Exodus
1 Derde bezwaar 2-5 Het teken van de staf 6-8 Het teken van de melaatse hand 9 Water in bloed veranderen 10-12 Vierde bezwaar en Gods antwoord 13-17 Mozes’ weigering en Gods antwoord 18-23 Terug naar Egypte 24-26 De HEERE wil Mozes doden 27-28 Mozes ontmoet Aäron 29-31 De tekenen voor het volk
Derde bezwaar

1Toen antwoordde Mozes en zei: Maar zie, zij zullen mij niet geloven en niet naar mijn stem willen luisteren, want zij zullen zeggen: De HEERE is niet aan u verschenen.

Mozes heeft een derde bezwaar. Hij voorziet het probleem dat het volk hem niet zal geloven. Dat is op zich een begrijpelijk bezwaar, want de HEERE is al de tijd dat het volk in Egypte is, dat is nu ongeveer vierhonderd jaar lang, niet aan hen verschenen. Mozes moet leren dat zijn zending niet afhangt van hoe hij ontvangen zal worden. Zending is nooit afhankelijk van de ontvangst, maar van de Zender.


Het teken van de staf

2De HEERE zei tegen hem: Wat hebt u [daar] in uw hand? Hij zei: Een staf. 3Hij zei: Werp hem op de grond. En hij wierp hem op de grond en hij werd een slang. En Mozes vluchtte ervoor. 4Maar de HEERE zei tegen Mozes: Strek uw hand uit, en grijp hem bij zijn staart, – toen stak hij zijn hand uit en greep hem vast, en hij werd [weer] een staf in zijn hand – 5opdat zij geloven, dat de HEERE aan u verschenen is, de God van hun vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob.

In Zijn goedheid komt de HEERE tegemoet aan Mozes’ bezwaar. Hij geeft hem twee tekenen. Voor het eerste teken wijst de HEERE hem op wat hij in zijn hand heeft. Voor de Heer is van belang wat we hebben, niet wat we niet hebben. Daarop moeten wij ook worden gewezen. Met wat we hebben, mogen we Hem dienen.

De staf is hier een beeld van macht, gezag. Het stelt hier de macht voor die eenmaal aan Adam is gegeven. Adam heeft die macht uit handen gegeven aan de satan. Dat zien we in het beeld dat de staf een slang wordt. De satan spreekt er in die zin over tot de Heer Jezus tijdens de verzoeking in de woestijn en de Heer spreekt hem daarin niet tegen (Mt 4:8-108Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid9en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.).

De macht komt terug in de hand van de mens, dat wil zeggen in de hand van de Mens Christus Jezus. Christus heeft door Zijn werk op het kruis de satan van zijn macht beroofd (Ko 2:1515En Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het [kruis] over hen getriomfeerd.). Hij zegt dan ook dat Hem “is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde” (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.). Het daadwerkelijk opeisen van die macht komt op Gods tijd (Ps 2:88Eis van Mij en Ik zal [U] de heidenvolken [als] Uw eigendom geven,
de einden der aarde als Uw bezit.
)
.

In het geloof dat de situatie God niet uit de hand is gelopen, maar dat alles onder Zijn bestuur staat, mogen ook wij onze dienst verrichten. Daarom moeten we niet vluchten – wat Mozes wel deed –, maar de duivel weerstaan. Onze kleine middelen kan God gebruiken om daarmee Zijn werk te doen (vgl. Jh 6:9-139Hier is een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft, maar wat is dat op zovelen?10Jezus zei: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. Dus gingen ze zitten, de mannen ongeveer vijfduizend in getal.11Jezus dan nam de broden, en toen Hij gedankt had, verdeelde Hij ze onder hen die daar zaten; op gelijke wijze ook van de vissen, zoveel zij wilden.12En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot Zijn discipelen: Verzamelt de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren gaat.13Zij verzamelden ze dan en vulden twaalf handkorven met brokken van de vijf gerstebroden, die waren overgelaten door hen die hadden gegeten.; 2Kn 4:2-72Elisa zei tegen haar: Wat kan ik voor u doen? Vertel mij wat u in huis hebt. En zij zei: Uw dienares heeft niets anders in huis dan een kruikje met olie.3Toen zei hij: Ga heen en vraag voor u buitenshuis kruiken, van al uw buren, lege kruiken; laat het er niet weinig zijn.4Ga dan naar binnen en sluit de deur achter u en achter uw zonen. Giet vervolgens [olie] in al die kruiken, en zet weg wat vol is.5Zo ging zij bij hem vandaan en sloot de deur achter zich en achter haar zonen. Die gaven haar [de kruiken] aan en zij goot [de olie] erin.6En het gebeurde, toen die kruiken vol waren, dat zij tegen haar zoon zei: Geef mij nog een kruik aan. Maar hij zei tegen haar: Er is geen kruik meer. Toen hield de olie op te stromen.7Zij kwam en vertelde het de man Gods. Hij zei: Ga de olie verkopen en betaal uw schuldeiser. En wat u [en] uw zonen betreft, u kunt leven van wat overblijft.).


