Exodus
1-7 Het brandofferaltaar 8 Het koperen wasvat 9-17 De gordijnen en hun pilaren 18-19 Het gordijn voor de poort 20 De koperen pinnen 21-31 De kosten van de tabernakel
Het brandofferaltaar

1Vervolgens maakte hij het brandofferaltaar van acaciahout; vijf el was zijn lengte, vijf el was zijn breedte – [het was dus] vierkant – en drie el zijn hoogte. 2Hij maakte ook zijn horens op zijn vier hoeken – zijn horens vormden er één geheel mee – en hij overtrok het met koper. 3Hij maakte ook alle voorwerpen voor het altaar: de potten, de scheppen, de sprengbekkens, de vorken en de vuurschalen; alle bijbehorende voorwerpen maakte hij van koper. 4Ook maakte hij voor het altaar een rooster, een koperen rasterwerk, onder zijn rand, van onderen af tot de helft ervan. 5Daarna goot hij vier ringen voor de vier uiteinden van het koperen rooster, [als] houders voor de draagbomen. 6Verder maakte hij de draagbomen van acaciahout en overtrok ze met koper. 7Hij stak de draagbomen in de ringen aan de zijkanten van het altaar, om het daarmee te [kunnen] dragen. Hij maakte het van planken, [het was vanbinnen] hol.

Na het eigenlijke gebouw en de voorwerpen die daarbij horen, worden de voorwerpen gemaakt die vóór het gebouw staan. Eerst wordt het brandofferaltaar gemaakt. Op dit altaar worden de offers gebracht die de Israëliet vrijwillig aan de HEERE brengt en ook de offers die hij in bepaalde gevallen verplicht is te brengen. De offerdienst bij dit altaar komt in het volgende boek, Leviticus, uitvoerig aan de orde.

Dit altaar is de ontmoetingsplaats waar God met Zijn volk samenkomt. De grondslag is het gedurig brandoffer dat daarop wordt gebracht (Ex 29:43-4543Daar zal Ik dan de Israëlieten ontmoeten, en zij zullen door Mijn heerlijkheid geheiligd worden.44Dan zal Ik de tent van ontmoeting en het altaar heiligen. Ik zal Aäron en zijn zonen heiligen om [voor] Mij als priester te dienen.45Ik zal dan te midden van de Israëlieten wonen, en Ik zal hun tot een God zijn.). In de brief aan de Hebreeën wordt duidelijk gemaakt dat dit altaar en het offer daarop in Christus hun vervulling hebben gekregen. Wie nu nog vasthoudt aan dit letterlijke altaar, heeft geen deel aan de christelijke gemeenschap (Hb 13:1010Wij hebben een altaar waarvan zij die de tabernakel dienen, geen recht hebben te eten;).

Zie verder bij Exodus 27:1-8.


Het koperen wasvat

8Vervolgens maakte hij het koperen wasvat met het bijbehorende koperen voetstuk uit de spiegels van de dienstdoende vrouwen, die dienst deden bij de ingang van de tent van ontmoeting.

Hier wordt als bijzonderheid vermeld dat vrouwen het materiaal voor het wasvat leveren in de vorm van hun spiegels. Dat, waarin zij zichzelf bekijken en waardoor hun ijdelheid gestreeld wordt, wordt ingeleverd om er het wasvat van te maken. Het heeft iets gekost om dit voor hen toch belangrijke hulpmiddel af te staan. Dat doet iemand alleen als ze er iets beters voor terug krijgt. En dat is hier ook zo.

Het wasvat stelt het Woord van God voor. Dat wordt ook vergeleken met een spiegel (Jk 1:23-2523Want als iemand een hoorder van [het] Woord is en geen dader, die is gelijk aan een man die zijn natuurlijk gezicht in een spiegel bekijkt;24want hij bekijkt zich, gaat weg en is onmiddellijk vergeten hoe hij er uitzag.25Maar wie zijn blik richt op [de] volmaakte wet, die van de vrijheid, en daarbij blijft, niet een vergeetachtig hoorder geworden maar een dader van [het] werk, die zal gelukkig zijn in zijn doen.). De spiegel van de vrouwen geeft een volledig beeld van wie erin kijkt, maar is geen middel om het verkeerde te veranderen. De spiegel van het Woord van God geeft ook een volledig beeld van wie zichzelf daarin bekijkt, maar geeft wel een middel tot verandering. Wie zichzelf als zondaar ziet, leest er ook in hoe er vergeving en aanneming door God kan plaatsvinden.

