Exodus
1-10 Het reukofferaltaar 11-16 De heffing bij de telling 17-21 Het wasvat 22-33 De heilige zalfolie 34-38 Het heilige reukwerk
Het reukofferaltaar

1U moet ook een altaar voor het branden van reukwerk maken. Van acaciahout moet u het maken; 2zijn lengte moet een el zijn en zijn breedte een el – vierkant moet het zijn – en zijn hoogte twee el. De bijbehorende horens moeten er één geheel mee vormen. 3U moet dat vervolgens met zuiver goud overtrekken, zijn bovenkant, zijn wanden rondom, en zijn horens. Ook moet u er een gouden rand omheen maken. 4Ook moet u er twee gouden ringen voor maken, onder de rand ervan; aan zijn beide kanten moet u die maken, aan weerskanten ervan. Ze moeten dienen als houders voor de draagbomen om het [altaar] daarmee te dragen. 5Verder moet u de draagbomen van acaciahout maken en ze met goud overtrekken. 6U moet het vervolgens vóór het voorhangsel, dat voor de ark van de getuigenis [hangt], plaatsen, vóór het verzoendeksel, dat boven de getuigenis is, waar Ik u zal ontmoeten. 7En Aäron moet daarop geurig reukwerk in rook laten opgaan. Elke morgen als hij de lampen in orde gebracht heeft, moet hij het in rook laten opgaan. 8Ook als Aäron de lampen tegen het vallen van de avond zal aansteken, moet hij het in rook laten opgaan. Het moet een voortdurend reukwerk zijn voor het aangezicht van de HEERE, [al] uw generaties door. 9U mag daarop geen ander reukwerk in rook op laten gaan, geen brandoffer of graanoffer. En u mag daarop geen plengoffer uitgieten. 10Aäron moet dan eenmaal per jaar aan de horens van [het altaar] verzoening doen met [een deel] van het bloed van het zondoffer ter verzoening. Eenmaal per jaar moet hij aan [de horens] verzoening doen, [al] uw generaties door; het is allerheiligst voor de HEERE.

In dit hoofdstuk komen de voorwerpen aan de orde die nodig zijn om als priester tot God te naderen. Het begint met het reukofferaltaar. Het reukofferaltaar is het tweede altaar. Het staat in het heilige, vlak voor de voorhang. Het eerste altaar, het brandofferaltaar, staat in de voorhof. Het brandofferaltaar is van koper, het reukofferaltaar is van goud. Koper spreekt van de gerechtigheid van God, goud spreekt van de heerlijkheid van God.

Het reukwerk stelt gebed en aanbidding voor (Ps 141:22Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
laat mijn opgeheven handen [als] het avondoffer zijn.
; Op 5:88En toen Het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen.)
. Het altaar is een beeld van de Heer Jezus. Hij brengt ons reukwerk, dat zijn onze gebeden en aanbidding, bij God (Op 8:3-43En een andere Engel kwam en ging bij het altaar staan met een gouden wierookvat; en Hem werden veel reukwerken gegeven, opdat Hij [kracht] zou geven aan de gebeden van alle heiligen op het gouden altaar dat vóór de troon was.4En de rook van de reukwerken steeg op met de gebeden van de heiligen uit [de] hand van de Engel vóór God.), waardoor het voor God aangenaam wordt. Dat het altaar “vóór het verzoendeksel” wordt geplaatst, herinnert ook aan de Heer Jezus als de Voorspraak bij de Vader: “Als iemand zondigt, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige” (1Jh 2:11Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen opdat u niet zondigt. En als iemand zondigt, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, [de] Rechtvaardige;).

De maten van het reukofferaltaar zijn kleiner dan die van het brandofferaltaar. Het brandofferaltaar is er dan ook voor alle mensen: iedereen kan behouden worden op grond van het werk van de Heer Jezus. Het reukofferaltaar is alleen voor hen die behouden zijn, die als priesters met aanbidding tot God kunnen naderen.

De draagstokken wijzen erop dat het een dienst is die in de woestijn plaatsvindt. We mogen in de geest ingaan in het heiligdom, terwijl onze voeten nog op aarde staan.

Het offeren van het reukwerk wordt direct verbonden aan het aansteken van de lampen door Aäron. Dat spreekt ervan dat Goddelijk licht nodig is om God te aanbidden. We moeten weten hoe Hij wil dat we Hem aanbidden (Jh 4:2424God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.). Er mag niets bij zijn van onszelf, van onze eigen gedachten. God wil van ons over Zijn Zoon horen wat Hij in Hem ziet. In Zijn Woord heeft Hij bekendgemaakt hoe Hij over Zijn Zoon denkt (Mt 3:1717en zie, een stem uit de hemelen zei: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden.;17:5). Door Zijn Geest mogen wij dat ook zien.


