Exodus
1-16 Hoe de tabernakel opgebouwd moet worden 17-33 Mozes richt de tabernakel op 34-38 De wolk vervult de tabernakel
Hoe de tabernakel opgebouwd moet worden

1Toen sprak de HEERE tot Mozes: 2Op de eerste dag van de eerste maand moet u de tabernakel, de tent van ontmoeting, opbouwen. 3U moet de ark van de getuigenis erin zetten, en de ark met het voorhangsel afschermen. 4Daarna moet u de tafel naar binnen brengen en schikken wat daarop geschikt moet worden. Verder moet u de kandelaar naar binnen brengen en zijn lampen aansteken. 5Dan moet u het gouden altaar voor het reukwerk vóór de ark van de getuigenis plaatsen en het gordijn voor de ingang van de tabernakel ophangen. 6Vervolgens moet u het brandofferaltaar vóór de ingang van de tabernakel, de tent van ontmoeting, plaatsen. 7Het wasvat moet u tussen de tent van ontmoeting en het altaar plaatsen en u moet er water in doen. 8De voorhof moet u eromheen zetten en het gordijn voor de poort van de voorhof ophangen. 9Dan moet u de zalfolie nemen en de tabernakel met alles wat zich erin bevindt, zalven. U moet hem heiligen met alle bijbehorende voorwerpen, dan zal hij heilig zijn. 10Vervolgens moet u het brandofferaltaar en alle bijbehorende voorwerpen zalven. U moet het altaar heiligen, dan zal het altaar allerheiligst zijn. 11Daarna moet u het wasvat met zijn voetstuk zalven; u moet ze heiligen. 12Dan moet u Aäron en zijn zonen bij de ingang van de tent van ontmoeting laten komen, en hen met het water wassen. 13U moet Aäron de geheiligde kleding aantrekken, hem zalven, en hem heiligen, zodat hij Mij als priester kan dienen. 14Vervolgens moet u zijn zonen naderbij laten komen en hun de onderkleren aantrekken. 15Dan moet u hen zalven zoals u hun vader gezalfd hebt, zodat zij Mij als priester kunnen dienen. En het zal gebeuren dat hun zalving voor hen een eeuwig priesterambt zal betekenen, [al] hun generaties door. 16Mozes deed overeenkomstig alles wat de HEERE hem geboden had, zo deed hij.

Het tijdstip van de oprichting luidt een nieuw begin in: “de eerste dag van de eerste maand”. Het vaak voorkomende gebruik van zalfolie (verzen 9-11,13,159Dan moet u de zalfolie nemen en de tabernakel met alles wat zich erin bevindt, zalven. U moet hem heiligen met alle bijbehorende voorwerpen, dan zal hij heilig zijn.10Vervolgens moet u het brandofferaltaar en alle bijbehorende voorwerpen zalven. U moet het altaar heiligen, dan zal het altaar allerheiligst zijn.11Daarna moet u het wasvat met zijn voetstuk zalven; u moet ze heiligen.13U moet Aäron de geheiligde kleding aantrekken, hem zalven, en hem heiligen, zodat hij Mij als priester kan dienen.15Dan moet u hen zalven zoals u hun vader gezalfd hebt, zodat zij Mij als priester kunnen dienen. En het zal gebeuren dat hun zalving voor hen een eeuwig priesterambt zal betekenen, [al] hun generaties door.) herinnert aan onze onophoudelijke behoefte aan de genade en leiding van de Heilige Geest, zonder Wie het mooiste werk onaanvaardbaar is voor God. Alleen wat als vrucht van de Heilige Geest in ons leven tevoorschijn komt, is waardevol voor God.

In vers 1616Mozes deed overeenkomstig alles wat de HEERE hem geboden had, zo deed hij. lezen we het uitgangspunt, dat telkens terugkomt: alles doen zoals de HEERE geboden heeft en niet handelen naar eigen inzicht.