Vrouwen leveren bij diverse gelegenheden een wezenlijke bijdrage aan het werk van God. Zij
1. dienen de Heer met hun goederen (Lk 8:1-31En het gebeurde daarna, dat Hij rondreisde door stad en dorp, terwijl Hij predikte en het evangelie van het koninkrijk van God verkondigde, en de twaalf waren bij Hem,2en enige vrouwen die van boze geesten en ziekten waren genezen: Maria, Magdalena geheten, van wie zeven demonen waren uitgegaan,3en Johanna, [de] vrouw van Chusas, zaakwaarnemer van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die hen dienden met hun bezittingen.);
2. zitten aan Zijn voeten (Lk 10:3939En deze had een zuster, Maria geheten, die ook aan de voeten van de Heer zat en naar Zijn woord luisterde.);
3. zalven Hem (Lk 7:37-3837En zie, een vrouw die in de stad een zondares was en die merkte dat Hij in het huis van de farizeeër aanlag, bracht een albasten fles met balsem,38ging wenend achter Hem staan, bij Zijn voeten, en begon Zijn voeten met haar tranen nat te maken en droogde ze af met de haren van haar hoofd, en zij kuste Zijn voeten innig en zalfde ze met de balsem.; Jh 12:33Maria dan nam een pond balsem van onvervalste, kostbare nardus, zalfde de voeten van Jezus en droogde Zijn voeten met haar haren af; en het huis werd met de geur van de balsem vervuld.);
4. zijn bij het kruis (Jh 19:2525bij het kruis van Jezus nu stonden Zijn moeder en de zuster van Zijn moeder, Maria, de [vrouw] van Klopas, en Maria Magdalena.);
5. zijn bij het graf en bij Zijn opstanding (Mt 28:1-61Laat op de sabbat nu, tegen het aanbreken van de eerste dag van de week, kwam Maria Magdalena en de andere Maria om het graf te bezien.2En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel van [de] Heer daalde neer uit [de] hemel, trad toe en wentelde de steen af en ging daarop zitten.3Zijn gedaante nu was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw.4Uit bangheid voor hem nu beefden de wachters en werden als doden.5De engel antwoordde echter en zei tot de vrouwen: Weest ú niet bang, want ik weet dat u Jezus, de Gekruisigde zoekt.6Hij is hier niet, want Hij is opgewekt zoals Hij heeft gezegd. Komt hier, ziet de plaats waar <de Heer> gelegen heeft.);
6. zien Hem na Zijn opstanding het eerst (Mt 28:7-97En gaat vlug heen en zegt Zijn discipelen: Hij is opgewekt <van de doden>, en zie, Hij gaat u voor naar Galiléa; daar zult u Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd.8En zij gingen vlug weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en liepen snel om het Zijn discipelen te berichten.9En <terwijl zij heengingen om het Zijn discipelen te berichten,> zie, Jezus ontmoette hen en zei: Gegroet! Zij nu kwamen naar Hem toe, grepen Zijn voeten en huldigden Hem.);
7. zijn Zijn boodschappers (Mt 28:1010Toen zei Jezus tot hen: Weest niet bang; gaat heen, bericht Mijn broeders dat zij moeten weggaan naar Galiléa, en daar zullen zij Mij zien.; Jh 20:16-1816Jezus zei tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni! – dat wil zeggen: Meester!17Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader; maar ga heen naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader en [naar] Mijn God en uw God.18Maria Magdalena ging de discipelen berichten dat zij de Heer gezien en dat Hij haar dit gezegd had.);
8. nemen in Filippi als eersten het evangelie aan (Hd 16:1313En op de sabbatdag gingen wij de poort uit naar [de] rivier, waar wij dachten dat een gebedsplaats zou zijn; en wij gingen zitten en spraken tot de vrouwen die waren samengekomen.);
9. vormen mede de kern van de gemeente (Hd 1:1414Deze allen volhardden eendrachtig in het gebed, met [enige] vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en Zijn broers.).

Zie verder bij Exodus 30:17-21.