De heffing bij de telling

11Verder sprak de HEERE tot Mozes: 12Wanneer u het aantal Israëlieten opneemt, volgens hun tellingen, dan moet ieder bij hun telling aan de HEERE een losgeld geven voor zijn leven, opdat er bij hun telling geen plaag over hen komt. 13Dit moeten allen die bij de getelden gaan behoren, geven: een halve sikkel, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom (de sikkel is twintig gera [waard]), een halve sikkel als een hefoffer voor de HEERE. 14Al wie bij de getelden gaat behoren, van twintig jaar oud en daarboven, moet het hefoffer voor de HEERE geven. 15De rijke mag niet meer en de arme niet minder geven dan een halve sikkel, als u het hefoffer voor de HEERE geeft om voor uw leven verzoening te doen. 16U moet het geld ter verzoening van de Israëlieten nemen en het bestemmen voor de dienst van de tent van ontmoeting. Het moet een herinnering voor de Israëlieten zijn voor het aangezicht van de HEERE, om voor uw leven verzoening te doen.

De heffing bij de telling laat zien ten behoeve van wie de priesterdienst wordt uitgeoefend: een verlost volk. Bij de telling komt ieder mens persoonlijk voor Gods aangezicht. Dat betekent oordeel omdat de mens een zondaar is. Maar dat oordeel gaat voorbij aan hen voor wie is betaald.

Hier gaat het niet om bloed, maar om geld. Bloed spreekt van verzoening. Geld wordt betaald als een erkenning van het recht dat God op ieder heeft, hier in het bijzonder in verbinding met het heiligdom.

Bij deze heffing is het bedrag voor iedereen gelijk. De arme en de rijke betalen evenveel. Er is bij God geen aanzien des persoons (Hd 10:3434Petrus nu opende zijn mond en zei: In waarheid merk ik dat er bij God geen aanzien des persoons is,; Jb 34:1919Hij trekt geen partij voor de vorsten,
en trekt de rijke niet voor boven de arme,
want zij zijn allemaal het werk van Zijn handen.
)
. Ieder kind van God moet zich bewust zijn van het volle recht dat God op hem heeft, of hij nu pas bekeerd is of al langer de Heer kent, of hij nu veel of nog maar weinig van de Heer Jezus weet (Sp 22:22Rijken en armen ontmoeten elkaar,
de HEERE heeft hen allen gemaakt.
)
.