Het teken van de melaatse hand

6De HEERE zei verder tegen hem: Steek toch uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem en haalde hem [weer] tevoorschijn, en zie, zijn hand was melaats, [wit] als sneeuw. 7Hij zei: Steek uw hand opnieuw in uw boezem. En hij stak zijn hand opnieuw in zijn boezem, en toen hij hem [weer] uit zijn boezem trok, zie, hij was weer als zijn [overige] vlees. 8En het zal gebeuren, als zij u niet geloven en niet naar de boodschap van het eerste teken willen luisteren, dat zij dan [toch wel] de boodschap van het laatste teken zullen geloven.

Israël moet de les leren dat, hoewel de duivel nu zijn macht uitoefent, God de uiteindelijke macht in handen heeft. Door de verdrukking ervaren ze de macht van de vijand. Dan is er is nog een les te leren. Er is niet alleen uiterlijke slavernij, er is ook de inwonende macht van de zonde. Van binnen deugt het niet. Dat maakt het tweede teken, dat van de melaatse hand, duidelijk. Melaatsheid in het hart stelt verborgen zonde voor; melaatsheid aan de hand stelt de naar buiten zichtbare zonde voor.

Vanbinnen, uit het hart van de mens, komen de zonden voort en dat is aan de daden van de mens, waarvan zijn handen spreken, te zien: “Want van binnen uit het hart van de mensen gaan naar buiten de kwade overleggingen, hoererijen, diefstallen, moorden, overspel, hebzucht, boosheden, bedrog, losbandigheid, een boos oog, lastering, hoogmoed, onverstand; al deze boze dingen komen van binnen uit voort en verontreinigen de mens” (Mk 7:21-2321Want van binnen uit het hart van de mensen gaan naar buiten de kwade overleggingen, hoererijen,22diefstallen, moorden, overspel, hebzucht, boosheden, bedrog, losbandigheid, een boos oog, lastering, hoogmoed, onverstand;23al deze boze dingen komen van binnen uit voort en verontreinigen de mens.). Als het hart onrein is, zijn de werken van de mens dat ook. Alleen door geloof wordt het hart gereinigd (Hd 15:99en Hij heeft geen enkel onderscheid gemaakt tussen ons en hen, daar Hij door het geloof hun harten heeft gereinigd.). En als het hart gereinigd is, kunnen ook de werken goede werken zijn. Verandering van gedrag en daden kan nooit aan de buitenkant beginnen. Een gereinigde hand is geschikt voor zijn dienst.


Water in bloed veranderen

9En mocht het zijn dat zij zelfs deze twee tekenen niet willen geloven en niet naar uw stem willen luisteren, dan moet u water uit de Nijl nemen en dat uitgieten op het droge. Dan zal het water dat u uit de Nijl zult nemen, veranderen, ja, in bloed veranderen op het droge.

Indien er niet naar de beide tekenen geluisterd wordt, moet het oordeel komen (Jb 33:14-1614Want God spreekt één of twee keer,
[maar] men slaat er geen acht op:
15in een droom, een visioen in de nacht,
als een diepe slaap op de mensen valt,
in de sluimer op de slaapplaats.
16Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen,
en Hij verzegelt hun tuchtiging,
)
. Dat wordt weergegeven door de verandering van het water van de Nijl in bloed. De Nijl is voor de Egyptenaren de bron van het leven. De Nijl stelt de natuurlijke zegeningen voor die de wereld zonder God – waarvan Egypte een beeld is – door de goedheid van God geniet. Als een mens doof en blind blijft voor de boodschap van de eerste twee tekenen, zullen de zegeningen die God hem te genieten geeft, en waarvoor hij God niet dankt, veranderen in een vloek. Velen zijn al geestelijk omgekomen door een overmatig gebruik van dingen die in Gods schepping te vinden zijn.