Mozes richt de tabernakel op

17En het gebeurde in de eerste maand, in het tweede jaar, op de eerste [dag] van de maand, dat de tabernakel opgebouwd werd. 18Mozes richtte de tabernakel op. Hij plaatste zijn voetstukken, bracht de bijbehorende planken aan, maakte de dwarsbalken ervan vast en richtte zijn pilaren op, 19spreidde de tent uit over de tabernakel, en legde het dekkleed van de tent erbovenop, zoals de HEERE Mozes geboden had. 20Toen nam hij de getuigenis en legde die in de ark. Hij bevestigde de draagbomen aan de ark en legde het verzoendeksel boven op de ark. 21Hij bracht de ark in de tabernakel, hing het voorhangsel ter afscherming op en schermde de ark van de getuigenis af, zoals de HEERE Mozes geboden had. 22Vervolgens plaatste hij de tafel in de tent van ontmoeting, aan de noordkant van de tabernakel, buiten het voorhangsel. 23En hij schikte daarop het brood dat [daarop] geschikt moest worden, voor het aangezicht van de HEERE, zoals de HEERE Mozes geboden had. 24Vervolgens zette hij de kandelaar in de tent van ontmoeting, tegenover de tafel, aan de zuidkant van de tabernakel. 25En hij stak de lampen aan voor het aangezicht van de HEERE, zoals de HEERE Mozes geboden had. 26Daarna zette hij het gouden altaar in de tent van ontmoeting, vóór het voorhangsel, 27en hij liet daarop geurig reukwerk in rook opgaan, zoals de HEERE Mozes geboden had. 28Ook hing hij het gordijn op voor de ingang van de tabernakel. 29En hij zette het brandofferaltaar bij de ingang van de tabernakel, de tent van ontmoeting; hij bracht daarop het brandoffer en het graanoffer, zoals de HEERE Mozes geboden had. 30Vervolgens plaatste hij het wasvat tussen de tent van ontmoeting en het altaar, en hij deed er water in om te wassen. 31Mozes, Aäron en zijn zonen wasten daarmee hun handen en hun voeten. 32Telkens wanneer zij de tent van ontmoeting binnengingen en het altaar naderden, wasten zij zich, zoals de HEERE Mozes geboden had. 33Hij richtte ten slotte de voorhof op, rondom de tabernakel en het altaar, en hij hing het gordijn van de poort van de voorhof op. Zo voltooide Mozes het werk.

De werkers hebben alles klaargemaakt, maar Mozes richt het huis van God op. Hij richt het niet alleen op, hij verricht er ook gelijk een dienst in. Zo zien we dat als hij de tafel in het heilige heeft geplaatst, hij daarop ook het brood schikt voor het aangezicht van de HEERE. Hetzelfde zien we bij de kandelaar. Als hij die op zijn plaats heeft gezet, steekt hij de lampen aan voor het aangezicht van de HEERE. En als hij het gouden altaar op zijn plaats heeft gezet, laat hij daarop geurig reukwerk in rook opgaan. Na het plaatsen van het brandofferaltaar offert hij daarop het brandoffer en het graanoffer of spijsoffer. Als hij het wasvat geplaatst heeft, doet hij er water in om te wassen, waarna hij en Aäron en zijn zonen hun handen en hun voeten wassen.

Mozes geeft in alles het voorbeeld als dienaar in Gods huis (Hb 3:55En Mozes was wel trouw in heel Zijn huis als dienaar tot getuigenis van wat gesproken zou worden,), hij wijdt de dienst in. Hij handelt als bouwer en ook als priester, onder wie hij ook wordt gerekend, hoewel hij niet als zodanig door de HEERE is benoemd (Ps 99:66Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters,
Samuel onder wie Zijn Naam aanriepen;
zij riepen tot de HEERE
en Híj verhoorde hen.
)
. Hij is een beeld van de Heer Jezus, Die tegelijk groter is dan Mozes, want Christus is “Zoon over Zijn huis, Wiens huis wij zijn” (Hb 3:66maar Christus als Zoon over Zijn huis, Wiens huis wij zijn, als wij de vrijmoedigheid en het roemen in de hoop <tot [het] einde toe onwrikbaar> vasthouden.).

We zien in het voorbeeld dat Mozes geeft ook een voorbeeld voor ons. Het is niet alleen van belang dat we weten wat het huis van God voorstelt, dat we kunnen beschrijven en weten hoe we ons er moeten gedragen, maar het is net zo belangrijk dat we er ook onze dienst in verrichten. Wat we weten, moet ook door ons in praktijk worden gebracht. Dan zal ons onderwijs aan anderen over de gemeente ook waarde hebben en navolging vinden.