Eens heeft David het volk geteld. Na de telling is er een plaag over het volk gekomen. De oorzaak ervan is dat hij de sterkte van zijn volk heeft willen weten voor zichzelf. Hij is de heffing vergeten, waarin de erkenning van het recht dat God op Zijn volk heeft tot uitdrukking wordt gebracht (1Kr 21:1-281Toen stond de satan op tegen Israël, en hij zette David ertoe aan om Israël te tellen.2David zei tegen Joab en tegen de leiders van het volk: Ga Israël tellen van Berseba tot Dan toe, en breng mij [de uitslag], zodat ik hun aantal weet.3Toen zei Joab: Moge de HEERE er aan Zijn volk honderdmaal [meer] toevoegen dan zij [nu] zijn; [maar,] mijn heer de koning, zijn zij niet allen [voor] mijn heer tot dienaren? Waarom wil mijn heer dit? Waarom zou hij Israël tot schuld worden?4Het woord van de koning was echter te sterk voor Joab. Daarom trok Joab weg, en hij ging door heel Israël; daarna kwam hij [terug] in Jeruzalem.5Joab gaf David het aantal van het getelde volk: er waren in heel Israël één miljoen honderdduizend man die het zwaard [konden] hanteren, en [in] Juda vierhonderdzeventigduizend man, die het zwaard [konden] hanteren.6Levi en Benjamin telde hij echter onder hen niet, want Joab had een afschuw van het woord van de koning.7En deze zaak was slecht in de ogen van God, daarom trof Hij Israël.8Toen zei David tegen God: Ik heb zwaar gezondigd, [omdat] ik deze zaak gedaan heb. Maar nu, neem de ongerechtigheid van Uw dienaar toch weg, want ik heb heel dwaas gehandeld.9De HEERE sprak tot Gad, de ziener van David:10Ga [op weg] en spreek tot David: Zo zegt de HEERE: Drie dingen leg Ik u voor; kies er voor u één daarvan uit, dan zal Ik dat bij u doen.11Toen kwam Gad naar David, en zei tegen hem: Zo zegt de HEERE: Kies voor u:12óf drie jaar hongersnood, óf drie maanden weggevaagd worden voor uw vijanden, terwijl het zwaard van uw vijanden [u] inhaalt; óf drie dagen het zwaard van de HEERE: de pest in het land, met de engel van de HEERE die in heel het gebied van Israël verderf aanricht. Welnu, zie wat voor antwoord ik Hem Die mij gezonden heeft, moet brengen.13Toen zei David tegen Gad: Het benauwt mij zeer. Laat mij toch in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheid is zeer groot. Laat mij echter niet in de hand van mensen vallen.14Toen gaf de HEERE [een uitbraak van] de pest in Israël. En er viel van Israël zeventigduizend man.15Vervolgens zond God een engel naar Jeruzalem om er verderf aan te richten. Maar toen hij er verderf aanrichtte, zag de HEERE het, en Hij kreeg berouw over dit kwaad, en Hij zei tegen de engel die verderf [onder het volk] aanrichtte: Het is genoeg, trek uw hand nu terug. Nu stond de engel van de HEERE [op dat moment] bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.16Toen David zijn ogen opsloeg, zag hij de engel van de HEERE staan tussen de aarde en de hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem. Toen wierpen David en de oudsten, gehuld in rouwgewaden, zich met hun gezichten [ter aarde].17David zei tegen God: Ben ik het niet die gezegd heb dat men het volk tellen zou? Ja, ik zelf ben het, die gezondigd en volstrekt kwalijk gehandeld heb, maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? HEERE, mijn God, laat Uw hand toch tegen mij en tegen mijn familie zijn, maar niet als een plaag tegen Uw volk.18Toen zei de engel van de HEERE tegen Gad dat hij tegen David moest zeggen dat David [de heuvel] op moest gaan om voor de HEERE op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet, een altaar op te richten.19En David ging naar boven, overeenkomstig het woord van Gad, dat hij in de Naam van de HEERE gesproken had.20Toen Ornan zich omkeerde, zag hij de engel; en zijn vier zonen, die bij hem waren, verborgen zich. En Ornan dorste tarwe.21David kwam naar Ornan, en Ornan keek op en zag David. Daarop kwam hij de dorsvloer af en boog zich voor David neer, met [zijn] gezicht ter aarde.22En David zei tegen Ornan: Geef mij de plaats van de dorsvloer, om daarop voor de HEERE een altaar te bouwen; geef ze mij voor de volle prijs, zodat de plaag over het volk tot stilstand gebracht wordt.23Toen zei Ornan tegen David: Neem [ze] maar voor uzelf, en laat mijn heer de koning doen wat goed is in zijn ogen. Zie, ik geef de runderen voor de brandoffers, en de dorssleden voor het [brand]hout, en de tarwe voor het graanoffer; ik geef dat alles.24Toen zei koning David tegen Ornan: Nee, ik wil het beslist voor de volle prijs kopen, want ik wil niet wat van u is voor de HEERE nemen, zodat ik een brandoffer breng dat niets kost.25David gaf daarop aan Ornan voor die plaats in gewicht zeshonderd sikkel goud.26Vervolgens bouwde David daar voor de HEERE een altaar, en bracht brandoffers en dankoffers. Toen hij de HEERE aanriep, antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar.27Daarna zei de HEERE tegen de engel dat hij zijn zwaard weer in zijn schede moest steken.28In die tijd, toen David zag dat de HEERE hem geantwoord had op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet, offerde hij daar.).


Het wasvat

17En de HEERE sprak tot Mozes: 18U moet vervolgens een koperen wasvat maken, met een bijbehorend koperen voetstuk, voor het wassen. En u moet het plaatsen tussen de tent van ontmoeting en het altaar, en er water in doen, 19zodat Aäron en zijn zonen hun handen en voeten [met water] daaruit kunnen wassen. 20Wanneer zij de tent van ontmoeting binnengaan, moeten zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven. Of wanneer zij tot het altaar naderen om dienst te doen door een vuuroffer voor de HEERE in rook te laten opgaan, 21moeten zij hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven. Dit is een eeuwige verordening voor hen, voor [Aäron] en zijn nageslacht, [al] hun generaties door.

