bij de mensen. Aäron is de hogepriester die de mensen bij God vertegenwoordigt. Beide personen – uiteindelijk gaat het om de Heer Jezus (Hb 3:11Daarom, heilige broeders, deelgenoten van [de] hemelse roeping, beschouwt de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Jezus,) – vertegenwoordigen het hele volk voor God. Daarom kan het geslachtsregister na het noemen van Mozes en Aäron eindigen. Door te zeggen “deze Mozes en Aäron zijn het” valt alle nadruk op hen samen.


Herhaling opdracht en verweer

27Het gebeurde op de dag dat de HEERE tot Mozes sprak in het land Egypte, 28dat de HEERE tot Mozes sprak: Ik ben de HEERE. Spreek tot de farao, de koning van Egypte, alles wat Ik tot u spreek. 29Toen zei Mozes voor het aangezicht van de HEERE: Zie, ik ben niet welbespraakt. Hoe zal de farao dan naar mij luisteren?

Na de onderbreking voor de geslachtsregisters, neemt de schrijver de draad met vers 1111Maar Mozes sprak voor het aangezicht van de HEERE: Zie, de Israëlieten hebben niet naar mij geluisterd; hoe zou de farao dan [wel] naar mij luisteren? Bovendien ben ik niet welbespraakt. weer op. Als de HEERE duidelijk heeft gemaakt wie bij Hem horen en wie namens Hem tot de farao zullen gaan, volgen een herhaling van de opdracht om weer naar de farao te gaan (vers 1010Ga [en] spreek tot de farao, de koning van Egypte, dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten gaan.) en een herhaling van de tegenwerping van Mozes (vers 1111Maar Mozes sprak voor het aangezicht van de HEERE: Zie, de Israëlieten hebben niet naar mij geluisterd; hoe zou de farao dan [wel] naar mij luisteren? Bovendien ben ik niet welbespraakt.).

Voordat de HEERE de opdracht nog eens geeft, zegt Hij voor de derde keer in dit hoofdstuk: “Ik ben de HEERE” (verzen 1,5,281Toen sprak God tot Mozes en zei tegen hem: Ik ben de HEERE.5Zeg daarom tegen de Israëlieten: Ik ben de HEERE. Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. Ik zal u redden uit hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en door zware strafgerichten.28dat de HEERE tot Mozes sprak: Ik ben de HEERE. Spreek tot de farao, de koning van Egypte, alles wat Ik tot u spreek.). Dit is de Naam op grond waarvan Hij nu gaat handelen. De strijd tussen de HEERE en de farao kan beginnen. De tegenwerping van Mozes dat hij niet welbespraakt is, wordt door de HEERE in het volgende hoofdstuk beantwoord.


Lees verder