Vierde bezwaar en Gods antwoord

10Toen zei Mozes tegen de HEERE: Och Heere, ik ben geen man van [veel] woorden. [Dat ben ik] sinds jaar en dag [al] niet, zelfs niet vanaf het ogenblik dat U tot Uw dienaar gesproken hebt, want ik spreek onduidelijk en moeizaam. 11Maar de HEERE zei tegen hem: Wie heeft de mens een mond gegeven? Of wie maakt iemand stom, doof, ziende of blind? Ben Ik het niet, de HEERE? 12Nu dan, ga, Ik zal Zelf met uw mond zijn, en u leren wat u spreken moet.

Mozes’ vierde bezwaar is zijn gebrek aan welsprekendheid (vgl. Jr 1:77Maar de HEERE zei tegen mij:
Zeg niet: Ik ben [nog maar] een jongen,
want overal waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan,
en alles wat Ik u gebieden zal, zult u spreken.
)
. Alsof het effect van Gods boodschap afhangt van de welsprekendheid van de mens. Paulus heeft geleerd dat het niet zit in uitnemendheid van woorden of wijsheid (1Ko 2:1,41En toen ik bij u kwam, broeders, kwam ik niet met uitnemendheid van woorden of wijsheid u het getuigenis van God verkondigen.4en mijn woord en mijn prediking [bestond] niet in overredende woorden van wijsheid, maar in betoon van [de] Geest en van kracht,; 2Ko 10:1010Want de brieven, zegt men, zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn persoonlijk optreden is zwak en zijn spreken verachtelijk.). Daar kan het vlees wel van onder de indruk komen, maar het draagt niet bij aan Gods werk.

Wij moeten leren wat Paulus heeft geleerd, dat Gods kracht in zwakheid wordt volbracht: “En Hij zei tot mij: Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht. Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont. Daarom heb ik een welgevallen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen en benauwdheden voor Christus; want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk” (2Ko 12:9-109en Hij zei tegen mij: Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht. Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont.10Daarom heb ik een welgevallen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen en benauwdheden voor Christus; want wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterk.).

Van Mozes’ macht in werk en woord is niets over. Er is geen vertrouwen meer in zichzelf en dat is goed. Toch is er nog niet het volle vertrouwen op God. Hij moet nog leren dat God ook geeft wat nodig is om Zijn opdracht te vervullen als Hij iemand tot een bepaalde taak roept.

In de christenheid is men gevoelig voor mooie koorzang, meeslepende muziek, indrukwekkende toespraken, maar daardoor komt een mens niet tot bekering. Dat gebeurt alleen door het Woord van God en de werking van de Heilige Geest.

Daarbij komt dat het een miskenning is van wat de Heer geeft of niet geeft. Hij maakt alles zo, dat het Zijn doel dient. Daarmee moeten wij leren tevreden te zijn. En dat niet alleen. We moeten leren dat dit het meest effectief is voor Zijn werk. Dan krijgt Hij de eer en niet het instrument. Het moet “zijn als uit sterkte die God verleent” (1Pt 4:1111Als iemand spreekt, laat het zijn als uitspraken van God; als iemand dient, laat het zijn als uit sterkte die God verleent, opdat in alles God verheerlijkt wordt door Jezus Christus, aan Wie de heerlijkheid en de kracht is tot in alle eeuwigheid! Amen.).


Mozes’ weigering en Gods antwoord

13Maar hij zei: Och Heere, zend toch [iemand anders], door [wiens] hand U [deze boodschap ook maar] wilt zenden. 14Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Mozes en Hij zei: Aäron, de leviet, is toch uw broer? Ik weet dat híj uitstekend spreken kan. Bovendien, zie, hij trekt u tegemoet. Zodra hij u ziet, zal hij zich van harte verblijden. 15Dan moet u tot hem spreken en hem de woorden in zijn mond leggen. Ikzelf zal met uw mond en zijn mond zijn en u leren wat u doen moet. 16En híj zal voor u tot het volk spreken. Dan zal het [zó] zijn: Híj zal voor u tot een mond zijn en ú zult voor hem tot een god zijn. 17Neem daarom deze staf in uw hand, waarmee u die tekenen doen moet.