Het wasvat laat zien onder welke voorwaarde de priesterdienst wordt uitgeoefend. Bij deze reiniging gaat het niet om de reiniging van de zondaar. In het wasvat worden alleen de handen en de voeten gewassen, terwijl de zondaar geheel gewassen moet worden. Dat is bij de priester al gebeurd (Ex 29:44Dan moet u Aäron en zijn zonen naar voren laten komen, naar de ingang van de tent van ontmoeting, en hen met het water wassen.). Het gaat hier om de dagelijkse reiniging, omdat we dagelijks bezoedeld worden vanwege onze wandel door de wereld.

Er zijn vier reinigingen van de gelovige:
1. De ergste vorm van verontreiniging is die vanwege een zonde die we hebben toegelaten in ons leven. Reiniging daarvan gebeurt door een zondoffer (Lv 4:1-351De HEERE sprak tot Mozes:2Spreek tot de Israëlieten en zeg: Als een persoon zondigt door een onopzettelijke overtreding van enig gebod van de HEERE, [iets] wat niet gedaan mag worden, maar wat hij [toch] doet tegen één van de [geboden]3– [ook] als de priester, de gezalfde, gezondigd heeft, zodat het volk schuldig wordt –, dan moet hij voor zijn zonde, die hij begaan heeft, als zondoffer aan de HEERE een jonge stier aanbieden – het jong van een rund – zonder enig gebrek.4Dan moet hij de jonge stier bij de ingang van de tent van ontmoeting voor het aangezicht van de HEERE brengen, zijn hand op de kop van de jonge stier leggen en de jonge stier slachten voor het aangezicht van de HEERE.5Vervolgens moet de priester, de gezalfde, [een deel] van het bloed van de jonge stier nemen en het naar de tent van ontmoeting brengen.6Dan moet de priester zijn vinger in het bloed dopen en [een deel] van het bloed moet hij zeven keer sprenkelen voor het aangezicht van de HEERE, namelijk vóór het voorhangsel van het heilige.7En de priester moet [een deel] van het bloed strijken op de horens van het altaar voor het geurige reukwerk, dat in de tent van ontmoeting staat voor het aangezicht van de HEERE. En hij moet al het [overige] bloed van de jonge stier uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat [bij] de ingang van de tent van ontmoeting staat.8Verder moet hij al het vet van de jonge stier van het zondoffer omhoogheffen, het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat aan de ingewanden vastzit,9dan de beide nieren met het vet dat eraan vastzit, tegen de lendenen aan, en de kwab aan de lever, die hij tegelijk met de nieren moet verwijderen,10net zoals het van het rund van het dankoffer omhooggeheven wordt. De priester moet dat vervolgens op het brandofferaltaar in rook laten opgaan.11Maar de huid van de jonge stier en al zijn vlees, met zijn kop en met zijn poten, en zijn ingewanden en zijn mest,12dus heel de jonge stier, moet hij naar buiten brengen, tot buiten het kamp, naar een reine plaats, naar de stortplaats van de as. Dan moet hij hem op hout met vuur verbranden. Op de stortplaats van de as moet hij verbrand worden.13Als echter heel de gemeenschap van Israël zonder opzet gezondigd heeft en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is gebleven, en zij iets gedaan hebben [tegen] enig gebod van de HEERE, wat niet gedaan mag worden, en [dus] schuldig zijn geworden,14en als de zonde die zij daartegen begaan hebben, bekend is geworden, dan moet de gemeente een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer aanbieden en die vóór de tent van ontmoeting brengen.15Vervolgens moeten de oudsten van de gemeenschap hun handen op de kop van de jonge stier leggen, voor het aangezicht van de HEERE. Daarna moet men de jonge stier slachten voor het aangezicht van de HEERE.16Dan moet de priester, de gezalfde, [een deel] van het bloed van de jonge stier naar de tent van ontmoeting brengen.17En de priester moet zijn vinger in [een deel] van het bloed dopen en [dat] zeven keer sprenkelen voor het aangezicht van de HEERE, namelijk vóór het voorhangsel.18[Een deel] van het bloed moet hij dan op de horens van het altaar strijken dat voor het aangezicht van de HEERE is, in de tent van ontmoeting. En al het [overige] bloed moet hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat [bij] de ingang van de tent van ontmoeting staat.19Verder moet hij ook al zijn vet eruit omhoogheffen en op het altaar in rook laten opgaan.20Hij moet dan met de jonge stier doen net zoals hij met de jonge stier van het zondoffer gedaan heeft. Zo