De wolk vervult de tabernakel

34Toen overdekte de wolk de tent van ontmoeting, en de heerlijkheid van de HEERE vervulde de tabernakel, 35zodat Mozes de tent van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de HEERE de tabernakel vervulde. 36Telkens als de wolk opsteeg van boven de tabernakel, braken de Israëlieten op tijdens al hun tochten. 37Maar als de wolk niet opsteeg, braken zij niet op, tot op de dag dat hij opsteeg. 38Want de wolk van de HEERE was overdag op de tabernakel, en 's nachts was er een vuur in, voor de ogen van heel het huis van Israël tijdens al hun tochten.

Een machtig moment breekt aan, het doel van al het voorgaande werk: God komt bij Zijn volk wonen. De wolk, het symbool van Gods tegenwoordigheid, neemt bezit van de tabernakel. Wat Hij later tegen Ezechiël zegt met betrekking tot de tempel, geldt vanaf nu voor de tabernakel: “Dit is de plaats van Mijn troon en de plaats van Mijn voetzolen, waar Ik wonen zal onder de Israëlieten” (Ez 43:77en Hij zei tegen mij: Mensenkind, [dit] is de plaats van Mijn troon en de plaats van Mijn voetzolen, waar Ik voor eeuwig wonen zal onder de Israëlieten. Zij die van het huis van Israël zijn, zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij en hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen [op] hun [offer]hoogten.). Voor de nieuwe tempel geldt dat “tot in eeuwigheid”, voor de tabernakel tot het moment dat de ark wordt buitgemaakt door de Filistijnen. Dan is het “Ikabod”, dat betekent ‘weg is de eer’ (1Sm 4:21-2221En zij noemde het jongetje Ikabod, en zei: De eer is weggevoerd uit Israël. [Dit zei ze], omdat de ark van God [als buit] meegenomen was, en vanwege haar schoonvader en haar man.22En zij zei: De eer is weggevoerd uit Israël, want de ark van God is [als buit] meegenomen.). De heerlijkheid keert terug als Salomo de tempel heeft gebouwd (1Kn 8:10-1110En het gebeurde, toen de priesters uit het heiligdom gingen, dat de wolk het huis van de HEERE vervulde.11Vanwege de wolk konden de priesters niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld.). De heerlijkheid verdwijnt door de zonde van het volk echter ook weer uit de tempel (Ez 8:44En zie, daar was de heerlijkheid van de God van Israël, overeenkomstig de verschijning die ik in de vallei gezien had.; Ez 9:33De heerlijkheid van de God van Israël verhief zich van boven de cherub waarop Hij rustte, naar de drempel van het huis, en Hij riep naar de Man Die in linnen gekleed was, Die de schrijverskoker aan Zijn middel had.; Ez 10:4,184Toen verhief de heerlijkheid van de HEERE zich van boven de cherub naar de drempel van het huis. Daarop werd het huis vervuld met de wolk en de voorhof was vol van de lichtglans van de heerlijkheid van de HEERE.18Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.; Ez 11:2323Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.).

Maar als de Heer Jezus is geboren, verschijnt in Hem de heerlijkheid van God opnieuw op aarde om onder Zijn volk te wonen: “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid” (Jh 1:1414En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid.). Die heerlijkheid is in de verwerping van de Heer Jezus echter verworpen.

Na Zijn opstanding en hemelvaart is de heerlijkheid van God op de Pinksterdag in de Heilige Geest weer op aarde komen wonen en nu in de gemeente als geheel (Ef 2:21-2221in Wie [het] hele gebouw, goed samengevoegd, opgroeit tot een heilige tempel in [de] Heer;22in Wie ook u mee opgebouwd wordt tot een woonplaats van God in [de] Geest.; Hd 2:1-41En toen de dag van het Pinksterfeest werd vervuld, waren zij allen gemeenschappelijk bijeen.2En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.3En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen.4En zij werden allen vervuld met [de] Heilige Geest en ze begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.) en in het lichaam van de individuele gelovige (1Ko 6:1919Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest Die in u is, Die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?).