Het vijfde bezwaar van Mozes kan geen bezwaar meer worden genoemd. Het is een weigering. Weigering is geen nederigheid. Dit is geen zwakheid meer, het is onwil om te gehoorzamen. Het toegeven aan zwakheid eindigt in ongeloof.

Gods antwoord is ernaar. God wordt boos. Hij ontslaat Mozes niet van de opdracht die Hij hem gegeven heeft. Wel ontneemt God hem als het ware de eer van zijn zending door hem er in zijn broer Aäron een metgezel bij te geven. Dat is in dit geval geen versterking, maar een verzwakking. Dat blijkt wel uit het verloop van de geschiedenis.

Mozes spreekt de HEERE weer aan als ‘Heer’, dat is gebieder (vers 1313Maar hij zei: Och Heere, zend toch [iemand anders], door [wiens] hand U [deze boodschap ook maar] wilt zenden.; vers 1010Toen zei Mozes tegen de HEERE: Och Heere, ik ben geen man van [veel] woorden. [Dat ben ik] sinds jaar en dag [al] niet, zelfs niet vanaf het ogenblik dat U tot Uw dienaar gesproken hebt, want ik spreek onduidelijk en moeizaam.), maar doet niet wat Hij zegt. Dat hoort niet bij elkaar (vgl. Hd 10:1414Petrus echter zei: In geen geval, Heer, want nooit heb ik iets onheiligs of onreins gegeten.; Lk 6:4646En waarom noemt u Mij Heer, Heer, en doet niet wat Ik zeg?).


Terug naar Egypte

18Toen ging Mozes weg en keerde terug naar zijn schoonvader Jether. En hij zei tegen hem: Laat mij toch gaan om terug te keren naar mijn broeders, die in Egypte zijn, om te zien of zij nog leven. En Jethro zei tegen Mozes: Ga in vrede. 19Ook zei de HEERE tegen Mozes in Midian: Ga, keer terug naar Egypte, want al de mannen die u naar het leven stonden, zijn gestorven. 20Toen nam Mozes zijn vrouw en zijn zonen, liet hen op een ezel rijden en keerde terug naar het land Egypte. En Mozes nam de staf van God in zijn hand. 21De HEERE zei tegen Mozes: Nu u naar Egypte gaat terugkeren, zie [erop] toe dat u al de wonderen, waartoe Ik u in staat gesteld heb, vóór de farao doet. Ikzelf echter zal zijn hart verharden, zodat hij het volk niet zal laten wegtrekken. 22Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. 23Daarom zeg Ik tegen u: Laat Mijn zoon gaan, zodat hij Mij kan dienen. Maar u hebt geweigerd hem te laten gaan, zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene, doden.

Hoewel Mozes door God is geroepen, neemt hij wel de gewone beleefdheid in acht voordat hij naar Egypte terugkeert. Hij vraagt zijn schoonvader toestemming om weg te mogen gaan. Die toestemming krijgt hij. Bij Jakob hebben we een ander gedrag gezien (Gn 31:2020Jakob bedroog Laban, de Syriër, door hem niet te vertellen dat hij vluchtte.). Mozes krijgt een extra bemoediging van de HEERE (vers 1919Ook zei de HEERE tegen Mozes in Midian: Ga, keer terug naar Egypte, want al de mannen die u naar het leven stonden, zijn gestorven.). Dan vertrekt hij met vrouw en kinderen en met “de staf Gods in zijn hand”. Het is niet meer de staf van Mozes, maar de staf die God gaat gebruiken.

Nog eens wijst de HEERE Mozes erop wat hij moet doen en zeggen. Mozes moet zijn woorden inleiden met “zo zegt de HEERE”. Deze uitdrukking, die later zo vaak door de profeten zal worden herhaald, zal voor de eerste keer uit de mond van Mozes klinken. Prachtig zijn de namen die God hier aan Zijn volk geeft: “Mijn zoon, Mijn eerstgeborene” (vgl. Hs 11:11Toen Israël een kind was, had Ik hem lief,
en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.
)
. Dit is bovenal van toepassing op de Heer Jezus (Mt 2:1515En hij was daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld werd wat door [de] Heer gesproken is door middel van de profeet, die zei: ’Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen’.). God wil dat Zijn zoon Hem zal dienen (Ml 3:1717En zij zullen voor Mij, zegt de HEERE van de legermachten,
op de dag die Ik maken zal, een persoonlijk eigendom zijn.
Ik zal hen sparen,
zoals een man zijn zoon spaart
die hem dient.
)
en daarom moet de farao hem laten gaan.