De gordijnen en hun pilaren

9Daarna maakte hij de voorhof; aan de zuidzijde, in zuidelijke richting, waren de kleden voor de voorhof van dubbeldraads fijn linnen, honderd el [lang]. 10De bijbehorende twintig pilaren en hun twintig voetstukken waren van koper; de haken van de pilaren en hun verbindingsstukken waren van zilver. 11Aan de noordzijde waren [de kleden] eveneens honderd el [lang]. De bijbehorende twintig pilaren en hun twintig voetstukken waren van koper; de haken van de pilaren en hun verbindingsstukken waren van zilver. 12Aan de westzijde waren de kleden vijftig el [lang, met] de tien bijbehorende pilaren en hun tien voetstukken; de haken van de pilaren en hun verbindingsstukken waren van zilver. 13Aan de oostzijde, waar [de zon] opkomt, waren [de kleden] eveneens vijftig el [lang]. 14De kleden aan [de ene] zijde waren vijftien el [lang, met] de drie bijbehorende pilaren en hun drie voetstukken. 15En aan de andere zijde van de poort van de voorhof – [dus] aan de ene en de andere [kant van de poort] – waren kleden van vijftien el [lang, met] de drie bijbehorende pilaren en hun drie voetstukken. 16Alle kleden rondom de voorhof waren van dubbeldraads fijn linnen. 17En de voetstukken van de pilaren waren van koper, de haken van de pilaren en hun verbindingsstukken van zilver; het beslag op hun koppen was van zilver en zij, [te weten] alle pilaren van de voorhof, waren met verbindingen van zilver verbonden.

Het gebouw en de voorwerpen die ervoor staan, worden aan de zuidkant, de noordkant, de westkant en een gedeelte van de oostkant omgeven door linnen kleden die omhoog worden gehouden door pilaren. Van de oostkant wordt nog als bijzonderheid opgemerkt dat het de kant is “waar de zon opkomt”. De zon komt nergens anders op dan in het oosten. Door dit toch zo te vermelden kan niet anders betekenen dan dat de aandacht wordt gevestigd op de opgaande zon.

Dat doet denken aan de Heer Jezus. Zacharia spreekt in zijn lofzang over Hem als “de Opgang uit de hoogte” (Lk 1:7878door [de] innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmee [de] Opgang uit [de] hoogte ons zal bezoeken,). In de toekomst “zal naar Zijn tempel komen die HEERE” (Ml 3:11Zie, Ik zend Mijn engel,
die voor Mij de weg bereiden zal.
Plotseling zal naar Zijn tempel komen
die Heere Die u aan het zoeken bent,
de Engel van het verbond,
in Wie u uw vreugde vindt.
Zie, Hij komt,
zegt de HEERE van de legermachten.
)
en “zal de Zon der gerechtigheid opgaan”(Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
.

Zie verder bij Exodus 27:9-15,17,18.


Het gordijn voor de poort

18Het gordijn voor de poort van de voorhof bestond uit borduurwerk, van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode [wol] en van dubbeldraads fijn linnen. Het was twintig el lang; de hoogte – over de [hele] breedte – was vijf el, overeenkomend met de kleden voor de voorhof. 19De vier bijbehorende pilaren en hun vier voetstukken waren van koper en hun haken waren van zilver; het beslag op hun koppen en hun verbindingsstukken waren eveneens van zilver.

Het overgebleven gedeelte van het gordijn aan de oostkant is anders dan de rest. Het is een gordijn voor de poort van de voorhof en is gekleurd. Alleen via deze poort kan iemand naar binnen.

Zie verder bij Exodus 27:16.


De koperen pinnen

20En al de pinnen voor de tabernakel en voor rondom de voorhof waren van koper.

In de tabernakel hebben pilaren hun plaats, maar ook tentpinnen. Pilaren zijn indrukwekkend, terwijl tentpinnen onbetekenend lijken. Toch zijn beide nodig. In de gemeente zijn mannen als “Jakobus, Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn” (Gl 2:99en toen zij de genade die mij gegeven is, erkenden, gaven Jakobus, Kefas en Johannes, die geacht werden steunpilaren te zijn, mij en Barnabas [de] rechterhand van gemeenschap, opdat wij naar de volken en zij naar de besnedenen [gingen];). Er zijn echter ook talloze mannen en vrouwen van wie wij geen naam weten, maar die bij God bekend zijn. Allen zijn nodig. Zonder pilaren kan er geen gebouw zijn; zonder tentpinnen blijven de pilaren niet staan.