moet hij ermee doen. Zo zal de priester voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden.21Vervolgens moet hij de jonge stier naar buiten brengen, tot buiten het kamp, en hem verbranden, net zoals hij de eerste jonge stier verbrand heeft. Het is een zondoffer van de gemeente.22Als een leider gezondigd heeft en zonder opzet tegen een van alle geboden van de HEERE zijn God iets gedaan heeft wat niet gedaan mag worden, zodat hij schuldig is,23of [als] zijn zonde, die hij daartegen begaan heeft, hem [later] bekendgemaakt wordt, dan moet hij zijn offergave brengen: een geitenbok, een mannetje zonder enig gebrek.24Dan moet hij zijn hand op de kop van de bok leggen en hem slachten op de plaats waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht van de HEERE. Het is een zondoffer.25Vervolgens moet de priester met zijn vinger [een deel] van het bloed van het zondoffer nemen en [het] op de horens van het brandofferaltaar strijken. Hij moet het [overige] bloed aan de voet van het brandofferaltaar uitgieten.26Verder moet hij al het vet ervan op het altaar in rook laten opgaan, net zoals het vet van het dankoffer. Zo zal de priester voor hem verzoening van zijn zonden doen, en het zal hem vergeven worden.27Als één persoon uit de bevolking van het land zonder opzet gezondigd heeft omdat hij iets gedaan heeft [tegen] een van de geboden van de HEERE, [iets] wat niet gedaan mag worden, zodat hij schuldig is geworden,28of [als] zijn zonde die hij begaan heeft, hem [later] bekendgemaakt wordt, dan moet hij zijn offergave brengen: een geit, een vrouwtje zonder enig gebrek, voor zijn zonde, die hij begaan heeft.29Dan moet hij zijn hand op de kop van het zondoffer leggen, en men moet dat zondoffer slachten op de plaats van het brandoffer.30Vervolgens moet de priester met zijn vinger [een deel] van haar bloed nemen en het op de horens strijken van het brandofferaltaar. En al haar [overige] bloed moet hij aan de voet van het altaar uitgieten.31Verder moet hij al het vet ervan verwijderen, net zoals het vet van het dankoffer verwijderd wordt. En de priester moet het op het altaar in rook laten opgaan als een aangename geur voor de HEERE. Zo zal de priester verzoening voor hem doen, en het zal hem vergeven worden.32Als hij nu een lam brengt als zijn offergave voor een zondoffer, moet het een vrouwtje zijn dat hij brengt, zonder enig gebrek.33Dan moet hij zijn hand op de kop van het zondoffer leggen en het slachten als een zondoffer op de plaats waar men het brandoffer slacht.34Vervolgens moet de priester met zijn vinger [een deel] van het bloed van het zondoffer nemen en het op de horens van het brandofferaltaar strijken. En al zijn [overige] bloed moet hij aan de voet van het altaar uitgieten.35Verder moet hij al het vet ervan verwijderen, net zoals het vet verwijderd wordt van het lam van het dankoffer. De priester moet het op het altaar in rook laten opgaan, op de vuuroffers van de HEERE. Zo zal de priester verzoening voor hem doen over zijn zonde, die hij begaan heeft, en het zal hem vergeven worden.). We moeten die zonde belijden, wat inhoudt dat we opnieuw inzien en erkennen dat de Heer Jezus voor die zonde in de dood heeft moeten gaan.
2. De tweede verontreiniging ontstaat door aanraking met de dood. Numeri 19 geeft aan hoe we daarvan gereinigd kunnen worden (Nm 19:1-221De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron:2Dit is de wetsverordening die de HEERE geboden heeft: Spreek tot de Israëlieten [en zeg] dat zij een rode koe zonder enig gebrek bij u moeten brengen, waaraan geen onvolkomenheid is, waarop nog geen juk gekomen is.3U moet die aan de priester Eleazar geven, en men moet haar buiten brengen, tot buiten het kamp, en haar voor zijn [ogen] slachten.4En de priester Eleazar moet met zijn vinger [een deel] van haar bloed nemen, en hij moet [een deel] van haar bloed zeven keer in de richting van de voorkant van de tent van ontmoeting sprenkelen.5Men moet de koe voor zijn ogen verbranden. Haar huid, haar vlees en haar bloed, met haar mest, moet men verbranden.6De priester moet cederhout, hysop en karmozijn nemen, en moet dat midden in de brandende koe werpen.7Dan moet de priester zijn kleding wassen, en zijn lichaam in het water wassen, en daarna het kamp in gaan, en de priester is tot de avond onrein.8Ook hij die haar verbrand heeft, moet