De HEERE vertelt Mozes dat de farao niet zal luisteren omdat Hij het hart van de farao zal verharden. Dat betekent niet dat de farao geen andere keus zou hebben. De HEERE handelt niet onrechtvaardig en de farao is volkomen verantwoordelijk voor zijn gedrag en daden. Dezelfde zon die het ijs doet smelten, maakt de klei hard. Het hangt ervan af om welk soort materiaal het gaat.

God verhardt een hart pas nadat de persoon zelf zijn hart heeft verhard. Dat leert de geschiedenis van de farao. Eerst verhardt de farao zelf zijn hart (Ex 7:13,14,2213Het hart van de farao verhardde zich echter, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.14Toen zei de HEERE tegen Mozes: Het hart van de farao is onvermurwbaar. Hij weigert het volk te laten gaan.22Maar de Egyptische magiërs deden met hun bezweringen hetzelfde, zodat het hart van de farao zich verhardde. Hij luisterde niet naar hen, zoals de HEERE gesproken had.; 8:15,19,3215Toen nu de farao zag dat er verlichting was gekomen, maakte hij zijn hart onvermurwbaar, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.19Toen zeiden de magiërs tegen de farao: Dit is de vinger van God! Maar het hart van de farao verhardde zich, zodat hij niet naar hen luisterde, zoals de HEERE gesproken had.32Maar de farao maakte ook deze keer zijn hart onvermurwbaar: hij liet het volk niet gaan.; 9:7,347De farao stuurde er [dienaren] heen, en zie, van het vee van Israël was zelfs niet één [beest] gestorven. Maar het hart van de farao bleef onvermurwbaar en hij liet het volk niet gaan.34Toen de farao zag dat de regen, de hagel en de donder opgehouden waren, ging hij door met zondigen en maakte hij zijn hart onvermurwbaar, hij en zijn dienaren.; 13:1515Want toen de farao zich verhardde [en weigerde] ons te laten gaan, gebeurde het dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte doodde, van de eerstgeborene van de mens tot de eerstgeborene van het vee toe. Daarom offer ik aan de HEERE de mannetjes van alles wat de baarmoeder opent, maar alle eerstgeborenen van mijn zonen koop ik vrij.). Als gevolg daarvan verhardt de HEERE het hart van de farao (Ex 9:1212Maar de HEERE verhardde het hart van de farao, zodat hij naar hen niet luisterde, zoals de HEERE tot Mozes gesproken had.; 10:1,20,271Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Ga naar de farao toe, want Ík heb zijn hart en het hart van zijn dienaren onvermurwbaar gemaakt, zodat Ik deze tekenen van Mij in zijn midden kan verrichten,20Maar de HEERE verhardde het hart van de farao, zodat hij de Israëlieten niet liet gaan.27Maar de HEERE verhardde het hart van de farao, en hij wilde hen niet laten gaan.; 11:1010Mozes en Aäron hebben al deze wonderen gedaan voor de farao, maar de HEERE verhardde het hart van de farao, zodat hij de Israëlieten niet uit zijn land liet gaan.; 14:4,8,174En Ik zal het hart van de farao verharden, zodat hij hen achtervolgt. Dan zal Ik ten koste van de farao en ten koste van heel zijn leger geëerd worden, zodat de Egyptenaren zullen weten dat Ik de HEERE ben. En zo deden zij.8Want de HEERE verhardde het hart van de farao, de koning van Egypte, zodat hij de Israëlieten achtervolgde. Maar de Israëlieten waren door een opgeheven hand geleid.17En Ik, zie, [Ik] zal het hart van de Egyptenaren verharden, zodat zij achter hen aan gaan. Ik zal geëerd worden ten koste van de farao en ten koste van heel zijn leger, ten koste van zijn strijdwagens en ten koste van zijn ruiters.). Hij bevestigt daarmee de hardnekkige en eigenwillige opstelling van de farao in diens weigering om aan Zijn bevel gevolg te geven Zijn volk te laten gaan. Daarom wijst de HEERE aan het eind van vers 2323Daarom zeg Ik tegen u: Laat Mijn zoon gaan, zodat hij Mij kan dienen. Maar u hebt geweigerd hem te laten gaan, zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene, doden. al op het definitieve oordeel van de laatste plaag.