Zie verder bij Exodus 27:19.


De kosten van de tabernakel

21Dit zijn de getelde voorwerpen voor de tabernakel, de tabernakel van de getuigenis, die op bevel van Mozes geteld zijn door de dienst van de Levieten onder leiding van Ithamar, de zoon van de priester Aäron. 22Bezaleël nu, de zoon van Uri, de zoon van Hur, uit de stam Juda, heeft alles wat de HEERE aan Mozes geboden had, gemaakt, 23en met hem Aholiab, de zoon van Ahisamach, uit de stam Dan, een graveerder, kunstenaar en maker van borduurwerk van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode [wol] en van fijn linnen. 24Al het goud dat bij het werk gebruikt werd, bij al het werk aan het heiligdom, namelijk het goud [afkomstig] van het beweegoffer, bedroeg negenentwintig talent en zevenhonderddertig sikkel, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom. 25En het zilver van hen die geteld waren uit de gemeenschap, was honderd talent en duizend zevenhonderdvijfenzeventig sikkel, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom. 26Eén beka per persoon, [dat is] een halve sikkel, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom, voor ieder die bij de getelde personen van twintig jaar oud en daarboven ging behoren, zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig [man]. 27Ook was er honderd talent zilver om de voetstukken van het heiligdom en de voetstukken van het voorhangsel te gieten: honderd voetstukken voor honderd talent, [één] talent per voetstuk. 28Van de duizend zevenhonderdvijfenzeventig [sikkel] maakte hij de haken aan de pilaren; hij overtrok hun koppen, en maakte er verbindingsstukken aan vast. 29Het koper van het beweegoffer bedroeg zeventig talent en tweeduizend vierhonderd sikkel. 30Daarvan maakte hij de voetstukken bij de ingang van de tent van ontmoeting, het koperen altaar, het koperen rooster dat daarbij hoorde, al de voorwerpen van het altaar, 31de voetstukken rondom de voorhof, de voetstukken bij de poort van de voorhof, alle pinnen voor de tabernakel en alle pinnen rondom de voorhof.

Alles wordt geteld. Voor God is elk offer, elke bijdrage aan de tabernakel, Zijn woning, in tel. Het wordt voor Hem in gedachtenis gebracht (Ex 30:1616U moet het geld ter verzoening van de Israëlieten nemen en het bestemmen voor de dienst van de tent van ontmoeting. Het moet een herinnering voor de Israëlieten zijn voor het aangezicht van de HEERE, om voor uw leven verzoening te doen.). Ook wij moeten tellen of alles er nog is, of we niet bepaalde waarheden tekortdoen, die onderbelichten, terwijl we andere waarheden onevenredig benadrukken.

Het goud van de tabernakel komt van de vrijwillige gaven. Het zilver komt van de getelden. Dat wil zeggen dat het bedrag aan zilver voor iedereen hetzelfde is, want ieder van de getelden moet een halve sikkel betalen (Ex 30:11-1611Verder sprak de HEERE tot Mozes:12Wanneer u het aantal Israëlieten opneemt, volgens hun tellingen, dan moet ieder bij hun telling aan de HEERE een losgeld geven voor zijn leven, opdat er bij hun telling geen plaag over hen komt.13Dit moeten allen die bij de getelden gaan behoren, geven: een halve sikkel, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom (de sikkel is twintig gera [waard]), een halve sikkel als een hefoffer voor de HEERE.14Al wie bij de getelden gaat behoren, van twintig jaar oud en daarboven, moet het hefoffer voor de HEERE geven.15De rijke mag niet meer en de arme niet minder geven dan een halve sikkel, als u het hefoffer voor de HEERE geeft om voor uw leven verzoening te doen.16U moet het geld ter verzoening van de Israëlieten nemen en het bestemmen voor de dienst van de tent van ontmoeting. Het moet een herinnering voor de Israëlieten zijn voor het aangezicht van de HEERE, om voor uw leven verzoening te doen.).

Van dit zilver worden de voetstukken van het heiligdom gegoten. Dat wil zeggen dat iedereen op dezelfde basis deel uitmaakt van het huis van God. Hoe verschillend we overigens ook kunnen zijn, we hebben allemaal de fundamentele waarheden van Christus’ verzoeningswerk nodig. Alleen het geloof daarin maakt dat we deel uitmaken van Gods huis, de gemeente.


Lees verder