zijn kleren met water wassen en zijn lichaam met water wassen, en hij is tot de avond onrein.9En iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en buiten het kamp op een reine plaats wegleggen. Die [as] is voor de gemeenschap van de Israëlieten om te bewaren, [bestemd] voor reinigingswater. Het is [een middel tot] ontzondiging.10Hij die de as van de koe verzameld heeft, moet zijn kleren wassen, en hij is tot de avond onrein. Dit is voor de Israëlieten, en voor de vreemdeling die in hun midden verblijft, tot een eeuwige verordening.11Wie een dode, welk dood lichaam van een mens ook, aanraakt, die is zeven dagen onrein.12Op de derde dag moet hij zichzelf met [water] ontzondigen, dan is hij op de zevende dag rein. Als hij zich echter op de derde dag niet ontzondigt, is hij op de zevende dag niet rein.13Ieder die een dode, het dode lichaam van een mens die gestorven is, aanraakt, en zich niet ontzondigd heeft, die verontreinigt de tabernakel van de HEERE. Daarom moet die persoon uit Israël uitgeroeid worden. Omdat het reinigingswater niet op hem gesprenkeld is, is hij onrein [en] zijn onreinheid is nog in hem.14Dit is de wet [die geldt] wanneer een mens in een tent gestorven is: ieder die deze tent in gaat en ieder die in deze tent aanwezig is, is zeven dagen onrein.15Ook elk open vat, waaraan geen bedekking met een koord is [vastgemaakt], is onrein.16En ieder die in het open veld iemand die door het zwaard gevallen is, een dode, de beenderen van een mens of een graf aanraakt, is zeven dagen onrein.17Voor zo'n onreine moet men wat van de as van [het dier dat] voor de ontzondiging verbrand [is], nemen, en daarop in een vat bronwater gieten.18En iemand die rein is, moet hysop nemen en [die] in dat water dopen, en [dat] moet hij op de tent sprenkelen, en op al de voorwerpen, en op de personen die daar aanwezig waren, ook op hem die de beenderen, de vermoorde, de dode of het graf aangeraakt heeft.19Degene die rein is, moet degene die onrein is, op de derde dag en op de zevende dag besprenkelen, en op de zevende dag moet hij hem ontzondigen. Dan moet hij zijn kleren wassen en zich met water wassen en is hij 's avonds rein.20Wie daarentegen onrein is en zich niet ontzondigt, die persoon moet uit het midden van de gemeente uitgeroeid worden, want hij heeft het heiligdom van de HEERE verontreinigd, het reinigingswater is niet op hem gesprenkeld: hij is onrein.21Het is voor hen een eeuwige verordening. Hij die het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren wassen. Ook hij die het reinigingswater aanraakt, is tot de avond onrein.22Ja, alles wat een onreine aanraakt, is onrein. Ook de persoon die [dat] aanraakt, is tot de avond onrein.). Dit is het geval als we bij ons gaan door de wereld dingen zien of horen die onze geest bevuilen. Dan is er reinigingswater nodig. Door het lezen van Gods Woord worden we rein.
3. De derde vorm is het zelfonderzoek in het licht van Gods Woord voordat we het heiligdom binnengaan om priesterdienst te doen. Dat zien we in het wasvat.
4. De vierde vorm heeft te maken met een nog hogere vorm van gemeenschap, die met de Vader en de Zoon. Daarvan is geen beeld in het Oude Testament. Daarvoor zien we de Heer Jezus bezig in Johannes 13 (Jh 13:1-111Vóór het feest van het Pascha nu heeft Jezus, Die wist dat Zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader [en] Die de Zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot [het] einde.2En tijdens [de] maaltijd, toen de duivel Judas Iskariot, [de zoon] van Simon, al in het hart gegeven had Hem over te leveren,3stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op4en legde Zijn kleren af; en Hij nam een linnen doek en omgordde Zich.5Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten van de discipelen te wassen en af te drogen met de linnen doek waarmee Hij omgord was.6Hij kwam dan tot Simon Petrus; deze zei tot Hem: Heer, wast U mijn voeten?7Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar je zult het hierna begrijpen.8Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij.9Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!10Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.11Want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.) om de Zijnen deel te geven met Hem (Jh 13:8b8Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij.).