De HEERE wil Mozes doden

24En het gebeurde onderweg, in de herberg, dat de HEERE hem tegenkwam en hem wilde doden. 25Toen nam Zippora een vuurstenen [mes] en besneed de voorhuid van haar zoon. Zij wierp die voor [Mozes’] voeten en zei: Werkelijk, je bent voor mij een bloedbruidegom. 26Toen liet Hij hem met rust. Vanwege de besnijdenissen zei zij toen: Bloedbruidegom.

Nadat de HEERE over Zijn volk als Zijn eerstgeboren zoon heeft gesproken, spreekt Hij Mozes aan op diens verhouding tot zijn zoon, waarschijnlijk zijn eerstgeboren zoon, Gersom. Het is zo ernstig, dat Hij Mozes wil doden. Dit laat zien dat God bij hen die Hij wil gebruiken niets door de vingers kan zien wat verkeerd is, ook al is Mozes op het punt gekomen dat hij de opdracht van de HEERE wil gaan uitvoeren. De HEERE kan alleen hen gebruiken die ook in hun gezin Zijn inzettingen in acht nemen.

De reden dat de HEERE Mozes wil doden, is dat een van zijn kinderen niet is besneden. Over hem is – in beeld – niet Gods oordeel over het vlees voltrokken. Mogelijk is het Mozes ontgaan. Mogelijk dat de van oorsprong heidense Zippora er niets voor heeft gevoeld. Ze doet het nu omdat ze het moet doen, maar wel met het verwijt naar Mozes dat hij voor haar een “bloedbruidegom” is. Wat ze daarmee bedoelt, is niet helemaal duidelijk. Wellicht ziet het erop dat zij, hoewel tegen haar zin, de bloedige handeling van de besnijdenis heeft verricht om haar man te redden. Ze krijgt hem dan als het ware als haar bruidegom terug door dit bloedige ritueel uit te voeren.

Hier is de les dat het voor iedere leider in Gods volk van groot belang is dat hij zijn gezin onder Gods gezag bestuurt (1Tm 3:4-54iemand die zijn eigen huis goed bestuurt, zijn kinderen in onderdanigheid houdt met alle eerbaarheid,5– maar als iemand zijn eigen huis niet weet te besturen, hoe zal hij zorg dragen voor de gemeente van God? –). Zijn gezin is zijn eerste verantwoordelijkheid. De HEERE wil Mozes, als hoofd van het gezin, doden en niet Zippora.


Mozes ontmoet Aäron

27De HEERE zei tegen Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging en ontmoette hem bij de berg van God en kuste hem. 28Mozes vertelde Aäron al de woorden van de HEERE, Die hem gezonden had, en al de tekenen die Hij hem opgedragen had.

Het weerzien met Aäron is hartelijk. Dit tweetal zal de komende tijd van grote betekenis zijn voor Gods volk. Mozes is een beeld van de Heer Jezus als Koning over Zijn volk; Aäron is een beeld van de Heer Jezus als Priester voor Zijn volk.

De plaats van ontmoeting is “de berg van God”. Het onderwerp van hun gesprek zijn de woorden van God en Zijn wonderbare daden. Dit is een mooie illustratie van hoe onze ontmoetingen met medegelovigen kunnen verlopen.


De tekenen voor het volk

29Toen ging Mozes [op weg], met Aäron, en zij verzamelden alle oudsten van de Israëlieten. 30Aäron sprak al de woorden die de HEERE tot Mozes gesproken had en deed de tekenen voor de ogen van het volk. 31Het volk nu geloofde. Toen zij hoorden dat de HEERE naar de Israëlieten omgezien had en hun onderdrukking had gezien, knielden zij en bogen zij zich neer.

Zoals de HEERE heeft gezegd, doen Mozes en Aäron de tekenen voor het volk. En anders dan waar Mozes bang voor is (vers 11Toen antwoordde Mozes en zei: Maar zie, zij zullen mij niet geloven en niet naar mijn stem willen luisteren, want zij zullen zeggen: De HEERE is niet aan u verschenen.), gelooft het volk op grond van de tekenen die het heeft gezien. Zij buigen zich zelfs in aanbidding voor de HEERE neer.


Lees verder