Van het wasvat worden geen afmetingen gegeven. Dat wijst erop dat er geen grens is aan Gods mogelijkheden en geduld om te reinigen.


De heilige zalfolie

22Verder sprak de HEERE tot Mozes: 23Wat u betreft, neem voor uzelf de beste specerijen: vijfhonderd [sikkel] vloeibare mirre, en half zoveel ervan, [dus] tweehonderdvijftig [sikkel] geurige kaneel, tweehonderdvijftig sikkel geurige kalmoes, 24ook vijfhonderd [sikkel] kassia, [gerekend] volgens de sikkel van het heiligdom, en een hin olijfolie. 25U moet daarvan heilige zalfolie maken, een zorgvuldig bereid mengsel, werk van een zalfbereider. Het moet heilige zalfolie zijn. 26U moet daarmee de tent van ontmoeting zalven, de ark van de getuigenis, 27de tafel met alle bijbehorende voorwerpen, de kandelaar met de bijbehorende voorwerpen, het reukofferaltaar, 28het brandofferaltaar met alle bijbehorende voorwerpen, en het wasvat met zijn voetstuk. 29U moet ze dan heiligen, zodat ze allerheiligst zijn; ieder die ze aanraakt, wordt heilig. 30U moet ook Aäron en zijn zonen zalven, en hen heiligen om Mij als priester te dienen. 31Vervolgens moet u tot de Israëlieten spreken: Dit is heilige zalfolie voor Mij, [al] uw generaties door. 32Een mensenlichaam mag er niet mee gezalfd worden; ook mag u niet iets soortgelijks maken volgens de bereidingswijze van [deze olie]. Ze is heilig, heilig moet ze voor u zijn. 33Ieder die zo'n mengsel maakt als dit, of die daarvan [iets] op een onbevoegde strijkt, moet uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten.

De heilige zalfolie stelt de Heilige Geest voor (1Jh 2:20,2720En u hebt [de] zalving vanwege de Heilige en u weet alles.27En wat u betreft, de zalving die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig dat iemand u leert; maar zoals Zijn zalving u over alles leert, en waar is en geen leugen, en zoals zij u geleerd heeft, blijft u in Hem.). De verschillende specerijen zien op de heerlijkheden van Christus. Die heerlijkheden worden openbaar in gelovigen die de genadegave gebruiken die ze van de Geest ontvangen hebben. Waar de Heilige Geest in en onder de gelovigen werkt, zal dat een kostelijke geur verspreiden (Ps 133:22Het is als de kostelijke olie op het hoofd,
die neerdaalt op de baard, de baard van Aäron,
die neerdaalt op de zoom van zijn priesterkleed.
)
. Waar Hij werkt, wordt de heerlijkheid van Christus openbaar.

Alle voorwerpen van de tabernakel worden pas gebruikt nadat ze gezalfd zijn. Alles in de dienst voor God heeft alleen waarde als het gebeurt als een werk van de Heilige Geest. Er kan niets tot God komen wat niet van Hem komt (1Kr 29:14b14Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de kracht zouden hebben om vrijwillig te geven zoals dit? Want van U is alles, en uit Uw hand hebben wij het U gegeven.), en in wat tot Hem komt, moet Christus aanwezig zijn (Jh 5:23b23opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet Die Hem heeft gezonden.). In onze dienst moet in elk element ervan de heerlijkheid van Christus zichtbaar worden.

Alleen wat aan God geheiligd is, mag met deze olie worden gezalfd. Mensen die geen leven uit God hebben, kunnen de indruk wekken dat zij in dienst van God staan. Er kunnen ook elementen in een dienst aan God zijn die wel de schijn hebben gezalfd te zijn, maar het niet zijn. We herkennen mensen die schijnbaar een dienst voor God doen bijvoorbeeld in vrijzinnige theologen; de schijnbaar gezalfde elementen herkennen we bijvoorbeeld in het prediken van de alverzoening. Het is allebei kwaad in de ogen van God. Het mag in de dienst aan Hem geen plaats hebben en moet worden uitgeroeid.


Het heilige reukwerk

34Verder zei de HEERE tegen Mozes: Neem voor uzelf geurige specerijen: druipende hars, onyx en galbanum, [dus] geurige specerijen, en zuivere wierook. Dit [alles] moet in gelijke hoeveelheden zijn. 35Dan moet u daar reukwerk van maken, een mengsel, werk van een zalfbereider, met zout gemengd, zuiver [en] heilig. 36Vervolgens moet u [een deel] daarvan tot heel fijn poeder wrijven en [een deel] daarvan voor de getuigenis in de tent van ontmoeting leggen, waar Ik u ontmoeten zal. Het moet allerheiligst voor u zijn. 37En wat het reukwerk betreft dat u maakt, mag u niets voor uzelf maken volgens de bereidingswijze van [dit reukwerk]. Het moet u heilig zijn, voor de HEERE. 38Ieder die iets dergelijks maakt om eraan te ruiken, moet uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten.

De zalfolie is voor de dienst, het reukwerk is direct voor God. Het is de toegevoegde waarde aan de offers. Het offer van de Heer Jezus is daarom zo aangenaam voor God omdat Hij het heeft gebracht. De heerlijkheid van Zijn Persoon maakte het offer zo volmaakt welgevallig.

Alles bij Hem is volmaakt in evenwicht, alles is “in gelijke hoeveelheden”. Hij toont volmaakte liefde waar dat nodig is en volmaakte heiligheid waar dat nodig is. God wil daaraan door ons herinnerd worden.

Wij kunnen slechts per ‘deel’ naar Hem kijken. Ons kennen is ten dele, dat wil zeggen in delen of stuksgewijs (1Ko 13:1212Want wij kijken nu door een spiegel, wazig, maar dan van aangezicht tot aangezicht, nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen zoals ook ik gekend ben.). Wij moeten steeds een deel apart bekijken en zijn niet in staat om alles in zijn volle omvang te kennen. Alleen God ziet alle delen in hun volkomen samenhang: niemand kent de Zoon dan de Vader (Mt 11:27a27Alles is Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon, en hij aan wie de Zoon [Hem] wil openbaren.). Wij mogen er wel van genieten. Als wij dit reukwerk aan God offeren, aan Hem vertellen over de volmaaktheden van Zijn Zoon, ruiken wij er ook de heerlijkheid van.

Evenals bij de zalfolie verbiedt de HEERE ook bij het reukwerk dat de mens er iets van voor zichzelf maakt. Het is heilig voor de HEERE, wat betekent dat het alleen voor Hem bestemd is. Bij wie zelf wil schitteren met wat hij van de Heer Jezus heeft gezien, zal de zonde zich openbaren. Zo iemand moet uit het midden van de gelovigen worden weggedaan (1Ko 5:13b13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.).

In beeld zien we dat bij koning Uzzia. Hij wil tegen het uitdrukkelijke gebod van de HEERE in reukwerk offeren. Dan breekt er melaatsheid aan zijn voorhoofd uit en wordt hij verdreven uit de tempel (2Kr 26:16-2116Maar toen hij sterk geworden was, werd zijn hart hoogmoedig, tot [zijn eigen] verderf. Hij werd ontrouw aan de HEERE, zijn God. Hij ging namelijk de tempel van de HEERE binnen om [reukwerk] in rook te laten opgaan op het reukofferaltaar.17Maar de priester Azaria ging hem achterna, en met hem de priesters van de HEERE, tachtig dappere mannen.18Zij gingen voor koning Uzzia staan en zeiden tegen hem: U komt het niet toe, Uzzia, om voor de HEERE [reukwerk] in rook te laten opgaan, maar het is aan de priesters, de nakomelingen van Aäron, die geheiligd zijn om [reukwerk] in rook te laten opgaan. Ga het heiligdom uit, want u bent ontrouw geweest, en het zal voor u niet tot eer zijn van de HEERE God.19Toen werd Uzzia woedend; het wierookvat was in zijn hand om [reukwerk] in rook te laten opgaan. En terwijl hij woedend was op de priesters, verscheen de melaatsheid op zijn voorhoofd, voor [de ogen van] de priesters, in het huis van de HEERE, bij het reukofferaltaar.20Toen keerde de hoofdpriester Azaria zich naar hem toe, en al de priesters, en zie, hij was melaats aan zijn voorhoofd. En zij verdreven hem haastig daarvandaan, ja, ook hijzelf haastte zich om naar buiten te gaan, omdat de HEERE hem getroffen had.21Koning Uzzia was melaats tot aan de dag van zijn dood. Hij woonde, [omdat] hij melaats was, in een apart staand huis, want hij was van het huis van de HEERE afgesneden. Jotham, zijn zoon, was [aangesteld] over het huis van de koning, en gaf leiding aan de bevolking van het land.). Namaak in de dienst aan God zet Zijn rechten en verlangens opzij. Dat kan Hij niet ongestraft laten.


Lees verder